Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 217]

Fantasio. Een Gedicht der Jeugd.

(Voorgedragen, in der tijd, in de Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen te Rotterdam en te Amsterdam, en elders.)

eerste zang.

I.

 
Houdt gij van boston, whist, van hombre of quadrilleeren?
 
Kunt gij een halven dag verdoen met domineeren?
 
Houdt gij van kegelen, van kolfspel of biljart,
 
Roulette, rouge ou noir? Hing ooit uw pooplend hart
 
Aan rood of zwart, aan steen of kaart, aan pointe of ballen?
 
Zoo ja, - dan zoudt gij mij verschriklijk tegenvallen.
[p. 218]

II.

 
Ik weet niet hoe u één dier spelen kan vermaken;
 
Mij trekt het groene veld meer dan het groene laken,
 
De roode rozen meer dan ruite- of harte-troef;
 
Mijn hart is voor verlies en winst als waterproef;
 
Daar is maar één spel, dat mij hartstocht is en weelde,
 
Daar 'k alles voor laat staan en dat mij nooit verveelde.

III.

 
't Is kinderachtig, haast belachlijk, maar onschuldig!
 
Hebbe eerbied voor mijn zwak, wie jeugd en gratie huldig'!
 
Raketten is mijn lust! 'k zie graag in de open lucht
 
Die witte veders in haar sierelijke vlucht;
 
'k Mag graag den lichten bal, met opgewonden slagen,
 
In 't dichtgelokte blond der lieve Partner jagen!

IV.

 
'k Maak mij niet knorrig als ze in al te wilden ijver,
 
Den bal terug slaat in de sparren, in den vijver;
 
Maar niets zoo prettig, dan wanneer, zoo knap als vlug,
 
Uw opgekaatste bal de lucht klieft en, terug
 
Geslagen door een hand zoo vast als blank en teeder,
 
Wel honderd malen vliegt geregeld heen en weder.

V.

 
En daarom lust het mij - gij ziet, mijn lieve Heeren,
 
Dat ik mij meestal door mijn lusten laat regeeren, -
 
En daarom lust het mij, met opgetogen oog
 
Die wilde ballen die, als pijlen van een boog,
 
Ginds over 't groen terras vóór 't prachtig Buiten vlieden,
 
En licht nog meer 't gelaat der spelers, te bespieden.
[p. 219]

VI.

 
En waarom zou ik niet een oogenblik verpoozen,
 
Hier voor het sierlijk hek, omwingerd al met rozen
 
En kamperfoelie? Wel, 't is warm en zomer, 't is
 
Een derde Junidag, - wanneer 'k mij niet vergis -
 
Ik ben nieuwsgierig en geen tochtje kan mij deren,
 
Dus laat mij naar mijn lust bespiên en fantazeeren.

VII.

 
Ginds ligt het witte Huis in donker groen verborgen:
 
'k Zou van den zomer graag een week vier, vijf, mijn zorgen
 
Daar gaan vergeten! 't ligt zoo vreedzaam en zoo blij.
 
‘Hier is men jong, tevreên, gelukkig, buiten, vrij,’
 
Zoo ruischt mij 't windje door de slanke populieren
 
En breede linden, die rondom het plein versieren.

VIII.

 
En 't windje weet het wel! het mengt zich in de kreten,
 
Die stijgen van 't terras, die van geen zorgen weten!
 
't Is alles lach en scherts, muziek in 't luistrend oor,
 
't Is leven, vrijheid, jeugd, één kunstloos vreugdekoor!
 
Dáár bij den vijver drinkt men thee in 't rieten tentje -
 
En, zoo ik teeknen kon, ik maakte u hier een prentje!

IX.

 
Doch waar' mij 't keurpenseel van d' Italjaan gegeven,
 
Vast zou 't Madonnahoofd, op brandend doek, herleven
 
Der Schoone, die zich ginds bij 't opslaan overbuigt,
 
Nog schooner dan de blik des schalken knaaps getuigt,
 
Die juist op 't oogenblik verward heeft mis geslagen,
 
Als of zijn oogen iets bijzonder lieflijks zagen....
[p. 220]

X.

 
Rein is de blauwe lucht, maar reiner zijn haar oogen,
 
En blauw als 't blauwe gaas, door iedren tocht bewogen,
 
Dat om haar leden golft, zoo schoon bij 't lokkig haar,
 
Blond als in d' ochtendgloed de gouden korenaar; -
 
Zoo niet haar schalke lach u moed gaf en vertrouwen,
 
Zoudt ge op een afstand slechts het wagen haar te aanschouwen!

XI.

 
Ze is jong als de engel Gods, schoon als een bloeiend Eden,
 
Rank - als een droombeeld uit een dichterlijk verleden,
 
Bekoorlijk - als een vrouw, die gij te laat ontmoet
 
In 't leven, die wellicht uw lijden had verzoet,
 
En, zoo ik 't wel versta, bij zooveel andre kreten,
 
Moet zij Maria, of Marie, of Mary heeten!

XII.

 
Marie! geen reiner naam trilde ooit op dichtersnaren!
 
Een naam, dien 'k liefheb, sinds mijn eerste kinderjaren,
 
De schoonste, die daar ooit van 's hemels bergen viel,
 
Als honing voor den mond en balsem voor de ziel;
 
Een naam, geschapen uit den lach der engelkoren,
 
Om eens der schoonste vrouw, der reinste toe te hooren.

XIII.

 
Ave Maria! ruischt door de aardsche doodsvalleien,
 
Ave Maria! klinkt door 's hemels psalmenreien,
 
Ave Maria! lispt de dwepende natuur,
 
In 't uur der Liefde en der Gebeden - 't schemeruur!
 
Als langs het koele strand en door de frissche dreven,
 
Verliefde schimmen van Weleer en Toekomst zweven....
[p. 221]

XIV.

 
Mijn trouwe Hoorders, ik beging hier plagiaten,
 
Één van Barbier, één van Lord Byron - wie kan 't laten?
 
De ideën waren mooi, ze dwaalden in mijn hoofd,
 
En dwaas hij, die nog aan oorspronklijkheid gelooft!
 
De mooíste verzen zijn van anderen gestolen;
 
Vertrouwt de knaapjes niet, die graag in 't donker dolen!

XV.

 
'k Belijd u graag mijn schuld, al ware 't op mijn knieë, -
 
Maar 'k heb een passie voor dien eernaam van Marië!
 
