Verzamelde werken. Deel 8. Laatste gedichten


auteur: Herman Gorter


editeur: Jenne Clinge Doorenbos en Garmt Stuiveling


bron: Herman Gorter, Verzamelde werken. Deel 8. Laatste gedichten (eds. Jenne Clinge Doorenbos en Garmt Stuiveling). C.A.J. van Dishoeck, Bussum / Em. Querido, Amsterdam 1952


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 51]

Mijn leermeesters

[p. 53]

I

 
Verlatende mijn Moeder's jonge lijf,
 
Ontwakend in 't heelal, nieuwe Geest der Wereld,
 
Nieuw gevoel, nieuw oor, nieuwe ziel, nieuw oog,
 
Nieuw hart zooals een bron, nieuw oog als zon, -
 
En daarna uittredend in 't oneindig licht
 
Der aarde en van 't heelal, stralend van jeugd, -
 
Gevoelde ik de oneindige liefde
 
Voor het heelal, de menschen en mij zelven,
 
Die drijft de keel des jongen mensch tot zingen,
 
Daar 't hart anders van liefde sterven zou:
 
Den drang tot dichten. -
 
Maar 'k had in deze donkre maatschappij,
 
Waarin de strijd woedt van de heerschers en
 
De arbeiders, en waarin 't niet licht vinden
 
De Schoonheid is, nog vijftig jaar te gaan,
 
Voor ik haar vond, de zoete harmonie
 
In rhythme en melodie van mensch en wereld,
 
Volkomen beeld van den tijd en mij zelven,
 
En ik had veel te leeren voor 'k haar vond.
 
En dit is wat ik leerde:
[p. 54]

II

 
Ik vond de Schoonheid eerst in de Natuur,
 
Als kind. En hare lachende eindloosheid
 
Vulde mij de oogen en de bron van 't hart.
 
 
 
En toen vond ik haar bij de groote dichters
 
Van alle tijden. Als knaap. En voelde ze
 
Schitt'ren door de eeuwen tot in 't licht
 
Van mijnen tijd.
 
 
 
En een oneindige liefde voor de Natuur
 
En voor de Schoonheid die was, vulde mij
 
Al maar hooger. En 'k zocht de beste wijze
 
Om deze stroomende liefde uit te spreken. -
 
 
 
Ik zocht de Schoonheid in de groote Natuur,
 
Ik zocht de Schoonheid bij de grooet dichters,
 
In d' wereld der stof en des geestes. - O!
 
Dit is wat ik vond:
[p. 55]

III
Willem Kloos en Karel Alberdingk Thijm

 
Willem, gij hebt mij geleerd
 
Dat het schoone moet zijn ideëel -
 
Karel, gij hebt mij geleerd,
 
Dat het schoone moet zijn reëel -
 
En sinds zocht ik in der wereld zaal
 
Het reëel Ideaal.
[p. 56]

IV
De poëten Milton, Shelley, Keats
De prozatoren Balzac, Flaubert, Zola

 
Van de Engelschen kwam mij de les,
 
Dat het schoone moet zijn ideëel,
 
Van de Franschen kwam mij de les,
 
Dat het schoone moet zijn reëel -
 
En sinds kòn ik niet van mij zetten gedacht,
 
Dat d' Idee het schoonst in de werklijkheid lacht,
 
En dat het reëele moet worden gebaad
 
In 't Ideeënlicht dat er boven staat.
 
En dat de een, zonder de flonkernis
 
Van de ander, als spiegel in 't donker is.
 
 
 
Maar 'k kon niet vinden d' Idealiteit,
 
Die beantwoordde aan mijn werklijkheid.
[p. 57]

V
Karl Marx

 
Gij, gij waart het die mij hieruit den weg weest,
 
Die met één slag alle nevels verscheurdet
 
Van natuur en verleden, en mij toondet
 
De waarheid in het volle dagelicht:
 
Den arbeid en de arbeiders, verniet'gers
 
Van het verleden, heerschers van de stof.
 
De bouwers van de toekomst, 't Communisme.
 
