Reizen in Zuid-Afrika in de Hollandse tijd. Deel IV. Tochten in het Kafferland 1776-1805


auteur: E.C. Godée Molsbergen


bron: E.C. Godée Molsbergen, Reizen in Zuid-Afrika in de Hollandse tijd. Deel IV. Tochten in het Kafferland 1776-1805. Martinus Nijhoff, Den Haag 1932


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 100]

Journaal en verbaal eener landreyse in den jaare 1803 door den gouverneur en generaal deezer colonie J.W. Janssens door de binnenlanden van Zuyd Africa gedaan.1)

De gouverneur geduurende de eerste maanden van zijn verblijf aan Kaap de Goede Hoop geduurig ondervindende dat zonder eene redelyke geoeffende kennis van de inwendige gesteldheid deezer colonie, het byna niet mogelijk was grondig de belangens der inen opgezeetenen van de buitendistricten te beoordeelen en uitspraak in dezelve te doen, kwam het denkbeeld in hem voor, dat eene personeele inspectie der binnenlanden een der eerst en nuttigste werkzaamheeden was aan welke hy zynen tijd voor het welzijn der volkplanting moest besteeden. Het aanzijn van den commissaris generaal Mr J.A. de Mist aan deeze uithoek, maakte zijn Ed. deeze uitstap buiten de hoofdplaats nu meer dan ooit mogelijk, wijl Hoogstdenzelve geduurende des gouverneurs afweezigheid de goedheid wel wilde hebben de meest belangrijkste zaaken der colonie op zig te neemen, terwijl zig aan de andere zyde de Raad van Politie met de overige ambtsrelatiën van den gouverneur chargeerde. Ingevolge dus van deeze gunstige omstandigheid en het belang der zaak, werden in de maand Maart alle toebereydselen gemaakt, met dat gevolg dat den gouverneur en generaal den 3 April 1803 eene aanvang zyner reyse na de binnenlanden van Africa maakte, wordende tot circa een uur van Kaapstad uitgeleid door den commandant en hoofdofficieren der bezetting; by desselfs vertrek salueerde het casteel. Zijn Ed. vertrok in gezelschap van de heeren Dirk van Reenen en desselfs zoon Daniël, beneevens de heer Nelson2) welke de vriendelijkheid had zijn paardewagen ten gebruik aan te bieden; desselfs aide de camp Paravicini de Capelli3) en chirurgijn major van het corps ligte dragonders Passet.

By de heer Meyburg aan de Eerste Rivier wierden wy zeer heusch en deftig op het middagmaal onthaald, waarna onze reys vervorderd wierd, en tegens den avond in de vlakte onder de Kloof by Hottentots Holland by de heer W. Morkel aftraden. De schoonheid van het

[p. *7]



illustratie

Pl. 4
Blz. 100
Tafelbaay en stad de Goede Hoop


[p. 101]

weder deed ons eene kleine wandeling doen, waardoor de geleegenheid ontstond, iets betrekkelijk deezen oord te leeren kennen; de vlakte in welke de plaats van ons nagtverblijf legd is rondsom met de hooge bergen van Hottentots Holland ingesloten, en leverd tevens een schoon open gezigt van de baay False, eene rivier, de Laurensrivier genaamd, welke zynen oorsprong uit dit gebergte ontleend en welke het gantsche jaar door veel water afvoerd, loopt hier voorby, zig in de Fals baay naby de gebergtens van de Hanglip ontlastende.

Men heeft ons hier verzeekerd dat zeer frequent kleine vaartuigen der Engelschen tot kort by strand zijn geweest om provisiën als anderzints te koopen in de tyden van hun verblijf in de False baay; - hoe kleyn ook de vlakte hier is, kan dezelve nogtans wel 50 blanke weerbaare manschappen opleeveren. Jammer is het dat de wyze van transport na de Kaapstad hier niet door vaartuigen makkelyker is; de Engelschen namen hier aan strand leggers wijn in kleine vaartuigen, en bragten dezelve op die wyze na hunne scheepen.

De vlakte hier is redelijk vrugtbaar, egter de landlieden leggen er zig bloot op wijnperssen toe; zy bouwen er niet meerder graan of vee als zy tot hun huishoudelijk bestaan nodig hebben. Wy zagen hier een reeds bekend, egter zeer schoon voortbrengsel van het land, eene klomp inlandsch boomwasch welke uit kleine bessen ter groote en gelykenis van eene groene erwt door het kooken derzelve word getrokken; 100 ℔ der bessen geeven tot 10 à 12 ℔ zuyvere wasch. Voorheen bestond er een verbod dat deeze boomen niet mogten worden gekapt of uitgeroeyd door de houthaalders etc. en het zoude misschien geen kwaad zijn dat zulks wierde vernieuwd.

Maandag den 4de April

Maandag den 4de April reeden wy des morgens tegens half zeeven uuren van daar, en wierden door een party jonge lieden uit de nabuurschap met de uiterste beleefdheid te paard geconvoyeerd. Wy deeden en passant eene kleine visite aan de jonge Morkel een half uur van ons nagtverblijf geleegen, en vervolgden onze weg tot onder de Kloof, alwaar wy de paarden voor de wagen met trekossen wisselde. Wy beklommen met een goed succes de hoogten tusschen de Kloof welke weezendlijk zeer interessant te zien is; de steyltens en klippen op sommige plaatzen noodzaakte veele onzer van de paarden te stappen om te voeteeren; men heeft circa een half uur nodig met een paard boven te koomen. Aan de andere zyde wagtede wy de wagen en reden toen tot de Palmietrivier, aldus genaamd na de groote menigte van dit gewas, welke daarin groeyd. Des zomers is deeze

[p. 102]

rivier eene laage vlakte, hier en daar met water, dog men verzeekerde ons dat zy des winters zoveel aandrang van water ontfing, dat men soms veertien dagen en drie weeken genoodzaakt is voor dezelve te blyven leggen, en dan nog veeltijds met levensgevaar passeerd uit hoofde der menigte zeekoegaten, welke er zijn. De Engelsche doctor Paterson en veele andere lieden zelfs paarden en ossenwagens zijn in deeze rivier omgekomen. Wy reeden een eyndwegs langs dezelve, om te zien of er mogelijkheid bestaat op het nauwste derzelve eene brugge te maaken en waaren van gedagten, dat dit misschien met eenig succes te onderneemen was. Een voornaam poinct zoude deeze zaak minder moeylijk maaken, namentlijk, dat de zwaare palmietbosjes over het gantsche vlak van de rivier groeyende, de gantsche stroom zelfs in de sterksten aandrang van water stuyt, en gevolglijk het bed der rivier dat zuyver hard zand is, bekwaam tot metsel of heywerk maakt. De distantie welke deeze brug zoude moeten beslaan, zal circa 300 voet zijn, - eene nadere opneeming door deskundige lieden zoude de mooglijkheid van deeze nuttige zaak kunnen beslissen en misschien een merkelyke verbeetering aan dit gedeelte der colonie bezorgen; men denkt dog, dat een pont om de geringheid der kosten het verkieslijkste zijn zoude.

Tegen half elf uuren arriveerde wy aan eene veeplaats van de heer Ecksteen, leggende byna een uur van de Palmietrivier; hier hielden wy het middagmaal, en namen afscheid van onze vriendelyke geleiders van Hottentots Holland, welke ons by het vertrek met drie salvos uit hunne geweeren salueerde. Zonder iets merkwaardigs te zien, passeerde wy het Grietjes Gat en de Botrivier, zijnde eene geringe straal water uit de gebergtens. Aan Boontjeskraal komende, alwaar wy meende te overnagten en onze vooruitgezondene wagens te vinden, waren de lieden niet te huis, en onze wagens reeds verder gereysd, zodat wy verpligt waaren, nieuw voorspan te neemen om na Andries Otto1) een uur van daar geleegen te trekken, alwaar wy zeer gul en wel wierden onthaald en overnagte.

Dingsdag den 5de April

Dingsdag den 5de April des morgens tegens 8 uuren reeden wy in gezelschap van den veldcornet Otto weg, wy passeerde eene schoone streek lands en kwamen circa ½ 10 uuren aan het begin der Baviaansch Kloof by de scheydingslinie tusschen het territoir van de Hernuters en de plaats van Gildenhuysen. Elf uuren circa kwamen wy by de Hernuters in de Baviaans Kloof; de situatie is zeer schoon, hunne kerk en de woonhuisjes der Hottentotten leggen in de zak van

[p. 103]

een rey grasryke bergen, welke halve cirkelsgewyze om hun heenen sluyten, en aan welkers voet (de Rivier zonder eynd) snel voorloopt. Wy passeerde dezelve by onze aankomst, de zendelingen der Hernuters ontfingen ons ten uitersten vriendelijk; wy deeden eene kleine wandeling door het gehugt, en vonden de meeste hutten nogal tamelijk zindelijk. By ons retour aan het huys van de heer Roos1) verwelkomde de kinderen der Hottentotten ons; de jongens aan de eene en de meysjes aan de andere zyde van de deur geschaard, zongen met zeer veel decentie en onbegryplijk schoon een kerkelijk gezang; wy bezigtigden hunne fabriek van messen en kogten eenige derzelve.

De kerk, welke wy ook bezogten is een ruim, vierkant gebouw in het midden met twee pylaaren onderstut; alle avonden word in dezelve een gebed gedaan, en hierby assisteeren de meeste Hottentotten met veel yver. Het is my voorgekomen dat de fondatie deezer lieden veel nut aanbrengd, eerstens zien er de Hottentotten zeer gelukkig uit, zy zijn by elkanderen en doen dus geen kwaad. De boeren hebben van hun veel dienst in de akkerbouw en graanoogst, overigens bepoot en beplant ieder voor zijn huisgezin een kleyn stukje grond, terwijl de vrouwen van een soort van biezen matten vlegten om over wagens te gebruyken. Het schijnt, dat kleine oneenigheden hier ook al het stil genot aan deeze lieden soms gestoord heeft; de boeren zagen misschien liever dat de Hottentotten hun meer dienstbaar en ondergeschikt waaren, en considereeren niet, dat zy oorsprongelyke vrye inwoonders van het land zijn, voornamentlijk schijnt zeekere Jan Zwart in dit district woonachtig, hun een kwaad hart toe te dragen. Den staat deezer fondatie zoude met eenige te doene inrigtingen zeer nuttig voor de colonie kunnen worden en het lot der Hottentotten merkelijk gelukkiger worden. De Baviaansche Kloof is eene ruime mooye vlakte door welk de Rivier zonder eynd in desselfs gantsche lengte doorloopt, de grond is zeer vrugtbaar, en zoude met behulp van kundige handen veel goed graan voortbrengen, gelijk het nu maar hier en daar doet door gebrek aan armen en geneigdheid tot lediggang der Hottentotten. Wy reeden na het middagmaal by de zendelingen gehouden te hebben door deeze schoone vlakte en kwamen tegens 4 uuren na de middag op de plaats van de heer Nelson; de aanleg deezer plaats is ingerigt tot paardefokkery en veeteeld, welke nogal aanmerkelijk is. De schoone weygrond op de rugge der bergen en overvloed van water, maken hier zulk een stoeterye zeer gemakkelijk en brengt veel voordeel aan den eigenaar.

[p. 104]

Woensdag den 6de April

Woensdag den 6de April verlieten wy deeze plaats; de heer Nelson vergezelde ons nog een uur wegs tot aan de Zoetemelksvalley, daar eene Theunissen1) de posthouder is. Hier schreef de gouverneur een brief voor gemelde Theunissen, (sie bylage Lit: A.,) waarbij hy authorisatie bekwam om de Hottentotten uit Baviaans Kloof en andere ingezeetenen welke wettige ordonnantiën van het gouvernement hebben, om onder zijn opzigt benodigd hout te kunnen laten kappen. Wy vernamen van deeze posthouder dat voorheen eenige kraalen Hottentotten zeer vreedzaam in de Zoetemelksvalley geëtablisseerd waren geweest, dog zedert eenige tijd van daar verdreeven, ook eenige plaatzen welke te vooren onder deeze post gehoorde op recognitie waren uitgegeven.

Theunissen scheen over de Hottentotten op dezelve wyze te denken als de gouverneur, welke het voorkomt dat iets van deeze plaatzen zeer zoude te pas komen, wanneer men van begrip was, dat hier weder aan de Hottentotten hunne kleine eigendommen en etablisseering moest worden geaccordeerd, hetwelk misschien niet onstaatkundig zoude weezen. Wy zaagen op deeze plaats drie schoone groote eykeboomen, zooals wy ze hier nog niet gezien hadden; by de weezendlyke gouvernementsbosschen lings in de klooven der groote bergen leggende, zijn wy niet geweest, dog de verheid hunner strekking deed ons dezelve als vry groot oordeelen. Wy zette ons tocht voort door de uitgebreide schoone vlakte van de Zoetemelksvalley over de Kromme rivier welke niet veel beduydend is tot na de plaats van Wessels, de Ganzekraal genaamd, welke wy aan de slinke hand leggen lieten, wy zagen met veel genoegen dat het land in deeze streeken veel vrugtbaarder en fraay gras en graan opleeverde, dog het schijnt dat men in de laatste jaaren deeze landeryen gantschelijk van wild heeft ontbloot. Verder rydende passeerde wij de zogenaamde Bokkerivier, zijnde een spruitje uit de bergen afloopende en zig in de valley verliezende; een uur later kwamen wij aan een water van vry meer aanbelang, de Rivier zonder eynd genaamd, welke wy ook aan de Baviaanskloof gepasseerd waaren; thans egter wierd de passage niet zo gemaklijk als zijnde zeer geswollen door de hoger op gevallene regens. Met de wagen voor dezelve komende waren wy genoodzaakt de goederen af te laden, en met de schuyt over te laten voeren, terwijl de rijdpaarden over zwommen, het water liep met een sterke stroom en kwam vry hoog in de wagens, alles liep egter goed

[p. 105]

af, en wy vervolgde onze weg tot by de heer Reedelinghuysen,1) een kleyn kwartier van deeze drift geleegen, en hielden het middagmaal, dat ons zo hier als overal met profusie werd voorgezet; - des na de middags vervolgde wy onze weg tot by de heer Louw en wierden wederom na gewoonte ontfangen, hetgeen ons te beter te passe kwam, daar wy een reegenbuy hadden gehad, zoals de menschen niet heugde, en die de weegen als het waare in een oogenblik in beeken deed veranderen. Tot onzer vreugde troffen wy de vier door ons vooruitgezonden ossewagens en het detachement dragonders aan, welke wy reeds zedert twee dagen hadden gehoopt in te haalen, dog door de activiteit van de luyt.n Gilmer hier in bedrogen geweest. De vriendelijke hospes alhier heeft ons verhaald, dat zig veele sebra's en struisvogels in deeze contryen ophouden, en beloofde zijn best te doen van de eerstgenoemde eenige te vangen, en by de terugreyse of andere geleegenheid aan de generaal te geeven.

Donderdag den 7e April

Donderdag den 7e April des morgens bijna half acht uuren, reeden wy met ons gezelschap en dat van onze hospes Louw, van deeze zyne wooning; onze ossewagens reeds een uur vroeger vooruitgezonden hebbende, reeden wy met onze paarden tot na de plaats van Marais2) geleegen naby de Breede rivier, wy zagen op weg op een reedelyke groote afstand een kleine troep sebra's welke een kloof passeerde, dog maakte om de groote afstand geen jagt op dezelve; wy reeden met onze paarden een zeer klipachtig veepad om de wagens welke eene andere weg meer rechts geleegen moeste houden, te devanceeren. Hoe styl en ongemakkelijk deeze weg ook was, beklaagde wy ons niet dezelve gekozen te hebben, wijl wy van een der schoonste gezigten jouisseerde, hebbende de Breede rivier, welke in deeze oogenblikken zeer diep en snel en aan wederzyden met fraay hout begroeid is, in een afgrond aan onze slinke hand; en tevens uit hoofde der magtige hooge ruggen, welke wy overklouterden het mooyste uitzigt over het omliggende land, welke hier en daar ons gezigt met fraaye valleyen en daarin leggende plaatzen verlustigden. - Op de groote weg gekomen passeerde wy verscheyde wagens welke onder uit het land kwamen, de lieden by dezelve gaven ons ieder een salut uit hunne geweeren, tot bewijs hunner genegenheid. - Tegens circa 10 uuren waren wy geavanceerd tot by de pont welke ons over de Breede rivier moest brengen, de opzigter over dezelve zeekere Coens een zeer actief en vriendelijk man gaf ons hier veele proe-

[p. 106]

ven van zijn genoegen de gouverneur te zien, want na ons en de wagen gelukkig aan de andere oever gebragt te hebben, kwam hy in persoon te paard met nog een handpaard voor de generaal aanryden om ons na Zwellendam te geleiden; tot ons leedweezen vernamen wy van hem dat de Poespasvalley en de Kliprivier een half uur van het dorp Zwellendam geleegen zodanig door de gevallene reegen gezwollen waren, dat onze ossewagens niet zoude kunnen passeeren; aan deeze plaats gekomen zijnde, vonden wy zyn berigt in allen deele waar; zyne goede kennis der weegen en rivieren in deeze streeken waren egter oorzaak, dat wy onder zijn geleyde alle de overstroomingen en spruyten der rivier welke weynigsten 8 of 10 in getal waaren met onze paarden gelukkig passeerden; de weg na het dorp neemende zagen wy ons in de tijd van een half uur aan de drostdy by de landdrost Faure op Zwellendam. Wy wierden door den landdrost en desselfs famille allerbeleefds ontfangen, en den gouverneur met 21 schooten gesalueerd, dat dadelijk uit onderscheide hoeken van het dorp wierd gerepetteerd. De luyt. Gilmer, welke de ossewagens zedert gisteren was vooruitgereeden met het detachement dragonders kwam ons meede aan de drostdy verwellekommen, de ambtenaren en meer andere deeden een welkomstbezoek aan den gouverneur. Deeze dag werd verder gepasseerd met wandelen en bezigtigen van het merkwaardige, waaronder de kerk welk een zeer zindelijk welaangelegd kruysgebouw is.

Vrydag den 8 April

Vrydag den 8 April wierden eenige conferentiën tusschen den gouverneur, den landdrost en den ouderling Hilgard Muller gehouden, betrekkelijk de kerklyke zaaken aldaar, en tevens maatregelen beraamd deeze in een goede order te brengen; tegens den middag bezigtigde zijn Ed. de gouvernementsbosschen, welke nog al van eenige importantie zijn, in de klooven der bergen geleegen, na de middag schreeven wy brieven, een aan Janse van Rensburg en aan Coenraad de Buis in Cafferland, (zie bylage Litt. B.C.D. en E. ook na de Caap) de gouverneur gaf omstandig aan den commissaris generaal berigt, eerstens van ons arrivement op Zwellendam, ten tweede over de kerkelyke zaaken, retourneerende aan de commissaris generaal alle de stukken daartoe relatif.

Zaturdag den 9 April

Zaturdag den 9 April schreef de gouverneur eene missive aan den landdrost, waarby zijn Ed. eenige inzigten en bedoelingen omtrent het sort der Hottentotten ter zyner kennisse bragt, zendende van dit stuk copie aan den commissaris generaal, (zie bylage Litt. F en G.)

Zondag den 10 April

Zondag den 10 April des morgens ten ½ 7 uuren namen wy af-

[p. 107]

scheid van den vriendelyken landdrost en desselfs famille, welke alle ons met de gedistingueerdste gulheid en beleefdheid behandeld hadden; de heer Faure had de attentie zijn paardewagen met ons meede te geeven, en vergeselde ons tot aan desselfs veeplaats Rotterdam circa een uur van het dorp geleegen; hier kreegen wy ossen tot voorspan, en reeden de weg na de veeplaats, de Rhenosterfonteyn genaamd, gehoorende aan de heer Dirk van Reenen, onzen reyscompagnon; wy kwamen weldra aan de Buffeljagtsrivier, welke met zwaare reegens en in de winter een formidable stroom moet zijn. Thans egter kwam het water maar ter hoogte van de buyk der paarden; wy oordeelden voornamentlijk, dat deeze rivier moeyte aan de reyziger veroorzaaken kan uit hoofde der immense breedte van desselfs loop en bed. Het locaal aan de boorden deezer rivier is schoon, de menigvuldige boomen, welke aan wederzyden derzelve staan, en de in het verschiet zijnde bergen sierden het gezigt zeer fraay. Twee dagen vroeger zoude wy zo goed van deeze stroom niet zijn afgekomen, als zijnde door den zwaare reegen van voorgisteren toen zeer gezwollen. Boven op de rug der naby leggende berg gekomen zijnde, zagen wy voor de eerste maal een trop struisvogelen en een hoop bavianen, dog op een grooten afstand. Wy ontwaarden ook met zeer veel vermaak dat het wild hier minder schaarsch begon te worden; geduurende deeze dag zagen wy frequent troepen hartebeesten, bontebokken, rheebokken, patryzen, wilde pauwen en korhoenders. Wy reeden aan de 2de veeplaats van den landdrost te paard vooruit, om reeden het nieuwe voorspan ossen, dat wy daar krygen moesten, nog agter uit de bergen moest opgedreeven worden, zodat wy teegens drie uuren de zogenaamde Slangerivier gepasseerd zijnde eene stroompje van weinig belang als om het vee te laten drinken, tegens half vijff uuren na een plaisirige dag met het zien van wild doorgebragt te hebben, de plaats en paardestoetery van de heer D.G. van Reenen bereikte; wy gingen na een oogenblik gerust te hebben de uitgestrekte paarde en koestallen op dezelve geleegen, zien, en zagen buiten een menigte teelmerries en veulens drie zeer fraaye springhengsten van een extra sterken bouw en schoon figuur.

Maandag den 11 April.

Maandag den 11 April. Den voordemiddag wierd besteed om de mond van de Breede rivier te gaan bezigtigen; van de Rhenocerosfonteyn tot aan dezelve doorreeden wy een veld, hetwelk veel grof wild zooals men hier aantreft aan ons gezigt vertoonde. Wy naderden de rivier op een half uur afstands van haare uitwatering. Deeze stroom is de eerste, die ons na een lopend water geleek, en dat men

[p. 108]

in Europa een rivier noemd; zy loopt van het noorden na het zuyden; aan de voet der bergen tusschen welke zy doorvliet, strekt zig aan haare rechte oever op de plaats daar wy waaren eene breede zandbank tot aan zee uit, aan de linkeroever eene geul overlatende, die eenige diepte schijnt te hebben. Daar wy deeze oever tot aan zee niet langs ryden konden, hoe zeer ook de Africaansche paarden byzonder goed over klippen, waaruit de gantsche oever, en wel uit klyagtige aart bestaat, klimmen kunnen, steegen wy van onze paarden en beklommen eene hoogte die ons de geheele mond duidelijk vertoonde. Ten westen legt het St. Sebastiaans baaytje, welke zelve ten Zuydwesten eene uitspringende klip heeft; en ten oosten door de verlenging van de zandbank der rivier die zig met het land vereenigd tot een baay word gevormd. Van de uiterste berg aan de linkeroever strektzig voor aan de mond eene zandbank dwars voor de rivier, en agter die van de andere zyde vertoonende zig een geheel eynd wegs boven water en verders nog zigtbaar onder water. De geul aan de linkerzyde loopt tot aan deeze bank en strekt zig langs dezelve na de regteroever, alwaar de heer van Reenen zegt, dat zy aanmerkelyke diepte tot in zee toe zoude hebben; evenwel stond er met stil weer sterke branding voor de geheele mond der rivier. Of een schip in dezelve zoude kunnen komen, zoude deskundigen moeten opneemen en beoordeelen, alsmeede of de Sebastiaansbaay een veilige reede voor scheepen geeft en daartoe de nodige diepte bevat; de capitein aide de camp Paravicini de Capelli heeft een schets afgeteekend zodanig als zig de mond van deeze rivier vertoond. Na op deeze plaats een half uur gepasseerd te hebben, en toeschouwers geweest te zijn van de visschery, welke de heer van Reenen liet doen, keerden wy met de vangst, die redelijk goed was weder na de Rhenocerosfonteyn; die weg is eene ruime grasryke vlakte welke de rijkdom deezer plaats uitmaakt.

Woensdag den 13 April.

Woensdag den 13 April. Omtrend half zeeven uuren des morgens zaten wy weder op en vervolgden onzen tocht, de weg na de plaats van den commandant Lombard neemende; de weg welke wy volgden liep door een wijd uitgestrekt vlak veld, het eerste dat ons aanmerkelijk groot en vrugtbaar is ontmoet, de grootste breedte derzelve zal wel 4 uuren zijn. De grond is thans een en al met gras bedekt en zoude zo er geen gebrek aan water was, zeer geschikt voor bouw en teellanden zijn. Het inconvenient der vervoering zoude hier tog weder de ploeg uit de grond houden. Op den gantsche weg van heeden is ons byna geen wild ontmoet, trouwens de inwoonders laten niet veel

[p. 109]

rust aan hetzelve. De plaats van de commandant Lombard, alwaar wy tusschen 10 en 11 uuren aankwamen, legd in een vrolyke site; de woning en de stallen staan op een grasvolle hoogte, en hebben een ruim uitzigt over de tuynen en landeryen; deeze leggen in een ruime laagte, en worden besproeyd door de Duyvenhoksrivier, welke op circa drie honderd treeden langs de wooning snel vlietende kronkelend heenen loopt over een bed van groote keyen, die hier en daar door de harde stroom eenigsints vallen in de rivier veroorzaaken en het gezigt zeer interessant doen zijn. De oevers zijn meerendeels met kreupelhout en doornebosch bedekt. De heer Lombard onthaalde ons op het middagmaal, en verhaalde ons dat op een uur afstand zyner plaats aan de Slangerivier nog kraalen Hottentotten zijn geleegen; zonderling zien er hier op het land de huishoudens uit. De landlieden hebben doorgaans talryke familles en een magt van Hottentotten en slaven; men gaat schier geen stap of men is omringd van een aantal kinderen en meyden van allerley soort en couleur. De kinderen zijn doorgaans welgemaakt en loopen meestal geheel naakt, except die van de meester; de kleeding der meiden is meede niet veel, eenige egter kan men aanzien, dat zy op hunne Hottentotsche bevalligheeden trots zijn. Na volgens Africaansch gebruik goed gespijsd te hebben, reeden wy na de plaats van de heer du Pree, geleegen aan de Krombeksrivier, zynde een uur rydens van de Duivenhoksrivier; de weg werd hier toen weder bergachtiger, egter redelijk makkelijk te overklimmen. De famille ontfing ons met beleefdheid, het huis legd zeer aangenaam, hebbende op het front een vierkante ruime grasvlakte aan welkers eynde de stallen staan, ter linkerzyde een rey groote veekraalen, meest met jong rundvee opgevuld, beneevens eenige verspreide Hottentotsche hutten. Aan de regterzyde loopt de rivier, welke aan de agterzyde van het huis een ruime mooye vyver formeerd, die vischrijk is; op de regteroever dezer kom staat een welaangelegde smeedery en waagemaakerswinkel in welke verscheyde knegts met zeer veel behendigheid beezig waren te smeeden, zy scheenen hun werk zeer wel te verstaan. Des morgens van den 14e reeden wy van deeze plaats circa ½ 7 uuren en volgde de weg na de plaats van de heer Hilgard Muller, leggende aan de Vetrivier; wy passeerde de berg alhier, de Kraga genaamd, en bezogte in 't voorbygaan de plaats aan desselfs voet geleegen van Juff: Olivier; wy zaagen op de hoogte gekomen zijnde verscheide troppen antilopes en kleyn wild. Tegens byna 12 uuren arriveerde wy by de heer Hilgard Muller alwaar wy onze vooruitgezondene ossewagens en

[p. 110]

onze dragonders wedervonden. Een deezer manschappen is hier ongelukkig ziek geworden, zodat wy genoodzaakt zijn geweest hem agter latende aan de goede zorge van den eygenaar der plaats aan te beveelen, om verder zo mogelijk na de Kaapstad te worden getransporteerd; overigens vonden wy alle onze goederen en wagens in een goede staat.

Den dag wierd doorgebragt om eenige veranderingen in het pakken der wagens te maaken, uit hoofde dat de Plettenbergsbaay werwaards wy gaan uit de ordinaire cours der ossewagens is, welke wy aan de Lange kloof hoopen weder te vinden. Er kwam by den gouverneur een Hottentot, Michiel Valentijn genaamd, klagtig vallen over mishandelingen, welke hy voorgeeft hem door Daniël du Plessis1) te zijn aangedaan. Den generaal schreef hierover aan den landdrost van Zwellendam eene missive (Litt. H.) met verzoek deeze zaak stiptelijk te onderzoeken, belastende de Hottentot met de overbrenging der missive. - Circa 5 uuren des morgens van den 15.e reeden wy van de Vetrivier af, de maan scheen reedelijk helder, dog maakte welhaast plaats voor een regenachtige lugt, die ons ook op weg overviel; de dag werd egter schoon, de weg was door de gevallen reegen extra glad geworden, hierby gevoegd het bergachtige land hieromtrent maakte het eenigsints moeylijk voor de by ons zijnde paardewagen. Wy zagen met het opkomen van den dag verscheide troppen struisvogels en bokken, ook een zogenaamde jakhals. - Tegens circa 10 uuren kwamen wij aan de plaats van Snyman,2) zijnde een niet zeer brillant verblijf; op het zelve woonen egter goede vriendelyke lieden, die zig meest geneeren met het tappen van de hier tegens de bergen in groote menigte groeyende aloë, welks sap zy na de stad ter verkoop opbrengen. Na hier een uur vertoefd en ons ververscht te hebben, vertrokken wy met voorneemens den nagt by den landman Josias Meyer aan de overzyde der Goudsrivier geleegen te passeeren, dog hier komende, zagen wy dat het kleine huis deezer lieden zulk een talrijk gezelschap niet bergen konde, zodat wy voornaamen byna 2 uuren verder te ryden tot aan de plaats De Hartekuyl genaamd, aan de Stinkrivier leggende van Chr Botha om aldaar den nagt te vertoeven; de Goudsrivier word door de inwoonders voor een der moeylijkste gehouden om des winters over te komen, men kan soms zeer lang voor dezelve leggen, en zo dezelve al overkomelijk word, moet dog alles met een schuyt stukje voor stukje, zelfs de wagens uit een

[p. 111]

genomen, overgevoerd worden. Er word zeer veel hout en steenen door deeze stroom medegevoerd, dat de passage niet minder belemmert; tegenswoordig was het water van weinig belang, dog de breedte van het bed en aan wederzyden leggend strand duiden genoeg aan, dat deeze rivier ongemakkelijke oogenblikken kan hebben. - Tegens een uur op den middag kwamen wy by bovengemelde Botha, zijnde een man van zo exhorbitante dikte, dat het gaan hem byna niet mogelijk is. De plaatsen beginnen hier al te toonen, dat wy ons van de Kaap verwyderen. Wy vonden hier een huys vol volk meerendeels jonge vrouwen; in de eerste oogenblikken dagten wy dat het dogters en zusters van den huyze waaren, dog Botha zeide ons, dat het lieden waren, welke uit onderscheide plaatzen uit de binnenlanden door de Caffers en oproerige Hottentotten zijn geplunderd en verjaagd; zy verhaalden ons verscheydene scenes van gruwelen, welke in die districten hebben plaatsgegreepen; de vrouwen zien er algemeen byzonder wel uit, meest groot en welgebouwd.

Des morgens van den 16e tegens omtrent 5 uuren namen wy den tocht na de Mosselbaay aan, byna halverweegen reed den gouverneur en eenige der by zijn Ed. zijnde zydelings uit ten einde een baay, welke wy naderhand bevonden de Vleesbaay te zijn geweest te gaan bezigtigen; de generaal ging hier een oogenblik van het paard om in eene diepe holle kloof na te spooren of zig ook zoet water in dezelve bevond en vond werkelijk eene kleine quantiteit, dog dat bloot van de onlangs gevalle reegen ontstaan. - Omtrent 10 uuren in den morgen kwamen wy by den posthouder in de Mosselbaayaan; deeze man Aabue genaamd, reeds op jaaren zijnde, schijnt zeer geschikt, en reedelijk veel kennis te bezitten voor het ambt, dat hy bekleed. In zijn eerste jeugd was hy een onder-secretaris van de in Denemarken berugt geweezen Straubensée,1) deeze zijn val deed hem na Africa oversteeken. Wy deeden een wandeling langs de kust en confronteerde de beoordeelingen deezer baay door Barrow2) gedaan met het locaal zelve, het schijnt ons algemeen toe, dat deeze schryver met zeer veel grond geschreeven heeft; de plaatzen voor 't ankeren

[p. 112]

der scheepen, of aankomen van schuyten door hem gemeld zijn eenige practicable volgens de getuigenis der posthouder, alleen vonden wy meer en beter zoet water als hy opgeeft. - In deeze wandeling bragt de heer Aabue ons aan de uiterste punt van Kaap St. Blaise, hy deed ons door zeer moeyelyke klippen na boven klimmen en verraste ons met een zeer schoon gezigt; circa 400 voeten boven de oppervlakte der zee verheeven, stonden wy in eene spelonk door de natuur met stoutheid in de rotz, die de uiterste punt uitmaakt ingehouden; de diepte der uitholling bedroeg ongeveer 20 treeden breedte op even zoveel lengte. Halve cirkelsgewyze verheft zig over dezelve een ontzaggelijk overhangend en boven een afgrond uitspringend gewelf, dat wel 40 voeten hoog is; in deeze spelonk staande ziet men een schrikkelyke diepte onder zyne voeten, en eene hooge zee welke zyne golven tegens een rif van klippen aan deezen afgrond geleegen komt verbryzelen, de van boven afgerolde onbegrypelyke groote stukken rots doen wel eens na het gewelf zien, na beneden heeft men het oog over de onmeetbaare vlakte der zee, en de grot maakt van die zyde de vertooning van een diep theater. Het deed ons een onbegrypelijk genoegen iets van die natuur hier te ontmoeten, te meer daar het veel moeyte was tegens de steyltens op te klouteren; boven deeze spelonk was nog een andere dog iets kleynder, en de opening meer rechts gerigt, deeze zal 500 voeten boven het niveau der zee leggen en is niet minder interessant als de andere; aan het strand der zee vind men eenige petrificatiën, zo van gewassen als beenderen; wy vonden onder anderen een stuk versteend kaakebeen met 2 tanden van een schaap of iets dergelijks; de posthouder zegt, dat men dezelve de westkust langs veel vind. -

Onder de gebouwen hier in de baay staande teld men voornamentlijk het gouvernementspakhuis tot berging of opstapeling van producten, hetzelve zal 150 voeten lengte en 30 breedte hebben, wierd in den jaare 1786 gebouwd; thans was het sterk aan reparatie onderheevig getaxeerd op byna 5 á 600 Rdrs., de gouverneur gaf aan de posthouder de nodige authorisatie, (zie missive 17 April Litt. M.J.) de reparatiën te laten doen, en het hout daartoe benodigd uit de lands domeynbosschen te haalen. - De overige gebouwen except des posthouders woonhuis zijn van riet en kley en byzonder weinig waardig, eenige derzelve worden reeds zedert een paar jaaren sterk onderstut.

In de baay lag een brik van een particulier ingezeetene van de Kaapstad Murray genaamd, welke hier een soort van negotie drijft

[p. 113]

en hout opkoopt; de gouverneur schreef heeden brieven na de stad, onder anderen in 't byzonder aan den Commissaris-Generaal; de bovengemelde brik bragt dezelve over. Wy namen den 17e ten elf uuren het middagmaal, en vertrokken ten 12 uuren van de post in de Mosselbaay, welke wy cotoyeerde om na de plaats van de weduwe ter Blanche aan Kleyne Brakrivier te komen. Wy verwonderden ons in deeze streeken eene redelijk geassorteerde Engelsche winkel te vinden, zoals men op zulk een afstand niet zoude zoeken. De gouverneur kogt hier verscheyde kleine benodigdheeden, en wy vervolgden onzen weg, welke meerendeels op en af de ruggen der heuvelen loopt; wy deeden onderweege de plaats van Claas Meyer aan, alwaar het extra proper en fatsoenlijk is; deeze omstreek word voor het grootste gedeelte door lieden van die famille en naam bewoond, men zegt algemeen dat het braave luy zijn, hun aanzien heeft veel inneemends, en die welke wy zagen, hebben een eerlijk goed voorkomen. - Het was byna 5 uuren toen wy by de weduwe ter Blanche aftraden, de plaats legd in een aangename kloof rondsom met bergen omgeeven, latende voor de passage een smalle hals door welke de weg na Outeniqualand loopt. Wy vonden ter deezer steede wederom eenige vlugtelingen uit de beneden districten, in 't zelfde geval als die welke wy by Botha vonden; wij zagen hier talryke kudden rund en ander vee, dat er goed uit zag. - Te ½ 5 uuren des morgens van den 18e reed de gouverneur van hier, neemende de weg na het Outeniqualand, wy volgden een geruime tijd de groote Brakrivier en passeerde dezelve aan de voet van de groote berg, die een begin van dit land maakt. De wagens hadden by de twee uuren werk alvorens de hoogte te bereyken, ook is de weg by derzelver opgang vreeslijk klippig en ongelijk. De gouverneur, te paard zijnde verkoos alvorens de rivier te passeeren, zydelings uit te ryden, en passeerde een door bergen zeer nauw ingeslotene laagte daar men het zeer koud bevond te zijn; op de aanmerking die er van werd gemaakt, verzeekerde ons de Africaanen dat deeze plaats er de reputatie van had, en het er in de daad meest altoos koud, ja nypend koud is, hetwelk door de strekking der kloof zelve veroorzaakt word, welke de winden die tegens de rotsen koomen dwingen naar beneden te passeeren.