Niet wijl die naam om 't hoofd der uitverkoorne' glanst,
 
Of, als een leliekroon, een eerste liefde omkranst, -
 
Och neen, die reden waar' te maanziek en te eenzijdig,
 
Ik min dien naam en ben op dat punt onpartijdig.

XVI.

 
Welluídend is zijn klank! wat dichterlijke stralen
 
Doet hij op 't blonde hoofd van 't lieve schepsel dalen!
 
Wel was zij schoon - maar ook 't bedorven kind van 't Huis,
 
Een ieders lief en leed, haar Moeders kroon en - kruis!
 
En sinds die jonker van daareven haar het hof maakt,
 
Geloof ik dat haar niets dan enkel zoete lof smaakt.

XVII.

 
En wie was Hij, die 't hart der fiere maagd bekoorde?
 
Zij, die zich nooit voorheen aan bleeke wangen stoorde!
 
Zoo rijk aan minnaars als aan walzers op een bal,
 
Die al de jonkers in den omtrek hield voor mal,
 
En al de vrijers die haar huldigden, voor dezen,
 
De gunst slechts... van hen uit te lachen, had bewezen.
[p. 222]

XVIII.

 
Hij - 't spreekt van zelf - was jong en schoon en zeer bijzonder,
 
In 't oog van 't lieve kind, zoo half en half, een wonder.
 
Een lastige logé, maar die altijd zijn zin
 
In alles daadlijk kreeg. Hij pakte harten in,
 
Zoo vlug als iemand die zijn linnen, vesten, frakken,
 
Op reis met voeten in zijn koffers pleegt te pakken!

XIX.

 
Daar voor het tegendeel niet de allerminste grond is,
 
Beweer ik dat hij even bruin als de andre blond is.
 
En als haar kopje zich naar 't zijne buigt, o zie!
 
Dan lijken ze op die plaat van Night and Morning, die
 
Gij mogelijk wel eens gezien hebt in uw leven,
 
En die gij, zoo ge wilt, aan mij cadeau moogt geven.

XX.

 
Hij was bizaar, vol wilde en romaneske vlagen,
 
En geestig als - de Gids... in lang vervlogen dagen,
 
Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst,
 
Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst,
 
Eer hij professor werd, vervelend en geleerde,
 
Geen lieve meid meer groette en eeuwig door studeerde!

XXI.

 
Ja, jolig als de Gids, toen hij een jong student was,
 
Een schrikbre Groenenplaag, een duchtig malle vent was!
 
Een fatje in 't aadlijk blauw gedost, en fijn van huid,
 
Een ‘blauwe Beul’ temet; een geniale Guit!
 
Een rijzweep in de hand en sporen aan de laarzen,
 
Verklaarde vijand van veel proza en veel verzen!
[p. 223]

XXII.

 
O Gids! - dit en passant - van waar zoo duf en deftig?
 
Waar bleef uw jonge jeugd, zoo bruisend en zoo heftig,
 
Vol spes, vol vuur en vol genie! Zeg kreeg je een kwaal,
 
Of is 't nu zooals 't hoort, beleefd, professoraal?
 
Ampart je deftigheid! één sprongetje, uit je toga!
 
Trakteer je vrinden weer op zoeten wijn en Noga!

XXIII.

 
Hij was een gril met vleesch en been, vol geest en gratie,
 
En onweerstaanbaar in steeds versche konversatie;
 
Een ziel vol liefde en haat, vol schimp en fantazie,
 
Vol dissonanten en vol zuivre harmonie;
 
En daar 'k zijn waren naam u liever wil verbloemen,
 
Zoo lust het mij den knaap Fantasio te noemen.

XXIV.

 
Hij had de wereld vroeg gekend, haar weelde en zorgen
 
Veel ernst en diepte en smart lag in zijn ziel verborgen;
 
Hij was ontwikkeld en bedorven door lektuur,
 
Een Ridder in zijn vorm, een Dichter van natuur,
 
Kortom een intressant, een schoon en schittrend wezen,
 
Die reeds op moeders knie Lord Byron had gelezen!

XXV.

 
Lord Byron!... o wat knaap, die zijn gekrulde haren,
 
Wild als de wildheid van zijn zestien, achttien jaren,
 
Ooit sierlijk golven leit op d' avondwind in 't woud,
 
Wiens oogblik heerschen kon, wiens harte, vrij en stout,
 
Zich blindlings overgaf aan de Eerzucht, kind der Weelde,
 
Wien ooit het algemeene en 't Daaglijksch Brood verveelde;
[p. 224]

XXVI.

 
Wie, dien uw starre blik niet diep in 't harte schokte,
 
Uw jonge wanhoop niet verteederde en verlokte,
 
Uw Grieksche lauwer niet misleid heeft en verrukt,
 
Schoon met den doorn der Pijn, in 't bleek gelaat gedrukt?
 
Wie had de Tering niet, die u de ziel doorgriefde?
 
Wie had de Mary niet, op wie zijn Jeugd verliefde?

XXVII.

 
Maar Childe Harold, zoo ik eens in u geloofde,
 
Als Eva in de slang, die 't Eden haar ontroofde;
 
Zoo 'k eens, op uw gezag, het leven heb geteld
 
Geringer dan het stof, mijn verzen of mijn geld;
 
Zoo 'k immer dweepte, met een ingebeelde smarte,
 
De menschen haten dorst, de halve wereld tartte....

XXVIII.

 
O sinds ik eenmaal, toen 'k van kiespijn half creveerde,
 
Mijn eigen ideaal, uit wrevel, dissekeerde,
 
Held van mijn zwarten Tijd! wat bleef, wat werd er van?
 
Hoe leek mijn Lucifer een spleenzieke Engelschman!...
 
Het martlaarskroontje gleê geleidlijk van mijn lokken,
 
En 'k was aan de' invloed van mijn boozen geest onttrokken.

XXIX.

 
Uw trotschen Meestertoon verbaasd gelijk te geven,
 
U half te aanbidden, 't is een faze in 't jonglingsleven;
 
De knaap, hij buigt niet graag voor 't koel, gezond verstand;
 
't Zijn maar drie woorden, om te zeggen: 'k Heb het Land!
 
Goed staat het, als een snor, op 't Leven wat te vloeken,
 
In alles Bitterheid en Ridikuul te zoeken....
[p. 225]

XXX.