De arbeiders, verniet'gers van de macht
 
Van mensch op mensch. Stichters der macht van Allen
 
Samen.
[p. 58]

VI
Karl Marx

 
Gij, gij toondet mij dat de arbeid is
 
D' oplossing van de wereldgeheimenis.
 
 
 
De mensch vindt alleen door eindloozen arbeid
 
D' oneindige, dus nooit volkomen, waarheid.
 
 
 
En 't is alleen, uitsluitend, door den arbeid,
 
Dat hij bewijst de door hem gevonden waarheid.
 
 
 
Dit hoog en eenig waar materialisme
 
Bevrijdde mij van elk valsch idealisme.
 
 
 
En eerst wie zoo geestelijk is bevrijd,
 
Kan vinden de werkelijke vrijheid.
[p. 59]

Vier Joden

 
Christus, die 't absolute van de liefde leerde,
 
Spinoza 't absolute van 't heelal.
 
Marx, die het relatieve van 't gevoel
 
En van den geest des menschen leerde, - Einstein van het heelal..
 
Welk een ras, welk een stam!
[p. 60]

Hegel

 
Hegel, die 't absolute der ontwikkeling
 
Des geestes leert. - Dat in elke Idee
 
Twee tegenstrijdige kiemen zijn.
 
Waardoor elk ding en elk complex van dingen
 
Sterft. - En uit beide iets anders komt,
 
Dat noch de eene, noch de andre is.
 
 
 
Dat dus 't wezen des geestes, dus der dingen,
 
D' ontwikkling is.
 
 
 
Wat omgekeerd moet worden: Dat de dingen
 
Elkaar opheffen door hun strijd en botsing. En
 
Dat daardoor de Ideeën elkaar opheffen
 
En dooden in eeuwige opvolging.
 
Dat dus 't wezen der dingen en des geestes
 
De omwentling is.
[p. 61]

Dietzgen

 
Dietzgen, die 't wezen van het denken leerde
 
Als het zien van het algemeene in
 
't Bijzondere. Dat dus het absolute
 
Ondenkbaar is.
[p. 62]

VII
De arbeiders

 
Uw wereld is reëel, Uw stof reëel,
 
Niet minder reëel is Uw ideaal.
 
't Is dus mijn werk, Uw idealiteit
 
Te doen weerklinken uit Uw werklijkheid.
[p. 63]

VIII
Shelley, dichter van Laon en Cythna en van Prometheus unbound, en Dante

 
Shelley, uw fantasmagorie van licht,
 
Chaotisch, moet verkeerd in heldren dag
 
Der arbeiders. -
 
 
 
Dante, uw hel is onze maatschappij,
 
Dante, uw loutering is onze strijd,
 
Dante, uw hemel, het is onze toekomst,
 
Dante, uw God, het is de menschheid.
 
 
 
Niet door een wonder, Shelley, komt de vrijheid, niet
 
Door den wil van één man. De arbeid is 't,
 
De arbeiders, die liefde en vrijheid brengen.
 
 
 
Niet God beheerscht de aarde, o Dante, maar de mensch.
 
De Mensch beheerscht zichzelf, geen God beheerscht hem,
 
Dit is de wils-vrijheid, die gij niet kendet. -
 
 
 
Maar uwe zoete droom, Shelley, is de onze.
 
Uw eedle, zachte, gouden droomlichtgeest
 
Omweve onze marmeren gedachten.
 
 
 
En, Dante, in onze verste en hoogste droomen
 
Hopen wij uw diep-innerlijke deugd,
 
Iets ervan, uwe klaarheid en uw strengheid,
 
Uw liefde, uw adel, uw volkomenheid.
[p. 64]

IX
Homerus, Aeschylus, Dante en Shakespeare

 
Als eens de helden van Homerus,
 
Als de burgers bij Aeschylus,
 
Zooals de burgers bij Dante,
 
Als de ridders bij Shakespeare rezen, -
 
Zoo mogen nu de Arbeiders
 
In mijne poëzie voor 't eerst verrijzen.
[p. 65]

X
De arbeiders in 1917 tot 1920

 
Nu is de tijd,
 
Nu is de tijd gekomen,
 
Om uit de werklijkheid
 
De arbeiders te drinken. Uit die welle. -
 
En uit de dronkenschap,
 
En uit de droomen,
 
Die mij geeft dat van zonlicht schittrend sap,
 
Hun beelden in de Poëzie te stellen,
 
Hun ideale en dus waarste maatschap.
 