Omtrend de gevoelens over Outeniqualand refereert men zig aan het manuscript van de h.r Barrow die wel gezien en wel geschreeven heeft.

Het riviertje, de Quayang, zoude niet merkwaardig zijn, als gelykende op de overige, waare het niet dat het door een strook land

[p. 114]

doorloopt daar zig voor het oog maar weynig rotsen, klippen of steenen opdoen, en dat juist in een kronkel van die beek klippen van byzondere grootte zijn, waarvan zommige het water opstuyven om het over andere te doen heenrollen, hetwelk op eene plaats een zeer fraaye evenwel niet zeer hooge waterval veroorzaakt, niet ver daar beneeden vind het water zig weder in zijn loop gestuyt door andere rotsen, waarvan zommige, door eeuwen lang met kragt bespoeld te worden importante uithollingen gekreegen hebben, die zo veel kommen door konst gemaakt gelykenen. Dit is de fraayste vertooning die wy nog door de werking van beeken veroorzaakt, hebben aangetroffen.

De weg tot aan ons nagtverblijf bij den posthouder van dit district is vlak en redelijk gelijk. Op de berg welke aan den ingang van dit land legt, heeft men een uitgestrekt gezigt over de Mosselbaay, terwijl men in de laagte voor zig neer, de gedeeltelyke loop van de Groot Brakrivier in desselfs lengte ziet, deeze rivier is thans maar een beek, maar kan by reegenvallen en by springvloed uit zee, zeer hoog op zijn oevers koomen. By de posthouder Ferd aangekomen zijnde, schreef de generaal een brief (Litt. L.) aan de h.r Meeding,1) posthouder in Plettenbergsbaay om hem te verzoeken het volstrekt nodige voor ons gezelschap in gereedheid te brengen, en tegens den 22ste eenige rijdpaarden te willen bezorgen om de merkwaardigheeden in die baay te bezigtigen.

Den morgen van den 19.e wierd besteed om een tour door het land te doen, de posthouder had gezorgd, dat wy versche paarden hiertoe tegens ½ 9 uuren gereed hadden. Wy reeden door een zeer gelyke vlakte, welke tot tegen de bosschen aanstuyt; de grond heeft het aanzien van vrugtbaar te zijn, evenwel zegt men ons, dat er veel mist toe word vereyscht. Aan water mankeerd het hier niet, de nabyzijnde aan de andere zyde der bosschen geleegene hooge bergen geeven verscheyde zeer snel vlietende beekjes, welke continueel loopen; met veel gemak konden deeze spruyten water door dit vlakke land worden heenen geleyd, hetwelk gevoegd by de natuurlyke vogtheid van het climaat alhier, dit land een fraaye, ryke plek gronds konde doen worden. Wy passeerden verscheide der bovengezegde beekjes, als de Witfontein, Hartbeestrivier, Madagascarkraal, en meer andere, welke uit de bergen komende door de groote bosschen heenkronkelend verder door het land vlieten, om zig te zamen ver-

[p. 115]

eenigd in de Quayangrivier te ontlasten. Wy gingen de plaats van de weduwe Uewes1) bezigtigen, wordende voor de beste van Outeniqualand gehouden; deeze hoeve schijnt ook voorheen by het leven van haar man in een zeer bloeyende staat te zijn geweest, terwijl thans eene weduwe met 7 slaven zulk een stuk goed niet in die ordre schijnt te kunnen onderhouden als destijds.

Hier keerden wy om na de groote gouvernementsbosschen, ten einde dezelve te gaan bezigtigen; wy reeden lang door hooge struyken en doornen alvorens er aan te kunnen naderen, en waaren genoodzaakt onze paarden aan een ingang te laten staan. Wy vonden verscheyde groote dikke stinkhout, geelhout, yzerhout en andere boomen; het kleine hout, de wortelen en doornen belette ons ver in de bosschen te dringen; veel van het kleine, jonge hout word hier door de hooge boomen ondergehouden, dat zeer nadeelig voor het bosch is, te meer daar veele groote stammen door inwatering gedeeltelijk zijn uitgehold, en dus dubbel tot nadeel zijn, - Het land in de nabyheid is rijk in klein wild. De generaal nam deeze dag eenige verklaaringen van klagende Hottentotten over mishandelingen, welke hen door de opgezeetenen van dit district zoude zijn aangedaan. Men doet byna geen stap door dit land of de kreet van mishandelingen klinkt in de ooren, misschien zijn de klagten niet alle gegrond, hoe waarschynlijk zy ook voorkoomen, - daarom stelde de gouverneur de ingewonne verklaringen in handen van den landdrost Faure, met ernstige vermaaning en aanbeveeling deeze zaaken (waarvan eene niet minder dan een byna geprouveerde moord bevat) met de uiterste naauwkeurigheid in den grond na te spooren, zonder te gedogen, dat de minste indulgentie omtrent de misdadigen worde gebruikt, maar integendeel aan de kragt van billyke wetten en het gestrengste recht worden overgegeven; nimmer kan een vriend van rechtvaardigheid gedoogen dat een mensch uit hoofde zyner dienstbaaren staat aan zig verbeeldende hogere weezens onderworpen, mishandeld, en onder het gewigt van hunne gewaande grootheid worden nedergedrukt; elk die misdoet of mishandelt word, kan en moet recht by zijn wettige overigheid vragen, en zal die gewis erlangen; maar ongestraft gruwelen aan zijn evenmensch uit te oeffenen, zoude weldra een gereegelde maatschappy in een troep bandieten veranderen, daarom moeten klagten van zulk een aanbelang, daar soms leven en goed van gantsche huisgezinnen door zoude kunnen te niet gaan, zonder onderscheid van perzoon werden onderzogt en in 't helderste dagligt

[p. 116]

worden gesteld, en de schuldigen ten voorbeeld van andere met strengheid worden gestraft.

Den 20ste circa ½ 6 uuren in den morgen reeden wy van de post weg het pad langs en gedeeltelijk door de wyd uitgestrekte bosschen van 't gouvernement in Outeniqualand geleegen, neemende. Wy zagen hier en vervolgens ook verder op veele plaatsen welke in de jongste onlusten door de Caffers zijn verbrand, geplunderd en vernield, de eigenaars van zommige deeze en ook anderen hebben op het domeingrond van Outeniqualand met oogluiking van den landdrost Faure huysjes en kraalen gebouwd; zy verzogten alle om die stukjes ter leen te mogen hebben, dog de generaal heeft hun geen bepaald antwoord daarop kunnen geeven, niet wetende welke generaale mesures met dit land zal moeten genomen werden, veelligt zoude hier geschikte plaatzen voor Europische colonisten, en tot het reëtablisseeren van Hottentotten kunnen worden gevonden.

De lieden welke met ons meede reeden, hadden voorspeld, dat wy heeden de slegste weg zoude passeeren, die men op onze gantsche reys aantreffen zoude; aan het Kaaymansgat komende, vonden wy dat zy ons nog weinig hadden gezegd, want de passage op Hottentots Hollandskloof gelijkt hier een effen pad by; de weg is zeer stijl na beneden en bestaat in duysende scherpe, ongemeen groote klipsteenen, welke met onbegrypelijke hoogtens en laagtens, zo ongelijk door en op elkanderen liggen, dat wy veel werks hadden, hoezeer wy onze paarden aan de hand leyden na beneden te komen. Het Kaaymansgat hier beneeden geeft een interessante vertooning, de romantique legging en strooming van 't water onder overhangende boomen op een ongelijk en klipachtig bed en het donkere der bosschen op de beide kronkelende oevers doet hier de woeste natuur iets pragtig schoons voortbrengen, dat men met verrukking aanschouwd; de opgang der berg aan de overzyde is niet minder ongemakkelijk en leyde ons na een moeyelijk opklimmen in de fraaye bosschen van dit land, die wy met zeer veel vermaak doortrokken. De weg is hier gantsch en al over berg en dal dat ons noodzaakte veeltijds te voet te gaan tot soulagement der paarden. Tegens den middag hielden wy halte op de verbrande plaats van eene Herts welke ons derwaards geleide, wy gingen vooraan in 't naby geleegen bosch zitten om onze wagens in te wagten, welke een half uur daarna verscheenen en ons het middagmaal meedebragte; opgezeeten zijnde passeerde wy eenige tijd daarna de Trakatakauw, een ongemakkelyke style weg byna als het Kaaymansgat; kleyn wild vind men

[p. *9]



illustratie

Pl. 5
Blz. 116


[p. 117]

abondant hier in de bergen. Tegens circa vier uuren na de middag daalde wy weder na de laagte en bevonden ons voor de Zwarte rivier, een kreek krygende kort hier by zijn water uit zee. Zy was te diep om op de paarden te doorwaden, en wy voeren dezelve met een uitgeholde boom in 't formaat van een schuitje gemaakt, dat onze aanstaande hospes Weyers1) ons toezond, na zyne werf aan de overzyde over, en het goed werd, van de wagens afgeladen zijnde op dezelve wijze overgevoerd. Jansen Weyers,1) een man van zeekere jaaren en zyne famille ontfingen ons met blyken van veel genoegen, wy hadden het hier zeer goed en bleeven aldaar overnagten. Tegens byna 7 uuren des morgens van

Donderdag den 21 April

Donderdag den 21 April namen wy de reis weder aan en kwamen na een uur rijdens aan de Ruygte valley, een water met een gedeeltelijk zeer moerassig en gedeeltelijk zeer klipachtige grond, de paarden gingen zeer diep door dezelve, en het goed op de wagens moest om droog te blyven op de ladders2) worden opgevangen. Een uur verder koomt men aan de Groene Valley, zijnde een schoon geëxtendeerd meyr van zoet water, dat zeer vischrijk is en bloot door een strook hooge bergen van de zee word gescheiden; aan de andere zyde is de oever gedeeltelijk riet, dog op de meeste plaatzen donkere groote bosschen, de hoogtens en laagtens in de nabyheid maken dit gezigt belangrijk. Omstreeks elf uuren arriveerden wy by Wessel Voslouw3) aan de Ganze valley daar wy afstapte om ons te ververschen en de wagens in te wagten.

Een uur vandaar aan de overzyde van de Gaukoma meede een diepe drift woond Pieter ter Blanche, op de plaats genaamd Buffelsvermaak; wy reeden door een fraay bosch op steyle ruggen geleegen tot aan de rivier, daar wy weder met een schuytje overgezet wierden, en vonden hier P. ter Blanche zelve, die ons van zyne plaats kwam tegemoet ryden en derwaards geleyde, zijn famille bereyde ons ten tweede malen het middagmaal en uit beleefdheid moesten wy eeten. Op deeze plaats waren ook Caffers geweest; zy hadden wel gedeeltelijk de goederen geruineerd, dog het huis zonder iets te schaden of te verbranden in zijn geheel gelaten. Het was omtrend ½ 5 uuren toen wy aan de drift van de Nysna aankwamen, wy zamelde, intusschen wy onze wagens hier wagte, eenig hout, en staken een vuur aan, makende verder preparatie hier onze tenten op eene hoogte by

[p. 118]

de bosschen neder te slaan en deeze nagt te campeeren. Ons camp werd weldra in ordre gebragt, het weer was ons zeer gunstig en deed ons dus dit ons eerste campement recht aangenaam vinden; de jagt en visschery bezorgde ons des avonds een heerlijk soupée. Des morgens van

Vrydag den 22e April

Vrydag den 22e April waren wy reeds vroeg gereed, dog moesten ons vertrek tot byna negen uuren uitstellen, alvorens de drift van de Nysna te kunnen doorwaden, de zee stuyft hier by iedere ebbe en vloed zeer sterk in, en brengd eene wassing van circa 6 voeten aan en af, laatende by de eb veele land en schorren (juist gelijk die in Zeeland) droog, van welke wy gebruik moeste maken, wijl de weg gedeeltelijk over dezelve loopt; aan de afgebrande plaats van Lindebaum komende, reeden wy te paard rechts van de weg af, om onder geleide van de heer James Callender de poort of mond van de Nysna te gaan bezigtigen. Wy reeden langs het strand en het moerassige land aan de linker oever en kwamen op de hoogte leggende aan de zijde van Plettenbergsbaay, de mond is niet zeer wijd, en is aan wederzijden met scherpe uit zee steekende klippen gezoomd, in het midden en binnen komende aan de linkeroever staat ruym water genoeg voor scheepen van 3 en 4 vadem diep gaande, geevende aan die zyde een halve circelsgewyze baay met goede ankergrond, hebbende dezelve aan de regterhand een platte zandplaat. Een afteekening der naauwkeurige opneeming van legging en dieptens is ons door den opneemer zelve de hr J. Callender aangeboden en hebben dezelve met graagte geaccepteerd. De hoogte, waarop wy stonden is verheeven en doet de ingang der Nysna als steyl onder de voeten aanzien, men is egter niet in staat een steen met kragt geworpen van boven in 't water te brengen, waaruit blijkt dat aan de voet van deeze rots nog een breede riff of krants geleegen is. Het weder was niet zeer gunstig om een goed uitzigt van de kom van de Nysna te hebben; continueele motreegen en heyige lugt belette ons op verre afstand te zien.

Digt aan de mond heeft de hr. Callender naby de Melkhoutcraal tydens de Engelschen tot het doen der opneemingen en observatiën een houte woonhuys doen zetten, dog is by de jongste invasie der Caffers aldaar volgens zijn verhaal van zyne boeken, papieren, meubelen en kleedingsgoederen beroofd. Zyne vordering omtrend de herstelling zyner schaadens zijn zeer gemodereerd en billijk. Aan de afgebrande plaats van Lindebaum terug komende waaren onze wagens alreeds gepasseerd, welke wy aan de zogenaamde Bloed-

[p. 119]

kraal byna halve weegs de Plettenbergsbaay weder inhaalde en uitgespannen vonde; de open lugt was de herberg, daar wy ons middagmaal hielden, het discontinueerde niet te reegenen, waarom wy niet lang tafelde, maar spoedig weder opzaten, en onze weg gedeeltelijk door bosch en over ruggen van bergen tot aan de baay vervolgden, zijnde wy tegens het vallen van den dag by de gouvernements posthouder Meeding aangekomen.

Deeze man schijnt zeer heusch en doet gelijk alle vorige lieden zijn uiterste best ons wel te onthaalen, op de kennis van een halve dag te oordeelen schijnt hy goede maniere en nuttige qualiteiten te bezitten. Zyne woning en famille heeft het uitzigt van fatsoenlyke, weltevreedene menschen. Wy verlangde zeer onze wagens te zien verschynen, nat zijnde haakte wy iets droogs te kunnen aantrekken, dat een uur na ons arrivement gelukte.

Zaterdag den 23 April

Zaterdag den 23 April deeden wy op paarden, welke den posthouder had doen in gereedheid brengen uit de omliggende boereplaatzen, in zijn gezelschap een tour langs de baay en de verlatene plaatzen van verscheyde lieden van dit land, rydende eerstelijk na de landscazernen en pakhuys digt by het strand, het laatste is een groot nu ingevallen gebouw van 200 voeten lengte, zeer ongeschikt tot berging van hout, moetende het hout niet alleen verstikken, maar door de van zeer naby staande hooge rots afstroomend water rotten, en zowel gebouw als hout bederven: de gouverneur vond goed authorisatie te verleenen om in de buurschap op eenige distantie provisioneel een houtloots te laten opslaan van 50 voet lengte en 20 vt. breedte, tot berging van het hier reeds leggende of nog te kappene hout, in de smaak als in de republiek de magazynen aan de zaagmolen zijn geconstrueerd, zullende by raaming op 600 rijksd. beloopen, de opbouw hiervan is aan de directie van den posthouder conform eenige voorschriften gedemandeerd, - de missive en antwoord van den posthouder hiernevens gevoegd (Litt. M. bylage.) - Wy bezigtigden het hier leggende hout dat er reedelijk goed uitziet, en wil men er nut van hebben spoedig moet overgevoerd worden. Van hier reeden wy over het strand der zee langs de eenige gemakkelijke landing plaats van de baay, kenbaar aan twee in zee uitspringende klippen in het krommen van de baay. De zee stond vry onrustig en is zulks nogal veeltijds volgens getuigenis van den posthouder; aan de zuydpunt van de baay zynde, twee byna op zig zelven leggende vooruit steekende promontoires gekomen zijnde, en de rots beklommen te hebben, hadden wy het geheele beloop der baay voor ons, jammer dat de

[p. 120]

regenachtige heyige lugt belette alles duidelijk te onderscheyden; twyffelachtig scheemerend zagen wy tog de bergen van de Zitsikamma, en wy confronteerde onze kaarten tegens de natuur zelve, ons bedunkens geeft de kaart van de hr du Menil1) de legging redelijk exact aan, en koomt meer overeen dan die van Barrow. De rots op welke wy stonden, brengt een soort van steen voort, dat geschikt is, en hier ook tot slyp- en moolensteenen worden gebruikt. Wy namen onze tour over de ruggen der bergen na de kloof Jakhalscraal genaamd, langs de plaatzen van Wolfard,2) Heyns en Botha, de twee eerste gantsch verlaten uit hoofde de Caffers de eigenaars hadden vermoord, dog de derde door C. Botha bewoond, wiens zoon meede om het leven is gebragt, en wiens vrouw elf dagen in handen deezer natie heeft rondgezworven, en by de moord van haar zoon en de anderen heeft moeten assisteeren. De situatie deezer kloof of valley is zeer schoon, het land schijnt vrugtbaar te zijn, en zoude goed graan voort kunnen brengen, daarby stroomt door de gantsche lengte der kloof een water, ten onrechte op de kaart Pisangrivier genaamd, moet de Wittedriftrivier zijn terwijl de Wittedriftsrivier Pisangrivier moet genoemd worden, uit hoofde dat dit de eenige rivier is welke deeze vrugt voortbrengd. - Deeze plaats komt zeer geschikt voor om eenige huyshoudens Hottentotten te reëtablisseeren, welke hier met weinig moeite zig zoude geneeren, als kunnende hier ruym 100 beesten voeden.

Het was byna 2 uuren, toen wy weder aan de post terug kwamen, daar ons het dinée was wagtende; den nademiddag werd doorgebragt met rondzien, en des avonds zette zig de generaal aan het schryven van brieven aan den commissaris generaal, den landdrost van Zwellendam, en andere, (Zie bylage Litt. M.N. en O.) Gedeeltelijk wierd de morgen van

Zondag den 24 April

Zondag den 24 April door gebragt met schrijven, en de generaal deed een kleine rid te paard na de oostzyde van de baay, de mond van Keurboomsrivier en de bosschen in de omstreeken; de lieden in Kaapstad vermeenen, dat hier met vrugt zaagmolens zoude kunnen worden opgerigt, dit zoude egter nog zo gemakkelijk niet te effectueeren zijn; voor windmolens is het niet best geschikt, want de wind is hier of stormachtig of doodstil, voor watermoolens is het hier meede niet practicabel, de rivieren zijn hier of geweldige waterstor-

[p. 121]

tingen of geheel leeg en zonder drift; evenwel is aan het Klipriviertje eene situatie, die nog eenigsints geschikt zoude zijn, maar het hout moet als dan een omweg maken om eerst aan de molen en naderhand aan de inscheepingsplaats te komen. De generaal passeerde in deeze tour drie riviertjes, namentlijk de Kliprivier altijd water hebbende; de Dieprivier veeltijds droog dog alzo genoemd uit hoofde zy tusschen de bergen in eene diepe kloof legd, en nog eene rivier, de grootste van de drie, geen naam hebbende; de jagers schooten verscheyde vogels, onder anderen twee lourys en een fraaye ryger; 's avonds werden de wagens gepakt om des nagts vooruit te vertrekken na de Lange kloof by Matthijs Zondag.

Maandag den 25 April en den 26e

Maandag den 25 April en den 26e bragten wy door zonder iets merkwaardigs te ontmoeten, schrijven en wandelen was de meeste tijdpasseering; den 26 vertrokken onze paarden van hier, om ons des anderen daags ter halver weege in te wagten zijnde aan Willem Cloetens craal, in de streeken, welke wy tot hiertoe van het Outeniqualand af passeerde, geneeren zig de inwoonders meestal met houtkappen, dit geeft maar een zeer sober bestaan, het was te wenschen, dat zy zig tegelijk op culture toelegde, maar de moeyelijkheid van de overtollige voortbrengselen te kunnen vervoeren en te verkopen, is een obstakel, ten waare (hetgeen niet zeeker is) de grond veele waarde en weynig volume hebbende, voortbrengselen konde geven. De regte proeven zijn nog niet genomen.

Om de Plettenbergsbaay is de grond minder goed, als in Outeniqualand; het veld is meede algemeen zuur, hier en daar is dog goed gras, maar meestal boven op de kruynen der bergen, wanneer het vee op dezelve graasen, geeft dit een fraaye vertooning. De aloë verliet ons by het inkomen van het Outeniqualand, in en om de Plettenbergsbaay vind men dit gewas niet als hier en daar, en dan by die plaatzen die zoet gras, zoals men het hier noemd voortbrengen. Het zoet water is misschien schaarser in de Plettenbergsbaay als aan de Mosselbaay, maar wel zo goed. Bij de landingsplaats en in het drooge jaarsaisoen kan men daags uit de twee sprongen aldaar nog wel 30 tot 40 halve leggers1) vol vangen. Zeer naby de Nysna's drift had een bewoonder dier streeken korte tijd geleeden en wel daags voor onze aankomst in de Plettenbergsbaay vier schooten op een olyphant gedaan, zonder hem evenwel te dooden; men verzeekerd ons dat nog vry wat van deeze groote dieren in de ontoegang-

[p. 122]

lijke bosschen hier omstreeks huishouden, en men er by tyden nog 4, 5 en 6 te zamen zag.1).

Des morgens ten half vier uuren van

Woensdag den 27 April

Woensdag den 27 April vertrokken wy op paarden van de naburige plaatzen. De maan was reeds onder, zodat wy op goed geleide van de hr Meeding voortreeden, en na verloop van drie quartiers uuren eene rivier welke kort aan zee in de Keurboomsrivier valt, en tot heeden geen naam heeft, doorwaden; de weg aan de overzyde was zeer morssig, ja op zommige plaatzen zo diep met slijk, dat men met moeite te paard door dezelve koomt. Wy reeden binnen de twee uuren tot op de plaats van den veldcornet van der Walt, die ons meede te paard verzelde om den gouverneur te geleyden. Een uur of anderhalf verder begon het bergachtige land ons een voorsmaak te geeven van de gedugte weg die wy af te leggen hadden, gelijk kort daarop ook geschiede - niemand die deeze zo zelden gefrequenteerde weg niet gezien en doorgetrokken heeft, kan zig een denkbeeld maken der steyle rotsen en wegen die men over moet, somtijds ziet men vlak neven zig in een byna niet te bepaalene diepte onder zyne voeten in een kloof, wijd uitgestrekte bosschen die na een hoop struykjes of kleyn kreupelhout gelyken. - De Keurboomsrivier, welke men 2 á 3 malen over moet, en reedelijk breedte heeft, is van de hoogte haast niet zigtbaar, daar men genoodzaakt is twee derde van de weg zijn paard aan de hand te lyden, om te voet als van de eene op de andere scherpe steen springende met een gedwongen vaart na beneeden te komen - in de dieptens komende lykenen de bergen en klippen nog ontoeganglyker; het opklimmen is ook niet minder moeylijk, men vind soms zodanige steyltens, dat men door klimmen op de tiende pas buiten adem staat. Wanneer men vier deezer ruggen over is, koomt men aan de Cloetenscraal, zijnde een kloof beneden aan de bergen, aldus genaamd, omdat een familie Hottentotten van dien naam aldaar hunne wooning hadden2). - Wy vonden onze paarden hier weder, die op welke wy zaten, waren zeer gefatigueerd. Na ons hier een uur circa opgehouden, en een stuk te hebben gegeeten stapten wy met nieuwe moed en versche paarden een voor ons liggende berg weder op, evenals de vorigen met sterke scheuren en losse groote steenen gevloerd; het duurde niet lang of wij waaren we-

[p. 123]

der vergeeten gerust te hebben, evenwel al klimmende en nederdaalende kwamen wy aan de hoogste berg, die wij te passeeren hadden, en hier hielden wy een uur halte alvorens dezelve te entammeeren. Deeze berg maakte een van diegeene uit, welke zig door het gantsche land alhier uitstrekt, en onder anderen de Lange kloof formeerd met op een kleine afstand paralel geleegen byna even hooge bergen. Die welke wy passeerde, loopt boven over de punt van eene zeer steyle, en is met moeite practicabel; het oog word in deeze afwisselende klimming en daaling somtijds aangenaam verrast; op de bovenste hoogte, die wy overtrokken, ziet men over de zo even beschreeven ruggen en de Plettenbergsbaay een afstand van linea recta 6 à 7 mylen verte. Houtgewas zagen wy hier niet meer gelijk in de klooven; in dezelve houden zig volgens getuigenis van onze geleyders nog veele buffels, olyphanten en elanden op. Wy zagen egter niets dan de mist en spoor van een buffel, welke een bosje gepasseerd was; het is niet wonderlijk dat deeze wilde dieren deeze streek nog, bewoonen, want zelden zal een menschlijk schepzel deeze afgronden bezoeken. Met veel moeyte en sukkelens eindelijk de hoogste klipachtige berg, die ons nog voorkwam, opgeklommen te zijn, bevonden wy ons naby de plaats van de hr Matthijs Zondag, welke in de laagte van de Lange kloof byna ter halverweege der gantsche lengte is leggende, alwaar wy circa te 4 uuren aankwaamen.

Onze twee van op den 24e Plettenbergsbaay vooruitgezondene wagens, welke een groote omweg hadden moeten maaken, kwamen juist een uur na ons opdagen; de groote pakwagens, welke wy by de hr. Hilgard Muller verlieten, en de ordinaire passage gehouden hadde, waren met het detachement dragonders, reeds zedert 6 dagen hier aangekomen. Wy vonden het commando jonge lieden en de commandanten Botha en Van Rooyen om de reis meede te doen; zy zien er alle zeer goed uit en hebben meerendeels 2 paarden en zijn zoons van de landlieden uit deeze streeken. De commandanten hadden voor den gouverneur reeds 40 trekossen, 4 slagtbeesten en 90 hamels aangekogt, tot de prijs van 20 rijksd. per os. De gouverneur schreef aan den commandant Botha de missive Litt. C (in annexe bylage.)

Donderdag den 28 April

Donderdag den 28 April hielden wy rustdag, wy logeerde onder onze tenten, en maakte dien dag eenige arrangementen met het laden en bezorgen der wagens en beslaan der paarden; ook werd er eene instructie in gereedheid gebragt om ieder van het gezelschap een vak ter zyner directie op te dragen, en een goede ordre by de train

[p. 124]

te behouden. Het hoofd van iedere directie heeft weder zyne ondergeschikte om de zaken uit te voeren.

De gantsche train brak

Vrydag den 29 April

Vrydag den 29 April weder op en ging om 7 uuren des morgens op marsch; het opnieuw laden der wagens had ons eenige tijd opgehouden. Onze weg leyde door de Lange kloof met recht aldus genaamd, uit hoofde zy eene smalle diepte is, van byna een quartier tot een half uur breed, welke ter lengte van tot in de dertig uuren tusschen twee ryen paralel leggende rotsen van het N.W. na het Z.O. loopt; den dag bragt niets interessants meede, alleenlijk hadden wy het ongeluk dat in het afryden in eene drift door verzuym en malattentie een onzer pakwagens omviel en eenig goed, waaronder de groote portefeuille met teekenpapier doorweekt wierden. De riviertjes of driften hoe kleyn ook, kunnen hiertoe veelvuldig geleegenheid geeven, zo men niet in acht neemd, alvorens dezelve te passeeren iemand door te zenden. Wy hielden het middagmaal by Ignatius Ferreira, onderweegen was ons gezegd, dat hy ten zynen huyze 4 jagerbuxen van gedeserteerde Bataafsche jagers onder zig had, dog vonden er maar een, evenwel kreegen wy de informatie waar en by wien de andere te vinden waren; de gouverneur beduide hem, dat geen mensch landsgoederen mogt koopen en deserteurs gunstig zijn met kost of iets anders, en lieten eene zo schandelyke zaak voor deeze maal berusten en de bux op de wagens meede voeren. Wy arriveerde 's avonds met het dalen van den dag by Stephanus Ferreira, oom van den voorige, een man van jaaren en zeer ziekelijk; de famille overlade ons met beleefdheid, wy vonden hier alweder vlugtelingen uit de beneden districten in hetzelfde geval van geroofd en geplunderd als die welke wy reeds by menigte zagen. Het is nogal zonderling zulke verzameling van huishoudens op eene plaats te zien, daar ieder voor dien tijd een kleyn huisje bouwd en bewoond - kraalen en opzien ders van het hun overgebleeven vee by zig heeft, dat dan des avonds alles t'huis koomt en ieder zijn plaats van zelve neemd; het heeft veel meer het uitzigt van een klein dorp dan van eene plaats of hoeve. De bewoonders van de Lange kloof hebben alle verschansingen en suffisante zoode wallen om hunne huisen gemaakt; de defensie kan goed zijn, maar gelykenen niet na die van Vauban1), evenwel hebben zy de Caffers uit de huisen gehouden en dit prouveerd het nut.

Zaturdag den 30 April.

Zaturdag den 30 April. Wy reeden tegens half zeeven uuren van de

[p. 125]

werf van Ferreira en vervolgde de weg; den dag bragt niets merkwaardigs meede. Wy ontmoeten onderweg overal gedeeltens van de train, wagens en jonge lieden tot het commando gehoorende. Wy reeden een oogenblik by de veldcornet Rademeyer en gaven deselve de namen der lieden, welke de buxen onzer deserteurs agterhielden, met bevel dezelve by geleegenheid Kaapwaards op te zenden, en zig in 't vervolg voor iets van dien aart te wagten. Wy gaven de paarden een voeder by zeekere Strydom, alwaar veele vrouwen en meysjes waren, die er door de bank op het platteland redelijk goed uitzien; deeze waaren meest jonge getrouwde vrouwen en zusters. Het middagmaal hielden wy in de nabyheid van de plaats van Kritsinger,1) welke ook voor de Caffers de vlugt had genomen, wiens plaats was verbrand en pas binnen twee à drie maanden was geretourneerd. Wy stelden eene tafel onder eenige in 't veld staande boomen en aten met veel smaak, waarna wy weder voortreeden tot voor de Kromme rivier, welke kort hierby in de bergen by de Lange kloof zijn oorsprong neemd, daar wy tegens 5 uuren arriveerden; wy lieten onze wagens opryden en stelde ons camp voor dezelve. By het blaazen met de hoorn tot appell ontdekten wy tusschen de bergen een zéer schoone echo, die 4 maalen repetteerde, en een zeer duidelyke wederklank gaf. 's Morgens met het aanbreeken van den dag van

Zondag den 1 Mey

Zondag den 1 Mey reeden wy ten half acht uuren van ons camp, aanstonds de Kromme rivier, welke voor ons legde passeerende; deese rivier is hier nog van weinig beduidenis, als zijnde zeer naby haare oorsprong. Wy reden door zeer slijkachtige en by tyden klipachtige weegen; circa twee uuren van onze legerplaats kwamen wy weder voor dezelfde rivier, welke hier vry wat dieper was; te paard kwam men nogal reedelijk er door, maar de wagens moesten eenige tijd voor dezelve vertoeven om de goederen op te vangen en voor nat worden te bewaaren; alles ging zonder ongelukken, gelijk ook 2 à 3 uuren verder, daar de drift evenwel nog veel dieper was. Eenige wagens tenteerde2) door palmietstoven of pollen te ryden, en raakte in de modder vast; met oneindig veel moeite en tijd raakten zy er uit; de onze passeerde, zonder iets nat te maaken, de stroom egter op zwemmen af. Aan de overzyde komende spanden wy uit, en hielden het middagmaal, de Kromme rivier was geduurende de geheele dag aan onze zyde; alvorens aan ons nagtverblijf te komen, passeerde

[p. 126]

wy dezelve 4 à 5 maalen; het bed der rivier is zeer ongelijk en bestaat uit groote keyen, hier en daar eenige val veroorzakende. Met recht heeft zy de naam van ‘Kromme rivier’ gekreegen; tusschen zeer hooge bergen en in een naauwe kloofbeperkt zijnde, kronkelt zy met zulke aanmerkelyke bogten door dezelve, dat men ze telkens doorwaden moet en op deeze wijs houd zy aan, tot zy zig in de baay van dien naam in zee stort. - Tegens 4 uuren kwamen wy aan de verlaaten plaats van Thomas Ferreira (Jagerbosch genaamd), wy betrokken het ledige door de Caffers niet afgebrande huys, en spreyde daar onze legerstede. Onze nagtrust herstelde volkomen de fatigue van den vorigen dag. Wy vonden hier zeer schoone, zuure limoenboomen en zogenaamde narretjes1), welke dog door gebrek aan vogtigheid zeer kleyn en ingedroogd waaren.

Maandag den 2 Mey

Maandag den 2 Mey circa 9 uuren gingen wy van daar; onze ossen waren 's nagts verstrooid geweest, en het langzaam byeen brengen was de oorzaak van dit laat afryden. De Kromme rivier bleef nog continueel aan onze zyde, de weg wierd eenigsints bergachtiger; tegens 12 uuren omtrend passeerde wy voor de laatste maal de zo lastige Kromme rivier aan welks overzyde wy onze wagens uitspanden; terwijl gingen wy een bosje in een kloof geleegen bezigtigen, alwaar wy een fonteyn vonden, die tog wynig water in dit gety voortbrengd, maar's winters veel water moet afvoeren. Eene drooge geul van hooge trapsgewyze leggende klipsteenen geeven hiervan de zeekerheid; men vertoefde circa een uur of anderhalf, onze wagens afwagtende, welke in de vlakte opkomende ons spoedig ten middagmaal lokte. - Na twee uuren hier geleegen te hebben volgde wy onze weg, de lugt beloofde ons eene spoedige verandering in het ons tot hiertoe zo goed zijnde weer, de lugt betrok met donkere wolken en bevorens wy een half uur ver gereeden waaren, overviel ons een der zwaarste donderbuyen, verzeld van stroomen reegen en hagel; de hooge bergen wiens toppen bedekt en verduisterd wierden door het naderend weer wierden geheel zwart, het ligt zwaarmoedig en graauw, zwaare ratelslagen deeden de grond onder ons geweldig dreunen, terwijl snelle sulpherachtige blixems de donkere kruynen der klippen vuurig verligtede, de opeengestapelde ontelbaare hooge rotsen gaven een zwaar grommende weergalm der vallende donderslagen, de lugt rondsom en boven ons had de paarsche gloed en warmte van een koolevuur, en werd op 4, 5 plaatzen tegelijk door lang schietende blixems verligt; een iegelijk van het gezelschap verklaar-

[p. 127]

de in Europa nimmer zulk een weer gezien te hebben, ook gaat het een denkbeeld te boven. De reegen had het grootste gedeelte van ons nat gemaakt, by het overdryven van de buy stak een goede wind op verzeld van reegenbuyen; wy haaste ons aan eene plaats (zijnde die van Jacobus Vermaak, thans verlaten) te komen, ook arriveerde wy tegens ½ 5 uuren aan die wooningen welke uit twee niet zeer beste huisjes bestaan, in welke wy ons nagtquartier etablisseerde; wy betrokken eene groote kamer, zijn ligt door de deur scheppende, dog dit was geen hindernis om tog in dezelve onze matrassen te spreyen en kostelijk te slapen. De droge kleederen deeden ons weldra het vogt van de buy vergeeten, maar niet het majestieuse van de donder en blixem.