 
Maar met een kalm gelaat, vergevende en tevreden
 
De wereld, als de school des Levens, in te treden;
 
Den Mensch te eerbiedigen als 't godlijkst werk van God;
 
Des Wevers hand te zien in iedren draad van 't lot;
 
De hand te kussen, die kan wonden en genezen;
 
Te weten, wat het zegt, waarachtig mensch te wezen....

XXXI.

 
That is the question! - maar, ik keer, met frissche krachten,
 
Tot mijn verhaal; gij heb geen trek hier te overnachten,
 
En ik nog minder; dus, ik droom of divageer,
 
In de eerste vijf à tien minuten, vast niet weer.
 
Ik grijp den draad, ik leg den knoop nu en wíl hopen,
 
Dat ik dien straks, bij tijds en netjes, moge ontknoopen.

XXXII.

 
Ik smeek mijn Hoorders nu eens dubbel op te letten,
 
Gij raadt volstrekt niet, wat er komt van dat raketten!
 
't Spel is nog altoos en met geestdrift aan den gang,
 
En duurt de lieve maagd voorzeker nooit te lang,
 
Want hij weet telkens iets aan zijn volant te zeggen,
 
Om aan de voeten der geliefde neer te leggen.

XXXIII.

 
Maar zie! daar slaat ze mis! dat is een zeker teeken,
 
Dat zij vermoeid wordt - of naar 't rijpaard heeft gekeken,
 
Dat juist daareven door den jockey voorgebracht,
 
Zijn ruiter - ach, haar vrind! - met ongeduld verwacht.
 
Half knorrig, half voldaan werpt zij 't raket ter zijde,
 
En ik geloof dat zij den jockey haast benijdde.
[p. 226]

XXXIV.

 
Het was een hartstocht van mijn ridderlijken jonker,
 
Te zwerven door het woud, bij 't scheemrend zomerdonker,
 
En nauwlijks ziet hij 't ros, of brengt een vluggen groet
 
Aan heel 't gezelschap, plukt een roos en grijpt zijn hoed,
 
En met een wipje springt en glijdt hij in de beugels,
 
In de ééne nog 't raket, in de andere hand de teugels.

XXXV.

 
Ei, zaagt ge dat? het ging zoo vlug als waar 't getooverd!
 
Zoo vlug als Don Juan ooit hartjes heeft veroverd!
 
Juist op een oogenblik dat ieder in 't priëel
 
't Hoofd wendde naar 't gezang der zoete filomeel,
 
Die me' iedren avond in 't bosschage placht te hooren,
 
Waarom me' ook juist die plek had voor de thee verkoren -

XXXVI.

 
Juist in dat omzien, grijpt - uit een sigarenzakje,
 
Voor 't kreuklen met veel zorg verborgen in zijn frakje -
 
Mijn jonker een volant en slaat dien 't venster in,
 
Dat open venster! dáár! een bode zijner Min,
 
Want in de veertjes lag een rolletje, beschreven
 
Met 't allerliefste Fransch, dat Venus in kon geven.

XXXVII.

 
't Was, als ik zeî, 't werk van een omzien: 'k vind het aardig
 
En heel bizar, en dus mijn held ten volle waardig.
 
Hij legt zijn jockey met den vinger 't zwijgen op,
 
En vliegt van daar als een verwinnaar, in galop!
 
Maar ach! hoe menigmaal de zoetste droomen liegen,
 
En, Hoorders, waar een bal toch niet al heen kan vliegen!
[p. 227]

XXXVIII.

 
Gij denkt, die bal ligt goed in 't slaapsalet van 't meisje,
 
En proponeert haar straks een rendez-vous, een reisje,
 
Een schaakpartij, wie weet! Gij, Hoorders - weet het niet,
 
De jonker evenmin, en zoo 'k u raden lief,
 
Ik vrees, dat ge uw geduld al heel gauw zoudt verliezen
 
En mij liet staan, niet mijn verhaaltjen - in mijn kiezen.

XXXIX.

 
De zaak is, dat er vier, vijf vensters open stonden,
 
De zaak is, dat de knaap, te driftig, te opgewonden,
 
Of door een toeval, zich in 't rechte had vergist,
 
Of door een kleinen tocht zijn doel juist had gemist -
 
Hoe 't zij (ik heb 't verhaal als deugdlijk waar vernomen)
 
De bal, mijn Hoorders, was in 't eind te land gekomen - -

XL.

 
Niét op of bij 't toilet van een bezorgde moeder,
 
Niét naast de sofa van een plagerigen broeder,
 
Niét voor de voeten van een oude, dienstbre geest,
 
Die mooglijk boven juist aan 't wrijven was geweest,
 
Niét in het slaapsalet der rimpelige tante,
 
Maar - vlak voor 't ledikant der Fransche gouvernante.
[p. 228]

tweede zang

I.

 
Mijn Hoorders, 'k wil geen kwaad van gouvernantes spreken,
 
Zelfs niet, al zou het zijn om mij van kwaad te wreken!
 
Daar zijn er, die ik eer met liefde en stil ontzag;
 
Daar zijn er anderen, die ik wel lijden mag;
 
En met de meesten heb ik innig medelijden,
 
Al zijn ze ook taai en saai, beschouwd van alle zijden!

II.

 
Ja zelfs met die het meest, vooral op theevisiten,
 
Als 'k een geheimen traan in 't lauwe vocht zie vlieten,
 
In 't hoekje van de zaal. De poes alleen maar kijkt
 
De juffer smachtend aan - om melk. Geen jonker wijkt
 
Een handbreed van zijn plaats, om haar een stoel te geven,
 
Geen vlinder, die rondom de dorre rank wil zweven.
[p. 229]

III.

 
Een hekel heb 'k alleen aan die vergifte spinnen,
 
Indringsters in de rust der teederste gezinnen,
 
Wier hand, als uit instinkt, verdeeldheid, tweedracht zaait,
 
Wie alles wel is, mits haar haantje koning kraait,
 
Die van haar noodlot zich op kleine kindren wreken,
 
En - druk studeeren in traktaatjes en in preeken.

IV.

 
Maar ik heb eerbied voor die arme vreemdelingen,
 
Die eenmaal zusterliefde en weelde placht te omringen;
 
Nu met een martlaarspalm, dor als een bedelstaf,
 
God smeekende iedren nacht om een vroegtijdig graf,
 
Die vreemde luchten en bedorven freules tergen,
 
Van heimwee smachtend om haar vrinden en haar bergen!