Maar nu niet meer met der hartstocht furie,
 
Niet met der blinde hoop ontembre energie,
 
Niet met van 't verre doel vage visie,
 
Maar met de klare vaste fantasie,
 
Die geeft de maatschappij aan het genie,
 
Wanneer zij komt tot hooge evólutíe.
 
 
 
Want d' arbeiders zijn zelve nu gekomen
 
Tot de verwerklijking van hunne droomen.
 
Zij hebben den weg naar de daad gevonden,
 
Die zal doen splijten hunne sterke banden.
 
Die schittert als een vaste, heldre ster,
 
Boven der heerschers heerschappij-schemer,
 
Boven der heerschers valsche maatschappij,
 
Boven der meesters vooze heerschappij,
 
Der arbeiders schijnbare nederlaag,
 
Der heerschers macht, die schijnbaar weder daag',
 
Maar die is inderdaad hunne schemer.
 
 
 
En daarom wordt nu ook mijn fantasie
 
Tot hooge klare vaste poëzie. -
[p. 66]

XI
De arbeiders in en na 1921

 
Tot voor den wereldoorlog, waarin de heerschers,
 
De bankiers, fabrikanten en kooplieden,
 
Met hunne dienaars, vorsten en krijgslieden,
 
De arbeiders vermoordden bij millioenen, -
 
Kenden deze den weg ter overwinning
 
Niet.
 
Maar toen na de ontzettende nederlaag
 
En de verwoesting van het kapitaal
 
Der overwinnaars en verwonnenen,
 
De Russische arbeiders zich verhieven,
 
Toen vonden zij den weg ter overwinning. -
 
En toen de Duitschers, hen nabootsende,
 
Trachtten de resten van het kapitaal,
 
Dat bij hen nog heerschend was, te verplettren,
 
Toen vonden zij dienzelfden weg ter zege.
 
En overal waar de arbeiders opstonden
 
Tot macht'gen strijd of tot de revolutie,
 
In Estland, Finland, Letland en Polen,
 
In Hongarije en in Oostenrijk,
 
In Bulgarije en in Italië,
 
Daar zagen zij den zelfden weg open,
 
Den schitterenden, naar het zonneland
 
Der toekomst, op wien 't zonlicht lieflijk schijnt,
 
En gingen hem ten einde of ten deele.
 
Die weg, dat is de weg naar de Soviets,
 
D' Arbeidersraden.
 
De Raden der Arbeiders die de macht
 
Voor zich hebben genomen, Alle macht, -
 
Die de vorsten en alle kapitalisten
 
Hebben vernietigd en die 't intellekt
 
En de boeren aan zich hebben onderworpen,
[p. 67]
 
En gedwongen om hen alleen te dienen.
 
En die nu de heele wereld regeeren
 
Door en in en met deze Soviets.
 
 
 
Hoewel de Russen zich niet handhaven,
 
Noch de Duitschers, noch eenig ander volk
 
De zegepraal nu reeds bereiken konden, -
 
Staat nu de Ster der Raden als een leidster
 
Boven de wereld van het kapitaal
 
En van den Arbeid, en verlicht den weg
 
Voor alle arbeiders der gansche wereld.
 
 
 
Raden van Arbeiders op heel de aarde,
 
In iedere fabriek, in iedre mijn,
 
Op ieder schip en op iedere spoor,
 
Elkeen machtig in zich en samen machtig,
 
Overal strijdend tegen 't kapitaal.
 
D' arbeiders brengend tot volkomen macht,
 
Ieder afzonderlijk en allen samen,
 
Van intellekt en wil en trotsche daad, -
 
En dan eindlijk tot den beslissenden strijd
 
En de overwinning, -
 
Dit is lichtklaar de weg tot 't Communisme.
 