Wy zadelde 's morgens ten half zeeven uuren op van

Dingsdag den 3 Mey

Dingsdag den 3 Mey en reeden een uur daarna door de Dieprivier geleegen tusschen de plaats van Corn. Vermaak en die van G. Muller, deese rivier is aldus genaamd, omdat zy met de oevers tusschen hooge bergen legd, ofschoon zy deeze naam uit hoofde van het weinige water niet verdiend. De hoef van Piet van Beulen legd ook op een kleine afstand, links van dezelve, gelijk Leeuwenbosch, zijnde die van Marthinus Rensenburgh1) regts legd; het was op deeze hoogte, dat wy uitspanden om onze maaltijd te doen. Wy reeden deezen morgen door een minder klipachtig egter heuvelachtig vlakland, dat veel klein wild zooals kleyne antilopes, wilde pauwen, faisanten etca. opleeverd. Na op de plaats van Rensburgh 2 à 3 uuren vertoefd te hebben, vervolgde wy onze weg (na de Platjesdrift welke in de nabyleggende bergen haaren oorsprong neemd, gepasseerd te zijn); het land bleef even heuvelachtig vlak, maar de rechts leggende hooge bergen, welke zig zonder einde van Hottentots Holland af in de geheele lengte van de kust langs 't Zitsiekamma heen strekt, neemd hier in de vlakte te niet lopende een einde. Wy zagen op een kleine distantie de plaatsen van Herm: Karsten2), aan Platjesdrift geleegen en die van Theodorus Potgieter aan Dieprivier ter onze slinke hand leggen; zonder iets van aanbelang te zien, doorwade wy tegens 5 uuren omtrend een arm van de Zeekoerivier, aan welks linke oever dadelijk de plaats van Jacob Kock legd. Wy wierden hier ontfangen door Theod: Potgieter, welke dezelve thans bewoond, wijl de eigenaar voor de Caffers zyn gevlugt; de meeste der plaatzen, die wy heden in onze weg zagen zijn verlaten door desselfs vorige

[p. 128]

bewoneren, welke egter zodra de inwendige rust eens beter gevestigd zal zijn na hunne goederen wenschen terug te keeren. Wy namen alhier ons verblijf en wierden door de lieden zo goed doenlijk ontfangen; het ontbreekt de landlieden, die wy ontmoeten niet aan goede wil, veele zijn egter door de jongste onlusten onvermogend geworden; de meeste woonhuisen zijn verschansd met hooge wallen eenige derzelve hebben van nut geweest; de Caffers verwoestede dog by verkiesing de gefortificeerde hoeven, zo zy er by konde komen boven de blootleggende.

Woensdag den 4 Mey

Woensdag den 4 Mey hielden de wagens rustdag, van welke wy profiteerde om de mond van Kromme rivier te gaan bezigtigen, die wy over moeste, hetgeen niet dan met de eb geschieden kan; op de doorwaadplaats is zy zeer breed en loopt zelden zoo laag, dat het voor iemand, die de weg niet weet, raadzaam is zonder geleider dezelve te passeeren; men rijd eerst een goed eynd dwars en dan in de midden de lengte der rivier door na de mond af, eindelijk weder dwars over na den oever. Daar komende reeden wy op de daar naby leggende plaats Welgeleegen van de wed. Potgieter aan, om dezelve een oogenblik te bezoeken. Wy vertoefden egter zeer kort aldaar, en gingen langs de regter oever der rivier tot aan desselfs uit watering af welke in de baay de naam van de Kromme-Riviersbaay dragende uitloopt. Deeze stroom heeft weder het ongeluk van alle aan ons tot hiertoe bekende Africaansche rivieren, namentlijk, om door dwars voorleggende zandplaaten eeuwig gesloten te blyven, de uitloop van het water geschied tusschen een menigte banken door en by vloed over dezelve. Het strand in de baay is hier vlak, de sterke violente branding doet egter vermoeden, dat er voor in zee nog meer plaaten leggen; er is maar eene plaats heel regts in de baay gelegen, daar chaloupen des noods met moeyte landen. Een gestrand en hier nog in stukken leggend wrak van een boot bewijzen het moeylyke landen alhier. Wy confronteerde hier weder onze kaarten en bevonden die van Du Menil de beste strekking aan te duyden; de hoef van J. Kock, ons tegenswoordig verblijf legd egter niet wel aangeweezen; wy hebben op de plaats zelve de waare legging der plaats ten aanzien van de Zeekoerivier, en de loop derzelve veranderd en genoteerd. - Het was ruym eetenstijd toen wy wedergekeerd waren; na hetzelve stelde de generaal tot tijdpasseering en amusement van de jonge luy van de commando's, een prijs voor die met de kogel op een zeekere verheid in het wit zou schieten. Het meerendeel deezer jonge Africaanen zijn goede schutters; zy gaven

[p. 129]

heeden hiervan verscheide kleine proeven. - Den avond passeerde wy met schryven terwijl de jonge luy zig met danssen vervrolijkte. Des morgens van

Donderdag den 5 Mey

Donderdag den 5 Mey namen wy weder onze weg aan over de voor ons leggende hooge rug, aan welkers overzijde aanstonds de plaats van Hermanus Pieterssen aan de Kleine Zeekoerivier is leggende, wy gingen een moment van de paarden om de famille te groeten. - Tegens byna 11 uuren kwamen wy ter plaatze Kabeljaauwsrivier genaamd, leggende aan de rivier van dien naam, en gehorende aan de weduwe Jacob Kritsinger, welke ons ook nodigde af te stappen; wy deeden dit kort; na de rivier, die niet veel beduidend te deezer plaatze is, doorgetrokken te zijn, reeden wy na desselfs mond een quartier uur van daar geleegen. Deeze is gelijk alle anderen van voren met zand gesloten, latende aan de regte oever eene naauwe ondiepe en niet bevaarbaare uitwatering over. Voorts is de mond niets dan eene verlenging van het strand der zee; een uur of anderhalf vandaar hielden wy ons middagmaal. De gouverneur schreef hier een brief na de Algoabaay ten einde aan major Von Gilten1) te informeeren, dat wy aldaar spoedig denken te arriveeren, terwijl wy hier uitgespannen leyde kwam een wagen aanryden, welke twee dagen te voren van Thomas Ferreira uit de Algoabaay was afgezonden, om in dit district by zyne famille provisiën van meel ect. te haalen. - De voerlieden verhaalde ons dat reeds verscheide dagen geleeden het eerste schip der expeditie derwaards zijnde's lands brik de Spion daar was ter rheede gekomen, dog het hoekerschip Verwachting nog niet was opgezeild. - Tegens 4 uuren circa zagen wij de Chamtouwsch2) rivier voor ons leggen, aan welks oever wy onze tenten sloegen en ons camp voor die nagt vestigde. Geduurende dit laatste traject zagen wy voor het eerst de Noordsche doorn, een sneede met een mes overlangs in de boom door de buitenbast gedaan, gaf eene groote menigte witte sap, juist als vette melk stroomend uit dezelve. Wy hadden in het camp een goed vuur aangemaakt, niet ver vandaar hadden de Hottentotten leyers en drijvers der wagens het hunne, zy speelden op hunne wyze op de kaart, welke egter uit zeer kleine stukjes hout, dat tusschen de vingers te verbergen is, bestaat. Ik zal zoveel ik heb kunnen te weet komen en begrypen hun spel hier ter neder schryven. Zy zitten zoveel er zijn op hunne hurken rondsom het vuur, ieder een

[p. 130]

der bovengezegde houtjes in de hand houdende; de eene helft der speelers hetzelve by den aanvang in de regte, en de andere in de linke hand. De knaphandigste begind dan met allerley gebaarden en halfnaakt uitgekleed in de Hottentotstaal onbegrijplijk gaauw te praaten, en zijn houtje van de eene in de andere hand te gochelen, makende allerley grimassen, buygingen, draayingen en commique contorsiën en zulks tegens den tegens hem overzittende, die hetzelfde doet; na lange tijd hiermeede met veel agiliteit aangehouden te hebben, toond een van beide in eens zijn hand met het houtje zo den anderen dan hetzelve in de verkeerde hand heeft, is deeze overwonnen dog dan heeft het nog geen einde. De overwinnaar moet van de heele rey aan zijn overzijde hebben gewonnen om triomphant te zijn, dit maakt dat zy alle te saam praaten, zig wringen, stampen, en de allerbelachlijkste posturen aanneemen; zodra men verliest, teld men op zijn reeds overwonnene een agteruit, dus kan dit spel zeer lang duuren. Diegeene die het gantsch de rey af verliest, word zijn houtje met veel gebaarden en keelgorgelen verbrand, dit is hetgeen wy er van konden ontwaaren; het spel annimeerd hun sterk, zodat zy langzamerhand zig van hunne kleederen ontdoen, om des te flexibeler te buygen en duykelen. Zittende te souppeeren kwam een Hottentot aan de tent ons waarschouwen, dat er een zeekoe (Hippopothamus) de rivier af kwam zakken een ieder liep met snaphaanen na buyten om dit gedrogt te zien, dat ons tog niet gelukte, alleenlijk hoorde wy om de twee à drie minuten zijn snorken en zugten, als moetende dit beest zijn hoofd boven water steeken om adem te haalen. - Veel der jonge lieden reeden een eynd de rivier op, dog zonder succes, eenige hebben hem buiten bereik van 't geweer over de in de rivier leggende schorren zien loopen. Het geluyd is niet zeer fraay en bestaat meest uit harde grommende zuchten en steunen. - Tegens acht uuren maakte eenige der jonge lieden van de toen zijnde ebb gebruik om de rivier te passeeren; die de weg in dezelve niet kend, loopt (door de uitgespoelde gaten) veel gevaar te verdrinken, gelijk zulks tydens de Engelschen eenige maal aan ordonnancen is gebeurd.

Vrydag den 6 Mey

Vrydag den 6 Mey begonnen wy met de drift over te trekken de commandanten en andere lieden hadde de beleefdheid hunne wagens voor te laten ryden om de weg te baanen, en de ondiepste plaatsen te zoeken; ook kwam toen het water nog hoog in de wagens, omdat de rivier lang na niet afgelopen was; dit moest egter alzo geschieden, omdat de groote menigte wagens anders niet in eene eb over zoude gekomen zijn. Toen deeze wagens alle in de rivier stonden

[p. 131]

en dezelve agter elkanderen in desselfs lengte afzakte om na beneden weder dwars over te ryden, was het gezigt deezer overtogt alleen een dagreyse waardig. Hier zag men een troep slagtrunderen onder geleyde van 3 à 4 kleine Hottentotten de stroom overzwemmen, daar weer een kudde schaapen, zig met vreesachtigheid voortstuiven en somwylen in de rondte zwemmen. Enfin een gezigt, dat een aangenaame impressie nalaat van schoonheid, en zelfs audace voor die het eerste de rivier aandoet; dit laatste te meer om de frequente verspoelingen en gravingen der zeekoegaten. Voorheen was de Chamtouwschrivier de scheyding der colonie, en het waare te wenschen, dat zy nimmer overschreden was, dan tydens den gouverneur van Plettenbergh heeft men onze bezittingen tot aan de Groote Vischrivier uitgestrekt, en zeedert van het land tusschen deeze en die rivier geleegen een nieuw district onder de naam van Graaff Reynet aangelegd. - Wy zette alle gelukkig voet aan land in dit district; reeds by den aanvang van onze verdere tour had het landschap een ander gedaante; de weg loopt over een heuvelachtig kronkelend terrein op welkers toppen en laagtens verscheide kleine boschjes bomen staan; hoe zeer het ook buiten saisoen voor bloemen is zijn deeze boomen en struyken als bedekt met bloeyende klimop van allerley soort en couleur, en een menigte sterk ruykende bloemen. Wy vergaderde voor de aardigheid van iedere soort een trosje en hadden een heele groote bosch by ons arrivement. Een uur van de rivier hielden wy halte en wel op eene zeer fraaye plaats gelykende in het groote veel na een Engelsche welaangelegde tuyn met mooy begroeyde heuvels aan welks voet een groote uitgestrekte kom zoet water legd, zeer breed en niet minder lang; het geeft een schoon, ja pitoresq gezigt, de wagens op eene distantie over de sterk hellende wegen, die laag langs het water leyd te zien aankomen. Wy hielden ons middagmaal onder eenige boomen, en vervolgde toen onze weg; in de nademiddag passeerde wy nog een spruytje zoet water, Matjes goed fonteyn genaamd, denkelijk om de biesen, die daartoe1) gebruikt worden en hier in menigte groeyen. Een uur daarna zagen wy lings van ons nog een dito stroompje, Boterfonteyn genoemd. Wy reeden over de heuvelen kort langs het strand, eenige jonge lieden en de commandanten pretendeerde in zee een schip te zien, dat cours na de zyde van de Algoabaay zette. Wy naderde de bergen tusschen welke de Van Stadensrivier heene vloeyd en reeden na de laagte van eene hooge rug, die steylte genoeg had om ons te noodzaken te voet na beneden te

[p. 132]

marcheeren. Wy deeden zulks en bevonden ons aan den oever van de rivier, die hier zeer zoet en delicieus water afvoerd; hier etablisseerde wy ons leger en stelde onze tenten.

Zaturdag den 7 Mey

Zaturdag den 7 Mey vervorderende waren wy niet weynig gesurprenneerd, dat het Van Stadens riviertje, dat men aan de voet van ons camp over moest, zodanig diep was op de plaats van de drift, dat de wagens hoger water in kreegen dan daags te voren by het overtrekken van de Chamtouwschrivier, de reeden hiervan was dat de mond van het stroompje gantsch door zant bezet was, en dus het aflopend water had opgestopt. Diegeene van het gezelschap, welke te paard waaren, passeerde hoger op, daar genoegzaam geen water is, en trokken door bosschen een berg over, daar voorheen een wagenweg was geweest, maar thans onbruikbaar, zelve voor de losse paarden zeer moeyelijk; op het hoogste dezer weg gekomen, hadden wy juist een gezigt op de rivier op het tijdstip, dat onze wagens met de ossen, slagtvee enz. passeerde, dat gansch geen onaardig gezigt opleeverde; in 't bosch dat wy doorreeden, vonden wy weder eenige Noordsche doorneboomen. De wagens hielden de ordinaire weg, maar het gezelschap te paard sloeg rechts af na de plaats van Christiaan Vogel,1) alwaar de bekende ontdekte loodmijn gevonden word; tevergeefsch zogten wy na dezelve, en wijl wy niets vonden, dat de juiste plaats aanduyde, besloot men verder te gaan, en nader uit de baay onderzoekers af te zenden. By de zoeven genoemde plaats van Vogel thans onbewoond, zag men een meenigte bavianen, die evenwel niet onder schot kwamen. De weg liep door ongelijk leggende grasvolle velden; wy toogen drie maalen de kronkels van de Brakrivier over, passeerende wyders langs een mooye ronde waterkom (hier te lande valley geheeten) en hielden halte op een klein distantie van daar by een kromte van de zogenoemde rivier. Van daar opbreekende, merkte wy dat het voor ons zijnde veld goed van wild moest voorzien zijn, wijl de commandanten en verscheyde der jonge lieden om het spoedigsten vooruitsnelde, en wy kort daarop een menigte geweerschooten hoorde vallen, van tijd tot tijd struysvogelen en antilopes voor ons zagen loopen; tegens den nademiddag sloegen wy ons camp op de verwoeste plaats van de weduwe Maray neder, naauwlijks waren wy daar, of een expresse uit Kaapstad bragt den gouverneur een groote paquet brieven. Den capt aide de camp Paravicini, welke des morgens vooruit gereeden was om eenige arrangementen voor den gouverneur aan de baay nopens den ontfangst

[p. *11]



illustratie

Pl. 6
Blz. 132
Fort Frederik aan de Algoa Baay


[p. 133]

aldaar te maken, zond ook een aantal brieven, door den zeecapt: Siccama in de baay aangebragt, dat een groot genoegen aan de generaal veroorzaakte, zijnde dezelve van zyne famille, van den commissarisgeneraal de commandant der troepen, een lid van den Raad van Politie Wakker 1e en 2e secretaris by dat collegie Neethling1) en van Van Hasselt, auditeur militair Truter, capt. adj. Benay enz. Zy waren te meer interessant, daar zy tydingen uit 't moederland inhielden. Amper waaren de menigte brieven en stukken geleezen of een der jonge jagers kwam het hoofd met de schoone hoorn van een groot door hem geveld hartebeest brengen, byna tegelijk kwam een der commandanten met de beste veeren van een geschoote groote mannetjes struysvogel.

Zondag den 8 Mey

Zondag den 8 Mey reeden wy tegens half neegen uuren van onze legerplaats; het was circa half tien toen de major von Gilten en capt Paravicini ons tegemoete kwamen, eerstgemelde verhaalde ons dat het brikschip de Spion reeds zeedert drie weeken met 50 jagers in de baay was gearriveerd, en de Capt ter zee Siccama reeds weder Kaapwaards was afgezeild. Den major von Gilten roemd uittermaten de goede behandeling welke deeze officier aan boord jegens hem en de troupen heeft gehouden, alsmede de yverige medewerking om de zaken ter deezer plaats in order te brengen, zowel met provisioneele proviandeering als in alles wat tot welzijn van het detachement konde verstrekken; zie eene missive door zijn Ed. aan my geschreeven (Litt....) Ook vonden wy alles dat door zijn Ed. en den major von Gilten hier is gedaan in de best mogelyke ordre Het hoekerschip de Verwachting was nog niet te voorschijn gekomen, zy zeide tog dat daags te voren door verscheide lieden by drie herhaalde malen uit zee canonschooten waren gehoord, hetwelk door Fort Frederick is beantwoord geworden, en men dus hoopt dat dit een seyn van aatstgenoemd schip zoude zijn geweest. Het was byna 11 uuren, toen wy alle het Fort en blokhuis te zien kregen, en kort daarna aan het commandantshuys in de Algoabaay van onze paarden steegen. Hetzelve is een door de Engelschen gebouwd prooper huisje met vier appartementen; de gouverneur vestigde hier zyne residentie; zijn Ed. deed een tour na het strand en de oever van de Baakrivier, bezag het onderste aldaar geleegen blokhuis, dat in een redelyke goede staat is, gelijk generalijk de meeste der hier staande landsgebouwen. Het fort, dat boven op de top van een berg legd en de landingsplaats, rivier en omleggend land gedeeltelijk commandeerd, werd heden

[p. 134]

niet bezigtigd, wijl den major von Gilten rapport deed, dat zijn Ed. een der landlieden namentlijk Thomas Ferreira daags te voren wegens verregaande brutaliteit had vastgezet, en de gouverneur by desselfs aankomst niet dadelijk in details met deeze man wilde treeden; onder de zaken, welke men ten zyne laste legd, zegt men, dat hy zig niet heeft ontzien, zonder order of de minste voorkennis het gouvernementspakhuis af te breeken, en het daar van provenieerdend hout ten zynen gebruike weg te voeren; onze oogen zagen de fondamenten nog staan. (zie verder bylage Litt. Q.) Wy waren geen uur aangekomen of tot onzer aller blijdschap liep het schip de Verwachting in het gezigt van de baay; een sterke landwind belette het binnenloopen van de rheede, zodat hy het anker op twee canonsschooten distantie liet vallen en aldaar deeze dag blijft leggen. Nooit kon dit zo lang gewagte, tog den 17e April reeds uit de Kaap afgezeilde schip beter te stade komen, wijl het by het grootst gedeelte van het voor hier gedestineerde detachement, tevens alle de levensmiddelen, werktuygen etc. aan boord heeft en de baay slegt van dit alles is voorzien. De gouverneur ging de missionarissen Van der Kemp1) en Read, welke hier ter bekeering der heydenen zijn gegaan, bezoeken; eerstgenoemde laboreerd zeedert byna een jaar aan eene lamziekte, die hem als verteerd, zoodat hy er zeer vervallen uit ziet; hy heeft het aanzien van een verstandig man te zijn, het zal te wenschen zijn, dat zyne geestvermogens door zyne langdurige krankheid niet geleeden hebben. De hr Read stelde den gouverneur de Hottentotten tot het instituut behorende voor, en zeyde, dat zy circa ten getalle van 200 zijn, zy zien er zeer arm uit; de jongste onlusten zijn hier meerendeels oorzaak van, hebbende zy by dezelve de meeste werktuygen en vee verlooren, zodat zy genooddrongen zijn zig thans met veldwortelen, wild en de melk van hun overgebleven vee te geneeren. De gouverneur vond by desselfs arrivement al dadelijk een reeks van zwaare klagten tegens eenige Christen ingezeetenen alhier door de missionarissen ingegeeven (zie Litt....) Het laat zig aanzien dat zo men het wezendlyke but der reys wil bereyken, en dezelve eenigsints van gewenscht gevolg doen zijn, ons verblijf ter deezer plaatze wel eenige tijd zal duuren.

Maandag den 9e Mey.

Maandag den 9e Mey. Den gouverneur ging heeden morgen na de missionnaris Van der Kemp en was zeer tevreeden over het ge-

[p. 135]

sprek met denzelve. Wy maakte het bureau een weinig op zijn stel1) en begonnen met de zoo menigvuldige beezigheeden, die hier voorhanden zijn. Het schip de Verwachting maakte deeze morgen vroeg zeyl na de ankerplaats dog kwam niet binnen, moetende hy om het slegte onstuimige weder kort daarna weder ankeren en zeylen bergen. Wy kregen deeze dag een onophoudelyke reegen, verzeld van donderslagen, zodat wy niet veel buiten 's huys verrigten konde. Den gouverneur kwam met den major von Gilten overeen Thomas Ferreira uit zijn arrest te ontslaan en liet hem by zig komen om hem over verscheide zaaken te onderhouden, en zonder egter in 't minst van de tegens hem leggende klagten vooralsnog te gewagen, gaf hy een aanbeveeling zig rustig te gedragen, in geene deelen tegensmachinatiën of ongereegeldheeden te beginnen, waarmeede hy hem liet vertrekken By een tusschenpoosing van reegen gingen wy na boven ter bezigtiging van fort Frederick, hetwelk uit klipsteen is opgetrokken, hebbende in 't midden een blokhuis in redelyke goede stand. De palissaden om het fort zijn meerendeels door de boeren tot het maken van veekraalen gebruikt; het magazijntje in het fort is niet zeer groot, en zoude hoogstens 2000 ℔ pulver bergen, overigens hegt en voor het vuur gedekt. Het vivres magazijn ziet er tamelijk goed uit, en kan eene redelyke quantiteit bergen. Heeden retourneerde de burgers Stolts, Vogel en Doris Kleynhans2) van de Zondagsrivier, daar zy daags te voren na toe gereeden waaren, om de Hottentotsche capitein Klaas Stuurman op te zoeken en te nodigen by de gouverneur te komen. Deeze burgers, Stuurman op de plaats, die zy verwagte aangetroffen hebbende, versprak deeze, Woensdag eerstkomende aan de Zwartkopsrivier te zullen zijn, by de plaats van Cornelis van Royen, en verzogd dat de gouverneur zig derwaards wilde begeeven, als durvende niet wel vertrouwen direct na de Algoabaay te gaan. Kort bij de kraal van Stuurman leggen eenige Caffers, die zeggen, dat zy door de capiteinen derwaards zijn gezonden ter oppassing en weyding van vee, dat dog geen aanmerkelyke aantal scheen te zijn. Den burger Stolts aan Stuurman vragende, waarom hy verder opgetrokken was. antwoorde, dat dit gevolg van praatjes waaren, die hem minder ‘gerust’ gemaakt hadden.

De zig noemende Hottentotsche capitein Bouwezak legd aan Boschjesmansrivier, een goed eynd wegs van de kraal van Stuurman; deeze laatste heeft hem doen weeten, om mede by den gouverneur

[p. 136]

te komen; by het vertrek der drie burgers voornoemd van de Zondagsrivier, kon er nog geen antwoord van Bouwezak zijn, dus is zyne gezindheid nog onbekend.

Dingsdag den 10e Mey

Dingsdag den 10e Mey gebeurde er niets interessants, er wierden eenige preparatoire arrangementen genomen om met de oproerige Hottentotten te spreeken. De gouverneur kwam met de hr Van Reenen overeen, dat deeze des anderen daags in persoon na de plaats van Van Royen zoude gaan om met Claas Stuurman te spreeken, wy verzogten den missionnaris Van der Kemp 's avonds alle zodanige Hottentotten by den gouverneur te zenden, welke bezwaren en klagten van aanbelang in te brengen hadden, gelijk er ook verscheyde verscheenen, (zie bylage van klagten 10 Mey Litt. N.); de gouverneur versprak de zaken te onderzoeken en recht te doen wedervaaren

Het schip de Verwagting bleef nog ten anker ter zelver plaatze en kwam niet op de rheede. Een der jonge lieden, Mooleman1) genaamd, bragt den gouverneur een jonge levendige baviaan, welke hy in de duynen te paard had gevangen, het dier was uit angst zeer zagtaardig en laat zig streelen zonder het minst kwaad te doen.

Woensdag den 11 Mey.

Woensdag den 11 Mey. Heeden morgen vertrok de heer Van Reenen om het geprojecteerde van gisteren te effectueeren. Vroegtydig kwamen de boeren hier zeederd eenige maanden op commando leggende by den gouverneur om over onderscheide bezwaren tegens Ferreira en anderen te spreeken (op de annexe bylage N. gespecificeerd.) Tegens den middag kwamen twee afgezondenen van Stuurman welke de zending van de hr Van Reenen waren misgelopen; zy annonceerde, dat hun capt: zoudekomen. De heer Van Reenen rancontreerde hem niet ver van de geconveniëerde plaats, moest egter veele drangredenen gebruiken hem te persuadeeren mede te gaan. Zijn Ed. reusseerde hier tog in, en bragt hem 'avonds met nog eenige zyner manschappen mede na de baay. De gouverneur liet hem dadelijk voor zig komen, en deed hem onderscheide vragen, welke hy met veel oordeel en vrymoedigheid beantwoorde; gevraagd zijnde, waarom hy bevreesd was geweest herwaards te komen, zeyde hy geen vrees gehad te hebben; men vroeg ook uit hoeveel lieden zijn kraal bestond, maar hy gaf geen uitsluitend antwoord hier op, en toen men zig na zijn verlangens voor het vervolg van tijd informeerde, zeide hy te wenschen, om even gelijk voorheen, rust en goede behandeling onder de Christenen te kunnen genieten, en een plaats te worden aangeweezen om zijn levensonderhoud te verzeekeren, stellende daartoe

[p. 137]

eene plaats aan deeze zeyde der Chamtouwsch rivier voor. De gouverneur verzogt hem te beduyden, dat het hem en de zyne beter was een stuk lands meer by de menschen geleegen te hebben, om de Hottentotten met meer promptheid te kunnen beschermen, maar uit welke reeden weet men niet, bleef hy op zijn verzoek staan, hy leyde veel redelyke goede begrippen aan den dag en schijnt zeer genegen te zijn onder billyke voorwaarden en de verzeekering van goede trouw van de kant der Boeren, met al de oproerige Hottentotten, die volgens zijn zeggen hetzelfde verlangen, in hun midden weder te keeren, om tegens billyke belooning en behandeling hun te dienen en te verhuuren.

Het weder meer bedaard en beter dan gisteren zijnde, ligte het schip de Verwachting deeze morgen zijn anker om de baay in te lopen. Een half mijl van wal bleef hy leggen en zond een chaloup na land, waarin zig de luyt: Alberty en eenige jagers bevonden van het detachement voor herwaards gedestineerd; het kost hier ontsachelyke moeyte door de branding aan wal te komen; de chaloupen risqueeren alle oogenblik óf verbryseld te worden óf om te slaan; de tweede aan wal komende, raakte door de zwaare kaatsing der golven vol water, voordat zy ontladen was, dat geen best vooruitzigt geeft tot het debarquement der goederen. Wy hoopen egter dat de sterke branding van heeden bloot een gevolg zal zijn geweest van het onstuimige weder dat sints twee dagen heeft plaats gehad, en de zee spoedig beter geleegenheid tot ontlading van het schip zalaan bieden. De eerste boot bragt voor den gouverneur en de andere heeren brieven van Kaapstad meede; de generaal vond onder de zyne verscheide uit het moederland komende, beneevens een menigte couranten en nieuwstydingen van belang zo uit de republiek in 't byzonder als van Europa in 't generaal; de major von Gilten schreef de missive (zie bylage Litt. R.) aan den gouverneur.

Donderdag den 12 Mey.

Donderdag den 12 Mey. Deeze morgen hadden wy een tweede conferentie met Claas Stuurman in het byzijn van de commandant en de hr Van Reenen, by welke geleegenheid de verzeekeringen aan hem werd herhaald, dat men het voorleedene zoude vergeeten, en men voor de Hottentotten goede wetten zoude maaken, welke hun bescherming en veylige woon plaatzen zoude verzeekeren De wapens van Engeland werden door ons ingeruild tegens een ringkraag van de republiek, en ten onderpand der goede vriendschap werd hem eenige geschenken, bestaande in spiegeltjes en messen gedaan, daar zy zeer meede tevreeden waaren; nadat dit afgelopen was is Claas

[p. 138]

Stuurman, cum suis in gezelschap van Stols, en eenige andere burgers van hier vertrokken, om de andere Hottentots en Caffercapiteins aan deeze zyde der Vischrivier op te zoeken om by de gouverneur meede te komen spreeken etc. De heer Van Reenen en Capt. Paravicini namen eene informatie wegens een mishandeling aan een der Caffers ook hier tegenswoordig door T. Ferreira gedaan, (zie annotitie van klagten onder datum 12 Mey.)

De gouverneur schreef eene missive (bylage Litt. S. aan Thomas Ferreira en ontfing het daar annexe antwoord (Litt. S.)

De commandant van het schip de Verwachting capt. Correck kwam heeden van boord, en deed een bezoek aan de gouverneur welke hem ten eeten verzogt; de geëmbarqueerde troupen kwamen alle aan land, de branding veroorzaakte egter, dat zy zulks tot aan den hals toe in 't water moesten effectueeren, wilde men de chaloupen niet zien verbryzelen; weinig der ingeladene goederen konde heden aan wal komen. Den avond werd doorgebracht met schryven en opstellen te maaken.

Vrijdag den 13 Meij.

Vrijdag den 13 Meij. Zeederd den vroegen morgen schreef de generaal onophoudelijk brieven, zo aan den commissaris generaal (sub. Litt. T) als de volgende (Litt. U) aan den capitein der Verwachting Correck, aan T. Ferreira (Litt W.) waarop de annexe antwoorden. In 't byzonder ook eene missive aan den gouverneur-generaal en Raaden van Neerlands Indiën (Litt. X,) welke den zeecapit: Correck zal meedeneemen. Men ging heeden voort goederen uit 't schip de Verwachting te lossen.

Zaterdag den 14 Mey.

Zaterdag den 14 Mey. Heeden arriveerde een zendeling van de Caffercapitein Jalouze met een kopere plaat, waarop het Engelsche wapen, gelijk aan die welke de Hottentotsche capitein Claas Stuurman om had, maar iets kleynder; in zijn gezelschap was een ander Caffer zonder schild door de capitein Sambeé, oom van koning Gaika gezonden, alsmeede een Hottentot grooter en minder leelijk als die natie gemeenlijk is met zijn moeder, vrouw en twee kinderen van zijn geslacht. De Hottentot zeyde reeds lang in Cafferland geweest te zijn onder capitein Botman, dog de andere kende de naam van die chef niet. De oude Hottentotten zeide, dat zy van gebrek in het Cafferland het niet konde houden, en zy wederom verlange onder de Christenen te zijn; de Hottentot en zijn vrouw waren op zijn Caffers versierd.

De zendeling van Jalouse was dezelfde, die reeds eenige tijd te vooren hier geweest was om na de komst van den gouverneur te infor-

[p. 139]

meeren, en die juist een dag voor onze komst vertrokken was; hy had nu niet op nieuws zijn chef gezien, maar zijn volk hadden hem doen retourneeren, op de berigten, die zy van des gouverneurs aankomst hadden bekomen; onze gezanten had hy den 13e bejeegend. De zendeling van Jaloese had een intelligent voorkomen, scheen met faciliteit en promptitude te spreeken; de Hottentot, die ons de heer Van der Kemp tot tolk bezorgde, scheen daartoe de nodige bekwaamheid te hebben. Vragende of hy wist, dat de Hollanders de oude bezitters des lands weder hier waaren? antwoorde hy zulks wel te weeten; of zy verlangde met dezelve in vriendschap te zijn? dat zulks hun verlangen was; of de Caffercapiteinen hier zoude komen? dat hy zulks niet geloofde, dat zy zig zo verre zoude wagen, schoon hy verzeekerd was, dat hun geen kwaad zoude geschieden. Waarom hy dan had durven wagen hier te komen? hy zeyde niet bang te zijn, en ten anderen, dat het hem kon bevoolen worden ‘en was bevoolen’, maar dat de capitein zelve niet bevoolen wierd, en dus meester van niet te koomen. Hem werd kost gegeeven en gezegd tot nader roepen te blyven. Zoo wy gisteren een menigte brieven schreeven, was zulks gantsch niet minder op deeze dag; den gouverneur schreef aan de Raad van Politie (Litt. Y.) aan de militaire administrateur (Litt. Z.) gelijk ook aan de capt. Correck (Litt. Aa) en aan den Conseillé Privé Grand (Litt. Bb,) alle welke brieven, gelijk meede die aan zijn Ed. famille des avonds van den 15e werden ingepakt en per courier des morgens van

Maandag den 16 Mey

Maandag den 16 Mey afgezonden. Deeze dag occupeerde zig de gouverneur met het concipieeren van eene instructie voor eene commissie, welke zijn Ed. voorneemens was te benoemen tot het negotieeren van rust en vreede tusschen de Caffers en weerspannige Hottentotten; deeze instructie beneevens de geleybrief aan deeze commissie zijnde de heeren Dirk van Reenen, de capitein Paravicini de Capelli en capitein Alberty is hier bygevoegd (sub. Litt. Cc) Overigens werd deeze dag doorgebragt om voor des anderen daags arrangementen te neemen, zijnde het plan de Zoutpan hier in de nabyheid te gaan bezoeken, 's avonds vertrok een wagen derwaards om ons middagmaal aldaar vooraf in gereedheid te brengen. Twee jonge lieden van het commando bragten den gouverneur eene jonge levendige tygerkat present, welke zy in de duynen hadden gevangen; haar vel is volmaakt getigerd als van de tyger zelve, zy schijnt zeer boosaardig te zijn, men zegd, dat zy wel de groote van een patrijshond krijgt.

[p. 140]

Dingsdag den 17 Mey.

Dingsdag den 17 Mey. 's Morgens met het vroegste aanbreeken van den dag, maakte zig de gouverneur en het gezelschap, vergezeld van de bevelhebber der troupen alhier en den capt. Alberty, en de burgercommandanten gereed, te paard de Zoutpan, circa 4 goede uuren van fort Frederick geleegen te gaan bezigtigen. Wy reeden de weg op, welke na Graaff Reynet leyd, onderweegs zagen wy weder twee plaatzen leggen, welke geduurende de onlusten zijn verwoest; kort by de laatste doorwaden wy de kleyne Zwartkopsrivier, en een half uur van deeze de groote, er was weinig water in dezelve op de plaats daar wy ze doorreeden. Het spoor liep verder door een kreupelbosch aan wederzijden de weg, tot wy in eens verrast wierden door het gezigt van de gantsche pan; het was zeer interessant dit wondervoortbrengsel der natuur te bezigtigen. De hr Barrow in zyne opgave van dezelve heeft zeer naauwkeurig gezien, en doet volgens onze gedagten de zuiverste beschryving die men verlangen kan. Wy refereeren ons ook volkomen aan zijn geposeerde en zullen hier blootelijks byvoegen, dat wy de pan rondwandelde en zulks in een uur min 3 minuten; de kom was niet diep met water, het strand bestond bloot uit couches zout, de bovenste, welke wy aflichte, zal een duim dikte bevatten, de zyde van de pan, daar de wind de kabbeling van het water heen drijft, legd overdekt van sneeuwwit zeer fijn zout van hetwelke wy eenige zakken meede namen. De steenen hier en daar in de pan leggende waren ter duims dikte omtrokken met een korst zout, de crystalisatie van het water is zeer spoedig, overal waar zulks aankwam, het zy aan kleederen of andersints wierd zulks dadelyk door de zon tot een wit zout geformeerd Wy vulde een fles met dit water en namen dezelve met ons, om ook hiermeede een proeve te doen; wy wisten aan de by ons zijnde Africaanen geen juister denkbeeld van onze veldijss1) te geeven dan deeze Zoutpan; het lykend hagelwit alsof een dunne sneeuw over ons ijs legd, daar de boven uitsteekende overdekte steenen zeer aardig toe contribueeren.