V.

 
Het nieuw persoontje, dat ik nu op touw ga zetten,
 
Lijkt niet in 't allerminst op een van deez' portretten;
 
Zij is geen spin, geen feeks, geen jonge martlares,
 
Noch mooi, noch leelijk, ook geen afgetrokken bes.
 
Zij is haast veertig, maar kan nog voor dertig doorgaan;
 
Zij laat zich nog al iets op haar figuurtje voorstaan.

VI.

 
Ze is over 't algemeen zoo taamlijk onbeduidend;
 
Haar neusje is fijn, haar stem is grof en onwelluidend;
 
Haar blik is smachtend, en aandoenlijk haar gemoed;
 
Ze is heel gevoelig voor een blik, een lach, een groet;
 
Zij droomt een heelen nacht van een galanterietje,
 
En in de loterij des huwlijks trok ze - een Nietje.
[p. 230]

VII.

 
Haar gouden eeuw vlood heen, sinds Mary niet meer kind was,
 
Schoon ze om haar goede ziel in huis nog al bemind was;
 
Zij had een tikje weg van stille jaloezij,
 
Ook hield ze nog al van een lieve plagerij,
 
En als het mijn verhaal niet al te zeer deed zwellen,
 
Dan waagde ik 't wel van haar een grapje te vertellen.

VIII.

 
Maar nooit, schoon 'k anders wel eens met de luî mag gekken,
 
Nooit zou ik wagen dat gezicht haar na te trekken,
 
Dat, toen haar voetjen, op haar kamer, vóór 't soupé,
 
Juist over 't lief cadeau van onzen jonker gleê,
 
Zij, bij die vondst en ná die lezing, heeft getrokken,
 
Zij leegde haar karaf, - ze was fameus geschrokken.

IX.

 
Voorts nam ze spiritus, ik meen wel ‘nitri dulcis’,
 
En meer nog daar mijn maag niet gaarne mee gevuld is.
 
Toen sloeg zij de oogen op, ten hemel - kippevel
 
Had ze al een poosje - toen trok ze eensklaps aan de schel
 
En liet maar weten, dat zij schriklijk pijn in 't hoofd had, -
 
Had ze ‘in haar hart’ gezegd, ik zweer dat ik 't geloofd had.

X.

 
Nu zat ze bij den glans der maan een uur te smachten,
 
En ging de zaak eens na, verzonken in gedachten.
 
Nu eerst, nú zag zij 't in, hoe Hij haar lang en veel
 
En vaak had aangestaard - och, arme! zij zag scheel
 
En dubbel; ik weet het niet hoe 't anders kon geschieden,
 
Dat zij des spotters blik hield voor verliefd bespieden!
[p. 231]

XI.

 
Hoe hij aan 't rijtuig eens haar beentjes had geprezen,
 
Haar voetjes vergeleek bij die der Pekinezen;
 
Hoe hij haar Dinsdag had gewaarschuwd voor den tocht,
 
Hoe hij haar Woensdag een biscuitje had verzocht,
 
En - hoe hij Donderdag haar heel intiem verteld had,
 
Dat hem, twee nachten lang, dezelfde mug gekweld had.

XII.

 
Nu wist ze, dat hij 't klein Marietje slechts fêteerde
 
Uit vrees, dat iemand zou bemerken, wat hem deerde.
 
Zij rolt het briefjen in haar handje al heen en weer,
 
Snikt, bloost, lacht, fniest en schreit, verlievend meer en meer...
 
Die brief nu, als ik zeî, was in zoet Fransch geschreven,
 
Maar 'k zal hem hier, vertaald in 't Hollandsch, wedergeven.

XIII.

 
Het is onloochenbaar, dat iedre deklaratie
 
Om de eigen spille draait, bij ieder volk en natie.
 
Hoe kunstloos of gesierd, hoe ernstig, wild of dwaas,
 
Eén woordje machtiger dan alle, speelt de baas.
 
Na iedre voorrede, iedren omweg volgt - quand même -
 
Ce mot, le mot des Dieux et des hommes: Je t'aime!

XIV.

 
Dit laatste Fransche vers is zeer direkt gestolen
 
Van ‘glimworm Viktor Huig, het puik der kapriolen,’1
[p. 232]
 
't Geen weer gestolen is uit Jonckbloet's geestig boek,
 
Belaên met Fuhri's dank en 's Gravenhage's vloek,
 
Die weer gestolen heeft, waarschijnlijk, van een ander,
 
Waaruit gij leeren kunt: Mijn broeders, helpt elkander!

XV.

 
Maar 'k heb u straks beloofd niet telkens af te dwalen,
 
En zou u, naar ik meen, dien keur'gen brief vertalen.
 
'k Moet eerst nog zeggen, dat daarin Mariës naam
 
Niet stond vermeld, en hij voor alle meisjes saam,
 
Die zich verbeelden mooi en blond te zijn, geschikt was,
 
Schoon hij in eer en deugd op ééne maar gemikt was.

XVI.

 
Toch waant niet, dat ik aan de letter nu wil hangen,
 
Ik ben geen letterknecht, met afgevaste wangen,
 
Geen lange, dorre staak, geen taaie knutslaar, die
 
Zijn zaligheid verwacht van 't puntjen op een i!
 
Ook zweer ik u, dat nooit mijn vroolijke oogen knipten
 
Van 't turen op in 't Grieksch gekrabde manuscripten.

XVII.

 
De geest, de geest alleen maakt vrij! die doode letter
 
Doemt u tot slaven! Ziet den suffen letterzetter
 
Of, wat mij 't zelfde dunkt, den ouden kamerrot,
 
Die perkamenten kauwt, en in wiens geest de mot,
 
(Het vliegje des verderfs,) als in zijn boeken huishoudt,
 
Wiens vunze lettertaal geen reedlijk mensch voor pluis houdt.

XVIII.

 
De geest dan van den brief mijns jonkers was poëtisch,
 
En meer dan 't lied, dat ik u debiteer, pathetisch.
[p. 233]
 
't Was aaklig, schreef hij, voor een jong en minnend paar,
 
Altijd omringd te zijn van heel een Argus-schaar,
 
En immer, waar men school in 't liefst en donkerst laantje,
 
Een blik te duchten - 's nachts had men alleen het maantje.

XIX.