 
 
En omdat die weg nu zoo duidlijk is
 
En zoo klaar voor d' arbeiders open ligt,
 
Daardoor wordt nu mijn Poëzie ook zeker.
[p. 68]

XII
De arbeiders alleen

 
De arbeiders alleen, en niet de macht'gen,
 
Niet de koningen, - o! niet de kooplieden!
 
Niet de bankiers en niet de fabrikanten!
 
En niet de winkeliers en niet de boeren!
 
Niemand van 't kapitaal.
 
De arbeiders alleen, de alleen machtigen.
 
 
 
De arbeiders alleen, geen Goden meer,
 
Geen valsche schijn meer van de machtigen,
 
Niet de geestelijken, dienaars der heerschers,
 
Onderworpen aan valsche heerschappij.
 
De arbeiders alleen, de één'ge Goden.
 
 
 
De arbeiders alleen. Niet de geleerden,
 
Die dienen het verdoemde kapitaal,
 
Die met hun kennis 't kapitaal versterken,
 
Die hunne kennis 't kapitaal verkoopen,
 
En den arbeid helpen te onderdrukken.
 
De arbeiders alleen, de waarlijk wijzen.
 
 
 
De Arbeiders alleen, en niet de kunst'naars,
 
Die opsieren voor 't kapitaal de kunst,
 
Die hoer van 't kapitaal, de lage, geile,
 
Die zijn lage hartstochten vleit en beeldt.
 
Maar de hooge der arbeiders niet ziet.
 
De arbeiders alleen, de een'ge kunstnaars.
 
 
 
De arbeiders alleen. Niet de natuur,
 
Niet de natuur, die meer is dan de menschen
 
Niet de natuur die hen beheerscht en dwingt.
[p. 69]
 
Maar de menschen, de meesters der natuur.
 
De arbeiders alleen, de ware menschen.
 
 
 
De arbeiders alleen, en niet de vrouw.
 
Tenzij zoover zij de arbeiders dient,
 
En 't alleen eeuwig zalig Communisme.
 
 
 
De arbeiders alleen, en niet het Zelf.
 
Tenzij zoover het één is met d' arbeiders,
 
En met de Communistische Gemeenschap.
 
 
 
De arbeiders alleen. In hunne Raden.
 
Want alleen zijn zij niets, de arme arbeiders,
 
Maar in hun Raden zijn zij Alles, Alles.
 
In hun bedrijven maken zij de Raden,
 
En deze nemen den geheelen Arbeid,
 
Op heel de aard' aan zich, aan zich alleen.
 
De arbeiders alleen in hunne Raden.
 
 
 
De arbeiders alleen in hunne Raden!
 
Want zij zijn het, die d' Eenheid brenge' op aarde,
 
De Eenheid aller menschen en de Vrijheid
 
Van ieder door de samenwerking aller,
 
En dus 't geluk aller menschen op d' aarde.
 
De arbeiders alleen. Hen, hen alleen.
[p. 70]

XIII
Aan Homerus, Aeschylus, Dante en Shakespeare

 
Zooals uw helden, burgers en ridders,
 
Gingen en gaan door het alhoogste licht
 
In de wereld des geestes, - die hooger
 
En waarder is dan deze stoflijke,
 
Ja, voor de menschen de Eenige Ware -
 
Zoo zullen nu gaan ook de arbeiders
 
In dat hoog licht der wereld des geestes
 
Door mijne poëzie.
[p. 71]

XIV
De geest der muziek

 
O zachte Geest der schoone Poëzie,
 
Wanneer ik haar gemaakt heb, schoon en vast
 
Dan zal mijn poëzie de lichtstar zijn,
 
Die d' arbeiders leidt naar de overwinning.
 
Want 't is de stralend glanzende Idee,
 
Die menschen leidt naar hunne groote daden,
 
En mijne poëzie is 't beeld dier Idee.
 
En mijne poëzie is die Idee.
 
 
 
Zing zacht, o klare Geest der Poëzie,
 
D' Arbeidersraden in mijn zachte ooren,
 
Van uit mijn hoofd in mijne zachte ooren,
 
D' Arbeidersraden -
 
Van uit mijn hoofd - opdat mijn keel zacht klinke
 
En mijne tong zacht spreke hun zegepraal.