Wy namen op de oever van de Zoutpan ons middagmaal en reeden na het zelve terug, houdende eene meer lings afloopende weg na de mond van de groote Zwartkopsrivier, welke wy een tijd lang cottoyeerde. Wy bezigtigden deeze mond en bevonden dat alweder gelijk by alle andere, een bare2) zand het inkomen van het geringst vaartuig belettende. Wy hielden op onze terugtocht vandaar het strand der zee tot onze weg, het welk zeer vlak en makkelijk te bery-

[p. 141]

den was, ontdekkende geene klippen maar een veel sterker branding dan by Fredericks Fort.

Woensdag den 18 Mey.

Woensdag den 18 Mey. Des morgens schreef de gouverneur de missive (Litt. Dd.) aan den burger Th Ign. Ferreira. Vervolgens kwamen de commandanten der burgers zijn Ed. een bezoek geeven, by welke geleegenheid hun de instructie tot de vreedeonderhandelingen werd voorgelezen, welke zy zeer scheenen en zeide te gouteeren. Deeze instructie werd ook heeden aan de daartoe benoemde heeren Van Reenen, Paravicini en Alberty uitgereykt, met de daarby gaande geleybrief.

Heden retourneerde de burgers Stolts, Vogel, cum suis, die by de Caffercapiteins 't Conga, Sambee, Jalouse en Tholyeer we l ontfangen waaren, ieder deezer opperhoofden liet eene vette os slagten om zyne Christengasten te onthalen. Te vergeefsch hadden zy na de zig noemende Hottentotsche capiteynen Bouwezak en Trompetter gezogd, de evengenoemde Cafferchefs beloofde egter dat zy vijf dagen daarna zijnde den 21 deezer beneevens den Caffercapitein Habanna aan de Zondagsrivier zoude komen en hun best doen Bouwezak en Trompetter te vinden en mede te brengen. Zy verzogten, dat de gouverneur zig mede derwaards wilde begeeven, als durvende zy niet wel wagen tot in de Algoabaay te komen; zy wisten dat het land weder aan de Oude heer Compagnie was teruggekeerd, en verlangde oprecht na vreede, zeggende niet wel met koning 't Gaika te zijn, en deeze hen dikwerf vee ontroofde, dat zy gehoord hadden, dat Gaicka de burger Hendrik Janzen van Rensburgh1) had laten verzoeken, om gezamentlijk de Caffers, die zig aan deeze zyde de Groote Vischrivier bevinden, aan te vallen. Wynige oogenblikken na de aankomst van Stolts kwam de door hem aangekondigde boodschapper van 't Conga in gezelschap van Bootsman Stuurman, broeder van de Hottentotsche capt. Stuurman ook in de baay aan, welke dezelfde boodschap als de burgers kwam doen. Men verzorgde hem van kost en vooral van brandewijn.

Donderdag den 19 Mey

Donderdag den 19 Mey werd de zendeling van t' Conga met eenige kleynigheeden die hem zeer aangenaam waren, beschonken, en gevraagd of hy den volgende dag in gezelschap van den gouverneur na zijn chef ryden wilde, hetgeen hy met genoegen accepteerde, waarna de burger Stolts met hem een wandeling ging doen. Het Asiatisch schip de Verwachting trok eenigsints zyne aandagt na zig, de aankomende chaloupen welke goederen debarqueerde, en door de sterke

[p. 142]

branding snel reysde en daalde, deed hem wonder opzien; op het aanbod, dat men hem deed om na boord te gaan, bedankte hy met op te merken, dat hy niet gaarne over het water wilde. Toen hy de casernen passeerde, zag hy juist de troupen eeten, dat hem zeer beviel, alsmeede het fort Frederick. De gouverneur vraagde hem, of hy uit de canonnen die hy bewonderde, wilde zien en horen schieten, hetgeen hy verlangde, maar zonder teekens van bangheid, sprong hy by het schot schielijk op, floot met een zeer lange ademhaaling, zyne ooren vasthoudende na de zyde ziende daar het canon na toe gericht stond, vroeg hy na den afstand, waarop men wel kon schieten, en hoeveel menschen men wel te gelijk kon raaken; hierop werd hem als afstandsteeken ver voorby het schip opgegeeven, en honderd menschen (als kunnende in eens doodgeschoten worden) genoemd, hetgeen hem niet verwonderde. De gouverneur hem vragende of hy nog een canonschot wilde hooron, bedankte hy daar met veel gebaarden en buygingen voor. By zijn teruggaan van het fort ging hy andermaal in de cazernen, en merkte op, dat de Caffercapiteins ook volk hadden, die geen gebrek leyde, maar dat het een grootmagtige capitein moest zijn, die zoo veel en zulk een rijk volk onder zig heeft, dat hy niet begreep hoe een ieder tusschen zoveel goederen het zyne kon vinden. De blinkende knoopen van de jagers trokken byzonder zijn oplettendheid, en zeide, dat als ieder hunner hem er slegts een enkelde gaf, dat hy dan eene groote menigte zoude hebben en zy ook nog veel overhouden. De goude epaulettes van den gouverneur trokken zyne aandagt meede na zig; op het naauw bezien en betasten, floot hy even zooals by het bezien der fraaye kleeding der jagers in de casernen. Hy vroeg om brandewijn met verklaring dat niets hem meer plaisier deed; hy zey in gebroken Hollands: 't is al te lekker1) voor mijn.’ De naam van deeze zo veel oordeel schynende te hebben Kaffer is t' Nacabanée, zijn ambt is zoals de colonisten het noemen heemraad by de capitein t' Conga; hy is een man van een vry hooge statuur, middelbaare jaaren, welgemaakt en een geassureerd voorkomen, heeft vier vrouwen en zeyde, nu hy deeze alle had gekocht, niet veel vee over te hebben. Zyne kleeding bestaat in een tygervelle cros op de eene schouder samengeknoopt, en agter langs zijn rug onder de andere arm na beneden afhangende; hy had acht zeer schoone yvoore ringen (uit een stuk ieder) boven de elleboog van de linke arm, aan de regter had hy boven de hand een kopere ring en een andere boven de elleboog. Om zyne lendenen twee snoeren kleyne

[p. *13]



illustratie

Pl. 7
Blz. 142
Hottentot Andrec Zwart Boye


[p. 143]

ronde koopere oogen van kopere plaaten, in kleine ruitjes gesneeden en dat in 't formaat van kraalen opgerold; om zijn hoofd had hy een krans van byna een duim breed, gemaakt van proper in punten uytgecampaande1) blaauwe en witte kleine coraalen, opverscheide draaden gereegen en tegens elkaar vastgehegt; boven op zijn hoofd een overeindstaande vlok paarde of bokkehaar met een leedere riemtje, waaraan verscheide kopere knoopen vastgemaakt, en aan zijn regterbeen onder de knie een krans kopere opgerolde coraalen. Voor de borst had hy een aan coraalen hangende ronde kopere gedreeven plaat daar het bovenste gedeelte van het wapen van den Engelschen generaal Dundas op staat, hetwelk hy van den landdrost Maynier,2) beneevens de naam van Andrec Zwartboy bekomen had.

De loots van het schip de Verwachting liet hem met een verrekyker na het schip zien, hy lagte zeer en zeyde, dat hetzelve schielijk na hem toekwam. Een horloge verbaasde hem, hy bezag het op alle zyden, en op het hooren tikken van hetzelve floot hy zeer lang.

Men was den gantsche dag bezig de manschappen en wagens in gereedheid te brengen om des anderen morgens na de Zondagsrivier te gaan; 's avonds ten 5 uuren byna, vertrok deeze train uit 14 wagens bestaande vooruit, onder geleyde van den luit: Alberty met 56 jagers, en den lt. Gilmer met 9 dragonders, welke beneevens een menigte jonge lieden tot escorte meede gingen. Met het aanbreeken van den dag van

Vrydag den 20 Mey

Vrydag den 20 Mey ging den gouverneur meede na het rendezvous aan de Zondagsrivier hebbende buiten zijn gewoon gezelschap nog den major Von Gilten, den capt. Alberty en chirurgijn major Weber by zig. De gouverneur, die reeds als geen goed voorteeken hield, niets van Jansen Van Rensburgh of Coenraad de Buys te hooren, wierd aan de Cuga, daar wy eene halte hielden, verrast door de komst van Van Jaarsveld met 4 burgers uit de verafgeleegene districten; deeze kondigde met de overige de vreugde der ingezeetenen aan, dat de colonie wederom Hollandsch was, en dat wy op een uur afstands Rensburgh met een groote 100 man zoude vinden, die den gouverneur te gemoete kwamen. Jaarsveld3) rapporteerde ook Cd de Buys gesproken te hebben en dat koning Gaicka wenschte de gouverneur te ontmoeten en zig ten dien einde na de Vischrivier zoude begeeven; men brak spoedig op om de coursse te vervorderen.

[p. 144]

Een half uur wegs afgelegd hebbende, vonden wy acht bejaarde burgers te paard staan, die door Van Rensburgh waren gedetacheerd om de gouverneur te begroeten; en hem aan te kondigen, dat hy met zijn volk het genoegen zoude hebben, de gouverneur na 's lands gebruik met saluutschooten te ontfangen, hetgeene dan ook korte tijd daarna geschiede; juist passeerde onze wagens op eene vlakte welke in de twintig in getal zijnde, deeze vereeniging van menschen en train een fraay aanzien gaf. De burgers verklaarde, dat de vreugde overgroot by een iegelijk was om weder Hollandsch bestier te zien; de gouverneur sprak veele hunner met vriendelijkheid aan, en deelde hun zyne verlangens en verwagtingen, beneevens zyne inzigten tot herstelling van geluk en vreede meede. Het genoegen wederzijdsch scheen vry algemeen, en wy gingen alle te zamen een en hetzelfde leger aan den oever van de Zondagsrivier betrekken in de nabuurschap der kraal van Claas Stuurman en eenige Caffers.

Onze Caffer heemraad van t' Conga, den zendeling Nacabanée deed deeze reys meede, bewonderde hetgeen hy zag, dog scheen meer dan eens blyken van ongerustheid te geven, welke tog telkens weder met vertrouwelyke verzeekeringen gestild wierdenen in lachen deeden keeren; men zeide hem, dat die menigte niets dan vreede gezind was, zijnde slegts het gewoon convoy als de gouverneur van het land reysde. De gouverneur onderhield verscheide van de nieuw aangekomene burgers, welke de voorzorge hadden gebruikt om over de 200 schapen meede te brengen, als verwagtende dat de bezetting van Algoabaay die zoude behoeven. Een lyfeigene van den gouverneur vond op het veld naby eenige struyken een koker met verin de twintig vergiftige pylen, de koker bestaat in een dun uitgeholde boombast, de pylen zijn van rietjes van anderhalve voet lengte vooraan met een yzere hartswyze gevormde punt. Capt. Stuurman zond een groote gevlogte mand met zoete melk aan den gouverneur tot geschenk; verscheyde Caffers kwamen door nieuwsgierigheid gedreeven het camp zien; alle waren zeer in hun schik om op schaapenvleesch en de by hun zo geliefde brandewijn onthaald te worden.

Des avonds souppeerde den burger Rensburgh by den gouverneur en zijn gezelschap confirmeerde hetgeen de Cafferchefs aandeeze zyde der Vischrivier hadden gezegd, namentlijk: (dat Gaicka hem zoude hebben laten vragen om vereenigd een oorlog tegens dezelve te beginnen) Rensburgh zeide, dat hy er niet ingekomen was, en dat hy de begeerte van zijn nieuw en wettig gouvernement wilde kennen.

Zaturdag den 21 Mey

Zaturdag den 21 Mey De legging van ons camp en de inrichting

[p. 145]

van hetzelve is merkelijk schooner dan die welke wy tot hiertoe betrokken, de oever van de Zondagsrivier is zeer hoog en doet op deeze stroom zeer laag nederzien; het camp1) dat teegenswoordig gantsch militairsch is aangelegd, heeft het front na de rivier, de Hollandsche vlag waayt van voor de gouverneur's tent, voor welke behoorlijk eene jagerwagt gesteld is; de train staat na vereysch agter het front, alles zamen genomen gelykend het na een kleyn leger.

De gouverneur had heeden eenelange conferentie met Rensburgh, om deeze, welke kundig met het Cafferland is zyne bedoelingen te openbaaren. Zijne Ed. gaf hem eenige inligtingen omtrend de middelen welke hy wilde gebruiken om eerst vreede met deeze natie te maaken, en dan is 't mogelijk rust, ordre en geluk voor het inwendige der colonie daar te stellen; het scheen, dat deeze burger de voorneemens van den gouverneur zeer gouteerde en zyne betuigingen van oprechte vreugde doen zijn Ed. wenschen, dat zowel hy als de nu bygekomene menigte het hunne tot het volbrengen dezer gewigtige taak, door eensgezinde pogingen zullen ondersteunen. By deeze geleegenheid leyde Rensburgh den gouverneur de hier annexe lijst (Litt. Ee.) over, bevattende de naam en het getal der lieden wiens plaatzen zijn verbrand en vernield. De capitein Stuurman kwam heeden met een groot getal zyner craal, zo mans, vrouwen als kinderen den gouverneur een welkomstbezoek geeven, eenige handen vol tobak aan deeze dames deed hen allen vergenoegd weder vertrekken. Ook kwam den caffer heemraad Nacabanée, welke den nagt aan zijn craal had doorgebragt weder te voorschijn, by zig hebbende twee andere Caffers en een bastard Philip Buys genaamd, welke voor den capitein t' Conga tot waarteeken2) van vreedelievendheid een bottel wijn en brandewijn, beneevens eenige kleinigheeden kwam vragen; wy gaven hem dit alles en daarenboven een stuk papier met het cachet van den gouverneur. Zy verzeekerde ons dat t' Conga al zeederd daags te voren aan de overzyde der rivier was geweest,

[p. 146]

wagtende na de andere capiteins, dat zodra deeze zoude zijn gearriveerd zy te samen zoude aankomen. Wy lieten hem vertrekken met bovengezegde waarborgen.

Den burger J.C. Greeling1) kwam by den gouverneur eene klagte doen, op annotatiën van klagten (folio.... onder datum 21 Mey aangeteekend te vinden).

Nog kwam een verzoek van Johannes Hendrik Bosch2) aan den gouverneur (zie meede annotatiën van klagten).

Zondag den 22 Mey.

Zondag den 22 Mey. Heeden morgen kwam weder eenige Caffers meest uit nieuwsgierigheid om het leger te zien; de gouverneur schreef een brief aan den commandantgeneraal der Landlieden Botha en de andere commandanten (zie Litt. F.f. hier annex.)

Den commandant Botha was gisteren met den burger Stols na den Caffercapitein t' Conga aan de overzyde der Zondagsrivier gegaan om te zien wat belette, dat hy en de andere Caffer bevelhebbers niet te voorschijn kwam; heden middag retourneerde gezegde commandant in gezelschap van twee Caffers, zijnde de een de tolk vant' Conga en de andere by de troep van Sambeé behoorende. Botha rapporteerde, dat hy t' Conga op drie uuren afstands van hier gelegen vond, welke hem extra vriendelijk had ontfangen en gezegd, dat er niets aan haperde dan het arrivement der andere capiteins; hy zond ook dadelijk van zyne lieden agteruit om hen tog aan te zetten spoedig op te komen. t' Conga scheen zeer na de vreede te verlangen, te meer omdat Botha hem beduyde, dat onze magt thans door de eensgezindheid der inwoonders grooter is dan tydens de Engelschen, omdat toen de colonisten onder malkaar waren verdeeld. Hy scheen dit zelfs te begrypen, en was daarom zeer geneigd den oorlog geeindigd te zien. Onder de Caffers, die kort daarna aankwamen, was er een die ons verzeekerde dat Tholy reeds by t' Conga was aangekomen, en dat wanneer de andere niet gaauw kwamen, zy beide tog op morgen wilde opkomen. Deeze nieuwe Caffergezanten wierden weder met brandewijn als na gewoonte voorzien. Nademiddag onthaalde zy ons op een dans na hunne 'lands wyze, de mans stonden in twee ryen agter elkanderen gearmd continueel opspringende onder het geeven van eentonig geluyd en gebrom, de vrouwen liepen op de maat van dit brommend gezang, dat zy accompagneerde ronds om de springende mans, makende eenige koene draayingen en trillingen van het lighaam, de mans waren moedernaakt, dog de vrouwen behielden

[p. 147]

hunne crossen om, overigens was den dans altijd hetzelfde, wordende tusschen beide door een verheffing van gezang opgewekt. Eenige toonden ons het werpen met assegaayen, maar het kwam ons voor, dat zy of de kunst willen verbergen of minder accuraat met dit wapen treffen kunnen als wy verwagten. Wy verbeelden ons, dat men een aankomende assegaay met een hout zeer goed kan afslaan; hunne verste afstand was 60 treeden en dan zeer ongewis.

Maandag den 23 Mey

Maandag den 23 Mey tegens omtrend 10 uuren kwam er eene boodschap dat de Caffercapitein Tholy op weg was na het leger te komen; kort daarna verscheen hy, by zig hebbende een ander capt. t' Chachow genaamd, en een twintigtal Caffers. De gouverneur deed hem eenige vragen betreffelijk de aankomst der andere capiteins, en hy verzeekerde, dat zy spoedig stonden te komen; Zijn Ed. zeyde hem dat zodra deeze alle present zoude zijn, hy dan over de zaaken zoude spreeken, zodat den capt. Tholy zyne komst bloot als een bezoek uit nieuwsgierigheid wierd aangemerkt. Men wees een verblijf aan onze zwarte gasten, en deeden een koey slagten, dat hen zeer scheen te behagen; zy bekwamen ook tobak, pypen en brandewyn, daar zy niet minder greetig in toetasten. Tholy verlangde zeer om presenten te ontfangen, en op 't antwoord, dat zulks zoude geschieden, zodra de onderhandelingen met alle te zamen zoude zijn afgelopen, vroeg hy om ze dan maar eens te mogen zien, men oordeelde zulks egter niet nodig.

Tholy is een man van een groote stature, grof, welgemaakt, een plat physionomie; men kon ook aan zyne kleeding geen ander onderscheid zien dan dat hy een cros van tygervel om had. Tegens den nademiddag vertrokken zy weder na een naby geleegen kraal van 't Conga, welke zy beloofde dat s'anderen daags vast zou mede komen. In den voormiddag had de gouverneur eene conferentie met de commissie der vreedesonderhandelingen en alle de burgercommandanten, waaronderthans ook Rensburgh en Strydom beide uit Graaff Reinet, aan deeze twee laatste werd in 't byzonder de instructie voor de vreede voorgeleezen en in 't generaal eene explicatie van eenige articulen, daarin door den generaal gedaan. Na den eeten deed den generaal met de meeste officieren van het gezelschap een tour te paard en bezogt de craal van den Hottentotsche capitein Claas Stuurman; zijn Ed. informeerde zig by deeze na het een en ander, en byzonder na de oorzaak zyner rebellie, de aanleidingen hiertoe waren volgens zijn zeggen grove mishandelingen; hy noemde eenige burgers, die voornamentlijk tot de gantsche twist tydens de Engelschen zoude

[p. 148]

hebben meede gewerkt, en juist deeze burgers zijn op honderd zestig uuren afstands van hier reeds in dit slegte dagligt gesteld. Het kwam ons voor, dat wanneer deeze Stuurman meer taalkunde had en hierdoor faciliteit bezat zig goed te doen begrypen, zyne vertellingen misschien wel licht zoude verspreyden in zaken, die nu niet te voorschijn zullen komen. 's Avonds werd de gouverneur kennis gegeeven, dat iemand der burgers zoude gehoord hebben, dat de broeder van Claas Stuurman in 't voorbygaan uit het camp gezegd had, dat hy zijn broeder en de andere capiteinen zoude waarschouwen, dat alles hier maar geschiede om hun te bedriegen, en zy dus hunne voeten niet meer in ons camp moesten zetten De generaal liet dadelijk Claas Stuurman en zijn broeder ontbieden, en liet by derzelverkomst deeze zaak onderzoeken in presentie van den burger, die dit gehoord zeyde te hebben; de Hottentot negeerde volkomen het gezegde, zodat men niet regt iets anders kon ter kennis bekomen, dan dat het een particuliere ontevreedenheid van deeze Hottentot was omdat een Christen tegens de Hottentotsche meiden sterk gevloekt had; wy zonden Stuurman weg met eene heusche vermaning geene nieuwe ongereegeldheeden te beginnen.

Dingsdag den 24 Mey.

Dingsdag den 24 Mey. Heeden morgen vroeg kwam een Caffergezant ons melden, dat de gezamentlyke Caffercapiteinen op den aantocht waren het leger te komen bezoeken; den burgercommandant, Botha en den burger Stolts gingen na de overzyde der rivier hun tegemoet. Na verloop van een uur kwamen deeze terug, zonder evenwel Cafferchefs meede te brengen; zy zeiden, dat deeze geen vertrouwen genoeg bezatten om in ons camp te komen, zodat men na eenige tijd geraadpleegt te hebben, besloot eene tweede commissie derwaards te zenden. De gouverneur benoemde hiertoe de capiteins Paravicini en Alberty beneevens twee der burgercommandanten; deeze deeden hun best de Cafferchefs over te halen in het leger te komen, dan op alle de propositiën van geruststelling kreegen zy niets ten antwoord dan dat zy bevreesd waren by de wagens te komen, verzoekende, dat den gouverneur tog na hun toe wilde ryden. Men zogt hun te beduyden, dat de generaal reeds zo verre was gekomen, en niets dan herstel van vreede en vriendschap in zijn zin had, en zy dus geen vrees behoefden te voeden. Alles wat men ook deed, was vergeefsch, zy bleeven stijf by hun verzoek, en toen men hun zeyde, dat de generaal dan dadelijk zou vertrekken, scheen zulks nog hunne ongerustheid te vermeerderen.

De heeren voornoemd waren dus genoodzaakt byna onverrigter

[p. 149]

zaaken terug te komen, en deeden hiervan verslag aan den generaal, welke een convocatie der commandanten en andere heeren beleyde om hunne opiniën te hooren omtrend hetgeen nu te doen overbleef; unaniem waren zy van gedagten dat geen einde aan de zaak zoude komen, indien zig de generaal de moeyte niet wilde geeven zelfs de rivier te passeeren, en hun te gaan spreeken; zijn Ed. niets dan het welzijn van het land beoogende, en alle consideratiën ter zyde stellende zeyde bereyd te zijn, ook deeze, hoezeer anders ook niet overgaarne, stap te willen doen, zodra zulks konde strekken tot bereiking der algemeene wensch na rust en ordre. Zijn Ed. zond dezelfde heeren weder terug na de Cafferchefs om dit zijn voorneemen aan hun bekend te maaken, en hun aan te maanen, om nu ook van hunne zyde op een aan te wysen plaats te verschynen, tegens des anderen daags morgen om negen uuren. Zy maakte wederom eenige zwarigheid, de positie tusschen de bosschen, die zy thans occupeerde te verlaaten, en op de vlakte te komen; dog verspraken na veel zwarigheden gemaakt te hebben op de bepaalde tijd en plaats te zullen komen, waarmeede de heeren dan ook genoegen namen en rapport kwamen doen. In de voorleeden nagt schoot een der Boeren welke op zijn wagen leide te slaapen een wolf, welke een schaap aan de wagen hangende, zogt meester te worden. Ons legerplaats is van dit gedierte en van jakhalsen zeer rykelijk omringd, zy ontrusten meenigmaal met stoutheid de ossen en paarden tot tusschen de tenten door.

Woensdag den 25e Mey

Woensdag den 25e Mey maakte zig de gouverneur, welke de voorledene nagt zeer onpasselijk wierd, evenwel gereed om met de militaire officieren, de commandanten en verder gezelschap, geëscorteerd door een detachement dragonders en eenige jagers na de bestemde plaats te vertrekken. Eenige diergeene die den vorigen dag by de Caffers waren geweest, gingen vooruit om te zien, waar zy zig bevonden; wy vonden, dat zy dien nagt niet op de ordinaire plaats hadden doorgebragt, maar in een naby zijnde craal, waar zy ook nog waren. De gouverneur wagte hun byna een uur op de vlakte, totdat de tolken met veel moeyte hun eindelijk zoveel moed inboezemde om schoorvoetende langs de bosjes kruypende te voorschijn te komen. Den capitein t' Conga reykte aan den gouverneur de hand, t' welk dan ook de andere capiteins Tholy, Jalouse, Sambée, t' Cachow deeden, zy zetteden zig vervolgens in een halve kring op de grond neder; de gouverneur deed hun door tolken overbrengen, dat hy op hun verlangst daar verscheen, om hun te toonen, dat hy welmeenend vreede met de Caffers wilde maken en vroeg hun of zy nu nog bang

[p. 150]

waaren, en waarom zy zulks geweest zijn; tot antwoord kreegen wy, dat zy zeer blyde waren de gouverneur te zien, en zig nu ook gerust stelde, dat er vreede zoude zijn, maar dat zy te bang waren, om in het camp te koomen. De generaal zogt hun te doen verstaan, dat zy door de menigvuldige Caffers, die in ons leger zijn geweest, nu al gerust moesten zijn, dat men geen kwaad wilde; zy gaven hier weinig gehoor aan, en repetteerde continueel, dat zy te bevreesd waren, voegende hierby, dat terwijl de gouverneur nu daar present was, men ook aanstonds alles kon zeggen, wat op het hart lag. Men ontwaarde, dat het byzijn van Salomon Ferreira, welke uit zigzelve en zonder toestemming van den gouverneur was meede gereeden een zeer onaangenaame gevoel by hun veroorzaakte. De gouverneur besloot dat ook voortaan niemand ergens meede zoude gaan, dan diegeene, welke speciaal door zijn Ed. daartoe waren genodigd en benoemd. Het was niet mogelijk hun aan 't begrip te brengen, dat zulk een zaak niet in een half uur kon worden afgehandeld, en zy dus nu gerust moesten medegaan, zy kwamen op het denkbeeld, dat nu de gouverneur hun de hand had gegeeven en eenige pypen present had gedaan, alle de zaaken ook dadelijk een eynde hadde genomen, en de vreede nu volkomen gevestigd was; te vergeefsch zeide men by herhaaling, dat men nog veele arrangementen over de belangen van het land moest maaken. Zy antwoorde maar dat de gouverneur dat nu oogenblikkelijk wel kon doen. Tot ongeluk was de onpasselijkheid van onze generaal veel toegenomen, zodat het byna niet mogelijk voor zyn Ed. was te spreeken; de Cafferchefs altyd begrypende, dat de vreede nu klaar was en alles in ordre, maakte zig op om te vertrekken, zodat men begon te vreezen, dat men geen gewenscht gevolg van alle deeze moeyte zoude zien. De generaal was verpligt na het leger te keeren, als kunnende byna niet langer te paard zitten zonder sterk te souffreeren, om dog nog eene tentame te doen ging de heer Van Reenen, de capiteins Paravicini en Alberty en eenige der commandanten nog terug, en kreegen de Caffers weder tot staan; zy waren evenwel reeds weder in hunne oude positie tusschen de bosschen teruggekeerd.

De heer Van Reenen maande hun tevergeefsch nog aan om by den gouverneur te koomen, wy vroegen hun, wat dog hunne vrees zo had doen toeneemen; zy begonnen met meer openhartigheid te spreeken en verhaalde gehoord te hebben, dat lieden van onze zyde samenspande met Gaicka en Buys om, terwijl deeze hun van de zyde der Vischrivier zogt te vernielen, de onze hun van deeze zyde zoude aan-

[p. 151]

vallen. Wy verklaarde hun, dat wy wel verre van hun eenig kwaad te willen doen, bereyd waaren, indien zy zulks begeerde hun met Gaicka te bevredigen, en zy ons ten dien eynde eenige lieden van hunne kant moesten derwaards meede geeven. Zy hadden wel ooren om zig met Gaicka bevreedigd te zien, maar tot het meedegeeven van gezanten kon men hun nog niet overhaalen, zy zeyde dat de gouverneur hen zonder deeze meede te neemen, wel kon doen weeten, als hy iets goeds voor hun met Gaicka kon overeenkomen.

Zy wilde toen weder absoluut vertrekken, zeggende dat in den tusschentijd dat zy beezig waaren met praaten, hun vee en goed door het volk van Gaicka wierd geroofd, en zy dus zonder uitstel derwaards moesten gaan. Wy zogten hun met beloftens over te halen om nog een dag te blyven, zy antwoorden geen leevensmiddelen by zig te hebben, dog dat byaldien wy hun iets konde toezenden, zy dan nog nadere dispositiën van den gouverneur zoude inwagten. De heeren, teruggekeerd zijnde, liet de gouverneur de heer Van Reenen en al de burgercommandanten by zig nodigen; zijn HoogEd. legde hun de moeyelijkheid van het onderhandelen voor, vragende voorts, wat hunne gedagten waaren. Zy waaren zeer verleegen goede raad voor te brengen, en beriepen hun altijd op de goede voorstellen van den gouverneur. Deeze evenwel wilde zien, wat weg zy zoude voorslaan tot bereiking van het groote oogmerk, zijn Ed. liet hun al de tijd om de zaaken te overweegen, dog kreeg door hun geen meer ligt in 't geval om hun dan tog te toonen, dat hy gaarne wilde zien of Africaanen alleen de schikkingen konde tot stand brengen, betuygende, dat weezendlijk niets hem aangenamer was, indien zy het alleen konde te regt brengen, dan hiervan eene blyde toeschouwer te zijn. De heer Van Reenen, de commandanten Botha en Linde gingen dan weder na de hoofdplaats der Caffers en traden op nieuws in onderhandeling, de instructie wierd hun tot leydraad meede gegeeven; zy namen uit dezelve de zodanige articulen als in de teegenswoordige omstandigheeden na hun inzien alleen met vrugt konde worden te berde gebragt, nalatende zodanige articulen als zy begreepen, dat (op dit oogenblik te doen) schadelyke gevolgen voor hun land konde hebben.

De Hottentotsche capitein Stuurman, welke heden by de laatste onderhandeling zijn best deed mede tot het goede te werken, schijnt zig aan zyne belofte te willen houden om de rustte helpen bevorderen. 's Avonds kwamen eenige lieden aan wiens hoofd Hans Trompetter, tot de troep van den zig zelve opgeworpene Hottentotsche capitein

[p. 152]

Bouvezak behoorende in ons leger, de gouverneur liet hun weeten dat zy na deeze weder moesten keeren en hem zeggen, dat zo hy zig op zigt van den last dadelijk by den gouverneur vervoegde, hy dan pardon zoude erlangen, en zulks niet doende zou aangemerkt worden als een struykrover en wederspanneling, en als zodanig worden behandeld.

Donderdag den 26 Mey.

Donderdag den 26 Mey. De heer Van Reenen en de commandanten hierboven genoemd reeden deeze morgen weder na de overzyde om de pointen, die zy vermeende nog te moeten reguleeren met de hoofden der Caffers over een te komen, (zie het annex rapport van deeze heeren); hier onder was voornamentlijk hun te persuadeeren om drie à vier lieden van hun met ons na koning Gaicka meede te geeven, waartoe zy dan eindelijk besloten, geevende egter maar een persoon, die de Hollandsche taal ook magtig is, zijnde een bastard Platje genaamd. De heeren konde hun volstrekt niet persuadeeren, nog voor het vertrek de gouverneur by de wagens te komen zien, zelfs niet om de presenten, welke voor hun in gereedheid waren gebragt in persoon te komen halen. Twee hunner waagde dit egter, namentlijk den capt. Tholy, en een jonge capiteyn, broeder van Sambée; de overige zonden gezanten om hun goed te haalen, gelijk wy dan ook voor t' Conga, Jalouse, Sambée en t' Chatchow aan hun mede gaven. Zy gaaven ons ten waarteeken van vreede twee ossen ten geschenk, zijnde zulks, zo zy zeggen, hun brief van vreede; de gouverneur accepteerde dezelve en destineerde ze om na Kaapstad over te laten brengen. Den Hottentot Claas Stuurman, welke heeden ook weder met de heeren na de Cafferchefs was geweest, en op zyne wyze zijn best deed, hun tot een en ander articul te persuadeeren, ontfing van de gouverneur een present, gelijk dat der Cafferhoofden, bestaande in kopere plaat, spiegels, messen, coralen en dergelijke snuysteryen. Een menigte gemeene1) van Caffers en vrouwen innondeerde heden ons camp, meerendeels om wat te beedelen en te eeten. en daar wy tog nu de zaken zo verre afgehandeld zagen, en dus op morgen na de Algoabaay wilde retourneeren gaven wy deeze laatsten dag maar aan byna alle om geen ontevreedenheid agter te laaten. De nodige toebereydselen tot ons retour wierden heeden met alle spoed gemaakt, gelijk wy ook

Vrijdag den 27 Mey

Vrijdag den 27 Mey 's morgens circa acht uuren ons camp opbraken, en met het gezelschap te paard afreeden, neemende dezelve weg, die wy derwaards gekomen waaren.

[p. 153]

Zaturdag den 28 Mey.

Zaturdag den 28 Mey. Heeden morgen schreef de gouverneur eene missive, (zie bylage Litt....) aan de heer Van Reenen; zijn Ed. had een byeenkomst met den commandant Van Rensburgh, by welke geleegenheid hy zig na onze verdere reysroute informeerde en verscheyde andere zaaken met deeze afhandelde. Eenige der landlieden, welke ons tot hier verzelde, kreegen permissie van den gouverneur weder na hunne wooningen terug te keeren; een deezer, Ignatius Muller genaamd, wierd door den generaal tot veldcornet van dit district benoemd, en kreeg de hier annexe missive tot aanstelling en instructie, zijnde hem tot provisioneele rigtsnoer daarby gegeeven copie missive door den gouverneur den 10 April aan den landdrost Faure te Zwellendam geschreeven.

De gouverneur had des avonds eene lange conferentie by de heer Van der Kemp, zo over de huishoudelyke inrichtingen der Hottentotten, als over de locale plaatsing van zijn instituut; by de missive van gisteren wierd de heer Van Reenen verzogt des anderen daags eene bekwaame plaats daartoe uit te zoeken, dat dog uit hoofde van het Pinxterfeest geen plaats konde hebben.

Zondag den 29 Mey.

Zondag den 29 Mey. De hier bygevoegde secreete missive (Litt....) werd aan de heer Van Reenen geschreeven. Den burger Thomas Ignatius Ferreira kwam de gouverneur verzoeken om zig na de Chamtousch rivier1) te mogen begeeven om koorn in te gaaren, dog wierd aangezegd om de nadere permissie hiertoe af te wagten.

De gouverneur schreef eene missive (Litt....) aan Gabriël Stoltz betrekkelijk het terugkeeren der lieden na hunne plaatzen. Ook eene missive (Litt....) aan den major Von Gilten, omtrent de veldcornet Ignatius Muller en den missionaris Van der Kemp. De loots van het schip, de Verwachting, kwam hedenavond de ordres van den generaal vragen, als zullende morgen met een der terugkeerende wagens na Kaapstad retourneeren, zijn Ed. schreef eenige regelen aan den commissaris generaal en aan desselfs famille, en gaf den loots buiten deeze nog eene missive (Litt....) voor den landdrost Faure te Zwellendam, verzoekende daarin aan denzelve om den loots verder te willen bezorgen. Onze wagens werden heeden ingespannen, en onderzogt of er reparatien aan nodig waaren, ten einde dezelve zo spoedig mogelijk te doen.

Maandag den 30 Mey

Maandag den 30 Mey bragt den gouverneur en zijn aide de camp geheel met schryven door, zijn Ed. concipieerde en reikte een supplement tot de instructie voor den commandeerende officier van de

[p. 154]

Algoabaay uit, met eene geleybrief (beide onder Litt....) waarby nog gevoegd eene copie van den brief aan den veldcornet Muller. De generaal stelde op ingewonnen advies van de heeren Van Reenen, Botha en Linde eene missive (Litt....) nopens de zaak van Thomas Ignatius Ferreira de oude en zyne huisgenooten, concipieerde de besluiten van provisioneel exil voor deeze, en zijn zoon Stephanus Andries Hercules en zijn behuwdzoon Petrus Hendrik met deeze zyne vrouw Martha, (zie Litt....) beneevens een dergelijk besluit over Jan Arend Rens (Litt....) waarvan hy copie zond aan den commissaris generaal (Litt....) en van 's gelyken aan de landdrosten van Zwellendam en Stellenbosch (zie Litt....) Aan deeze laatste was het besluit tegens Ferreira niet gevoegd. By deeze expeditie na Caapstadt zond den gouverneur eene missive aan den commissaris generaal (Litt....) daarby voegende eene copie van de supplements instructie hierboven gementioneerd.