 
‘Een reine liefde minde een zalig tête-à-tête,
 
Rien d'aussi tendre et pur, qu'une flamme secrète,
 
Niets zoo welsprekend als de stilte; niets zoo kuisch
 
Als de adem van den nacht en 't westewindgesuis.
 
't Stond goed, den starren slechts, den heiligen flambouwen,
 
Het eerst en zoetst geheim der liefde te vertrouwen...’

XX.

 
Et caetra! 't kwam er op, dat hij een rendez-vous vroeg:
 
(Zij zou wel zien straks, hoeveel kusjes hij nog toevroeg!)
 
's Nachts - 't was toch niet te koud? - 's nachts om een uur of twee,
 
Vóór op 't balkon, - prudence - amour - fidélité!
 
Hij had gezegd, dat hij niet thuis kwam voor 't soupeeren
 
En de avond, licht den nacht, maar buiten bleef passeeren.

XXI.

 
Men was sinds lang gewend aan 's jonkers vreemde kuren,
 
Ook, als zijn avondrid soms in den nacht mocht duren,
 
Werd niemand ongerust. Hij was al vaak verdwaald;
 
Eens had hij in het bosch twee stroopers achterhaald,
 
Hij onderzocht of 't wel in ernst op 't kerkhof spookte
 
En de oude heks van 't dorp daar kinderbeendren kookte.

XXII.

 
Hij wist zoo dwepend van zijn tochten te vertellen,
 
Dat Mary hem wel graag in stilte eens wou verzellen.
[p. 234]
 
Ook zeî hij, de avond is gezond en koelt mijn hoofd;
 
- Hij had nog nimmer aan verkoudheid recht geloofd -
 
Soms sprak hij ernstig van die heilige gedachten,
 
Die rijzen in de ziel, in slille zomernachten.

XXIII.

 
Nu was hij weder her- en derwaarts heengezworven:
 
Eerst naar den jager, waar de moeder was gestorven;
 
Daar sprak zijn teedre ziel een woord van moed en troost,
 
Hij kuste, met een traan in 't oog, 't verweesde kroost;
 
De woeste knaap scheen als een Engel in hun midden,
 
Die God voor 't arm gezin om kracht en hulp kwam bidden.

XXIV.

 
Toen was hij pijlsnel naar de boerderij gevlogen
 
En zwolg een groot glas bier met toegeknepen oogen,
 
Stak zijn sigaar op, en zoo onverwacht als koen
 
Gaf hij de boerendeern een hartlijke' afscheidszoen,
 
Die geurig klapte en klonk, en zeî: ‘ziedaar, me lammetje!
 
'k Heb achting voor je bier en dank je voor je vlammetje!’

XXV.

 
Hij vroeg het uur. Helaas, pas tien! Hij rijdt nog even
 
Het watermolentje om, langs 't park, de vijverdreven;
 
't Was elf in 't dorp; ai, 't was nog altijd veel te vroeg
 
Schoon 's minnaars bruisend hart zwaar als de dorpsklok sloeg,
 
En vlugger dan de hoef van 't paard begon te kloppen; -
 
Mijn jonker was verliefd, tot in zijn vingertoppen!

XXVI.

 
Zeg, hebt gij ooit een uur doorworsteld, dat u scheidde
 
Van 't oogenblik, waarop uw meisjen u verbeidde?
[p. 235]
 
Kent gij die foltring, waar ook 't ijzren mannenhart
 
Voor wegsmelt? langste, wreedste en zoetste en teerste smart!
 
Als iedre zenuw slaat aan 't prikkelen en kittelen -
 
.....................1

XXVII.

 
Kent gij die pijn? 'k hoop ja voor u en mij, Meneeren,
 
Want 'k heb geen lust om haar thans meer te detailleeren.
 
Ik wou mijn veder liefst niet doopen in het bloed
 
Van 't ongeduldig hart en teerverliefd gemoed,
 
En zou mij-zelven niet aan die descriptie wagen,
 
Al kwam mij 't liefste kind het op haar knietjes vragen.

XXVIII.

 
Veel liever geef ik een medaille, in goud gesneden,
 
Hem, die mij zeggen zal, wie 't meeste heeft geleden:
 
De jonker, die daar vloekt van passie, op zijn paard,
 
Of zij, die telkens uit het open venster staart
 
En dan weer neerzijgt en uit wanhoop en misère
 
Verscheiden pluisjes plukt uit 't dons van haar voltaire?

XXIX.

 
Maar 't uur der liefde naakt en 't eind der liefdeweeën!
 
De toren zingt het lied der minne: kwart voor tweeën!
 
Hij spoort zijn ros, hij vliegt: o toef mij, zoete Bruid!
 
Mee galoppeert zijn hart en bonst en jaagt zoo luid,
 
Als - 't hart der jongelui, die na hun staatsexamen,
 
Den uitslag wachten van dat kannibaalsch tentamen!
[p. 236]

XXX.

 
O, zeg toch nooit, dat wij zoo schriklijk flegmatiek zijn,
 
Als of we altoos verstopt, verkouen, suf en ziek zijn!
 
Dat nooit een Hollandsch hart in brand kan vliegen, maar
 
Steeds als 's lands turven smeult, vervelend, langzaam, naar;
 
Ik ken er nog wel meer, met vuur en kwik in de aderen,
 
Geheel verbasterd van de stemmigheid der vaderen!

XXXI.

 
't Is waar, de landaard is hier ver van aardig, vroolijk,
 
Enthousiast, vol vuur of amusant en oolijk;
 
Maar, lieve Hoorders, 't is de schuld van ons klimaat
 
En van ons weerglas, dat altijd op najaar staat;
 
Wij gaan met parapluis steeds langs beslijkte wegen,
 
En worden taai als leer, doorzieperd van den regen!

XXXII.

 
Maar ducht ik voor mijzelf dat natste der klimaten,
 
'k Heb toch mijn Holland lief, gelijk een visch zijn graten.
 
Ik ben er om-, er aan-, er in-, er doorgegroeid,
 
Ik zwem al door het nat, daar 't land van overvloeit,
 
En schoon heel koûlijk, 'k heb nog altijd stof tot danken,
 
Dat 'k niet bij d' ijsbeer aan de Noordpool zit te janken!

XXXIII.