De heer Van Reenen was heden morgen op authorisatie van den generaal met de commandanten Botha en Van Royen den burger Oosthuysen en den missionaris Read weezen zien na een geschikt locaal1) ter plaatsing van het instituut der Hottentotsch school; by zijn retour en verslag daaromtrend schreef de generaal eene brief aan den missionaris Van der Kemp, hem daarby de concessie toestaande van een plaats geleegen tusschen die van Thomas Ign. Ferreira en de wed. Scheepers, geevende die op verzoek van de heer Van der Kemp den naam van ‘Bethelsdorp’, (zie deeze missive Litt....) In antwoord op zyne annexe missive aan den gouverneur den 13 Mey geschreeven, deeze concessie en een copie daarvan, met een geleybrief (Litt....) aan den major Von Gilten, werd

Dingsdag den 31 Mey

Dingsdag den 31 Mey aan zijn Ed. gezonden. Tegens een uuren na de middag paraisseerde voor den generaal en de officieren van het detachement alhier, beneevens de heeren Van Reenen, den burger Th. Ign. Ferreira de oude aan wien het op gisteren vervaardigde besluit in presentie van deeze heeren werd uitgegeeven, latende hem eene quitantie (Litt....) teekenen, ten bewyze dat hy die voor zyne zoonen daarop omschreeven, ontfangen had. Jan Arend Rens2) compareerde daarna en ontfing ook van den gouverneur zijn besluit van exil na Stellenbosch, geevende de generaal aan deeze, gelijk ook aan Ferreira eene serieuse aanbeveeling tot rust, en tot de stipste uitvoering deezer maatregel.

[p. 155]

Den burger Gerhardus Oosthuysen1) eenige dagen geleeden verzogt hebbende een plaats tot zijn verblijf, gaf de gouverneur hem heden eene erf genaamd Paapebiesfonteyn, geleegen by het fort aan de overzyde van Bakkersrivier (zie Litt....) De generaal authoriseerde den major Von Gilten om de zwarte beschuit, welke hier voor den gouverneur disponibel legd, en waarschynelijk zoude bederven, gedeeltelijk aan het Hottentots instituut, gedeeltelijk aan Claas Stuurman en noodleydende uit te reiken, (zie de daarover geschreevene missive Litt....).

Den chirurgyn majoor van het detachement schreef eene brief aan den gouverneur (Litt....) voor notificatie aangenomen en gehouden in advijs.

De generaal ontfing twee missives, eene van den commandant Botha en de andere van den commandant Van Royen (Litt....) verzoekende indemniteit voor slagtvee, dat door hun tydens de commando's aangekogt, aan hunne gecommandeerde in subsistentie gegeeven, en thans wederom geëyscht word, welk verzoek den generaal uit hoofde dat dit vee in lands dienst is gebruikt niet heeft vermeend te moeten weigeren, en dus heeft geaccordeerd en aan voldaan.

Woensdag den 1 Juny.

Woensdag den 1 Juny. Deeze morgen werd voornamentlijk doorgebragt om onze wagens te laden en tot de reis, welke wy op morgen hier uit de baay denken te vervorderen in gereedheid te brengen, welke tegens een uur circa vertrokken. Den dag werd overigens na de middag gebeezigd om alle nog niet afgedaane zaaken ten einde te brengen. De gouverneur door een afgeschreevene van gage Johan Carel Giese genaamd, verzogt zijnde om by en omstreeks de baay een koornwatermolen te mogen stigten, reed met de heer Van Reenen derwaards om het locaal in oogenschijn te neemen; by desselfs retour schreef hierover de generaal het annex besluit (Litt....). De gouverneur schreef aan den major Von Gilten eene missive (Litt....) waarby zijn Hoog Ed. zyne wyze van zien omtrent het handeldrijven van militairen aan den dag legde. Den missionaris Van der Kemp zond eene missive (Litt....) aan den generaal, daarin zynen dank betuigende en in antwoord doende strekken omtrent het op gisteren ten zynen opzigten genomen besluit. Nog vond den gouverneur goed een hier annex besluit (Litt....) omtrend het door de ingezeetenen in huur neemen van Caffers genomen, wordende by hetzelve zulks expresselijk verboden.

[p. 156]

Donderdag den 2 Juny

Donderdag den 2 Juny ten half acht uuren des morgens, reed de gouverneur met zijn ordinair reisgezelschap, beneevens den major Von Gilten en capitein Alberty uit de Algoabaay, na alvorens van de andere officieren aldaar en particulier van de heer Van der Kemp afscheid genomen te hebben. Deeze laatste had zig expresselijk hoe ziekelijk ook, op een wagen geplaatst om den gouverneur eene behoude reys te wenschen. Voor het afryden ontfing den gouverneur nog van de doctor Wehr de hierannexe missive Litt....) Zijn Ed. wierd by het afryden door het fort gesalueerd en wy vervorderden onze reyse, gaande en passant op een paar uuren afstands van de baay het voor het Hottentots instituut gedestineerde en uitgegeeven locaal bezigtigen. Wy reeden vervolgens dezelfde weg als toen wy de Zoutpan gingen bezien, houdende aan de Cugarivier ons middagmaal. In onze verdere schoft na de Zondagsrivier hielden wy eene meer na zee geleegen byweg, die men ons zeyde nader te zijn, dat de ondervinding ons dog niet leerde. Wy vonden hier onze op gisteren vooruit gezondene wagens en sloegen aan de overzyde ons camp.

Vrijdag den 3 Juny.

Vrijdag den 3 Juny. De burgers Van Jaarsveld en Kruger gingen uit naam van den gouverneur met eenige kleine geschenken voor Gaicka vooruit om aan deeze en aan de Buys het naderen van den generaal aan de Vischrivier aan te kondigen, en circa 8 uuren zaten wij ook op en vervolgde onze reys. Aan de Courangrivier, een spruitje van de Zondagsrivier voorzagen wy ons rykelijk van water om reden wy zulks den gantschen dag niet tegen zoude komen, het traject aldus van water ontbloot is eene afstand van 8 à 9 goede uuren. Het land tusschen de Zondags- en Bosjesmansrivier is heuvelachtig zonder klipachtige gebergtens; hooge ruggens en mooye vlaktens wisselde onze weg af. Onze jagers hadden deeze dag een ruym veld voor deeze liefhebbery. Wy zagen duysende springbokken, en het menigvuldige schieten en telkens by de wagens brengen van dit wild amuseerde ons zeer, wy bevonden 's avonds in ons camp komende, dat het gezamentlyke reysgezelschap een aantal van 54 springbokken en 2 hartebeesten hadden tehuis gebragt. De heer Van Reenen en eenige andere maakte jagt op eene trop van circa 50 quaca's,1) een soort van wilde paarden; zy gelyken zeer op dit dier, zijn van een yzabelle couleur, de kop en hals tot op de schoft met zwart juist als de zebra gestreept, en eene zwarte streep, welke van de overeynd staande maanen over de rug in zijn witte staart eindigd.

De hr. Van Reenen schoot een derzelve, maar de verre afstand tot

[p. 157]

aan de wagens was oorzaak, dat wy ons moeste vergenoegen met een nauwkeurig gezigt en het dier op de plaats moesten laten leggen. Wy kwamen circa 7 uuren aan de Bosjesmansrivier en sloegen daar onze tenten, het vee was zeer dorstig, en de paarden waren uit hoofde van de gedane jagt redelijk vermoeyd.

Zaturdag den 4 Juny.

Zaturdag den 4 Juny. Om ons vee eenigsints de fatigues van den vorigen dag te doen vergeeten, bleeven wy in ons camp tottwee uuren nademiddag; wy kreegen 'smorgens een bezoek van een menigte Caffers, welke hunne craal op een half uur afstands vandaar hadden, wy zagen onder hun twee mans en even zo veel vrouwen, die in hun gezigt sterk van de kinderziekte1) geteekend waaren. De gouverneur informeerde zig by hun, wanneer deze in hun land regeerde; zy antwoorden, dat dit verscheide jaaren geleeden was, en toen een groote menigte, zo mans, vrouwen en kinderen waren weggerukt. De vrouwen zien er beter, ook zindelyker na ons begrip uit, dan de Hottentottinnen, zy waren zeer in hun schik, toen zy een weinig tabak kreegen.

De generaal ruylde voor de rariteit eenige van hunne assagaayen, een soort van werpspies tegens kopere plaaten en coraalen, waarop zy zeer verzot zijn, 't hooren en zien van een zakhorlogie verwonderde en verblyde hun uittermaten, vooral toen men hun deed begrypen, dat het met de loop der zon in verband staat. Na de middagmaaltijd, waarop den gouverneur de commandanten genodigd had, spande wy voor en passeerde de rivier, welke niet zeer diep is, en in dit jaargety geen sterke drift2) heeft; terzyde af legde de kraal hierboven gezegd. De gouverneur reed te paard derwaarts om ze te bezigtigen, de hutten welke ook eenigsints beter geconditioneerd zijn dan die der Hottentotten leggen op een hoogte in een kreupelbosch. Wij vonden hier eenige vrouwen, welke uit nieuwsgierigheid uit kwamen kruypen, en die er tamelijk wel uitzagen. Op zyde van de hutten waren drie mans beezig leedere schilden te bereyden, zy snyen dezelve overal rond, en slaan met een ronde steen een lange tijd op het leder, dat op de grond legd, om het schild de concaviteit te bezorgen; zy scheenen hierin zeer handig en yverig.

Wy reeden deeze namiddag nog twee uuren verder aan een kleyn waterspruytje, leggende tusschen twee hooge ruggen. Wij sloegen ons camp op de verlatene veeplaats van de weduwe Scheepers staande op een deezer heuvelen. Al dadelijk na onze aankomst alhier,

[p. 158]

vonden wy eene troep Caffers, aan welke de gouverneur eenige tobak, coraalen en messen uitdeelde. De avond was zeer schoon en minder koel dan de voorgaande.

Zondag den 5 Juny.

Zondag den 5 Juny. 's Morgens omtrend 8 uuren reeden wy af door zeer grasryke velden onze reys voortzettende, de heuvelen of ruggens wierden meenigvuldiger, zelfs zommige derzelve vry ongemakkelijk voor de wagens. Den dag was fraay, wy hielden ons middagmaal aan het zogenaamde Hofmansgat, een ruyge kloof tusschen steyle, klipachtige gebergtens, waar een straal zoet, dog thans niet zeer zuyver water vloeid. Het was byna 4 uuren, toen wy aan de Nieuwjaarsdrift arriveerde; een half uur boven de plaats, daar wy ons leger sloegen, vereenigen zig de Bosjesmansrivier, de Nieuwjaarsrivier en het water uit Hofmansgat.

Maandag den 6 Juny.

Maandag den 6 Juny. Onze tour, die wy heeden te maken hadden, niet zeer groot zijnde, was het omtrent half tien uuren, toen wy te paard klommen; even beneden ons camp passeerde wy de drift, die zonder water was, lopende de weg door meer style klipachtige gebergtens dan gisteren. De commandant Rensburg liet op verzoek van den gouverneur een stuk massauw hout hakken, dat wy nog op geene plaats elders vonden; dit hout is in wendig yzerhard, hebbende een byna onzigtbaar kleine pit of hart. Eenige lieden van ons gezelschap waren 's morgens zeer vroeg vooruit gereeden om te zien of in de buurt ook buffels of olyphanten te vinden waren. Wy vonden hun tegens den middag weder, dog zonder hun doel bereikt te hebben. Wy hielden onze halte op de helling van een berg, en zette ons in een bosch, dat in de kloof daar bezyden legd neder, daar het zeer frisch en aangenaam was. Wy zagen hier voor de eerste maal een groote blaauwe aap, dog hy was te slim en te gaauw en ontsnapte ons in 't bosch. Wy vonden hier weder het massauw hout, waarvan hierboven is gemeld. Op onze verdere togt van heeden, bejegende ons niets interessants, wy passeerde het Zwarte water, een stroom, die in dit jaargety niet veel beduydend is, en op de plaats, daar wy hem overtrokken ten eenemaale droog was. Byna twee uuren verder stelde wy ons camp op 1450 passen van een valley, rondsom met steyle hooge boorden omgeeven, en vrij goed water opleeverd. De naam van deeze plaats is de Mestkraal van Schalkwijk1) en legd naby de Bosjesmansrivier.

Dingsdag den 7 Juny

Dingsdag den 7 Juny 's morgens ten 9 uuren reeden wy van dee-

[p. 159]

ze plaats en hielden cours naar het O.N.O; tegens den middag passeerde wy de kleyne Brakrivier, welke geheel zonder water was. Het land wierd hier vlakker en bestond uit carrogrond. Men zag en doode deeze dag weder eenige springbokken; aan de overzyde der Brakrivier zijnde, kreegen wy ten eenemale vlakte, die voortduurde tot op de plaats van ons nagtverblijf, zijnde eene plaats van H.J. Rensburg, leggende aan de Kleine Vischrivier, welke wy aan de regte hand van ons hadden, en die op een afstand van een half uur agter ons de Brakrivier opvangd, om zig met deeze een uur verder in de Groot Vischrivier te ontlasten. Ter linke hand hadden wy circa drie quartier uur rydens de Boschjesmansrivier, welke langs een hooge rugge landwaards wegloopt; hier weder verder van de Vischrivier afwykende. Onze tenten werden op de hoogte nedergeslagen naby de Kleyne Vischrivier, welks water zeer koel en zoet was, en snel over een bed van zeer ongelyke leyachtige klippen vloeyd; de oevers zijn ter deezer plaatze sterk met hout bewassen. Wy hakte uit hetzelve een stronk zogenaamde vaderlandsche wilge, een dito carru hout, en een stam hout dat de inwoonders ‘Wagt een beetje’ noemen, dit laatste is een soort van doorn en zeer klein smal blad hebbende. Deeze dag woey een sterke noordoostewind, nu en dan met reegen verzeld.

Woensdag den 8 Juny.

Woensdag den 8 Juny. Den voorleeden nagt wierd ons camp door een groot aantal wolven en jakhalzen bezogt; zy ontrustede verscheyde malen het vee, zelfs dat aan de wagens vastgebonden stond. Een der boeren kwetste een hunner, welke tog niet in zijn magt viel, maar het verder gevaar ontkwam, slegts een spoor van bloed nalatende. De plaats, waar wy campeerde, niet rijk van gras voorzien zijnde, was dit oorzaak, dat onze ossen op een verder afstand waren gedreeven om voedzel te vinden; hieruit volgde, dat wy pas ten half tien uuren afreeden. De weg was minder effen dan gisteren, egter niet moeylijk, het weder was zeer ongunstig, de O.N.O. wind hield aan, en tegens den middag viel er een onophoudelyke reegen, welke eensdeels om het zwaare stof tog zeer dienstig was. De jagers doodde deeze dag weder een aanmerklijk getal springbokken, welke hier het gantsche veld als overdekken, onder deeze gedoodde bevind zig eene geheele witte bok, welke als iets zeldzaams aangezien word. Verscheide der landlieden zeyden, dat zy dezelfde bok hier meermalen gezien, dog vergeefsch getragt hadden hem te vangen. Wy streeken zyn vel af, hetwelk de gouverneur verkoos te bewaaren. Teegens den middag zagen wy aan onze linke hand de afge-

[p. 160]

brande plaats van de oude Gousse1), zijnde de eerste plaats van het district van Bruintjeshoogte, hetwelke lings voor ons uit legd; ons voorneemen was nog drie à vier uuren verder te ryden, dan tot de plaats van Geerkens, Ziekfonteyn genaamd, maar de continueele reegens deeden ons besluiten alhier te overnagten, gelijk wy dan ook ons leger nedersloegen.

Donderdag den 9 Juny.

Donderdag den 9 Juny. Deeze morgen kwam de commandant Strydom en eenige anderen aan den gouverneur permissie vragen na hunne wooningen terug te mogen keeren, hetwelk hen werd toegestaan. Onder de ons verlatende jonge landlieden was er eene Smit genaamd, welke gisteren het ongeluk had met zijn paard te vallen en zijn hand boven de pols te breeken, welke den doctor Passet zette en verbond. Het was niet mogelijk deeze mensch te beduyden, dat hy onvoorzichtig zou doen heden te vertrekken, te meer daar er in zijn district geen kundige heelmeesters waaren om hem te helpen, hy vertrok met de andere. De commandant Rensburg had gezorgd, dat er gisteren van Bruintjeshoogte, Zwagershoek en die streeken voor de wagens van den gouverneur nieuwe span ossen ons te gemoete kwamen, met welke wy dan tegens 9 uuren deeze morgen onze reys weder aannamen; evenals gisteren was het guur en reegenachtig weer; wy gevoelden hier te meer het onaangename van, omdat de carrogrond zeer glibberig was en de menigvuldige hoogtens, die wy heeden te passeeren hadden zeer moeylijk voor de wagens wierden. Op den middag passeerde wy eene verlatene plaats van Jan Strydom, leggende op eene hoogte; de weg was hier zeer hol en hellende en geleyde met een lange klipachtige kloof derwaards. Wy zagen in de verte de keten bergen agter welke Zwagershoek legd, gelijk ook de bergen uit welke een spruyt van de Klein Vischrivier, Buffelhoeksrivier genoemd, haren oorsprong krijgt. In de namiddag doorwade wy deeze rivier en bevonden ons vroegtijdig op de verwoeste plaats van Willem Prinsloo aan de overzyde der Kleine Vischrivier geleegen. De wooningen deezer plaats moeten aanmerkelijk groot geweest zijn, de overgeschooten muuren duiden zulks aan; er staan nog veele boomgaarden en tuynen, welke tog meede vervallen zijn. Deeze plaats voornamentlijk geschikt voor feefokkery, bragt meede voorheen veel koorn en wijn op. Jammer is den staat, daar zy zig in bevind. Onze tenten wierden naby deeze ruines opgeslagen ten einde alhier te overnagten.

[p. *15]



illustratie

Pl. 8
Blz. 160


[p. 161]

Vrijdag den 10 Juny.

Vrijdag den 10 Juny. Een zoon van den ontslagene gevangene uit het kasteel, Marthinus Prinsloo1) genaamd, kwam deeze morgen vroegtydig in ons camp, een menigte brieven voor den gouverneur medebrengende. De generaal ontring er van de commissarisgeneraal, van desselfs famille ook uit de republiek, door den procureur-generaal Beelaerts medegebragt. Deeze gaf ook by eene missive aan den gouverneur kennis van zijn arrivement, den commandant Henry deed rapport van het aankomen van twee compagniën van het.... batt. infanterie, beneevens de .... en .... compe. van het battaillon. Alle deeze depeches, zoals ook de couranten uit ons vaderland, deeden een groot genoegen. Ten acht uuren gingen onze tocht weder aan, de wagens, handpaarden etc. wierden de naaste weg na de Groote Vischrivier op de hoogte van Kookhuys gezonden, hetwelk een afstand van vier niet groote uuren voor de ossewagens was, terwijl de gouverneur en zijn gezelschap beneevens de commandanten een veel grooter tour deeden om het land te bezigtigen, en wel voornamentlijk de plaats, waar men van gedagte was dat het stichten van een bailluwschap, om de districten te verkleynen nuttig zoude kunnen zijn. De weg werd over de bergen genomen, van welke de eerste zeer klipachtig en ongemakkelijk te beryden was, evenwel verzeekerde de landlieden, dat de grond zeer goed voor vee was. De eerste plaats, welke wy aantroffen en gelijk veele andere verwoest en verlaten legd, was die van den veldcornet Erasmus; alhier vonden wy de famille van den geamnesteerde Prinsloo, juist den ochtend aldaar ook aangekomen. Schoon de bewoonders van het platteland meestal ongevoelig zijn, was deeze famille en die welke hun omringde zeer aangedaan op het wederzien der oorden, die zy bewoond hadden, en in welke zy na een reeks van wederwaardigheeden te hebben ondervonden thans weder teruggekeerd waren; zy scheenen by uitsteekenheid vergenoegd den gouverneur en zijn gevolg te ontmoeten. Deeze nam de geleegenheid te baate de menschen met hun terugkomst te feliciteeren, en tevens minsaamst onder het oog te brengen, aan welke oorzaken de rampen van het land en van hun lieden in het byzonder toe te schrijven waren, hun terzelver tijd de goede inzigten van het gouvernement voor het vervolg leerende kennen. Algemeen verzeekerde zy, dat het ongeluk hun wyzer had gemaakt en bekende oprechtelijk schuld, wenschende voortaan niets meer dan tot hun eigen welzijn met hunne wettige regeering meede te werken.

[p. 162]

Het is te hoopen, dat de indruk van het voorleedene en de voorneemens voor het toekomende duurzaam zullen zijn, als kunnende alleen rust en voorspoed aan deeze getysterde districten terugbrengen. Van deeze plaats wegrydende, hielden wy de weg na de Boschberg, de gantsche dag door zeer schoon en vrugtbaar land loopende; aan de voet van deeze berg op de geruineerde plaats van Trigard1) zagen wy weder antilopes en een gezelschap aardige kleyne aapjes. De vlugheid der paarden en het goede handig beklimmen der boomen door jonge boeren, maakte dat men drie van deeze troep vong, welke den gouverneur aangeboden wierden en de reys verder meede zullen doen. Kort daarna ontmoete men een kudde quacha's, maar het hout en struyken belette dat men er van konde schieten. Het land heeft hier zeer veel het aanzien van een collossaale stout aangelegde Engelsche tuyn. Het voornaamste woud, dat aan de Boschberg legde en in een breede groote kloof extra schoon hout voortbragt, is voor het meerder gedeelte afgebrand, de zwart verzengde boomen staan nog, en geeven een veel somberer aanzien, als het hout in het noorden van Europa des winters doet; even wel heeft dit lang nog ruymte van hout2), wijl de meeste klooven van die berg er zwaar meede bewassen zijn.

De plaats van Trigard koomt als zeer geschikt tot plaatzen van een bailluage3) voor, en wel, omdat het land in dien omtrek vrugtbaar en by uitsteekenheid goed voor runderen, schaapen en paarden is; de Kleine Vischrivier kronkeld er langs en werd heeden vier maalen door ons overgetrokken; de Boschrivier, welke geen lange loop heeft (als uit die berg ontspringende) in de Kleine Vischrivier vallende, heeft evenwel gestadig goed water. Niet ver van daar langs de plaats van de bovengenoemde Marthinus Prinsloo loopt de Naudérivier over een bed van klippen zeer snel voort. Men weet eens vooral, dat Africaansche rivieren Europische beekjes zyn; uit dit alles ziet men, dat deeze oord ruym bewaaterd is, het hout in de nabuurschap staande, konde goed voor nuttige ambachtslieden als wagemaakers enz. dienen, terwijl het den aanbouw van huyzen zoude begunstigen, zodra eens beetere reglementen omtrend de uitgave van plaatzen daargesteld zullen zijn. Want zo lange ieder huyseen uur afstands van een ander afstaan moet, is geene groote bevolking, zo min als groote industrie mogelijk. De leeningsplaatzen leggen, schoon thans verlaten, de eene aan de andere; in deeze fraaye oord werd een champetre maaltijd

[p. 163]

gehouden na hetwelk onze weg door een bergachtig dog tevens vrugtbaar land na het Kookhuys werd voortgezet; hier had men de bergen van het Kafferland reeds in gezigt, leggende aan de overzyde der Groote Vischrivier, welke alleen in naam groot is, en op deeze plaats byna droogvoets te doorwaden is. By onze aankomst vonden wy het camp opgeslagen, hetgeen de tevreedenheid van deeze dag vermeerderde.

Zaterdag den 11 Juny tot Dingsdag den 14e

Zaterdag den 11 Juny tot Dingsdag den 14e viel er niets interessants voor; deeze dagen werd metjachten enz. doorgebragt. Tot hiertoe vergeefsch na de komst van koning Gaicka, Coenraad de Buys en andere wagtende; de gouverneur kreeg deezer dagen een vel van een quacha ten geschenk en liet in de naburige kreupelbossen eenige zoorten hout, daar groeyende, hakken om mede te voeren.

Woensdag den 15e Juny.

Woensdag den 15e Juny. des morgens circa half 9 uuren kwamen de burgers Van Jaarsveld en Krieger, welke zoals hiervoor gezegd is, afgezonden waren om koning Gaicka en De Buys van het naderen van den gouverneur na de Groot Vischrivier te verwittigen aan het Kookhuys terug, aan den generaal rapporteerende, dat den Kafferkoning hun vriendelijk had ontfangen, dog om de meenigvuldige onlusten in zijn land zig niet zover van zyne residentie durfde verwyderen, maar dat Coenraad de Buys op weg was herwaards te komen en drie deserteurs van het 9 Batt. jagers mede brengen zoude om aan den gouverneur over te geeven; den generaal gaf last, dat een detachement dragonders, aan wiens hoofd zig de jaagercapitein Alberty stelde, deeze tegemoet zoude ryden en hun na ons camp opbrengen, Tegens den nademiddag kwam Coenraad de Buys met een by zig hebbende Engelschman (welke voorgeeft een particulier reyziger uit London te zijn) in onze legerplaats aan; op het eerste abord scheen het den gouverneur, dat zyne physionomie niet sterk ten zynen voordeele sprak, misschien vond dit zyne oorzaak uit een niet al te groot vertrouwen. Zyne agterhoudenheid in de antwoorden deeden zulks vermoeden; een meenigte burgers schaarde zich weldra rondsom ons, welke geleegenheid zig den gouverneur te nutte maakte, om in deeze alle hun byzijn aan Coenraad de Buys de denkingswyze van het gouvernement gedeeltelijk te doen kennen, en hen onder anderen te verzeekeren, dat een iegelijk, welke met opzyde zetting van factietwisten, met yver en oprechtheid aan de herstelling der rampen van dit land meede werken wilde, verzeekerd kon zijn, dat ook het gouvernement van zyne zyde de personeele ongelijken van voorheen gebeurde onlusten zoude vergeeten, en de

[p. 164]

goede welmeenende in zijn schoot wilde terug ontfangen, daar in een tegengestelde onwilligheid der menschen ook het gouvernement kragts genoeg bezat dezulken, welke de rampen zoude willen doen voortduuren, anderen ten exempel te doen straffen, hoopende dat de gepasseerde en nog helaas bestaande rampen de lieden wyzer gemaakt zou hebben voor het vervolg om eensgezind tot geluk der colonie meede te werken. Nadat deeze receptie op deeze wyze was afgeloopen, kwam het detachement dragonders met drie deserteurs der jagers opgereeden, zy werden dadelijk overgegeeven, uit naam van Gaicka en Buys de clementie van den rechter verzoekende. Zy werden in verzeekerde bewaaring gesteld en de twee buxen, welke zy meedebragten, afgenomen, terwyl den capitein Alberty en den lieut: Gilmer werden benoemd eene behoorlyke informatie over hun te houden, gelijk deeze twee heeren dan ook al dadelijk ten uitvoer bragten. Het bleek hun dat het drie diergeene waaren, welke uit ons camp aan de Wijnbergen gedeserteerd waren, zij hadden zig pas korte tijd geleeden na het Cafferland begeeven, en zulks wel op bekomen naricht, dat de gouverneur de Groote Vischrivier naderde.

Tot deeze tijd toe hadden zy zig by de boeren opgehouden, by welke zy hunne kost verdiende met het oppassen van schaapen als andersints. De landlieden, welke deeze hoogst nadeelige en streng verbodene schuilplaats aan deeze vagabonden verleend hebben, zijn de navolgende, als: Frans Havelenberg, Christiaan Steenman, knegt van Isaäc van Heerden1), beide woonende op deeze zijn plaats leggende in agter Sneeuwbergen aan de Groote Vischrivier, Marthinus Pillier2) en Adriaan Banthom op de plaats van Pillier, Roode Bank genaamd, leggende agter Sneeuwbergen aan Groote Vischrivier; deeze deserteurs bragten drie paarden meede, welke zy stallen3), twee van Marthinus Pillier en een van Christiaan Steenman. De reeden van hunne desertie schreeven zy gedeeltelijk aan dronkenschap en mishandeling van onderofficieren toe - (zie verder annexe informatie Litt....) De gouverneur had nog naderhand eene conferentie met Coenraad de Buys in het byzyn van de heeren van Reenen en Paravicini, doende hem eene meer uitgebreide opening als by desselfs arrivement; vragende vervolgens na onderscheide zaken. De antwoorden kwamen meest hier op uit, dat het moeylijk zou weezen eene minzaame schikking tusschen de geëmigreerde Caffers en ko-

[p. *17]



illustratie

Pl. 9
Blz. 164
Campement aan de wijnbergen


[p. 165]

ning Gaicka te treffen, en deeze laatste gaarne zoude zien, dat de zogenaamde rebellen door het gouvernement over de Vischrivier wierden gedreeven.

De gouverneur besloot nog twee à drie dagreysen verder te gaan, om Gaicka aan de Katrivier (twee schoften van zyne residentie) te gaan spreeken, daar De Buys verzeekerde, dat den Kafferkoning niets zo vuurig verlangde dan den gouverneur te zien, overigens werd deeze byeenkomst tot morgen geadjourneerd om dan met overleg zodanige inligtingen te krygen en middelen te beraamen, die het geluk der volkplanting zoude kunnen bevorderen.

De commandant Rensburgh bragt den gouverneur eene leevendige lourie1) present, welke door een zyner lieden gevangen was. De Buys bragt by zyne aankomst twaalf Caffers meede, waaronder vier capiteinen van Gaicka met naame t' Enno Cassa, Spondo en Umlao broeder van T'Holy (in de beschryving van Barrow, Maloo genaamd) t'Enno is een zwager van Gaicka, dog heeft evenals de andere veel minder tooysels als de Caffercapiteinen aan deeze zyde der Groote Vischrivier. Buys verhaalde ook, dat de moeder van Gaicka, koninginne der Tamboeky Caffers gewis meede na Kookhuis zoude gekomen zyn, ware het niet dat De Buys haar zulks om de groote afstand afgeraaden had, als moetende zy evenals de onderdaanen van Zijn Majesteit de weg te voet afleggen.

Donderdag den 16 Juny.

Donderdag den 16 Juny. Heeden morgen liet de gouverneur alle de commandanten beneevens de burgers Krieger en Luuter (deeze twee laatste, omdat hun commandant Van Rensburgh ter verzorging van nieuwe leevensmiddelen uitgereeden was) by zig roepen; Zijn Ed gaf hun naauwkeurig den staat der zaaken, in welke wy ons bevinden te kennen, hun declareerende, dat indien men voort wilde gaan de wetten op zulk eene verregaande wyze te vertrappen, als tot hiertoe is geschied, er dan alvast geene middelen ter redding te vinden zijn; Zijn Ed. bragt hun ook onder het oog, hoe misdadig, gevaarlijk en tegen hun eigen belangen aan het is, deserteurs te huisvesten niet alleen, maar nog de middelen te verzorgen om hun plan te volvoeren, daar de zwaarste straffen op zulk een overtreeding van 's lands wetten bepaald zijn. Zij avoueerde eenparig het strafbaare hiervan, beloovende dat zy hunne meede-burgers zouden aanmaanen, voortaan en waarlijk tot hun eigen geluk gehoorzaam aan de regeering en afkeerig van heerscheloosheid te zijn, als kunnende eene voortduuring van deeze

[p. 166]

afschuwelyke hierachie1) niets dan de ondergang der colonie na zig sleepen, en de inwoonders tot den laagsten trap van armoede, elende en vervolging brengen.

De Caffercapiteinen werden voor den gouverneur geroepen om de missiën van Gaicka open te leggen, hunne zaaken kwamen meest overeen met de gezegdens van Buys; de zwager van den koning ontfing van den gouverneur eenige geschenken en werd afgevaardigd na Gaicka om hem en de koningin zyne moeder te verwittigen, dat de gouverneur op morgen zyne reis na de Katrivier zou beginnen, en hem daar ook vast wagte; zy waaren algemeen met de goede inzigten van den gouverneur in hun schik, en zeyde, dat Gaicka het als een zyner grootste gelukken reekende, dat den generaal zoveel geneegenheid voor zijn volk toonde, en ook zo een groote reys had ondernomen.

Vrijdag den 17e Juny.

Vrijdag den 17e Juny. Deeze morgen byna 10 uuren reeden wy van Kookhuys de Groote Vischrivier by ons camp passeerende; wy reeden in den beginne door zeer klipachtige ongebaande weegen. Den gantschen dag hielden wy cours na het Zuyd Oosten, de weg werd wel beter, maar leyde ons meestal over heuvelachtig land, hetwelk voor het grootst gedeelte gebrand was. Wy zagen in 't verschiet links voor ons de punten van de zogenaamde Caffersberg, steekende boven alle andere uit. Wy zogten tegens den middag een plaats daar water was, de wildpaden, die altijd derwaards loopen, bragten ons aan een lopend watertje de t'Coga genaamd, hier vonden wy een paard, toebehoorende aan H. Potgieter, 't welk tydens de commando's was agter gebleeven, en nu acht maanden lang in de wildernis had rondgezworven. Deeze dag ontmoete ons een groote meenigte zoo quacha's, hartebeesten als springbokken, onder anderen ook een troep wilde zwynen, op welke laatste tevergeefsch jagt werd gemaakt; van het voorgenoemde wild werd een meenigte gedood. Een onzer wagens storte heeden door de lompheid van den dryver by het afryden van een rugge en viel in een precipice wel 20 voeten diep gantsch ten onderste boven; de schade was gering, maar het geval retardeerde de train zodanig, dat het reeds laat in de duysteren was, toen wy aan de rivier de Kaga genaaamd, onze tenten sloegen. Een der jonge lieden vong in deeze nabyheid een jonge, levendige quacha, na een allerliefst paardenveule gelykende. Naauwlijks waren wy gearriveerd of den veldcornet Willem van Heerden kwam in ons camp ryden en verhaalde aan den gouverneur, dat Caffers van een burger Nantus de

[p. 167]

Beer genaamd een troep beesten hadden gestoolen, en dat deeze dezelve op een paar uuren afstands van ons leger naby de Kleyne Kromme Rivier had teruggenomen, by die geleegenheid 2 Caffers doodschietende; hy passeerde de hier annexe verklaring(Litt....). De gouverneur kwam met de heer van Reenen en de vier burgercommandanten (in de verklaring genoemd) overeen om den dag van morgen, de komst van de commandant Van Rensburgh in te wagten, om deeze over het geval te spreeken, als kunnende denkelijk eenig licht hierover spreiden.

Zaturdag den 18 Juny

Zaturdag den 18 Juny Volgens onze verwagting kwam den burger Rensburgh deeze morgen eenige schaapen en garst meede brengende. De gouverneur verzogt hem het geval omtrent de roof van vee te verhaalen, hy deed zulks in dezelfde zin als den veldcornet Van Heerden, leggende eene schriftelyke verklaaring over van den burger de Beer, (zie bylage Litt....). Rensburgh was van gedagte, dat de misdadige denkelijk van die Caffers zoude zijn, welke by de vlugt van de Caffers capitein Sambée door deeze waren agtergelaaten, en tot Gaicka terugkeerde; hoe het ook zy, de zaak bestaat en maakt de maalstroom der verwarringen nog grooter. Coenraad de Buys had ook een conferentie met den gouverneur en legde ter lecture van zijn Hoog Ed. een menigte papieren over, zullende dienen ter opheldering van zijn gehouden gedrag. Rensburgh legde ook eene missive over hem door zeeker Engelschman by Buys, zijnde 13 Aug. 1798 geschreeven, copie deezer brief is hier annex (Litt....) kunnende misschien eenig ligt geeven omtrend de bedoelingen van dien zogenaamde reyziger. De gouverneur, deeze dag hier weeder moetende verzuymen, occupeerde zig met het schrijven der annexe missive (Litt....) aan den major Von Gilten, met eene daarby gevoegde voor den veldcornet Ignatius Muller (Litt....). De heer Van Reenen schoot twee groene papagaayen en den burger Krieger in de nabuurschap van ons en wel in het hout der rivier tegens welke het camp legd een fraaye tyger1) of once, wiens huyd aan den gouverneur werd aangebooden.

Zondag den 19 Juny.

Zondag den 19 Juny. Circa negen uuren vertrokken wy van hier, onze cours meest Z.O. ten O. neemende; ongebaande weegen en klipachtige ruggens was ons deel. Wy zagen veel schoon grasveld en een meenigte wild; wy vleyde ons heeden een groote dagreyse te doen, maar aan de t' Konabrivier, welke wy een tijd lang cotoyeerde2) entegens een uur na de middag overtrokken, gekomen zijnde,

[p. 168]

twyffelde de commandanten of wy aan onze voorgenomen legplaats wel water zoude aantreffen, en wy moesten dus wel resolveeren alhier onze tenten neder te slaan, hoezeer wy eenigsints gemelijk waaren, dat in steede twee dagen te zullen nodig hebben tot agter de Katrivier, wy thans gewaar wierden, dat de weg langer was, en door deeze teleurstellingen wel 4 schoften zullen doorbrengen moeten.

Maandag den 20 Juny.