 
Ook is 't me een wellust mij nog somtijds op te winden,
 
Te dwepen bij het stof der lang ontslapen vrinden,
 
Der beste Bestevaers, avunkels onzer roem;
 
Mij op te frisschen bij den heldren glans der bloem
 
Van Hollands glorie, die haar geur spreidt door de blaren
 
Van 't oud geschiedboek en de jonge dichtersnaren!
[p. 237]

XXXIV.

 
O, groene martlaarspalm, door de englen zelf gevlochten,
 
Toen Neerland tachtig jaar voor Waarheid had gevochten!
 
O, Maurits, Vondel, held en zanger, gij, van God!
 
O, Fredrik-Hendriks eeuw! O, faam van 't Muierslot!
 
Wat zangen, die men zong, wat strijden, die ze streden....
 
Maar jammer, dat het al zoo'n poosjen is geleden!

XXXV.

 
Dit 's van mijn zwerversgeest weer een vervelend staaltje,
 
Maar 'k heb intusschen, in mijn kunsteloos verhaaltje,
 
't Kwartier van spanning en verwachting aangevuld; -
 
Och, beste Hoorders, gij hebt tienmaal meer geduld,
 
Dan onze held, die lang zijn laatste had verloren,
 
En toont het door mij zoo geduldig aan te hooren!

XXXVI.

 
Hoort gij de schelpen niet al kraken voor het Buiten?
 
Hoort gij daar ginder nog geen venster opensluiten?
 
En merkt gij hoe de maan zich met haar vollen lach
 
Juist eventjes verschuilt? niet uit een kuisch ontzag
 
Of uit diskretie, neen! om strakjes, zonder schroomen,
 
Om bij de ontknooping schalk en spottend weer te komen.

XXXVII.

 
De knaap had al van ver het licht in 't oog gekregen;
 
Hoe zalig klopt zijn hart, zijn blonde Mary tegen!
 
Zij had zijn beê verhoord en in zijn trouw geloofd!
 
Nooit schudde 't lokkig haar hem trotscher om het hoofd!
 
Hij komt - zij wenkt - hij ziet een witten zakdoek wuiven....
 
Hij gaat met paard en al het venster binnen stuiven....
[p. 238]

XXXVIII.

 
Goddank, hij weet bij tijds zijn klepper in te toomen,
 
De hoefslag lost zich op in 't ruischen van de boomen.
 
Hij stapt van 't paard, hij treedt voorzichtig, zachtjes, slim,
 
Tot aan 't balkon - de held berekent al den klim -
 
't Is nog zoo hoog niet - stil - hij lispelt: ‘o Charmante!’
 
- Nog is het katje grauw.... daar brult de Gouvernante!

XXXIX.

 
Stort in, o marmer, stort op mijn bedorven jonker!
 
Verschuil u, zilvren maan, kwijn weg, o stargeflonker!
 
Verberg voor eeuwig in uw boezem, donkre nacht,
 
Zijn jammerlijk figuur, dat hij zoo schittrend dacht!...
 
't Is mis, de lucht blijft klaar, de maan komt weer en grinnikt
 
Vol helschen spot, de wachthond blaft, de klepper hinnikt...

XL.

 
Eerst was Fantasio versteend ter zij geweken,
 
Hij dacht de Nemesis der romaneske streken
 
Te aanschouwen, - maar, bij 't licht der opgekomen maan,
 
Ziet hij met open arm de ‘juffer’ voor zich staan!
 
- Nu denkt hij niets meer, maar hij gilt en snikt en schatert
 
Van zenuwachtigheid, dat 't in den omtrek klatert!

XLI.

 
De blonde Mary sliep den slaap van zestien jaren.
 
Zij droomt, dat zij haar vrind een bosje bruine hairen,
 
Al stoeiend, voor haar ring, ontrooft - hij gilt - ze ontwaakt,
 
Zij richt zich overeind - zij luistert - schrikt - zij maakt
 
Zich bang; 't zijn dieven! hoor! zij wil aan 't schelkoord trekken...
 
Maar neen, voorzichtig, zacht, zij gaat haar moeder wekken.
[p. 239]

XLII.

 
Nu raken eerst in ernst de poppen aan het dansen,
 
Als heksen op de hei bij zomeravondglansen!
 
Mijn Saffo en peignoir kijkt alleraakligst zuur,
 
Mijns jonkers oog schiet spot en laster, vloek en vuur!
 
't Is klaar, dat hij nog aan geen mal figuur gewend was,
 
En van een trotsch en woest en vreemd temperament was.

XLIII.

 
En ondertusschen ging daar stil een venster open
 
Op Mary's slaapsalet, en op haar teenen slopen
 
Twee schimmen langs 't kozijn en zien - en zien - ja wat?
 
Gij weet het, Hoorders! doch ik zeg alleen maar: dàt!
 
Een scène, daar ik haast geen naam voor weet te vinden,
 
Een ridikuul dat ik niet toewensch - aan mijn vrinden.

XLIV.

 
En op 't geschreeuw kwam ook de tuinman toegeschoten,
 
Met twee gespierde knechts, tot 't uiterste besloten,
 
Gewapend met een hark, een zeissen en een schop;
 
Eén oogenblik nog en - Fantasio krijgt klop!
 
Gelukkig hij, dat daar geen snaphaan bij de hand was;
 
'k Geloof waarachtig, dat hij anders al van kant was!

XLV.

 
Nu zinkt hij op de knie: - ‘o God, ik ben bedrogen!
 
Mijn Mary, is de bal niet in uw raam gevlogen?’ -
 
- ‘Gedebaucheerde knaap!’ bijt hem de moeder toe:
 
‘Mademoiselle! et toi, folle d'un petit fou!’...
 
'k Meen, zoo dit laatste woord den jonker niet ontsnapt was,
 
Dat hij dan schriklijk in zijn point d'honneur getrapt was.
[p. 240]

XLVI.

 
Hij kon niet meer, hij was kapot; de juffer, blazend
 
Van spijt on angst; de vrouw des huizes, dol en razend;
 
't Was alles in de war, hier 't hart en daar het hoofd.
 
Het was een drama, maar met dwaasheên als doorstoofd.
 
Ach, niemand van de akteurs begreep er recht de klucht van:
 
Alleen Marietje had er eventjes de lucht van.

XLVII.

 
Toch was zij boos en sloeg op d'armen knaap twee oogen,
 
Die hem doorboorden, als twee bliksems uit den Hoogen.
 
Daar was geen houden aan 't rampzalige figuur!
 
Hij, vroeger steeds fripon, was dupe sinds een uur!
 
Hij vliegt te paard: ‘Vaarwel, 'k zie nooit mijn Mary weder’...
 
En 't somber treurgordijn valt zwaar en statig neder.
[p. 241]

laatste zang.

I.

 
‘En kregen zij elkaêr nog eindlijk en ten leste?’
 
Mij dunkt van já, want die ontknooping is de beste,
 
En ieder Meisje, dat romans - in proze of maat -
 
Met ijver leest, kijkt eerst, met de onrust op 't gelaat,
 
Naar 't laatste pagina: ‘of zij elkandren krijgen’ -
 
Zoo niet, dan had de Auteur voor haar part mogen zwijgen.

II.

 
En dus, al zou 'k er ook maar onbeschaamd om liegen,
 
'k Zou, lieve Hoorders, eer u twintigmaal bedriegen,
 
Dan u te martlen, dan een droeven maagdevloek,
 
Te laden op mijn hoofd, bij 't einde van mijn boek:
 
'k Zag liever, u ter eer, een honderd paren trouwen,
 
Op 't eind, dan dat ik om een enkel u liet rouwen.
[p. 242]

III.

 
Maar daar is eerst toch heel wat leven voorgevallen.
 
Mademoiselle kreeg, om één bal, al de ballen
 
Of liever pijlen, die de teêrste moederzorg
 
En 't maagdelijkst vernuft ooit in hun koker borg,
 
Naar 't hoofd! 't was te indecent om heel veel van te praten,
 
En - met Augustus - zou zij toch 't gezin verlaten.

IV.

 
Hebt ge ooit er iemand zoo vervaarlijk in zien loopen?
 
Of duurder een genot - neen, een verkoudheid - koopen?
 
Geen wonder, de arme had gehuiverd en gezweet,
 
En - trots den warmen nacht - zich toch te dun gekleed.
 
Zij dacht volstrekt niet aan een shawl, in haar confuzie,
 
En zij verloor haar eer - gezondheid - en illuzie!

V.

 
Des andren daags - maar, om mijn hoorderes te plagen,
 
(Ik houd van plagen!) 'k wil de ontknooping wat vertragen;
 
Ik heb volstrekt geen lust mijn lieven, laatsten zang
 
Zoo af te raff'len, en ga weer mijn ouden gang,
 
Stil, kalm en deftig en geregeld aan 't vertellen;
 
'k Zal eerst mijn jonker op zijn dwaze vlucht verzellen.

VI.

 
Hij vlood - hij wendde 't hoofd niet meer - hij was gevloden!
 
Pijl-, vleugel-, bliksemsnel, snel als de rit der dooden,
 
Bij 't aaklig hop-hop-hop in Burger's meesterlied,
 
Snel als de Pegasus, dien niemand loopen ziet,
 
Snel als gelieven, die gestoord zijn, door het lover;
 
Hij maakt de heuvlen glad, hij stuift de vijvers over.
[p. 243]

VII.

 
Maar schoon 't zijn wanhoop wel een beetje door kon luchten -
 
Ach, hoe hij rende of vlood, kon hij zich-zelf ontvluchten?
 
't Is maar een leenspreuk, die van: springen uit je vel!
 
Hij was, als Manfred, hij zijn eigen Duivel, Hel;
 
Hij was wanhopend en verliefder dan te voren,
 
En in zijn eigen oog bedorven en verloren.

VIII.

 
'k Heb ook wel eens beproefd mij-zelven, mijn gedachten
 
Te ontvlieden; menigmaal in slapelooze nachten,
 
Of bij een donkren dag van 't najaar; ik ben meest
 
Een paar uur in de week mij-zelven tot een geest
 
Van kwelling, en hoe meer 'k mij-zelf dan wil vergeten,
 
Hoe vaster ik mij-zelf als aan mij-zelven keten!

IX.

 
Ik zoek vergeefs mijn ziel en zinnen af te leiden,
 
Den geest (den Booze!) van het lichaam af te scheiden;
 
Ik zwem, ik wandel, 'k scherm, 'k rij paard en jaag naar vreê,
 
Mijn Demon zwemt en schermt en rijdt en wandelt mee;
 
'k Schreef ter verstrooiing ook dit vers, in bange dagen
 
Van zielsneerslachtigheid en donkre weemoedsvlagen.

X.

 
Denkt, bij den hemel, niet, dat ik die stemming aardig
 
Of intressant vind, neen! ze is jong en oud onwaardig.
 
Gelijkheid van natuur, blijmoedigheid van geest
 
Is 't zalig deel van hem, die God - geen menschen - vreest.
 
Dwaas, die zich door zijn vrouw laat diabolizeeren,
 
Maar dwazer nog, die door zich-zelf zich laat regeeren!
[p. 244]

XI.

 
Dit ondertusschen is een proefje van mijn preeken,
 
Een snuifje, dat wie 't lust, of niet lust, op mag steken,
 
En niest ge er van, zooveel te beter, arme vrind!
 
Dan komt de kou uit 't hoofd, de wrevel en de wind.
 
'k Gaf ook mijn jonker tijd om even uit te blazen
 
En op zijn noodlot en zich zelven uit te razen.

XII.

 
't Ging hem als mij, zijn land groeide aan, met de oogenblikken,
 
't Was alles tandgekners en afgebroken snikken.
 
Hij zag in 't donker, in de diepte van het woud,
 
Al Gouvernantes, mooi en leelijk, jong en oud.
 
En 't had mij niemendal verwonderd, als zijn haren,
 
Des andren daags vergrijsd of uitgevallen waren.

XIII.

 
Hij ziet in 't hakhout niets dan monsters, kleine dwergen,
 
Met Amorsboogjes, die hem onophoudlijk tergen;
 
Ha! daar 's nog uitkomst in den vijver, die hem noodt,
 
Met lisplend golfgeruisch, te rusten in zijn schoot.
 
Maar hij bedacht zich, wijl het denkbeeld oud en plat was,
 
En mooglijk ook wel - wijl het water koud en nat was.

XIV.

 
Och keer, Fantasio! en ga vergifnis smeeken!....
 
Hij buigen? neen, veeleer van woede bersten, breken!
 
Maar ei, hij is verliefd tot over de ooren toe,
 
Zijn rit wordt minder snel, zijn ros is doodlijk moe,
 
Hij stapvoet - hij bedaart - zal hij de teugels wenden?
 