Maandag den 20 Juny. Wy avanceerde deeze dag meest de cours van gisteren houdende; twee à drie wagens der landlieden waren vooruit gereeden om een weg te baanen. Het pad ging meest door vlaktens, welke zeer hoog met hooy stonden, wordende deeze tusschen beide afgewisseld door streeken verbrand veld. Wy hielden ons middagmaal naby een riviertje, de ...... genaamd; in die tusschentijd haalde onze wagens ons in, de passage van het riviertje die eenigsints hol was, veroorzaakte, dat een wagen storte, dog zonder schade zijn reys vervorderde. Wy arriveerde tegens circa 4 uuren aan de Katrivier op eene plaats met veel doornehout begroeyd. De rivier loopt niet snel, maar legd fraay tusschen een streek hout; men pretendeerd, dat zig in dezelve altijd zeekoeyen1) ophouden; wy bespeuren tot hiertoe nog niet daarna gelykende.

De gouverneur las deeze avond de overgelegde papieren en brieven van Coenraad de Buys, by dezelve bevinden zig een memorisch verhaal (onder Litt....) van gepretendeerde aan hem gepleegde onregten, zullende zyne verantwoording volgens zyn gedagten daaruit blyken. Onder de overhandigde missives bevinden er zig twee van den predikant Ballot, daarby De Buys aanmaanende in de colonie terug te keeren, voornamentlijk ook twee missives geduurende de onlusten op Graeff Reinet aan hem geschreeven door den commandant H.J. van Rensburg, (zie annexe copie derzelve Litt.)

Dingsdag den 21 Juny.

Dingsdag den 21 Juny. Wy zouden heeden morgen onze reys weder voortgezet hebben tot aan de plaats met koning Gaicka tot de byeenkomst geconvenieerd, maar men berigte ons, dat de tour weinigstens nog 7 goede uuren met de ossenwagens verder was, en men vooraf door de doornen eene weg moest kappen; dit gevoegd by de vermoeyde staat in welke zig de meeste lieden hunne ossen bevinden, deed den gouverneur besluiten op deeze plaats de komst van den Cafferkoning af te wagten, zendende Coenraad de Buys en Krieger na hem toe om hiervan kennis te geeven en zijn komst herwaards zooveel mogelijk te bespoedigen. 's Avonds kwam den burger Krieger terug, berigtende dat Gaicka tot op een paar uuren was genaderd,

[p. 169]

maar dat zijn moeder uit hoofde harer zwaarte onder weegens van vermoeidheid was blyven leggen, waarom zy verzogt op morgen een wagen of karre te mogen hebben.

Woensdag den 22 Juny

Woensdag den 22 Juny werd deeze onder geleide van den burger Krieger des morgens vroeg na de oude koningin afgezonden. De gouverneur concipieerde heeden eenige puncten, welke hy vermeende by het arrivement van den koning aan deeze te moeten voorleggen. De burgercommandanten beneevens de hr. D.G. van Reenen werden dezelve in eene byeenkomst ter beoordeeling voorgelegd, hunne gevoelens waren eenpaarig, dat de vraagpuncten de eenige geschikte waaren, welke men konde doen, en hoe zeer zy ook volkomen vrij waaren de grond hunner opiniën te zeggen, wisten zy geene remarques op dezelve te maaken. 's Avonds kwam Krieger terug, rapporteerende, dat de Cafferchef des anderen morgen vroegtydig na ons leger dagt te komen, verzoekende dat de gouverneur eenige zyner officieren en dragonders te zyner ontfangst wilde tegemoet zenden.

Donderdag den 23 Juny

Donderdag den 23 Juny De capt. Paravicini en Alberty, den Lt. Gilmer en eenige dragonders reeden deeze morgen vroegtydig koning Gaicka tegen; zy troffen hem op den afstand van een klein uur aan, reeds op weg na ons camp zynde. Na eene korte conferentie met zyne capiteinen gemaakt en menigmaalen stilgehouden te hebben, kwam hy onder geleyde van een meenigte Caffers met zyne moeder en vrouwen in onze legerplaats aan; hy ging aanstonds met zeer veel vertrouwen na de tent van den gouverneur, Zijn Hoog Ed. met heusheid de hand toereykende.1) Gaicka is een man van circa 26 jaaren, zeer schoon gebouwd, een spreekend, zeer inneemend gelaat en geassureerd voorkomen doen hem boven zyne onderdaanen uitmunten; hy had eene byeenkomst by den generaal in welke hy ongemeen veel geest, vastheid van caracter en in een Caffer buitengewoon schrander oordeel aan den dag legde. Zyne moeder, eene vrouw van eenige jaaren, draagt ook op haar gezigt al de teekenen van een redelijk gesleepen vernufd en geest, en gaf er in deeze onderhandeling verscheyde blyken van. De kleedingen, zo van deeze vrouw als van den koning verschilde in niets van de overige Caffers, alleenlijk had Gaicka eenige lange snoeren fyne witte coraalen om hangen, welke by uitsluiting het optooysel en teken van opperchef of koning zijn. Zy aten deeze middag by ons aan tafel en gingen zeer handig met lepel en vork om; het Europische eeten smaakte hun ongemeen, gelijk ook de wyn. Gaicka zorgde met veel heuschheid, dat zyne ca-

[p. 170]

piteinen, welke rondsom de tent zaten, ook mede kreegen. De gouverneur gaf des avonds eenige kledingstukken, die hun by uitstek wel bevielen, welke zy ook dadelijk aantogen, en zig zelve met verwondering van alle zyden beschouwde; de hoed met veeren van de generaal maakte hem vooral zeer gelukkig; hy zeide, dat de kross van de gouverneur (hier meede de mantel meenende) hem ook wel zoude bevallen. Dit werd egter maar voor notificatie aangenomen.

Vrydag den 24 Juny.

Vrydag den 24 Juny. Heeden morgen was de tweede byeenkomst. tusschen de gouverneur en de Cafferkoning; de generaal had zig in zyne tent geplaatst, geëntoureerd van de militaire officieren, de heer Van Reenen en de burgercommandanten. Koning Gaicka plaatste zig aan de ingang van de tent omringd van zyne capiteinen, zyne moeder en twee vrouwen naast hem hebbende; eene groote meenigte van zyne onderdaanen schaarde zig halve cirkelsgewyze agter hem, alle met de wapens aan hunne voeten. Coenraad de Buys beneevens een Gonacque Hottentot, Hendrik genaamd, waren de tolken tusschen de contracteerende partyen. Gaicka sprak met veel bezadigheid en gezond verstand; zodra hem een point werd voorgelegd, hield hy een raad met zyne vertrouwdste capiteinen, en beantwoorde dan met vastheid, tusschen beide zeer wyze aanmerkingen makende Na veele en menigvuldige debatten kwamen de hier annexe pointen tot stand, (zie Litt....). Aan het einde der onderhandelingen gaf hy een verhaal van een gepleegde moord door Besuydenhout aan een zyner Caffers gedaan; een brief (hier annexe Litt....) in 1802 door Coenraad de Buys aan den commandant van Rensenburg geschreeven, geeft daarin eenig licht. Niets van onze reys was zoo interessant, dan de onderhandeling met deeze Caffers, de zeer vernuftige antwoorden van Gaicka en van zyne moeder toonde duidelijk, dat zy eenig denkbeeld van regeering hebben, vooral is een schending aan de majesteit des konings by hun een onvergeeflyke misdaad; dit was ook de reeden, dat hy zo gemakkelijk niet wilde consenteeren om vreede met de rebelleerende Caffers te maken. Zy hadden hem met assagaayen geworpen en gekwetst, en dit was niet mogelijk te vergeeven; uit consideratie evenwel voor de verlangens van den gouverneur consenteerde hy er eindelijk in. Na het aflopen van de onderhandelingen werden hem de presenten uitgereikt, welke hy op een genereuse wyze onder zyne capiteinen en vrouwen verdeelde. Hy zond in 4 ossen ten waarborg der vreede aan den generaal, en kwam na de middag afscheid van zijn Hoog Ed neemen met toeryking van de hand. Zijn gezigt draagt al de kenmerken van een zeer goed caracter, en

[p. *19]



illustratie

Pl.
10 Blz. 170
Kaffer koning Gaïcka


[p. 171]

het is te hoopen, dat hy door beseffing van zyne eige belangens de beraamde schikkingen met zoveel trouw zal nakomen als zyne beloften zulks aan scheenen te duiden. De gouverneur ontfing twee missives van den burger Buys, welke zijn Ed. beide beantwoorde, (alle onder Litt....). Nog wierden de brieven (Litt....) aan alle fungeerende commandanten van Graaff Reinet geschreeven, en aan den commandant Van Rensburg ter verzending overhandigd.

Zaturdag den 25 Juny.

Zaturdag den 25 Juny. Deeze morgen nam Coenraad de Buys afscheyd van den generaal, en retourneerde na zijn verblijf in Kafferland om zodanige schikkingen in zyne zaaken te maaken, die hem spoedig in de colonie zoude doen terug keeren. Wy namen ook onze terugreise aan, rydende door deselfde weg, welke wy derwaards gekomen waaren; de commandanten Linde en Human schooten een jonge fraaye eland van welke zy de gouverneur een stuk zonden. Hy zal byna de groote van een os gehad hebben, en was by lange na niet volwassen. Wy hielden ons middagmaal aan een klein riviertje en legde daar een vuur aan, met voorneemens vleesch te braden; de sterke wind joeg dit vuur weldra na het omleggend droog hooy en houtgewas, en veroorzaakte een groote brand, dat regt amuseerde. De landlieden hadden aan een andere zyde ook vuur gemaakt en het was hun evenals ons gegaan; deeze twee vuuren werden door de wind spoedig na malkaar gedreeven, en zou zonder de vigilantie der Boeren byna paarden, ossen en wagens verbrand hebben. Er wierd in allerijl opgezadeld om te vertrekken, maar de brand liep zo gezwind, dat wy tog een zadel, eenige tuigagiën aan de vlam moesten overgeeven. Een dragonderpatroontas, welke iemand reeds half verbrand nog uithaalde, was vol patroonen en hoezeer het papier van dezelve reeds geschroeyd waaren, wilde het geluk nog, dat zy onbeschadigd weder te voorschijn kwamen. Een uur voortgereeden zijnde, hadden wy een ander gezigt, een wolk van springhaanen, die wel een quartier lang was, en dus millioenen deezer vernielende insecten bevatte, reegende rondsom ons, wordende met kragt door de wind voortgedreeven. Wy konden byna niet voort komen, zo geweldig snorde zy tegen en voor onze paarden. Het was circa 5 uuren, toen wy aan ons nagtverblijf, de t'Conabrivier arriveerde. De gouverneur schreef des avonds twee brieven aan de commandanten Botha en Van Royen, als zullende op morgen na hunne wooningen terugkeeren, hun Ed. daarby voor hun vriendelijk geleide bedankende. (Zie Litt....en ....).

Zondag den 26 Juny.

Zondag den 26 Juny. Wy vertrokken deeze morgen vroegtydig van hier en hielden de weg, welke wy by onze entreé in Cafferland

[p. 172]

gekomen waren tot aan de Kagarivier, daar wy ons middagmaal hielden. By ons vertrek vandaar namen wy afscheid van de twee commandanten Botha en Van Royen, beneevens der jonge lieden tot hunne commando's behoorende. De commandanten waren aangedaan, en het speet ons ook van onze zyde, te meer daar de gouverneur in allen opzichte reeden heeft over de hubsche inschikkelyke beleefdheid, zo der twee hoofden als van de jonge luy in 't generaal. Zy namen de weg over 't Kookhuys links af, toen wy regts de Kaga een tijd lang cottoyeerde. De commandanten Linde en Human verlieten ons ook, dog zullen ons op Graaff Reinet weder inhaalen; hunne ossen permitteerende met dit detour1) meede te doen. Wy sloegen des avonds onze tenten op een mooye vlakte aan de voet van eene hooge berg in de nabyheid van een kleyn riviertje zonder naam, zijn de een verlatene plaats aan Prinsloo uitgegeeven tijdens de troubles op Graaff Reinet. Wy hoopen aldaar te ontdekken by welke geleegenheid men op het denkbeeld is gekomen de uitgave van plaatzen zo verre over de Groot Vischrivier uit te geeven.

Wy zagen deeze avond een zeer buitengewoone groote heldere blaauwe kring om de maan, een ieder onzer getuygde zulks nimmer meer gezien te hebben.

Maandag den 27 Juny

Maandag den 27 Juny zeer vroeg in de morgen zadelde wy en vervolgde onze tour. De weg liep door een menigte losse klippen. Wy hielden meest cours na het noord ten westen; onderwegen vonden wy een menigte landlieden met hunne huishoudingen, vrouwen, kinderen en een ontelbaare menigte vee. Deeze lieden trokken alle na hunne verlatene plaatzen, en legde thans by troepjes aan differente riviertjes geleegerd. Wy vonden er by alle, die wy heeden passeerde zoals aan de Baviaansrivier, Dagaboer, en Kromrivier; het maakte ons alle een aangenaam gevoel weder onder de menschen te koomen; het gezigt van deeze terugkeerende menschen, de legging hunner legers en vergadering van meenigte vee gaven ons een byzonder genoegen. Zy onthaalde de gouverneur, welke met zijn gezelschap aan alle een bezoek deed, zeer heusch op melk, versch brood en wat zy maar konde; des avonds kwamen wy weder by eenige deezer lieden en wel by Jacobus Erasmus, welke met zijn gezin aan de Kromme rivier was leggende. In de nabyheid derzelve sloegen wy ons leger neder, zy onthaalde ons weder als na gewoonte en scheenen verblijd te zijn de generaal te zien. Den burger Johannes Besuydenhout2)

[p. 173]

van welke hier voren is gesprooken, bevond zig hier en kwam op verzoek van Zijn Ed. in deeze zijn tent; de gouverneur onderhield hem over de tegens hem ingebragte beschuldiging nopens de moord van een Caffer, zie zyne antwoorden aan den gouverneur gegeeven in annexe notitie (Litt....). Wy vonden hier ook een Engelsch deserteur,1) sints acht jaaren in het land zwervende by de Boeren, (zie Litt....).

Dingsdag den 28 Juny.

Dingsdag den 28 Juny. Heeden avanceerde wy 4 uuren met de ossenwagens; wy reeden meest cours na het noorden ten westen, onderweegen zagen wy weder een menigte landlieden na hunne plaatsen keeren. Tegens 11 uuren circa passeerde wy de Groote Vischrivier; lings van ons zagen wy de bergen van Zwagershoek, uit welke de regterspruit van Klein Vischrivier ontspringd, en voor ons uit de hooge Sneeuwbergen, latende de Tarka aan de regtehand schuyns voor ons uit te leggen. Tegens 12 uuren kwamen wy ten tweede maale voor de Groot Vischrivier, welke wy egter niet overtrokken, maar aan welks oever wy uitspande. Hier was de legplaats van den commandant van Rensenburg, ook gereed na zyne plaats te keeren, met een menigte huishoudingen hier ook present; deeze lieden ontfingen den gouverneur allerbeleefdst, zy nodigde het gezelschap ter maaltyd en gaven alles wat zy maar bybrengen konden. De generaal kreeg wederom een verzoek van een gedeserteerd matroos en volgde de gewoone cynosure,2) (zie Litt....).

Woensdag den 29 Juny.

Woensdag den 29 Juny. Den voorleeden nagt en een gedeelte van de morgen viel er veel reegen, dat oorzaak was, dat wy pas ten half elf uuren van deeze plaats afreeden. Wy passeerden de Vischrivier twee malen en kwamen zonder iets merkwaardigs gezien te hebben, circa half drie uuren aan de plaats van Pieter van Heerden. Dit is de eerste welke wy weder bewoond vonden; de lieden onthaalde ons byzonder goed en voorzagen ons bovendien van eenige nieuwe provisiën. Wy vonden hier weder een Engelsch deserteur met wien de gewoone cynosure werd gevolgt. Hier bleven wy overnagten.

[p. 174]

Donderdag den 30 Juny.

Donderdag den 30 Juny. Zeer vroegtydig namen wy deeze morgen afscheid van onze vriendelyke hospes, en vervolgde onze weg meest noordwaards op rydende. Een uur gevorderd zijnde kwamen wy aan de plaats van Pretorius,1) daar wy de paarden een voeder gaven, vervolgende toen onze reys. De weg was door de gevallene reegens zeer glad en slegt en somwylen zeer klipachtig. De Groote Vischrivier passeerde wy weder en zagen kort op desselfs oever twee warme bronnen, wiens warmte op den thermometer bevonden werd 87 graden te zijn; veele lieden gaan deeze baden bezoeken tot herstel van hun gezondheid. Het water is zeer staal en sulpherachtig, en welt met veel kragt na boven. Jammer is het, dat het zogenaamde bad niet beter zuyver word gehouden. Reeds zedert gisteren hadden wy drie schoone reguliere hooge bergen in 't gezigt, vertoonende zig als zoveele tafels; men noemde ze ons de Spekbergen, uit hoofde aan de voet veel boomen van dien naam groeyen. Wy passeerde tusschen twee derzelve en hielden aan de voet van de eene ons middagmaal. De heer Barrow schrijft hier eenige stukken zeer zuyvere salpeter gevonden te hebben. Wy beklommen de steyle rotsen om ook na dit voortbrengsel te zoeken; wy vonden wel geene stukken, maar de klippen zijn hier en daar met een dunne korst overtrokken, waarvan wy eenige schilfers mede namen. Aan de voet van de berg vond men ook hier en daar stukken bruyne oocker. Wy hebben al menigmalen na de bergteekeningen der Boschjesmans gezogt, maar niet gevonden, alle de lieden verzeekeren ons tog, dat onder deeze teekeningen van dieren op alle de plaatzen, daar zy te vinden zijn, den eenhoorn mede is afgebeeld en dat wel overal op dezelfde wyze; Coenraad de Buys ook met ons hierover spreekende, verzeekerde ons het bestaan van dit dier. Deeze burger is ver agter het Cafferland en de Tamboukies geweest, en zegt dat ze daar meenigvuldig zijn. De gouverneur beloofde aan die welke er een leevend of dood of de beenderen er van aan de Kaap leeverde, eene fraaye nieuwe ossewagen, met 12 der beste ossen bespannen; alle deeze informatiën op dat sujet en wel voor namentlijk het laatste doet de hoop herleeven, dit tot hiertoe onbekend dier aan de natuurkenners nog eens aan te bieden.

Nademiddag doorwadede wy een spruitje van de Vischrivier, de weg wierd hoe langer hoe klipachtiger, tot wy tegens byna 4 uuren aan de plaats kwamen van W.P. van Heerden, leggende aan een fonteyntje, dat maar tamelijk water voortbrengd. Om een denkbeeld te

[p. 175]

krygen van een landhoeve op de Agtersneeuwbergen, diend men te weeten, dat men geen aarde te zien krijgt door de groote menigte klipsteenen; men risqueerd deerlijk te vallen, wil men des avonds aan het huys komen; gras nog weide is hier gantsch niet, eenige biezen is het eenige, dat zig groeyende aan het oog vertoond. Wanneer men nu deeze schoone hoef nog denkt rondsom omringd van steyle hooge rotsen, die kaal en ontbloot van alle groen zijn, kan men zig de plaats voorstellen, daar wy ons leger nedersloegen. Den burger Marthinus Pillier, dezelfde, welke beneevens Christiaan Steenman, onze drie jagerdeserteurs heeft geherbergt, kwam den gouverneur paarden weder vragen, die deeze schelmen hadden gestolen by hun vlugt na Cafferland. De generaal bragt hem met kragt het straf baare onder het oog, om tegens de strengste wetten aan deserteurs op te houden en tevoeden; hy gafnog aan den generaal kennis, dat zig op de plaats van C. Steenman nog twee deserteurs ophielden. De gouverneur maande hem ernstig aan te zorgen, dat deeze twee morgen by zonopgang hier in ons camp werden gevoerd; hy vertrok dadelijk, beloovende hieraan stiptelijk te voldoen. Een Engelsch deserteur van het 8eregt ligte dragonders melde zig ook weder aan, (zie Litt....).

Vrijdag den 1e July.

Vrijdag den 1e July. Om half zes uuren deeze morgen kwamen de hierboven gezegde deserteurs in ons leger; de capt. Alberty en lieut. Gilmer namen dadelijk eene informatie, (zie Litt....). Tegens half acht uuren reeden wy af, wy traverseerde onderscheyde maalen spruitjes van de Vischrivier, onderwegen zagen en deeden wy de plaats aan van eene Pretorius; de gouverneur steeg een oogenblik af om deeze lieden te gaan groeten Vervolgende voorts onze reys, klippen en dorre kaale gronden, wisselde by beurten onze weg af; het land is zeer bergachtig en bestaat uit een soort van geelachtige kley, welke met de gevallene reegens moeylijk te beryden zijn. Tegens den middag kwamen wy aan de plaats van den heemraad Louis van Wijk1) en vonden aldaar eenige landlieden met hunne vrouwen, welke daar gekomen waaren om de gouverneur te zien; zy onthaalden ons vriendelijk op het middagmaal, na het welke wy afreeden, tot wy onder de bergen kwamen, welke men morgen overtrekken moet, daar wy een vlakte uitzogten en ons leger vestigde. Wy komen thans aan geen nagtverblijf meer of vinden er Engelsche deserteurs; hier weder kreeg de gouverneur het gewoone versoek van drie deezer landloopers,

[p. 176]

onder anderen ook van een soldaat van het battaillon van Gordon, (zie Litt....).

Zaturdag den 2 July

Zaturdag den 2 July te 8 uuren deeze morgen begonnen wy onze marsch, welke langsaam hellende de berg op ging over een redelijk gelijk pad; voordat wy evenwel boven waren. kreeg men meer steyltens, welke de paarden egter met weinig moeite beklommen. Wy ontdekte wel ras de zogenaamde Compasberg, wiens triangulaire kruyn ver boven al de andere uitsteekt en een fraaye vertooning maakt. Afklimmende van de berg bleeven wy hem zeer lange tijd rechts van ons zien In de vlakte komende, en nog een poos voortgereeden te zijn, kwamen wy aan een waterspruitje, daar wy de commandant Van der Wald, den burger M. Pretorius en eenige andere aantroffen; wy namen met elkanderen het middagmaal, en werden door M. Pretorius verzogt, dat dog de gouverneur op zyne plaats wilde komen vernagten, waartoe beslooten wierd, schoon er nog drie groote uuren te ryden overbleeven. Hier begon de weg een veel rianter uitzigt te krygen, als lopende continueel door een digt bewassen doorne en carruboomenbosch, welke de beide oevers der Zondagsrivier zoomden. Wy waren zeer naby de oorsprong deezer vloed, en passeerde ze een menigte maalen, zolang tot wy, na lang rydens op de plaats genaamd De drie Koppen, gehoorende aan bovengenoemde Pretorius aankwamen. Onze tour werd op 13 uuren met de ossewagen geschat, ook kwamen deeze eerst laat aan ons nagtverblijf. Wij werden hier zoals overal met gulheid onthaald.

Zondag den 3 July.

Zondag den 3 July. Onze tour tot Graaff Reinet niet zeer lang zijnde, gingen wy ten 9 uuren van ons quartier weder door een weg rydende als die van gisteren, namentlijk tusschen zeer hooge steyle klippen op de donker begroeyde boorden der Sondagsrivier, welke wy weder differente reysen door togen; samengeteld met gisteren en onze differente passages deezer rivier kort by zijn mond, toen wy met de uitgeweekene Kaffers handelde, zijn wy deeze stroom 41 maalen overgereeden. Circa op anderhalf uur van Graaff Reinet kwamen wy op eene plaats, daar wy de weduwe van de gesneuvelde commandant Tjaart van der Wald aantroffen1); de gouverneur deed haar een bezoek; wy stapten weldra weder op en werden digt by het dorp komende door drie heemraaden verwelkomd. Deeze lieden hadden een ordentlijk aanzien en waren al op hunne jaren. De capitein Alberty, welke vooruit gereeden was om eenige arrangementen te maken,

[p. 177]

kwam aan het dorp den gouverneur tegemoet. Het geschut uit drie metaale 2 ℔ bestaande, salueerde den gouverneur met 21 schooten, toen zijn Hoog Ed. deeze residentie intrad. De fungeerende landdrost zijnde den commandant Gerots, beneevens de voornaamste heemraaden, veldcornets en burgers ontfingen den generaal aan de drosdy, een niet fraay, egter bewoonbaar leeme huys; na het middagmaal, dat de burgers uit differente hoeken van het dorp van goede schotels voorzagen, ging Zijn Ed. een wandeling doen; het dorp bestaat in eene breede weg aan wederzyden met huysen en tuynen bebouwd, staande de kerk, een half kruysgebouw aan het hoofd deezer straat. Het gehugt legd ingesloten tusschen hooge bergen aan welkers voet de in woonders nog eenige ruimte hebben om tuynen aan te leggen. Wijn, welke tamelijk goed is, en koorn zijn de voornaamste producten van het district.

Een Engelsch deserteur kwam weder met het ordinair verzoek, (zie Litt....).

Jan Pieters, oud 31 jaaren, gebooren te Nothen in Oost Vriesland heeft gediend als mattroos op 's lands schip van oorlog De vrouw Maria, capitein Barbier, is van dien bodem ziek na 't hospitaal gebragt in Kaapstad, tydens het neemen der vloot in Saldanhabaay door de Engelschen; is by zijn herstel uit Kaapstad na de binnenlanden gedeserteerd, en aldaar sints dien tijd tot nu toe gehuisvest geweest by Abraham Greeling, woonende in Zwagershoek, alwaar hy als boereknegt is dienende, verzoekt aan den gouverneur aldaar te mogen verblyven.

Den gouverneur accordeerd zulks provisioneel, zig voorbehoudende nadere informatie na zijn gedrag te neemen en daarna zyne beveelen te geeven. Den 28 Juny 1803. (Litt. Z.Z.Z.)

Alexander Betjard, oud 25 jaaren in Schotland gediend als soldaat in het 91e en in het 56e regiment Engelsche Infanterie, is van hetzelve op den 6 December 1802 gedeserteerd, en heeft zig tot nu toe opgehouden by Nantus de Beer aan Groot Vischrivier.

29 Juny.

Cores Theat, geboren in Ierland, oud 26 jaaren, gediend by het 8ste reg.t ligte Engelsche dragonders, van hetwelk hy den 24e Sept.r 1801 is gedeserteerd, en heeft zig tot hier toe opgehouden by Johannes Meintjes aan Groot Vischrivier. 30 Juny.

Hoe zeer wy op den 30e Juny aan de Spekboombergen geen salpeter vonden, wierd ons egter verzeekerd, dat er veele klippen zijn,

[p. 178]

daar men het vind; de grond, welke wy gisteren en heeden overreeden, schijnt zeer veele te bevatten, als zijnde de oppervlakte met dit voortbrengsel gelijk een dunne sneeuw overtrokken.

Maandag den 4 July.

Maandag den 4 July. De gouverneur werd deeze dag door een menigte functionarissen en burgers deezer colonie bezogd, en sprak met hun lange tijd over differente belangens; twee lieden van den kerkenraad verzogten Zijn Ed. de ontredderden staat van de kerk te willen in oogenschijn neemen. Een deezer ouderlingen, Coetsée1) genaamd, scheen den gouverneur toe een zeer raisonabel mensch te zijn die de oorzaaken der rampen van zijn land gevoelde, en gaarne wilde meedewerken tot het herstellen der verwarringen en oneenigheeden. De generaal voldeed dan aan het verzoek en ging onder hun geleyde de kerk bezigtigen. Wij vonden het gebouw van binnen zeer verwaarloosd, en in een zodanigen staat als ordinair gebouwen zijn, die sterk en niet zindelijk door troupen onderwoond zijn geweest, zonder dat er egter aanmerkelyke groote schade aan was geschied; de inwoonders van dit district zijn de eigenaars en stichters van het gebouw, en het is natuurlijk, dat zy verlangden dat hetzelve weder in ordre werd gebragt, alleenlijk scheenen zy te begrijpen, dat diegeene welke geoorloofd hadden, dat men de kerk tot een caserne gebruikte, ook die waaren, welke het herstel moesten bekostigen. Een menigte burgers waren meede in de kerk gegaan, de gouverneur nam wederom deeze geleegenheid waar om hun zyne en des gouvernements inzigten aan den dag te leggen, vermanende hun ten sterksten om dog particuliere geschillen te vereffenen, om eensgezind het algemeen belang te behartigen, zonder hetwelk zulks niet mogelijk is. Onder anderen bragt de gouverneur hun ook onder het oog, dat wanneer de omstandigheid het vereyschen om troupen ongelukkigerwyze in de kerk als het grootste gebouw te moeten logeeren, en hierdoor eenige schaadens ontstaan, men dan met geen recht kan vergen, dat de magistraat of kerkenraad of hoofdbeampte de kosten zoude dragen, want dat het gebruiken van kerken tot die eyndens in Europa in de laatste jaaren zoveel honderde maalen was geschied, dat men iets van die natuur als niets buitengewoon meer rekenen konde, en dat zo het gouvernement al konde besluiten tot het bekostigen van dergelyke rampen, zulks dan nog nimmer geschiede, wanneer de regeering genooddrongen wierd troupen na eene plaats te zenden, om daar plaats hebbende onlusten tusschen de ingezeetenen te dem-

[p. 179]

pen en de inwendige rust te herstellen. De twee leden der kerkenraad scheenen en betuigde ook dat hunne gedagten ook in dier voegen waaren, en vroegen blotelijks of zy konde beginnen met de reparatiën; de generaal raade hun hiermeede zo zulks weezen konde, nog twee à drie maanden te wagten, tot zy wisten welke schikkingen omtrent dit district gemaakt, en welke kerkelyke bediendens hun zoude gezonden worden, latende dit egter aan hunne overweeging, wijl de ingezeetenen de eenige eygenaars van het gebouw zyn, en er dus na hun verlangen meede kunnen handelen.

De generaal concipieerde heeden eene missive aan den commissaris generaal om zijn hoog Ed. op nieuws in dezelve het groote nut van eene landreyse aan te merken, en eenige puncten aan te geeven om dezelve met het meeste gemak te kunnen effectueeren.

De major Von Gilten, welke ons met zyne byhebbende jagers tot hiertoe verzelde, ontfing heeden van den generaal de annexe missive (Litt....). Twee Engelsche deserteurs melden zig heeden wederaan, en kreegen de ordinaire dispositie (zie Litt....). Men maakte heeden een begin onze wagens en train tot de nog te doene reyse uit te rusten en te proviandeeren.

Dingsdag den 5 July

Dingsdag den 5 July werd gelijk gisteren meerendeels met schryven doorgebragt. Eerstelijk schreef de gouverneur een brief aan de weduwe van de gesneuvelde commandant Tjaart van der Wald, (Litt....), een dergelyke aan Andries Johs. van der Wald,(Litt....). Den voormalige cornet van de Voorsneeuwbergen, Roets,1) werd op zijn gedaan verzoek op eene honorabele wyze gedemiteerd, terwijl den fungeerende veldcornet W. van Heerden, provisioneel in die post door den gouverneur werd aangeschreeven te continueeren, (zie de daarover geschreevene missives Litt.... en....). Een menigte klagten en de in dit land zo zeer in gebruik zijnde verklaringen en getuigschriften wierden door den generaal geleezen, maar daar de commissaris generaal namens het gouvernement generaalijk alle bestaande oneenigheeden en uit factieyver ontstane misdaaden genereuselijk heeft vergeeven, zijn de verhaalen in die staapel van papieren vervat ten eenemaale ter zyde gelegd. Het kwam egter den generaal eenigsints nuttig voor, tot staaltje eene missive (Litt....) meede aan het journaal te annexeeren om eens te kunnen zien, hoe weinig het gekost heeft om een heel land in oproer te brengen en gedeeltelijk te verwoesten. De differente rollen, welke de twee commandanten van

[p. 180]

der Walt en Rensenburg geduurende de laatste onlusten in deeze colonie hebben gespeeld, had natuurlijk veroorzaakt, dat zy zeer verre waaren de beste vrienden te zijn; ieder hunner, zowel hy die recht, als hy die onrecht gehandeld had, wel verre van nu zulks te vergeeven en te vergeeten, vond alle oogenblikken in een menigte verklaringen, brieven, enz, die men hier zeederd jaaren byeen gaard en zoekt te vermeerderen, nieuw voedzel tot voortzetting hunner onmin. De gouverneur onderhield ieder deezer twee commandanten in het byzonder, en trachte hun te beduyden, dat nimmer het geluk van dit land te herstellen was, zo lang de bewooners van hetzelve geen inwendige vereeniging tot stand wilde brengen; met lang ieder hunner op deeze wyze het nut van een wederzydsche uitwissching en bevreediging onder het oog gebragt te hebben, stemde zy daartoe en verscheenen deeze namiddag ten dien einde by de generaal; deeze deed hun in 't kort een narée van het ongeluk daar zig het land in bevind door de bittere verdeeldheid der ingezeetenen, en hield hun voor, dat zonder te willen onderzoeken wie goed en wie kwalijk gehandeld had, een iegelijk die maar voortaan getrouw aan zijn wettig gouvernement bleef, het belang van het land oprecht ter harte nam en hetzelve vervorderde, voortaan met een gelijk goed oog van het gouvernement zoude worden aangezien, dat zylieden als daartoe gezind, nu ook door eene broederlyke vereeniging en kwijtschelding van voorheen bestaane ongelykken moesten toonen, braave welmeenende burgers te zijn, en zelfs voortaan niet meer aan het voorleedene moesten denken; beide waren hiertoe bereyd en reikte zig de hand van vriendschap toe, verzeekerende zy de gouverneur, dat alles nu vergeeten zou zijn.

De generaal liet alle de heemraaden beroepen om morgen-ochtend tegens 9 uuren eene vergadering hier aan de drosdy te beleggen, ten einde over de differente belangens te raadpleegen.

Woensdag den 6 July.

Woensdag den 6 July. Ten neegen uuren deeze morgen vergaderden de heemraaden, en werden bezogd door den gouverneur en generaal geaccompagneerd met de heer D.G. van Reenen en met desselfs aide de camp, zijn Ed. opende de vergadering met eene aanspraak, en legde de hier annexe pointen (Litt....) aan de overweeging en nadere rapport van den raad over. De heeren heemraaden namen het middagmaal by den generaal, welke het overige van den dag met schrijven doorbragt - en wel in de eerste plaats eene missive aan den commissaris generaal (Litt....) over de zaak der Caffer onderhandelingen, annexeerende daaraan copiën der instructiën,

[p. 181]

handelingen, en tot standgebragte pointen met deeze natie, beneevens copie eener missive aan den major Von Gilten geschreeven, en afschrift van het genomen besluit omtrend het door de ingezeetenen in dienst neemen van Caffers.

Tweedens: aan den commissaris generaal eene secreete missive (Litt....).

Derdens aan hoogst denzelve een brief (Litt....) over de Hottentotten van de hr Van der Kemp, hebbende tot bylage een brief en antwoord aan en van deeze missionaris.

Vierdens eene missive aan den major Von Gilten (Litt....) over de onderhandelingen met de Caffers met bylage als aan den commissaris generaal (zie hierboven.)

Vijfdens een genomen besluit dato heeden van den gouverneur en generaal tegens vagabonden, deserteurs en misdadigers (Litt....); hetzelve werd aan de heemraaden ter executie uitgereikt.

Donderdag den 7e July.

Donderdag den 7e July. De burgercommandanten hier present tot Graaff Reynet behoorende, werden hedenochtend ten elf uuren verzogt een vergadering te beleggen, in welke de gouverneur hun kenbaar maakte het verhandelde in de vergadering door heemraaden op gisterenmorgen gehouden, hun voorts aanmanende door eensgezindheid onder hun, mede oprecht behulpzaam te zijn tot het invoeren en onderhouden van rust, ordre en vreedzaame voorspoed der volkplanting en in 't by zonder van hun district Graaff Reinet; - zy namen heeden het middagmaal by den gouverneur, die weder gelijk gisteren den avond met schryven doorbragt.

Zijn Ed schreef eene missive (Litt....) aan den commissaris generaal over het bevind van zaaken te Graaff Reinet, daarby voegende de op gisteren in de vergadering van heemraaden voorgelegde pointen, (zie Litt...) beneevens een copie van het besluit tegens de vagabonden, deserteurs en andere misdadigers, (zie Litt....) van welk besluit ook copie aan den major Von Gilten werd overgelegd.

Tweedens word eene missive geschreeven aan den commandant Gerots thans ter drosdy alhier (Litt....).

Derdens eene missive aan major Von Gilten over afgave van infanteriepulver (Litt....).

Eyndelijk nog eene missive aan den commissaris generaal een relaas onzer reys van de Algoabaay door Cafferland na herwaards bevattende (Litt...). Overigens had den gouverneur heden eenige conferentiën met particuliere ingezeetenen over hunne differente belangens.

[p. 182]

Vrydag den 8 July.

Vrydag den 8 July. De gouverneur acheveerde heden de expeditiebrieven, welke na Kaapstad moeten gezonden worden, des avonds was er een vriendelyke byeenkomst der heemraaden by zijn Ed., in welke deeze het rapport inbragten op de hun voorgelegde pointen (onder Litt.... hier voren geannexeerd.) Dit rapport annex Lit.... met de bylagen behelsde eenige articulen op welke niet ten vollen beantwooord was, en welke door de vergadering niet regt scheenen begreepen te zijn, onder anderen concerneerende het na Kaapstad overbrengen van den hier gedetineerde presumptive moordenaar, (waarvan het relaas annex Litt....). Zy vermeende, dat het niet voegzaam was, dat een misdadiger van die natuur door burgers derwaards geconvoyeerd werd; de gouverneur observeerde hun, dat men zig wel moest verstaan, want dat wel verre van zijn gedagte te zijn dat burgers als dienders of Caffers1) zoude ageeren, zulks op de navolgende wyze kon geschieden, namentlijk, dat den gevangenen onder de bewaaring en verzorging van daartoe bevoegde perzoonen, zoals substituutschout en dienaaren moest zijn, en de burgers blootelijks als bedekking meede gingen, om voor te komen, dat een schuldige niet aan de justitie ontsnapte, en opnieuws wandaden kon pleegen, dat wel verre dat zulks een schande was, zulks altijd voor officieren en soldaten, of voor burgers een plicht was, die niemands eer konde benadeelen.

Onder de andere pointen in het rapport, welke niet zeer duidelijk waaren, was dat articul de opgave van de colonies cassa concerneerende, van welks situatie zy verklaarde uit hoofde der verwarringen, die hier bestaan hebben in 't geheel geen kennisse te dragen; de persoon, die hierover de directie gehouden heeft, moet volgens alle billijkheid daarvan de persoonlyke verantwoording doen daar en waar zulks is behoorende, hetgeene aan de heemraaden gezegd werd hem te gelasten. Het paquet brieven, waarby eenige particuliere van den gouverneur en de andere heeren, werd gesloten en ter bezorging aan den commandant Gerotz overgegeeven.

Zaterdag den 9 July

Zaterdag den 9 July De meenigvuldige kleine disordres, welke tot hiertoe op onze reis onder de Hottentotten plaats hadden, deeden den gouverneur nodig oordeelen de annexe pointen ter voorkoming van dezelve in 't vervolg, aan den lieut. Gilmer uit te reiken, (zie Litt....) Den capitein Alberty de moeyte genomen hebbende geduurende onze reys van de Algoabaay tot hier op Graaff Reinet de thermo-

[p. 183]

metersche observatiën te doen, zijn dezelve hier geannexeerd (onder Litt...) De differente soorten van hout, welke ons geduurende die tijd zijn geworden, zijn aangeteekend (op Litt....) Het voorneemen zijnde op morgen onze reys weder aan te neemen, werd het overige van den dag besteed tot de nodige arrangementen, het pakken der wagens, aanbetalen der reekeningen enz.

Eenige ingezeetenen kwamen zijn Ed. nog over hunne byzondere zaaken onderhouden; als een gevolg der conferentiën met de heeren heemraaden bragten zy nog nader het rapport (Litt....) in; op het daarin byleggende request van den landdrost Bresler1) in dato 1 April 1803 aan den gouverneur en generaal gepresenteerd. Een Engelsch deserteur melde zig aan, (zie Litt....) en ontfing de ordinaire dispositie.

Zondag den 10 July.

Zondag den 10 July. Het was reeds laat in de voormiddag, alvorens de reis opnieuw wierd ondernomen, met het voorneemen de Sneeuwbergen over te trekken, na de Rhenosterberg en van daar na de Orangerivier, en wel voornamentlijk om Boschjesmans te zien, en met derzelver capiteinen in onderhandeling te treeden.

Het lot der Naturellen te verzagten zal wel een van de voornaamste pligten van een eerlijk gouvernement zijn; eenige staaltjes zullen er over kunnen oordeelen, en de correspondentie met de commissaris generaal en de genoomen besluiten, die hier tot bylage zijn, er meerder licht over verspreiden.

Te Graaff Reinet kwam een Hottentot klagen, dat hy een klein Boschjesman van de moeder voor een neusdoek had ingeruild; dat men oordeele van de rampen van een volk, dat derzelver kinderen bemind en een zoontje voor een neusdoek overdoet! Een ingezeeten had goedgevonden (volgens de klagt) dit kind van de Hottentot te rooven.

Een Hottentottin bragt de klagt in, dat haar kind, iets meer dan twee jaaren oud, die ogtend gestorven was aan de gevolgen van slagen en mishandelingen van haar meester - deeze beide klagten wierden ten fine van scherp onderzoek in handen van heemraaden en den veldcommandant Gerotz gesteld.

Van Graaff Reinet vertrekkende wierd weder met kleyne stukjes gesalueerd, en de gouverneur nam afscheid van de vergaderde perzoonen. Amper buiten het dorp gekomen, ontdekte men dat niemand by het gezelschap te paard was, die de weegen kende, en de wagens

[p. 184]

nog niet gereed zijnde, liet men agter, maar vermits men een goed eind weg het pad, dat men gekomen was, moest volgen dagt men, dat de route wel zoude worden gevonden en er wierd om geen gids gezonden.

By de eerste woning gekomen zijnde, had men de onvoorzigtigheid, na de aanraading van een nader weg te neemen te luisteren; zedert merkte men, dat men van de weg was. Het gezelschap dwaalde evenwel op de legging der bergen de cours verbeeterende en na zeven uuren te paard gezeeten te hebben, arriveerde men in de reegen en duisteren op de plaats van Piet Pretorius, waar evenwel de bestemming voor die dag was geweest. Tegenspoeden de wagens overgekomen, waaren oorzaak, dat zy de geheele nagt niet by ons kwamen, en het gezelschap dus van alles ontbloot was; hetgeen het onaangenaame der situatie vergroote, was, dat aan dit huis, waarvan de eigenaar afwezig was, als zig op een legplaats een uur vandaar bevindende, geene de minste arrangementen waaren gemaakt, het zy dan met of zonder Piet Pretorius zijn schuld.

Men was er volmaakt slegt, het duurde eenige tijd alvorens men gehoor konde krygen. De huishouding bestond in een oude Duitscher, afgeschreeven van gage, die zeer krank was, een oude slaaf, die de Duitscher zeyde een groote schelm te zijn, die alles stal, wat hy krygen konde, twee andere slaven, beide doof, een er van meede stom, zijn camaraat nog een oog missende, wyders een nieuwe slavejongen, die men hier volgens de zeeterm baars1) noemd, beneevens een geroofd Boschjesmans jong meisje. Met moeite werd hout genoeg verzamelt om een vuur te onderhouden, en schoon de eigenaar welgesteld is, was er niet zoveel kaarsen om anders als door het vuur te kunnen zien. De goede vertrekken relatif die er overbleeven, waaren gesloten en het gezelschap, beneevens de dragonders, bediende, slaven enz. moesten zig vereenigt in het vuil, algemeen vertrek, ophouden. De kermende oude zieke, afgeschreeven van gage nodigde ons van geslagte schapen en lammen, die kort by het vuur hingen, af te sneyden, en gereed te maken, als ten dien eynde geslagt zijnde; men deed het, maar geen gereedschap hebbende, ging het slegt, en was hogelijks onsmakelijk, zodat byna niet gegeeten wierd. De nagt ging dog langzaam om - men treede in gesprek met het Boschjesmans meisje, die zig ongelukkig vond, zeggende eens weggeloopen, en weder na haar ouders gegaan te zijn,

[p. 185]

van waar de baas haar had teruggehaald. Op de vraag of zy het by de Christenen niet beter als in de craal had? zeyde zy volmondig neen, dat zy het zeer slegt had, en banjer1) (veel) slaag kreeg, en dat zy, by haar ouders wel behandeld wierd. Zy, over het slegt aanzien van het vleesch onderhouden wordende, hetgeen ons ter spyze was aangeboden, zeyde dat het eene schaap en het lammetje gestorven waaren, en daarna afgehaald en dat het andere schaap geslagt was toen het stervende was. Die ontdekking was zeer onaangenaam en verontwaardigde te meer, daar de meester zeeven duizend vier honderd van die nuttige dieren bezat. De gebrekkige staat der slaaven verwonderde, de Duitscher zeyde ons, dat de baas gierig was, en dat van de Kaap medebragt, hetgeen het minste geld koste, en wat betrof de eenoogige slaaf met de scheeve mond, dat dit accidenteel was, als zijnde veroorzaakt door slagen van de meester!!! Wy verlangde dit onzaalig verblijf te verlaaten en bekwamen in den ochtend van

Maandag den 11 July.

Maandag den 11 July. bericht dat de wagens van de kleine schadens hersteld, langzaam door het slegte weeder en gladde weegen naderde. Ten tien uuren kwamen zy opzetten, en alle gebrek en verlegenheid nam een einde; men ontbeet en dineerde spoedig en goed, en namen de reis in de agtermiddeg aan om nog een paar uuren te vorderen en aan de voet van de Sneeuwbergen te komen, hetgeen voorspoedig ging, ziende onderweegen voor het eerst op de reis sneeuw aan de toppen van zommige bergen. Geduurende het naderen der wagens en het opslaan van het camp beklom de gouverneur van de naast bygelegen bergen, die op de top zwaare kransen (byna rechtopstaande klippen) hadden, en een schoon gezigt ter belooning der vermoeidenis gaven. By het afkomen vond Piet Pretorius zig in het camp zyne excuses over het slegt verblijf op zijn plaats makende, daar hy de gouverneur op zijn legplaats hadde verwagt, waar alles in gereedheid was geweest. De gouverneur zeyde, dat zulks niet behoefde, daar niemand hem iets verschuldigt was, maar dat hy geindigneerd was geweest op het voorzetten van aan ziekte gestorven vee; dat men in Europa die spijs zodanig verachte, en een mensch alleen omdat hy een mensch was, zozeer waardeerde, dat niemand zoude durven wagen aan de laagste uit de maatschappy zulke spyze aan te bieden. Met nieuwe verklaring, dat dit buiten zijn weet was, liet de gouverneur beleeft maar koel de visite afloopen.

[p. 186]

Dingsdag den 12 July

Dingsdag den 12 July Eengroot uur na zonneopgang begon men de Sneeuwbergen te beklimmen, de eerste steile hoogte in goede staat zijnde ging voor de geheele train vrij voorspoedig. Het gezelschap te paard reed tot aan een veeplaats tusschen de twee hoogste bergen, toebehoorende aan Piet Pretorius in wiens huis men de nagt tusschen den 10e en 11e zulk een slegt onthaal gehad hadden; dit huis was leedig. Wy vonden er de famille van de commandant Johannes van der Wald, die ons verder vergezelden, men deed er een koude maaltijd en vervolgde, toen men de wagens zag naderen, de togt; de tweede berg, waarvan de weg in een slegter staat was, deed minder spoedig vorderen. Evenwel bragten die te paard waaren het een paar uuren voor zonneondergang tot de in dit saisoen (zoals de meeste veeplaatsen op de Sneeuwbergen) onbewoond huis van Johannes Jacob Krieger. Het weer was deeze dag byzonder koud, zodat men er in 't wintersaisoen in het noorden van Europa zelve gevoelig aan geweest zoude zijn. Een schraale wind sneed in het gezigt, en de toppen der bergen waren met sneeuw bedekt. Met ongedult wierden tevergeefsch de wagens tegemoet gezien, den avond wierd zeer duister, zeer koude wind was met reegen en jagtsneeuw vergezeld en hetgeen de Boeren die by ons waaren, zeide in de winter zeldzaam te zijn, het lichte sterk en men hoorde een zwaare donderslag.

Op deeze plaats was nieuw voorspan besteld, waardoor het gezelschap in huis vrij talrijk was. Ziende dat de hoop verloren was de wagens voor de nagt te zien komen, maakte men na de omstandigheeden de gebrekkelyke schikkingen om de nagt van alles gepriveerd door te brengen; gelukkig dat door de goede zorgen van de commandant Van der Wald het brandhout niet ontbrak. - Om een denkbeeld van zulk een zomerverblijf te geeven, zal men het, ongunstig, omdat het in de winter geschied, beschrijven.

Op deeze bergen wast geen hout, dus alles nakend1), evenwel is dit de schuld van de bewoonderen, wijl zelve de vrugtboomen, die men er plant wel voortkomen, de grond bezaayd met klipsteenen; op deeze plaats vast evenwel vry wat gras, dat nu door het saisoen hooy was. Een plaats bestaat uit verscheide gebouwen, zo tot berging van het een en ander als tot logeering van bediende enz. Men zal slegts het beste als in de zomer des meesters woning beschrijven. De muuren rondsom in een langwerpig vierkant zijn niet wel vijf voeten hoog opgetrokken, en bestaan uit dezelve brokkelyke leem als de vloer.

[p. 187]

Op deeze muur rust een slegt riete dak, op ongeschaafde dikker en dunner boomtakken, die met huide riemen vastgebonden zijn, de deur is een gat ter gewoone breedte en de hoogte van de leeme wand hebbende, de twee vensters zijn kleyndere gaaten, voor het een en ander zet men ter beschutting voor de lugt een riete op takken gebonden horde; een schoorsteen is er niet, omdat het zogenaamde kookhuis een separate hut is. Ten midden op de vloer wierd volgens landsgebruik door de reizigers een vuur gemaakt en de rook vind een uitgang door de slegt gesloten gaten, en door de openingen, die in het slegte dak zijn, evenwel niet vóór het gezelschap zonderling te hinderen. De guure nacht permitteerde geen slaap, de koude en de lekken verhinderde dit, en verlengde de reeds te lange nagt in dit jaargety. Te voren hoorde men schier iedere nagt wolven, deeze vernam men niet, maar de Boeren spraken altoos van voorzorgen omtrent het vee tegens de leeuwen, die wy dog niet vernamen, schoon men verzeekerd, dat zy gemeenzaam zijn.

Woensdag den 13 July

Woensdag den 13 July arriveerden tegens 9 uuren de wagens, die om de groote duisternis en de vermoeidheid der ossen niet hadden kunnen volgen, de menschen hadden op het gebergte zeer door de nypende koude geleeden, waartegen de Hottentotten nog minder als de colonisten bestand zijn. Een fraay meerkatje, dat wy onder andere dieren mede voerden, was er door gestorven.

Na een ontbeet genomen te hebben, wierd de reis voortgezet; het weer was veel slegter en kouder als devorige dag. Men passeerde een andere plaats van Krieger, waar de gebouwen schoon mede in dit saisoen onbewoond minder slegt waaren. De Rhenosterberg lings en de Tafelberg rechts latende leggen bragten wy het tot aan de veeplaats van Piet Venter, desselfs broeder de veldcornet ons vergezellende, brak het woonhuis open, de wagens volgde ons kort en wy vonden er ons in onze teegenswoordige denkbeelden byzonder goed. Wy hadden weeder oorzaak, zoals wy op deeze togt zo frequent hadden, de reflectie te maken, hoe moeylijk een zeeker classes menschen goede behandeling dragen. De gouverneur gebied en versoekt alomme de Hottentotten wel te behandelen en om meede het voorbeeld te geeven, hebben die zijn Ed. vergezellen, merklijk meerder gage als de beste domestiquen in Europa, daarenbooven goede en ruime kleeding en voeding, en evenwel kunnen zy niet laten, de spyze voor de tafel van den gouverneur bestemd en die niet luxurieus1) is, te neemen en die onderweegen te eeten, en dikwerf is het alles wat te be-

[p. 188]

komen is; evenwel is het goed op te merken, dat de meesten deezer Hottentotten bastaarden zijn, die onder de Engelschen zoalsnog soldaaten zijn, en veel van de goede hoedanigheeden van de Hottentotten verlooren hebben en gebreeken van de Christenen hebben aangenomen Dit moet eenigsints gecompenseerd worden door iets meerder kragte en intelligentie als de ordinaire onverbasterde Hottentotten hebben. In den avond kwam de eigenaar van de plaats, des gouverneurs komst vernomen hebbende, zijn Ed. bezoeken en naderde met de gewoone eerbewyzing met het doen van geweerschoten.

Donderdag den 14 July.

Donderdag den 14 July. Na een redelyke goede nagt doorgebragt te hebben, reeden wy circa ten acht uuren van deeze plaats wy moesten een klein eynd wegs weder terug om op de groote route te komen, zoodat wy weder de Rhenosterbergen lings agterwaarts kreegen, wy hielden cours na het noorden ten oosten en zagen dwars vooruit de Roode bergen, ter regterzyde toonde men ons in 't verschiet de Zuure bergen welke zeer hoog zijn, dog nog niet zover uitsteeken als de regts van ons leggende zogenaamde Theebosch,1) die wy reeds voorheen op een groote afstand uit de Sneeuwbergen zagen; de Compasberg legd lings van ons in 't verlengde van de Rhenosterberg, uit deeze laatste ontspringd een fontein, welke langs de voet der Roode bergen loopt, en zig by de Buffelvalley in de Brakrivier werpt die lager af Vischrivier word; aan deeze fontein leggen verscheyde plaatzen eenige derzelve zijn in dit jaargety verlaten. Aan een deezer plaatzen, gehorende aan Nicolaas van der Walt, De drie Fonteynen genaamd, arriveerde wy tegens den middag, de gouverneur werd door den eigenaar met het gewone salut ontfangen. Wy hielden een halte en namen het middagmaal; deeze plaats en dus de bergen rondsom dezelve legd het hoogste punct van Zuyd-Africa; - men is hier als op de rugge oost en westwaards, van hier gaan de bergen en het land langsaam dalend tot aan de beyde oevers der zee, de rivieren gaan ook hier een differente cours en storten zig oost en west in zee. Wy vonden ter deezer plaats weder verscheide landlieden uit dit district, welke met ons de togt na den eeten aannamen; de gantsche dag hadden wy een zeer gelyke fraaye weg door de vlaktens. Een uur van Nic: van der Wald legd de plaats van den commandant Johs. van der Wald, genaamd de Wolvekop; hier arriveerden wy weldra en namen by denzelven ons nagtverblijf. Ter deezer plaatze vonden wy een famille Boschjesmans, welke zedert eenige tijd tam gemaakt waaren, de vrouwen waren afschuwelijk

[p. 189]

leelijk en zeer kleyn, de man was behendig in het boogschieten, dat hy op een zeer verre afstand deed.

Vrydag den 15 July.

Vrydag den 15 July. De voorleeden nagt was vry koud, het water was wel ter dikte van een achtste duim bevrooren; wy vertrokken ten 9 uuren van hier. Twee leeuwen, welke wy des nagts hoorde brullen, hadden de stoutheid gehad tot op 10 à 12 passen van de wagens te koomen, zonder egter eenige schade te veroorzaken. Het land is in dit district sterk van deeze dieren vervuld, men vind overal hunne spooren; wy hadden egter tot hiertoe het geluk niet een derzelve te zien; den gantsche dag ging onze weg afhellende door de Roode bergen passeerende; wild zagen wy weinig, egter voor de eerste maal op een groote afstand een gnous (door de inwoonders wildebeest genoemd, uit hoofde zyner wilde en wondere sprongen); een der landlieden vong weder een veule quacha. Zonder iets merkwaardigs gezien te hebben, kwamen wy byna ten twee uuren in den middag op de veeplaats van den commandant Johs. van der Wald, geleegen aan de Caroluspoort, daar wy ons middagmaal hielden en onze tenten nedersloegen.

Zaturdag den 16 July

Zaturdag den 16 July vervolgde wy onze reys en lieten de Caroluspoort aan onze slinke hand gaande meer noordwaards aan; wy zagen tegens circa 10 uuren een menigte elanden op welke de landlieden gezamentlijk jagt maakte, en een getal van zeeventien neervelde. Het was nog geen elf uuren, toen wy aan de Venterfonteyn kwamen om ons middagmaal te houden en onze wagens in te wagten; deeze moesten lings en rechts afryden om de elanden op te laden, hetwelk oorzaak was, dat men resolveerde in steede na Van der Wald's fonteyn te ryden, hier te overnagten, aangezien het reeds in de namiddag was, alvorens de wagens te zamen opdaagde. Wy zagen meer Gnous, dog er werden geene geschoten.

Zondag den 17e July

Zondag den 17e July ten acht uuren vertrokken wy van hier, cours houdende na het noorden ten oosten; het land ging hoe langs hoe meerder afhellende. Lings van ons zagen wy een weinig agterwaards de bergen, aan welke de baake legd door den gouverneur Van Plettenberg gesteld,1) en schuyns vooruit de zogenaamde Toverberg. Tegens den middag kwamen wy aan de Van der Wald's fonteyn, en hielden daar ons middagmaal. De heeren jagers doode weder drie elanden en eenige bonte bokken; onder deeze geschoote elanden waren twee bullen, die de inwoonders zeyde niet van de grootste te

[p. 190]

zijn en tog pretendeerde ieder wel 900 ℔ te züllen weegen; de vellen deezer dieren zijn by den landman zeer in waarde. De commandant Johs van der Wald was een weinig vooruit gereeden om Boschjesmans op te spooren ten einde hun by den gouverneur te brengen; hy had op twee à drie plaatzen vuuren aangelegd om hun tot een teeken te dienen, hetwelk zy op hunne beurt meede deeden. Korte tijd daarna kwamen drie à vier deezer wilden by ons en scheenen zeer vertrouwelijk, vooral toen men hun van een eland eenige stukken uitreikte, daar zy met greetigheid op aanvielen en byna raauw verslonde. Tegens den avond kwamen wy aan een poort tusschen twee bergen aan een mooye groote fonteyn met riet bewassen zonder naam, gelykende veel na onze vaderlandsche kolken of wielen, wy sloegen aan hetzelve onze tenten. Wy waren paseven gearriveerd, toen de commandant Linde den gouverneur liet verzoeken een Gnou te komen zien, welke hy een half uur van daar gekwetst had, gelijk zijn Ed. dan ook deed; derwaards gereeden zijnde namen wy accuraat de maat van dit zonderlinge dier, en schetste hetzelve naauwkeurig in teekening af, om het vervolgens af te struypen en het vel meede te voeren.

Maandag den 18 July.

Maandag den 18 July. Byna ten half elf uuren reeden wy van ons camp; de vermoeydheid der ossen en om hun eenig voedzel te doen krygen was de oorzaak van dit laat vertrek, ook was het traject tot aan de Oranjerivier maar twee groote uuren ver. Onderwegen kwamen kleine tropjes Boschjesmans na ons toe, en voegde zig by het rysende gezelschap. Lings agterwaards hadden wy de Toverberg en voor ons uit ten noorden werwaards wy reeden de bergen aan welkers voet de bovengenoemde rivier vloeyd. Tegens den middag naderde wy dezelve zonder onderweege veel merkwaardigs te zien, geene groote rivieren in Africa gewoon zijnde, deed het ons een groot plaisier thans een stroom te zien, welke al de vereyschtens van een mooyen sterk vloeyend water heeft, de oevers zijn meestal hoog verheeven. In dit oogenblik is er niet veel water in de rivier, zodat nu de breedte een groot geweerschot zal zijn, dog moet by hoog water een gedugte stroom formeeren. Hier en daar is de rivier naauwer en word gedwongen door vooruitstaande klipbanken, die een snelle drift veroorzaaken. Men had ons versproken in deeze rivier zeekoeyen (hippopotamus) te ontmoeten; ook by ons arrivement gingen wy dadelijk uitzien om van dezelve te vinden. Het duurde niet lange of wy hoorde het zugten en blaazen van eene deezer dieren, het gezelschap trok dus spoedig gewapend na den oever der rivier en begon-

[p. 191]

nen te schieten. De zeekoey had tog de voorzichtigheid aan de overzyde te blyven, en niet dan by volstrekte noodzakelijkheid zijn neus ter ademhaling boven water te toonen, op welk punct tevergeefsch de gantsche namiddag gevuurd werd, zodat men na een paar honderd schooten genoodzaakt was met ledige kruydhorens en zonder zeekoey na het camp te keeren. Omtrend 20 à 30 Boschjesmans waren ons op de tour van heeden gevolgt en bevonden zig by ons leger, de generaal deed hun eenige geschenken van coraalen en tobak en ruylde voor de aardigheid eenige boogen en pylen, welke hun eenig, dog uit hoofde van het sterke vergift gevaarlyke wapens zijn; daarmee dooden zij al hun wild, dat aan het gift sterven moet, dog dat zy evenwel eeten, na de pijlschot uitgesneeden te hebben.

De vergiften kooken zy uit differente planten en boomtjes, ieder heeft zijn byzonder gebruik na mate het dier is dat zy dooden willen; zy schieten hunne pylen met veel behendigheid en juistheid en dooden met dezelve. Dit wapen is ver gevaarlyker dan de assagaay der Caffers. De Boschjesmans zijn uittermaten kleyn en door den honger meestal sterk uitgedroogd; de generaal nam de lengtemaat van een hunner, welke volgens gissing een man van veertig à vijftig jaren zal zyn geweest, en bevond dat hy vier voet en drie duim haalde; de vrouwen zijn nog kleinder en gantsch niet schoon, Het physionomie deezer wilden heeft veel overeenkomst met dat der Hottentotten, egter een veel sneediger en intelligenter uitzigt, dat misschien toe te schrijven is aan de waakzaamheid, die zy contiueel moeten gebruiken om de geduurige staat van gevaar in welke zy leeven; hunne taal heeft ook meer tongslagen dan die der Hottentotten, die tog primitivelijk dezelfde natie zullen uitgemaakt hebben. Hunne couleur is generalijk veel blanker dan dat der andere Hottentotten, eenige zelfs zijn nog minder geel dan de Spanjaarden op het eyland Teneriff, byzonder diegeene, welke veel in de rivieren zijn om te visschen, daar zy zig door voeden. Zy gebruiken daartoe zeer handig geflogtene riete fuyken, veel na onze Europische gelykende; de gantsche natie voed zig tog voornamentlijk van kleyne bolletjes, welke zy met een hout uit de grond graven en veel van kleyne uytjes heeft, dog gebraden zijnde smaakt als castanjen; zy trekken continueel van de eene berg in de andere zonder een gefixeerde wooning te hebben, ook lopen de meeste hunner op hun zelve, erkennende geen geavoueerd capitein of opperhoofd; de craalen of horden bestaan meestal in eene enkelde famille, en zulk een craal schijnt zelfs zelden met andere te verkeeren, wijl de benamingen voor een zelfde zaak of object byna zo meenig-

[p. 192]

vuldig differeeren als er onderscheide horden zijn, hoewel zij zig alle onderling goed kunnen verstaan; hunne kleding is zoals van alle wilden beestehuyden. Voor alle cieraad hebben zy eenige peezen en gedroogde darmen om den hals en op hunne mutsjes coraalen, welke zy zelfs uit de schel van struysvogeleieren snyden en aaneen rygen.1) Zy zijn grote liefhebbers van tabak, welke wy hun in ruime maate na hun groot genoegen uitdeelde.

Dingsdag den 19 July.

Dingsdag den 19 July. Reeds zeer vroeg reeden de meeste van het gezelschap na boven en beneden de rivier om zeekoeyen op te sporen met belofte de generaal te zullen laten waarschouwen, zodra er op geschikte plaatzen te jagen waaren. Te vergeefsch wagte wy den gantsche morgen hier na, en amuzeerde ons om langs den zandoever der rivier gecouleerde steentjes en christallen te zoeken, welke men ons verzeekerde, dat er zeer fraay en zonderling waren. Wy raapte eenige wynige, dog de vonst voldeed niet aan de verwagting; toen de gouverneur bezig was ons gewoon champetre - maaltijd te neemen, kwam een jonge mensch aanryden om te zeggen, dat de commandant Human op een uur afstands beneeden ons camp een zeekoey geschoten had, hetwelk de generaal deed besluiten ten fine van gezigt derwaards te ryden; daar op de plaats komende, had de stroom het lighaam buyten het gezigt van de schutters afgevoerd, hetwelk men met alle mogelyke moeite niet had kunnen beletten. De riemen, daar men het dier aan vast gemaakt had, konden de kragt van het water niet wederstaan en braaken aan stuk, zodat men onverrigter zaake na ons camp moesten retourneeren, zonder onze nieuwsgierigheid voldaan te hebben. Men zond tog Boschjesmans de rivier langs af om na te gaan waar het beest gebleeven was; deeze kwamen 's morgens van

Woensdag den 20 July

Woensdag den 20 July vroegtydig waarschuwen, dat een half uur lager af van de plaats, daar de zeekoey geschoten was, het lijk tegen een klipbank was blyven haaken en nu daar aan de overzyde leyde. Ons camp werd opgebroken met intentie ten eenemaale van de rivier te vertrekken en de reyste vervorderen, dog toen deeze tyding kwam, zette wy cours na de aangeweezene plaats, daar men ook alles conform het verhaal bevond. Men begreep dadelijk, dat het zeer moeylijk zoude zijn het beest aan onze zyde te brengen en de landlieden dagten best te zijn al de ossenriemen aan elkander te binden en deeze lengte door de Boschjesmans over te laten zwemmen. Deeze maakte

[p. 193]

zig dan ook daartoe gereed, zy zogten ieder een groote drooge boomstam, op welke zy zig kruysgewyze plaatste; het zonderlingste was, dat zy een brandend hout mede namen om aan de overzyde vuur te stooken. Op die wyze uitgerust en zig aan de lange riem vasthoudende, entammeerde zy de overtocht, dog nog pas ter halverweege gekomen, had de kragt van het water tegen de osseriem reeds een zo groote zwaare bogt aan dezelve gegeeven (trouwens een leevendige zeekoey zou niet kragts genoeg bezeeten hebben om aan een riem door die stroom na de overzyde te zwemmen, ofte trekken) dat de twee voorste genoodzaakt waren los te laaten, di met moeyte aan de overzyde lande; de overige twee namen de terugreyse, zodat wy weldra zoverre waren als toen men begon. Een menigte andere expedienten wierden uitgedagt, maar geen een wierd met succes geëxpedieerd; eenige wilde een radeau of vlot maaken, dat mentogten sterksten afried uit hoofde van het gevaarlyke, dat in zulk een expeditie is, wanneer geen door en door daarin kundigelieden er mede omgaan. Verscheyde jonge lieden begaven zig te water om over te zwemmen, maar geen hunner reusseerde en alle waren genoodzaakt na den oever terug te keeren.

Vier à vijf Boschjesmans werden gepersuadeerd nog een proeve te doen, zy rustede zig weder met een drooge boom uit, en lieten zig ieder zulk een hout aan de schouder binden; toen zy te water gingen, staken zy de voorste punt van het hout vlak in de stroom, en gebruikte de andere hand en de voeten om vooruit te komen en het afdryven te beletten. Het gelukte hun volkomen, zelfs voerde de stroom hun byna niets benedenwaards; aan de overzyde gekomen zijnde, gingen zy gezamelijk aan den arbeid, trachtende het dier vlottende te maaken, als hoopende men, dat het lighaam afdryvende in een kronkel der rivier aan onze zyde zou worden gevoerd. De groote zwaarte en vreeslyke dikte van de zeekoey deed tog al de haalde pogingen mislukken, en het was hun niet mogelijk eenige beweging er in te krygen. Een vrij geworden slaaf was uit eigen verkiesing ook te water gegaan om over te zwemmen, dog ter halver weegen in de stroom komende, kon hy geen wederstand aan het water bieden, zodat hy moest zinken, en ons bedugt voor zijn leven deed zijn; hy kwam al haspelende nog twee à drie maalen boven dog zonk telken reise weder. Na lang tusschen vrees en hoop toeschouwers van dit geval te zijn geweest had men het genoegen hem aan de overzyde van de wal te zien aanlanden, dog hy was lange tijd zonder te kunnen gaan, evenwel kwam hy zo verre, dat hy het vuur bereikte van de Boschjes-

[p. 194]

mans, en toen zagen wy van verre een allergenoeglijkst tooneel; ieder deezer wilden ontkleede zig geheel, en zy hingen den byna verdronkenen alle hunne krossen of mantels om het lijf, makende met alle vlijt een groot vuur aan om zijn verkleumde leden te verwarmen en hem by te brengen Hoe schoon een voorbeeld van menschelykheid geeven deeze wilden niet aan hun, die zig Christenen noemen; wenschelijk is het, dat men deeze goed geaarde schepzelen niet met vreedheid wedervergelding doe, indien men hunne revolutionaire dwalingen van 1793 en 1794 uitzonderd, waarvan zy geneezen zyn. Men heeft egter hier meer dan elders zulks weinig te vreezen, wijl de inwoonders van de Sneeuw en Rhenosterbergen meestal niet gedeeld hebben in de wanordres, die in deeze colonie zoo vaak hebben bestaan, en die welke thans by ons gezelschap zijn, voor het meerdergedeelte geschikte weldenkende lieden zijn; tot een blijk, dat zy weldenkend omtrend deeze wilden zijn, kan strekken, dat men tydens de reyse van de heer Barrow met geen mogelijkheid een Boschjesman te zien kreeg, en vast niet by een Christen zou gekomen zijn, daar nu eenige ingezeetenen het zo verre hebben gebragt, dat wanneer zy vuuren tot sein stoken, een menigte der wilden na hun toe komen loopen en zeer vertrouwelijk tobak en mondprovisiën komen haalen. Eenige tijd geleeden had men aan de bezadigste van zulk een craal tot een teeken van vreede en tot aanstelling als capitein een stok met een kopere knop gegeeven, maar kort daarna stierf die capitein, zodat de stok overging op zijn zoon, die toen in die functie opvolgde; ongelukkigerwyze overleed deeze zoon korte tijd na zijn vader, en dit maakte zodanig een impressie op die horde, dat zy aanstonds de stok terug bragten en zeyde, dat die stok hun alle zou doodmaaken. Godsdienst hebben zy in 't geheel geene, evenwel zyn zy reeds op de hoogte, die alle wilde volkeren passeeren, alvorens tot religie te komen, namentlijk het geloof aan tovenaars; zy schryven aan zulk eenen de magt toe, reegen, wind, donder etc. voort te kunnen brengen en wel dan, wanneer zy het verlangen. Wanneer by ongeluk zulk een tovenaar verscheyde malen miswyzingen in zijn voorspellingen heeft, wordt hy somwylen verbrand, gelijk ons een Boschjesman verhaalde, dat nog onlangs met zyne vrouw was gebeurd, die ook een groote toovenaresse zynde, verkeerde mirakels had gedaan; de vrees, dat na de dood de vrouw nog zou spooken, had hem zo ver gebragt, dat hy tot alle securiteit het hoofd van het doode lighaam met steene verplette, toen begroefen boven dit graf nog een groot vuur ging stoken.

Donderdag den 21 July

Donderdag den 21 July wierd den dag begonnen met een onder-

[p. 195]

zoek of het bekomen van de gedoode zeekoey nog mogelijk zoude zijn; het gevolg er van was er van af te zien, en dus de reis te gaan vervolgen. Evenwel besloot men zo lang te wagten als nodig zoude zijn om de vryslaaf, die aan de overzyde van de Orangerivier by de Boschjesmans vernagt had tijd te geeven weder terug te komen. Toen de zon op was, zag men hem met drie Boschjesmans verzeld de oever van de rivier op gaan om eene minder gevaarlyke overtogt te vinden; op de gekosen plaats gekomen zijnde, maakte de Boschjesmans voor hun gast een lange bosch hout, om die evenals zy zelven by de passage te bezigen. Het gevaar, dat de vrye slaaf de vorige dag gelopen had, had hem zijn stoutheid benomen en hy scheen met bedeesdheid te water te gaan. Tot aan een eyland in de rivier ging het byzonder voorspoedig en met behulp zyner nieuwe vrienden ondernam hy de tweede en moeylijkste overtogt, maar toen zy het tot op een klip, die hen het water slegts tot half wegen het lijf deed blyven, hadden gebragt, deed de vermoeidheid hem staan, en wel zo lang, dat de vryslaaf en de eene oude Boschjesman, die hen op de klip vergezelde van de koude als verkleumde; te vergeefsch riep men hen toe de reis te vervorderen. Men bewoog twee andere Boschjesmans hun redding te gaan ondernemen; zy deeden dit met zwaare houtbosschen, waarop lynen ruste, die aan onzen oever wierden vastgehouden. Zy stuurde met zoveel behendigheid, dat zy juist op het goede punt aankwamen, dog de vrye slaaf was te verkleumd en te bedeest om de lijn te grypen en de Boschjesmans dreeven door de strooom voorby; dan, op dit oogenblik nam die op de klip was, de eenige party die hen redden konde; hy drukte de vrye slaaf in de diepte en dwong hem dus met hem vereenigd het laatste effort te doen. Deeze schepzelen boesemde levendig belang aan de gouverneur en zijn geheel gezelschap, dat op de oever stond, in; men liet wijn heet maken om hen te ontfangen, en had het overgroot genoegen hen eindelijk aan de wal te zien komen. Het gezelschap van de gouverneur gaf het exempel van deelneming en hulpbewysingen. De twee uit het water komende, waren byna dood van vermoeidheid en koude, men laafde hen met de heete wijn en koesterde de Boschjesmans by het vuur, en toen men hem zag bykomen, wierd hy en de andere, die ter redding hadden medegewerkt rykelijk met presenten beschonken; de gouverneur nam deeze geleegenheid te baat om de ingezeetenen voor oogen te houden, hoe zeer deeze schepzelen verdiende wel te worden behandeld. Deeze les zoude in andere districten van Graaff Reinet meer nodig en misschien minder vrugtbaar geweest zijn. Amper was de

[p. 196]

vrye slaaf en zijn redder aangeland of men zag een ander Boschjesman met de kleederen van de vrye slaaf, die hem des avonds te voren waren toegezonden op het hoofd, de snelle stroom met zeer veel moeyte en gevaar doorzwemmen; zijn vrouw was by ons en deed hem by het uitdeelen der presenten remarqueeren, en zy bekwam voor hem het deel; van tijd tot tijd deed zy door het slingeren van de tong een zonderling ratelend geluid uitgaan, men vroeg wat zulks beteekende, en wierd onderrigt, dat zulk een geluid in groot gevaar van nut was.