Hij stijgt van 't paard en zinkt in diepte van ellenden!
[p. 245]

XV.

 
Hij zinkt op 't mos ter neer, dat met zijn zweet bedauwd werd,
 
Daar 't in en om zijn hart al meer en meer benauwd werd;
 
De kies breekt pijnlijk door - ten leste - van 't verstand.
 
Hij strijkt zijn voorhoofd koel, met de effen, kleine hand,
 
De traan der Boete ontwelt zijn oog en, van zijn lippen,
 
Laat hij - als een Gebed - zijn Mary's naam ontglippen.

XVI.

 
En ‘Mary’ zucht de wind en ruischt het geurig lover.
 
En ‘blonde Mary’ klinkt de blonde heuvlen over,
 
En ‘blonde Mary’ lispt het bruine beukenblad,
 
En de Echo roept dien naam, dien hij heeft liefgehad
 
Sinds lange jaren! - o, Fantasio, keer weder
 
En zoek vergifnis aan dien boezem, jong en teeder!

XVII.

 
‘Keer weer’ vermaant hem 't lied der jonge boschkoralen;
 
‘Vergifnis’ spreekt de glans der koesterende stralen,
 
Opdagende uit het oost, en 't lelietje van 't dal
 
Mengt ook een zacht akkoord in 't lieflijk toongeschal,
 
En leert hem, hoe hij stil en needrig en bescheiden,
 
Op boete en diep berouw zijn Trots moet voorbereiden.

XVIII.

 
Hij worstelt wel een poos nog met zijn beetren Engel,
 
Als met den frisschen wind een reeds geknakte stengel;
 
Maar eindlijk buigt hij 't hoofd en neemt een kloek besluit,
 
En zweert voor eeuwig, aan de voeten van zijn bruid,
 
Zijn wilde dwaasheid af, zijn grillen en zijn snorren,
 
En gaat voor haar zich als een schoolknaap doen beknorren.
[p. 246]

XIX.

 
Ik voel mij hier verplicht mijn Hoorders mee te deelen,
 
Dat mijn verhaaltje mij ontzachlijk gaat vervelen.
 
Hoe 't komt op eens? helaas, misschien uit sympathie
 
Of - wijl ik van het staan zoo'n pijn krijg in mijn knie:
 
Ik weet het niet, maar 'k wou wat versche lucht gaan scheppen,
 
En zal mij dus voor uw en mijn pleizier wat reppen.

XX.

 
En 's middags in het vuur der zomerzonnesteken,
 
Vroeg daar een Poetling, voor het hek, mevrouw te spreken:
 
Men weigerde in het eerst den armen knaap gehoor,
 
Maar hij hield aan, hij riep en smeekte, hij drong door,
 
Ach, zoo één losbol ooit, was hij vergifnis waardig,
 
Zoo bleek, ontdaan, vermoeid, bekeerd, verliefd, boetvaardig.

XXI.

 
Hij deed een voetval en begon met zacht te stamelen -
 
Om langzaam-aan zijn flux de bouche te verzamelen -
 
Hij helderde alles op, beloofde, vleide en drong,
 
Gebroken was zijn hart, maar wondren deed zijn tong;
 
Enfin, hij kreeg een jaar van boete, deed een reisje,
 
Studeerde een poos nog, promoveerde, en kreeg toen 't meisje.

XXII.

 
Maar 't lesje had gewerkt. Hij bleef hetzelfde wezen
 
Van vroeger niet; hij was veranderd en - genezen.
 
Niet meer zoo wuft en dwaas, hooghartig en bizaar;
 
Hij werd eenvoudig en verstandig, kalm en waar.
 
Hij zag zijn Mary aan, met zachter, wijzer oogen -
 
Mijn Hoorders, was die bal wel zoo verkeerd gevlogen?
[p. 247]

XXIII.

 
o Dat van uw vernuft, gij Zanger van het leven
 
Mij op dit oogenblik een greintje waar' gegeven,
 
Gij, Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats,
 
o Lust van Prins en Boer, o beste vader Cats!
 
Wat zou 'k uit mijn verhaal een fijn moraaltje spinnen,
 
Voor dwaze pronkertjes en zoete, ronde kinnen!

XXIV.

 
O, mocht ik in den geest des lieven grijsaards spreken,
 
Tot u, o lie ve jeugd, en van uw domme streken,
 
Op mijn besneeuwde kruin 't kalotje van fluweel,
 
'k Gaf elk van ernst en boert een evenmatig deel -
 
('k Ben ondertusschen blij, dat 'k voege bij de jongen,
 
En had u anders vast dit lied niet voorgezongen).

XXV.

 
'k Trok tegen u te velde, o nare muizenesten
 
En grillen, die het brein verwarren en verpesten!
 
'k Trok tegen u te velde, o dwazen, droeven zucht
 
Van knaap en maagd voor al wat vreemd is in de lucht!
 
'k Gaf iedereen een neus en lessen in vrijage,
 
Ik rijmde dier op zwier en page op bosschage!

XXVI.

 
Ik sprak tot iedre maagd van om de veertig jaren:
 
Laat, zoo ge wijs wilt zijn, de jonge minne varen!
 
Verbeeld u niet dat ge een magneet zijt, en pas op
 
Dat gij u-zelve kent, dat u geen toeval fop'!
 
En kijkt een heer u aan, kijk gij dan naar 't gezichtje
 
Van uw logeetjen, of uw dienstmaagd of uw nichtje.
[p. 248]

XXVII.

 
Ik sprak tot iedre maagd, die 't hoofd vult met romannetjes,
 
En verzen: schaapjelief, pas op de Don Juannetjes!
 
Houd oog en oor en hart en mond en venster toe!
 
Doe nooit met schaken mee of kwalijk rendez-vous,
 
En stel die heeren, die zich onweerstaanbaar droomen,
 
Eerst maanden op de proef: 't kon je anders slecht bekomen.

XXVIII.

 
Gij, jonker, schud vooral de krullen uit uw zinnen,
 
Wees naarstig zoo ge wilt, maar deeglijk in 't beminnen,
 
En wordt gij ooit verliefd, maak een huishoudlijk plan
 
Blijf ernstig en bedaard, gedraag u als een man:
 
Ik raad u eerst alleen een singeltje om te wandelen,
 
En nimmer en volant die dingen te behandelen.

1847-48.