Te 10 uuren wierd het rid van den dag ondernomen, de cours meest west ten zuyden houdende, het voorneemen zijnde aan Zeekoerivierpoort het camp voor de volgende nagt op te slaan. Op een uur vandaar genaderd zijnde, deed de hubsche veldcornet Venter de gouverneur een weinig rechts een Boschjesmanskraal remarqueeren; dadelijk wierd besloten met het gezelschap te paard derwaards te ryden. Op een kleyne hoogte gekomen zijnde, vond men een zeer oude vrouw, een jongere, die er beter als gewoone Hottentottinne uit zag en verscheide kinderen, beneevens een oud en een ander man; ter eere van de colonisten van deeze buurt waren deeze menschen blyde en niets bevreesd. De gouverneur gaf hen eenige presenten van koraalen enz; zy vroegen na tobak en men zeide, dat zulks op de wagens was, en zy er van hebben zoude, indien zy in ons camp kwaamen. Een dragonder gaf hetgeen hy by zig had, en alle, maar vooral de schoone Boschjesman begonnen een lang geschreeuw, dat eindelijk na een gezang geleek. De gouverneur vroeg aan een der colonisten, die volmaakt de Boschjesmanstaal kend, wat zy riepen, en hy zeide, dat het eene onophoudelyke herhaaling was, dat zy zeer blyde waaren en dat niets zo smakelijk als tobak was.

Een Boschjesmanskraal of dorp, waar eene famille in woond, bestaat uit het volgende; eenige kleine, een weinig langwerpig ronde gaatjes, waarin een weinig hooy voor de verblijfplaats van een man en vrouw, nog kleyndere voor eenige kinderen, eenige takken en matjes beschutte het meer voor wind dan voor reegen, en de kros, die veel kleinder als die der ordinaire Hottentotten is, maakt hen deksel. Zy hebben een soort van kleyepotten, maar dit is een luxe, geen behoefte. Een halve pampoen om water in te scheppen is hen van groot nut, maar weeten er zig van te passeeren, beter diend hun de schulp van een landschildpad. Veele vleeschen eeten zy raauw, en zo zy het bereiden is het amper warm gemaakt. Een groot zoort van mieren met derzelver eyeren is de geliefkooste spyze. De Kaffers

[p. 197]

drinken aan de beeken op de kniën leggende, of op de hurken zittende en dan met de voorste vingeren van beide handen het water opwerpende, maar de Boschjesmans gaan op de buik leggen, dezelve als de oever zeer stijl is en zy met moeyte zig op de elleboogen tegens het afglyden stutten en drinken met de mond in het water evenals de meeste dieren. Tegens het vallen van den avond kwamen wy op de plaats onzer bestemming, de jagers eenige grof wild geschoten hebbende, alleen om aan onze vrienden de Boschjesmans voedzel te verschaffen.

Vrijdag den 22 July.

Vrijdag den 22 July. Een tijd langs de rivier afrydende, vervorderden wy tegens half neegen uuren onze tocht na de Plettenbergsbaake, men kon op de reeds byeen gevallene steenen der baaken nog een overschot vinden van het wapen aldaar door den gouverneur van Plettenberg anno 778 gesteld tot limite van de colonie;1) de weg en het land derwaards gaat weer opdragende na boven. Wij kwamen circa ten elf uuren aldaar aan. De gouverneur trof alhier een courier aan, welke van de Kaap kwam, brengende depeches, welke van het Staats-bewind der Republiek den 25 Maart uit den Hage na deeze uithoek aan de gouverneur waren afgezonden; zijn Ed. oordeelde dezelve van dat gewigt om dadelijk in persoon pr. extra post na Kaapstad te ryden, gelijk hy dan ook na van het gezelschap allervriendelijkst afscheid genomen te hebben en den capt. Paravicini met het toezigt van den train en goederen aanbevoolen te hebben, ons tot ons aller leedwezen ten ¼ uuren verliet, rydende nog deezen dag twee uuren verder dan de baake, daar wy ons camp nedersloegen. Zijn Ed. zond tot vermeerdering der spoed aan de landdrosten, heemraaden, veldcommandanten en cornets de annexe missive (Litt....).

Zaturdag den 23 July.

Zaturdag den 23 July. Zeer verlangende zijnde, nu onze gouverneur ons verlaten had, ook onze reis zoveel mogelijk te bespoedigen, vertrokken wy zeer vroegtydig van hier; tegens den middag belande wy aan de veeplaats van den commandant Johs. van der Wald genaamd de Boelhouwersdraay leggende aan een kronkel der Zeekoeyrivier; wy wierden vriendelijk geacceuilleerd en namen het middagmaal. Het is zonderling te zien, wanneer iemand een talryke kudde zo runderen als schaapen heeft, zulk een welgezeeten man dan met zyne famille in een rampzalige hut van riet woond, en zig dus allerbekrompenst moet behelpen, evenwel zijn deeze lieden aan dit trekkend leeven (dat zy jaarlijks om de weide moeten doen) zodanig ge-

[p. 198]

woon, dat zy daarin geen gemissen of last vinden. Wy lieten by den commandant voornoemd eenige snuysteryen en tobak agter om van tijd tot tijd aan de hem komende bezoekene Boschjesmans uit te deelen; bedankende hem voorts voor zijn heusch onthaal vervorderde wy onze tour, zonder veel merkwaardigs te ontmoeten, kwamen wy met zonsondergang aan de veeplaats van Koekemoer, ook aan de Zeekoeyrivier leggende, dog verneemende, dat een uur verder nog een dergelyke veeplaats was, resolveerde men om het mooye weer en de maaneschijn derwaards te ryden, daar wy dan ook behouden by den bewoonder Maarten Coetzée aankwamen en ons leger nederzetten.

Zondag den 24 July

Zondag den 24 July genoodzaakt zijnde na het ter deezer plaatze gecommandeerde versch voorspan ossen te wagten, was het wel 10 uuren, alvorens wy opbraken; wy passeerde een spruytje van de Zeekoeyrivier, en zette nog cours na het zuyden ten westen. De grond brengt hier niets voort dan kleine laage bosjes en word uit dien hoofde caroogrond genaamd. De weg was zeer vlak, zodat wy na drie uuren rydens aan de plaats van Philip Potgieter de Gordonsfontein genaamt aankwamen. Geduurende de kleine halte, die wy maakte, bragt Andries Venter een deserteur by ons, welke voorgaf een Engelsche te zijn en een pas verlangde; verscheide omstandigheeden deeden ons egter voorkoomen, dat het een Bataafsch jager was, zodat den capt. Paravicini best oordeelde deeze nader te ondervragen, en dus provisioneel meede te voeren. De visitatie zyner goederen en kledingstukken sterkte ons in dit voorneemen en hy vertrok onder ons geleide. Na den eeten zagen wy onderweegen een groote troep Gnous; vergeefsch werd op dezelve jagt gemaakt, zy waren te gezwind; het gelukte de jagers beter jagt te maaken op een ontelbaare menigte springbokken van welke eenige werden geveld. Tegensvijf uuren in de namiddag arriveerde wy aan de Bokfonteyn, zijnde een verlatene plaats van Petrus Ernst Krieger thans aan .... Louw gehorende, wy sloegen hier onze tenten. Ons gezelschap minderde heeden sterk, by Potgieter verlieten ons de landlieden aan de Rhenosterbergen te huys horende en welke den gouverneur convoyeerde. De commandanten Linde en Human zijn nu met hunne jonge lieden onze eenige geleyders.

Maandag den 25 July

Maandag den 25 July braken wy tegens half acht uuren ons leger op en namen de cours gelijk gisteren Z. ten W.; regts van ons legde op den afstand van circa 2 uuren de plaas genaamd Hoogmoedsfon-

[p. 199]

teyn, gehoorende aan Barend Lubbe,1), schuyn voor ons hadden wy een fraay berggezigt, die op dit uur door de opgaande zon allerschoonst verligt wierd. Het land word hier in 't generaal bergachtiger. Tegens 10 uuren hielden wy een halte op de plaats van Jan Jacobsen genaamd de ...... Valley, de landeryen om hetzelve schynen hoezeer rykelijk van water voorzien, niet zeer vrugtbaar en vry doorzaayd van klippen. Den eygenaar zeyde pas zedert eenige maanden hier gewoond te hebben; hy kwam juist te huys, toen wy arriveerde, als hebbende hy den gouverneur een eynd wegs geconvoyeerd; na hier twee uuren doorgebragt te hebben, om paarden en ossen nieuwe kragt te geeven, reeden wy vandaar. Wy haaste ons zeer, daar de lugt ons reegen scheen te voorspellen, en kwamen na nog 5 uuren met de wagens gereeden te zijn aan de Zoete valley aan Zeekoeygat, bewoond door B. Villoen,1) daar wy ons nagtverblijf vestigde. Deeze burger gaf een brief over van de gouverneur uit welke wy tot ons genoegen zagen, dat zijn Ed. hier gisteren welvaarend gepasseerd was. Des avonds belegde den capt. Paravicini en den 2e lieut. Gilmer eene informatie over den op eergisteren by ons gekomene deserteur en ontfingen van deeze de bekentenis (zie Litt.... hier annex.)

Dingsdag den 26 July,

Dingsdag den 26 July, den voorleeden nagt hadden wy een zwaar onweder, verzeld van reegenvlagen, dog toen wy tegens half neegen uuren afreeden was het reeds over, en de lugt beloofde ons een schoone dag. Na een uur of anderhalf langzaam opwaards gereeden te zijn, bereykte wy de Sneeuwbergen en wel aan desselfs noordelijk gedeelte, daar men de passage Africa's hoogte noemd. De versche ossen, welke wy heden weder gekreegen hadden, deed ons die hoogte spoedig en gemakkelijk beklimmen; boven gekomen zijnde zagen wy in de vlakte voor ons de plaats van Willem Sagenaar, genaamd De Koude Hoek; door deeze man thans verlaten, omdat de veekraalen in de brand waren geraakt; de naam, welke de plaats draagd, scheen ons zeer te pas gegeeven; de naakte velden en de met sneeuw bedekte ruggens spraken overtuigend dat men de warmte in dien oord wel verdragen kan.

Twee uuren verder leyde nog twee plaatsen van Piet en Michiel Overholster, genaamd de Rhenosterfonteyn, by welke laatste wy stil hielden en een uur uitspande. De oude man overlade ons met gulheeden en bood ons de maaltijd aan; hy schijnt een man te zijn

[p. 200]

van een reedelijk gezond oordeel, jammer maar, dat hy deraisonneerde over de zaken, welke hier in dit district gepasseerd zijn tijdens de opstand der Boeren. Hy was by deeze geleegenheid de eenige van het gezelschap niet, die een verkeerde lijn trok, en men ziet helaas de onderlinge particuliere twisten nog dagelijks smeulen; hy verhaalde ons dat de Boschjesmans nog korts geleeden een groot aantal van zijn vee hadden weggeroofd, welke hy vergeefsch door hun te vervolgen had getragt weder te krygen, ofschoon zyne zoons twee der rovers hadden doodgeschoten. Wy reysde weldra verder al cours houdende na het westen ten zuyden; de grond was sterk met salpeeter geinpregneerd, en was op eenige plaatzen zo wit als of 't met sneeuw bedekt waare geweest. Men zag een groote trop struysvogelen van welke de jagers egter geene kon bereyken; hoezeer men ons verzeekerd, dat in deeze contryen een groote menigte leeuwen zijn, en men hun soms in troepen van 16 à 17 ziet lopen, hadden wy tot hier toe het geluk niet een eenige aan te treffen; wy moeten ons tot hiertoe nog alleen met hun musiek des nagts vergenoegen. Met zonsondergang bereykte wy de Capokfonteyn,1) daar wy eenige verlatene wooningen en verbrande veekraalen vonden staan. Wy stelde onze tenten in de nabyheid der fonteyn om op deeze plaats te overnagten.

Woensdag den 27e July

Woensdag den 27e July vervolgden wy onze reise, cours na het westen houdende; de weg, welke wy doorreeden was zeer klipachtig en onégaal, ook moesten wy deeze dag meer ruggens en hoogtens passeeren dan gisteren. Na drie uuren gevorderd te zijn, zagen wy regts van ons de plaats van den burger Pinard daar wy tog niet aanreeden, maar nog een uur verder gingen om aan eene fonteyn in de vlakte ons maaltijd te houden, na hetwelke wy weder verder reeden. Het duurde niet lang of wy klommen de Sneeuwbergen eindelijk af, en passeerde de zogenaamde Buffelrivier, die zig by de Beervalley in de Chamtouschrivier werpt en by de Nieuwveldsgebergtens en in de Caroo uit drie spruiten, zijn oorsprong vind; digt by dezelve rencontreerde wy den burger Gabriël Tim, welke uit het Roggeveld na de Rhenosterbergen ging om zijn vee te haalen. Hy verhaalde ons twee dagen te voren onze gouverneur in de nabyheid van Zoutrivier tegen gekomen te zijn en dagt dat zijn Ed. heeden avond wel aan de Zwarte berg zou zijn. Een uur of anderhalf verder, daar zig de weg van het dorp Graaff Reinet (van hetwelk wy thans

[p. 201]

drie dagreyse of schoften voorby zijn) en de weg van Groot Vischrivier na de Kaap tezamen vereenigen, vonden wy een wagen van dat dorp komende met eenige landlieden, welke tot escorte verstrekte van den presumptive moordenaar hier voren gementioneerd, welke door den substituut schout van dit district Kaapwaards wierd opgebragt om aan de justitie over te geven.

Tegens half zes uuren bereykte wy de plaats van Carel van Heerden genaamd ...... eh geleegen aan de Buffelrivier, wy stapte af en sloegen ons camp hier ter neder. Wy vonden den heemraad Barend Burgers, ook zoeven aangekomen, denzelve overhandigde my de door den gouverneur en generaal in heemraadsvergadering te Graaff Reinet gevraagde lijst der leeningsplaatzen met derzelver legging en hunne bewooners, dog remarqueerde my, dat men zulks met meer accuratesse ter generale secretarye aan Kaapstad zoude kunnen vinden, aangezien in de laatste jaaren door gebrek aan gereegelde bestier van zaken op Graaff Reinet de aanteekening der ordonnantiën eenigsints gebrekkig was gegaan. Ter deezer plaatze vonden wy weder een nieuw voorspan trekossen, met welke wy

Donderdag den 28 July

Donderdag den 28 July onze tour tegens 8 uuren voortzette. De gantsche voorleedene nagt hadden wy zwaare regen, die een gedeelte van den dag voortduurde en ons by een felle westewind zeer koel toescheen. Een uur van ons nagtverblijf deeden wy een afgebrande woonplaats aan van Van Heerden, en twee uuren later de plaats van Piet van Assweegen,1) daar wy een voeder aan de paarden gaven en toen verder reeden. Onze schoft was zeer lang als leggende het Carrubosch daar wy meende te overnagten 10 uuren ossewagen van ons vorige quartier. Het land is zeer bergachtig en de weg met klipbanken doorvloerd, zodat men in de wagens een sterk gevoel van de rid hadden. Tegens half zes uuren des avonds kwamen wy weder aan een spruit van de Buffelsrivier, welke door het Carrubosch aan de voet van rotsachtige gebergtens loopt, en zig met de andere spruit meer zuydwaards in de Caroo vereenigd; het Carrubosch is aldus genaamd na de menigte boomen van die naam, welke ter deezer plaats groeyen. De mimosa is hier niet minder meenigvuldig, men zegt ons, dat zig veele t' coudous2) in dit hout ophouden, wy zijn zeer nieuwsgierig deeze schoone antilope te zien. Men belooft de heeren jagers op dezelve een ruim veld voor hunne liefhebbery; wy campeerde aan de overzyde der rivier en hadden weder een aanhoudende reegen.

[p. 202]

Vrydag den 29 July

Vrydag den 29 July vertrokken wy van hier en reeden zonder iets merkwaardigs te zien tot aan de Zoute Rivier, welke meede zijn oorsprong uit de Nieuwveldsgebergte ontfangt, en zig met de Chamtouschrivier agter de Sitsikamma in zee werpt; wy sloegen ons camp aan deeze spruyt ter neder.

Zaturdag den 30 July

Zaturdag den 30 July met het aanbreeken van den dag gingen wy met zeer mooy weer van de Zoute Rivier, onze weg na de Rhenosterkop neemende, leggende circa vier uuren met de ossewagen van hier; wy zagen de gebergtens van het Nieuwveld aan onze slinke hand, en de Zwarte bergen vertoonde zig met derzelver kruynen in de verte voor ons uit. Ten 11 uuren byna kwamen wy aan de Rhenosterkop, daar wy een paar uuren by een fontein halte hielden. De commandant Human schoot een fraaye mannetjesstruys, welke egter geen mooye veeren had, dus van weinig waarde. Deeze dieren zijn zeer meenigvuldig en de Boeren zijn groote liefhebbers hun te schieten, om de veeren aan de Kaap, daar zy van waarde zijn, te verkoopen. Hoezeer men de schoft van heeden maar tot deeze plaats opgegeeven had, begreepen wy na den eeten nog zover te kunnen ryden om de plaats van den commandant Abraham de Klerk1) te bereiken, zodat wy weder opzaten en onze weg derwaards vervorderde. Wy reeden continueel langs de voet van het gebergte, omtrent halverweege gekomen, troffen wy een veewagtershut aan, by dewelke wy een horde dier Caffers ontmoete, welke in de Nieuweveldsche bergen zig ophouden. By ons arrivement aan de plaats van De Klerk, genaamd De twee Fonteinen was de zon reeds onder, hoezeer wy ook te paard onze wagens waren vooruitgereeden; de commandant voornoemd recipieerde ons uittermaate vriendelijk, en gaf een brief over van den gouverneur, welke hier den 25 ll. was gepasseerd, en behouden door De Klerk tot de Zwarte bergen was overgebragt. Den capt. Paravicini schreef op authorisatie van den gouverneur de annexe missive aan de major Von Gilten in de Algoabaay commandeerende (zie Litt....).

Zondag den 31 July.

Zondag den 31 July. Wy hielden hier heeden eene rustdag om onze provisiën zoveel mogelijk te vernieuwen en met de Caffers te spreeken; de commandant De Klerk berigte ons dat de gouverneur hun had gesprooken en zyne intentiën geopenbaard; wy deeden hun ook een vermaaning op onze wyze om zig als stille onderdaanen deezer colonie te gedragen en gehoorzaam te zijn aan alle de beveelen,

[p. 203]

welke hun zoude gegeeven worden. Deeze Caffers bestaan uit vier horden, en hebben zig reeds acht jaaren geleeden en in alle rust uit Cafferland na deeze velden begeeven, daar zy zig stil en vreedzaam, zonder ooit de colonisten in iets te benadeelen tot hiertoe gedragen hebben; hun verlangen is niet om na hun land terug te keeren, maar veeleer om op den zelven voet onder de Hollandsche regeering, rustig en onderworpen te blijven leeven, en geen oppergebied te erkennen dan hetzelve. Zy bebouwen tegenswoordig reeds eenige grond en zijn redelijk zuynig en oppassend op hun reeds gewonnen vee en schaapen. Wy deelde hun een menigte tobak, coraalen en andere snuysteryen uit, waarmeede zy zeer in hunne schik waaren. Het is een groot verschil deeze schoone uitgegroeide lieden te zien of de kleine verarmde Boschjesmans.

Eenige burgers, welke den gouverneur met een reeks van klagten waaren aangeweest en door zijn Ed. waaren gerenvoyeerd om ze in handen van zijn aide de camp te geeven, deeden zulks heeden morgen. Den dag werd doorgebragt met de nodige preparatiën voor onze reys van morgen te maaken. Wy vonden hier twee fraaye jonge leeuwen door den burger Prinsloo opgekweekt en aan den gouverneur aangebooden; wy maakte hun een hok en namen ze in ons gezelschap aan. De presentgeever werd met een douceur van een hondert rijxdaalers beschonken.

Samuel Johannes Pinard, oud 21 jaaren, gebooren in Ierland, gediend by 't 8ste regt. Ligte Dragonders en van hetzelve in January 1801 gedeserteerd, heeft zig al die tijd by de Boeren opgehouden, en woond thans by Juff. de weduwe Van der Merwe op de plaats Koude Veld aan de Sneeuwbergen.

9 July 1803

(Litt. A.E.E.)

4 July 1803.

Edward Obny, oud 22 jaaren, in Ierland geboren, gediend in het 8e regt Ligte Dragonders, gedeserteerd den 20 Augs. 1802 heeft zig tot hiertoe opgehouden by Jan Pretorius in de Camdebo.

Frans Patrix, oud 22 jaar, geboren in Ierland, gediend in het 8e. regt. Ligte Dragonders, gedeserteerd den 12 Augs. 1802, heeft zig tot hiertoe opgehouden by den veldcornet Jan Raby,1) woonende in de Camdebo, is thans by Pieter van den Berg ook in Camdebo,

(Litt. A.F.)

Gelijk aan de vorigen is hun gepermitteerd om provisioneel hier te vertoeven, tot generaale maatregulen zullen zijn genomen.

[p. 204]

Maandag den 1 Augustus.

Maandag den 1 Augustus. Voor het aanbreeken van den dag kwam de corporaal der dragonders rapport doen, dat door de onachtzaamheid van den schildwagt den jagerdeserteur ontsnapt was, en nergens te vinden was. Hoe gewoon ook aan de onoplettenheeden deezer lieden, werd dog den schildwagt dadelijk in arrest gezet, terwijl wy oogenblikkelijk een menigte der Caffers en Hottentotten op zijn spoor zette om hem te agterhaalen; de commandant De Klerk verzeekerde, dat het niet mogelijk was aan hunne oplettenheid te ontgaan, hy werd verzogt aan zijn veldcornet en naaste buuren kennis er van te geeven met ernstige vermaning deeze misdadiger zoo spoedig mogelijk aan ons over te brengen. Wy voeden de hoop, dat dit van het gewenscht gevolg zal zijn. Overladen van vriendelijkheeden, vertrokken wy met versche ossen tegens negen uur van deeze plaats, wy hielden meer cours na het zuyden dan te voren, verscheide malen passeerde wy de Chamtkarivier1) die by de Tafel en Leeuwebergen boven de Ghoup zijn oorsprong neemt, en zig beneeden de Zwarte berg van Graaff Reinet, met de Rhenosterrivier in de Oliphantsrivier werpt, zysnyd dus dwars door de Caroo of Ghoup. Deeze rivier heeft een breed bed, dog is zomers ten eenemaale droog; aan den oostelyken oever loopt de scheiding van het district Graaff Reinet en Stellenbosch; wy kwamen zonder iets aandagtswaardigs gezien te hebben aan de Casperscraal, meede op de oever van Chamkarivier, daar wy onze tenten nedersloegen.

Dingsdag den 2 Augustus.

Dingsdag den 2 Augustus. Met de opkomst der zon maakte wy ons mobiel, wy sneden weder gelijk gisteren verscheide reysen de Chamkarivier en reeden voorspoedig door eene immense vlakte, die geen gras nog boomen voortbrengd en men niets ziet groeyen dan eenige ganna en salsolabosjes. De oever der rivier alleen is met carru en doornhout begroeyd. Tegens den middag hielden wy eene halte, voederde paarden en ossen en reden zuyd af na de Plattedrift nog vier uuren van deeze plaats. Onderweegen troffen wy in de vlakte de versche voorspannen reeds aan, welke morgen onze wagens verder moeten brengen. In 't vallen van den avond stelde wy ons camp weder aan de oever der Chamka.

Woensdag den 3 Augustus en Donderdag den 4e Augustus

Woensdag den 3 Augustus en Donderdag den 4e Augustus bleeven wy continueel langs de Chamka ryden, zonder iets aanmerkingswaar-

[p. 205]

digs te ontmoeten; de grond in deeze omstreeken is rijk van salpeter voorzien, op eenige plaatzen vonden wy dit voortbrengzel tot een quart duym boven de aarde leggen. Wy namen een gedeelte meede en kookte het des avonds, maar de middelen niet hebbende ze te zuyveren en prepareeren, maakte wy er maar een koek van om te transporteeren. Wy passeerde de Leeuwerivier, wy naderde heden sterk de Zwarte bergen, en des avonds kwamen wy vroegtydig aan de Zwarte Riviersdrift, ter plaatze daar zig de Ghamka in dezelve werpt. Den veldcornet Samuel de Beer had hier nieuwe voorspanossen gereed, zijn Ed. had by het commandeeren derzelve eenige zwarigheid ontmoet, de weduwe Van der Burg1) en den burger A. Botes2) had geweigerd dezelve te furneeren; er werd in 't vriendelyke een brief aan dezelven geschreeven.

Vrydag den 5 Augustus.

Vrydag den 5 Augustus. Wy hadden gehoopt aan deeze drift door den veldcornet De Beer van schaapen en andere leevensmiddelen te zullen worden voorzien, dog vonden ons gedeeltelijk te leurgesteld; hy scheen geen juiste kennis te dragen by welke lieden men het nodige kon bekomen, wijl overal daar hy gecommandeerd had, het antwoord was, dat zy niet in staat waaren te voldoen, zeggende, dat de veldcornet wel wist, dat zy niets van die natuur bezaten. Deeze man schijnt van zyne districtsgenooten niet zeer bemind te zijn en men geloofd het niet gewaagd om te zeggen, dat hy veel praat en weinig doet. Hy had veele klagten en bezwaren en juist tegen lieden gericht, die wy ook gepasseerd zijn, en van welke wy ten minste niets dan goeds gehoord en ondervonden hebben. Hy gaf twee groote brieven aan ons over, een aan den raad van Justitie en een andere voor den gouverneur, hy was zo goed ons te zeggen, dat in deeze laatste een menigte klagten stonden die den gouverneur niet aangenaam zoude zijn; zo dezelve zo gewigtig zijn als die, welke hy aan ons deed, zullen zy niet veel aandagt waardig weezen of wel door hemzelve geprovoceerd. Daar hy ons zeyde, dat er veel kleyne disputen met Hottentotten bestonden, werden hem eenige middelen aangeweezen om ze na billijkheid uit den weg te ruymen en een copie van den brief door den gouverneur aan den landdrost Faure dato 10 April over dat sujet geschreeven ten rigtsnoer gegeeven. Wy reeden tegens acht uuren in den morgen van de Zwarte Riviersdrift gaande nu vlak westwaards, latende twee uuren links van ons de plaats van Matthys de Beer. Deeze zond ons des middags aan onze

[p. 206]

uitspanplaats het vel en hoofd van een door hem geschooten gemsbok, daar twee zeer lange, regt opgaande hoorns aan zijn, wy accepteerde dit met dankzegging en vervolgde onze weg aan de voet en tusschen de ruggens van de Zwarte bergen. Het pad was klipachtig, soms klimmende en dan weder dalende; nademiddag bereikte wy het punt daar de weg, welke hier door van Graaff Reinet Caapwaards loopt, en die uit de Caroo van het Nieuwveld zig tezamen vereenigen. Men reed nog zes uuren verder alvorens men water te zien kreeg, zodat het reeds laat in den avond was, toen wy aan de Jakhalsfonteyn ons nagtleger vestigde.

Zaturdag den 6 Augustus

Zaturdag den 6 Augustus gingen wy weder vroeg op reyse, het land is hier zeer woest, en veeltijds loopt de weg door digt bewassen carru en doornehout. Wy zagen hier ook eenige cypressen, dog niet fraay uitgegroeyd; het veld is hier vol gemsbokken en 't koudous, van deeze laatste gelijk ook struysen zagen wy eenige zonder ze onder schot te kunnen krygen. Tegens den middag werd een halte gehouden in dewelke wy afscheid namen van de commandanten Linde en Human, welke met hunne ordentelyke jonge lieden eene weg namen, die lings door de Zwarte bergen loopt. Het speet ons zeer dat zy ons verlieten, want geduurende de gantsche tocht ontfingen wy van deeze commandanten en hunne lieden niets dan blyken van geschiktheid en vriendelyke medewerking; het is genoeglijk te kunnen zeggen, dat geen onvriendelijk woord nog gezigt geduurende al die tijd met hun is voorgevallen nog gegeeven, en men zo broederlijk is gescheiden als byeengekomen. Wy reeden rechts van hun nog 5 uuren verder en kwamen in 't vallen van den avond op de hoogte van de Geelbeksfonteyn daar wy overnagte.

 

Willem Glascow, oud 21 jaaren, gebooren in Ierland, gediend by het 8e regt. Ligte Dragonders als corporaal, is van hetzelve gedeserteerd in October 1802, heeft zig by verscheide burgers opgehouden en thans by den burger Schalk van de Merwe, woonende in de Camdebo.

(Litt. A.D.)

Zondag den 7 August.

Zondag den 7 August. reeden wy te 7 uuren af na de Zoute vlakte. Gisteren avond kwam op onze uitspanplaats de famille van P. Roux,1) welke van de Zoutvlakte afkwamen om eene veeplaats in de Gouph te gaan betrekken; zy namen de avondmaaltijd met ons. Wy informeerde ons of ons voorspan aan de Zoute vlakte gereed stond gelijk de veldcornet De Beer ons versprooken had, dog Roux verzeekerde,

[p. 207]

dat er hoegenaamd geen ossen gecommandeerd waren, dat ons niet zeer vervrolijkte. Wy bevonden ook des avonds, toen wy by Krieger aan de vlakte kwamen, dat de veldcornet ons weder een proef van zijn nonchalance wilde geeven, zodat wy resolveerde zyne ossen des anderen daags weder in te spannen en te houden tot wy nieuwe kreegen. Wy bleeven hier overnagten en reeden na ons van eenige provisiën te hebben voorzien 's morgens van

Maandag den 8e Augustus

Maandag den 8e Augustus weder voorwaards. Ons schoft van heeden was zeer groot en de weg met veel klippen bezaayd. Wy zagen een menigte struysen dog er werden geene geschooten. Het land is zeer kaal en dor, de gantsche dag kreegen wy geen water te zien, voordat wy des avonds zonder iets notabels gezien te hebben uitspande op de plaats van Potgieter, De drie Koppen genaamd, dezelve word bewoond door zeekere ...... en zijn famille. Een armzalige hut en eenige vrugtboomen was al het schoone van deeze plaats. Wy verkoosen om onze tenten op de vlakte naby de fonteyn neder te slaan; men kan byna niet begrypen, dat een menschelijk schepzel heeft kunnen in 't hoofd krygen in zulk een woestijn te gaan woonen. Zeer vroeg in de morgen van

Dingsdag den 9 Augustus

Dingsdag den 9 Augustus verlieten wy deezen oord, wy hadden op gisteren een dragonder vooruit gezonden na de veldcornet Jacobsen aan de Verkeerde valley, met een schriftelijk verzoek ons tog tegens morgen van versche ossen te voorzien. Wy hoopen dat zulks lukken zal, want telkens zijn wy genoodzaakt flaauwgevallene ossen af te spannen en de wagens op te houden. Wy spanden des middags in een naauwe rotsige kloof uit, daar eenig reegen water werd gevonden; na ons een paar uuren opgehouden te hebben, reeden wy tusschen de ruggens door na de plaats van de weduwe Beck,1) genaamd de Draay denkelijk deeze naam voerende om de menigvuldige zwenkingen, die men door de bergen moet maaken, alvorens de plaats te naderen. Wy kwamen vroegtydig aldaar en bleven er overnagten.

Woensdag den 10 Augustus.

Woensdag den 10 Augustus. Men vond hier door de zorg van de veldcornet Stephanus Jacobs nieuw voorspan, daar wy onze tour van heeden ten acht uuren meede ondernaamen, latende die van den gouverneur om hunne zwakke staat langzaam volgen. Wy reeden langs de Touwrivier, welke uit het Bokkeveld afkomt, en zig met het water in de Verkeerde valley vereenigd. Wy hielden een halte aan de veeplaats van den veldcornet Jacobs, bewoond door een schoenmaker Muller genoemd, en reeden in de nadenmiddag langs

[p. 208]

zijn woonplaats Bokrivier genaamd, die wy niet aandeeden. Langs de Touwrivier afrydende, arriveerde wy in de namiddag aan de voet van de Bokkeveldgebergtens in de kuyl van Verkeerde valley op de plaats van Schalk Pinard, daar wy ons nagtkwartier namen. Deeze plaats is weder de eenige, die wy voor ordentlijk ontmoetede en de eygenaar schijnt zo door landbouw als het planten van houtgewas en aanleg van tuynen veel nyver en niet minder vermogen te hebben. Wy troffen hier een wagen aan van de Kaap komende met de heer De Vos en een onderofficier der dragonders, welke was afgezonden tot het opkoopen van remontpaarden. Zy berichte ons tot onze aller vergenoegen, dat de gouverneur Maandagavond den 1 Augustus aan de Kaap in volmaakte welstand was aangekomen.

Donderdag den 11 Augustus.

Donderdag den 11 Augustus. Met het aanbreeken van den dag, vertrokken wy weder en beklommen de gebergtens van Bokkeveld; in de valley aan de andere zyde komende, zagen wy de voet dier gebergtens meest met woonplaatsen en teellanden aangelegd. De eerste, welke wy aandeeden was de veeplaats van den veldcornet T. Teron1), die gezorgd had voor een nieuwe span, en toen met ons meede de tour van heeden maakte. Des morgens ten 10 uuren kwamen wy aan de Laakenvalley, zijnde de plaats van den burger Pieter van der Merwe, die ons allervriendelijks acceuilleerde en wy bereykte een uur of twee later de plaats van de veldcornet Tyron1), daar wy een halte hielden. Men raade ons hier om in steede de Witsenberg over te trekken, liever door Mosterthoek te ryden, aangezien de steilte deezer berg, en de enorme zwaarte onzer wagens, zodat wy resolveerde cours te zetten na de plaats van Pauwel Hugo2) aan de voet van de kloof by Mostertshoek leggende, daar wy tegens den avond arriveerde.

Vrydag den 12 Augustus

Vrydag den 12 Augustus reeden wy van deeze plaats en kwamen vroegtydig aan de voet van de Mostertshoekgebergte; de wagens hadden om derzelver zwaarte wille, veel moeyte deeze klipachtige steyltens op te komen; evenwel zouden wy nogal spoedig door deeze weg gekomen zijn, zo de menigvuldige driften der Bergrivier, die men moet passeeren, ons niet eenige uuren hadden opgehouden, tweemaal hadden wy de fataliteit dat ossen midden in de drift uit hunne jukken geraakte, dat met geen weinige moeite werd geredresseerd. Tegens vijf uuren in de namiddag zagen wy ons dog buiten deeze passage en aan 't begin van het Roode Zand. De verlangst om

[p. 209]

aan Kaapstad te komen, deed ons besluiten te paard de wagens te verlaten en aan de zorge van den Lieut. Gilmer over te geeven, gelijk wy dan ook dien avond nog te paard de Roode Zandskloof passeerde en een uur verder reeden. Wij waren maar twee à drie uuren uitgerust toen wy

Zaturdag den 13 Augustus

Zaturdag den 13 Augustus reeds weder opzaten, en onze laatste dagreise ondernamen; weinig interessants kwam ons heeden over, een zwaare reegen verzelde ons de geheele dag, dog belette niet, dat wy des avonds alle zeer welvaarende in Kaapstad aankwamen en met vreugde aan onze wooningen aftreedende, deeze landreise eindigde.