|
|
|
| | | | | |
De Rotterdamsche Faem-Bazuyn
De lokale dimensie van liedboeken uit de Gouden Eeuw
*
Louis Peter Grijp
| |
Inleiding
Op zoek naar liederen over de stad Rotterdam
1 werd mijn aandacht getrokken door een liedboekje,
De Rotterdamsche Faem-Bazuyn uit 1649. Mijn hoop
er liedjes over Rotterdam in aan te treffen bleek vergeefs, maar het was wel
een echt Rotterdams liedboekje. Het werd in Rotterdam gedrukt en is opgedragen
aan de ‘Rotterdamsche Sang-Juffertjes’. De drukker,
Simon Simonsz. Visser, heeft het boekje uitgegeven om te
laten zien dat Rotterdammers behalve bier
2 ook
muziek en poëzie kunnen maken. Hij hoopt dat de juffertjes met hun gezang
uit zijn Faem-Bazuyn zich een plaats zullen verwerven naast de
zangeressen uit de
Amsterdamsche Vrolickheyt en
't Haerlemse Winter-Bloempje. Dit waren in die
tijd liedboekjes met een blijkbaar meer dan lokale bekendheid.
Zoals gezegd, typisch Rotterdamse liederen bevat de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn niet in de zin dat ze
op lokale toestanden zinspelen of de stad bezingen. Wel is er een liedje,
opgedragen aan de ‘Schiesche zangjuffertjes’
3. Blijkbaar was er contact tussen de Rotterdamse
jeugd en die uit Schiedam (eventueel Overschie
4). Ook het auteurschap van een aantal
liederen zal Rotterdams zijn geweest; de drukker bijvoorbeeld leverde een
literaire bijdrage
5.
Achterin het boekje staan evenwel algemeen bekende liederen van buiten de stad,
onder meer van
Bredero en
Cats.
Een typisch Rotterdams lied heb ik wel gevonden in een ander
liedboekje uit de stad, het
Nieuw Rotterdams Liedt-Boeck genaemt de Speeljacht der
Amoureusen (ca. 1657-1671)
6. Het bevat een ‘Brouwers
Tryumph-liedt’, dat begint als volgt:
O Rotterdam seer hoogh verheve soet,
Dat daer leydt aen de Mase
De haven wordt even geroemd en dan komt men terzake:
Ghy zijt een Koop-stadt seer wijt vermaert
Die goet Bier brouwen, 't mout niet en spaert,
Menigh hert doet verbleyen
7.
Er volgt een opsomming van de talrijke brouwerijen die de stad rijk
is: de Rode, Vliegende, Zwarte en Witte Leeuw, de Twee en de Honderd klimmende
Leeuwen, de Leeuw met een Staf, het Witte en Zwarte Paard, de Olifant, het Lam,
de Drie Akeren, de Pauw, enzovoorts; in totaal zo'n dertig
8. Dit stemt overeen met
sociaal-economische bronnen, volgens welke Rotterdam in de eerste
helft van de | | | | zeventiende eeuw meer dan dertig brouwerijen bezat,
veruit de meeste van het land
9. De faam van het Rotterdamse bier
wortelde - mirabile dictu - in de hoge kwaliteit van het plaatselijke
drinkwater
10. Het betreft dus een
loflied op het brouwersgilde, welke instelling in hoge mate bijdroeg aan de
roem van Rotterdam.

Afbeelding 1. Titelblad van de Rotterdamsche
Faem-Bazuyn (Rotterdam 1649). (Koninklijke Bibliotheek Den
Haag)
Ik vat samen: de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn is een Rotterdams
liedboek in die zin dat het is gemaakt voor een Rotterdamse doelgroep, dat het
in Rotterdam werd uitgegeven en dat althans sommige liederen door Rotterdamse
dichters zijn vervaardigd. Lokaal gekleurde liederen bevat het nauwelijks,
althans niet van het soort van het brouwerslied uit het
Nieuw Rotterdams Liedt-Boeck.
| |
Probleemstelling
Er zijn tientallen van dergelijke liedboekjes uit de zeventiende
eeuw en later, waarbij in de titel een stad (of eventueel een dorp) wordt
genoemd: behalve de reeds genoemde
Amsteldamse Vrolikheyt en de
Haerlemsche Winter-Bloempjes bijvoorbeeld het
Rijper Liet-Boecxken, het
Medenblicker Scharre-Zoodtje, het
Utrechts Zang-Prieeltjen,
De Nieuwe Haagsche Nachtegaal, het
Groot Hoorns, Enkhuyzer, Alkmaarder en Purmerender
Liedeboek, het
Hoorns Vermaeck' lijck Treckschuytje, de
Enchuyser Ybocken, het
Delfs Cupidoos Schighje, enzovoorts,
enzovoorts.
Wat me hier in de eerste plaats interesseert is een grootheid die ik
de lokale dimensie van de boekjes zal noemen: wat maakte ze precies
Amsterdams, Haarlems, Rijps, Medembliks? Is dit, als bij de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn, gelegen in de beoogde
groep gebruikers? En is ook de produktie lokaal, met andere woor- | | | | den: zijn de dichters uit de betreffende plaats afkomstig en worden de
boekjes ter plaatse uitgegeven? Bevatten ze lokaal gekleurde liederen, zoals
het Rotterdamse brouwerslied? Zijn er andere lokale kleuringen mogelijk? Te
denken valt bijvoorbeeld aan lokale ambachten, boertigheden in dialect,
historieliederen. Spelen lokale instituties een rol, zoals behalve brouwers- en
andere gilden de schutterijen en uiteraard ook literaire instituties: de
rederijkerskamers? Is er altijd sprake van lokaal chauvinisme en rivaliteit met
andere steden, zoals in de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn? En laat deze laatste
parameter zich vertalen in zijn literaire equivalenten, imitatio en
aemulatio?
Naar dergelijke vragen is nooit systematisch onderzoek verricht. Wij
zijn nog niet verder dan Matters in 1979 uitgesproken stelling dat het hier een
‘epidemisch verschijnsel’ betreft en dat dit de moeite waard is te
bestuderen
11. Zo'n
systematisch onderzoek - waarvan dit artikel een eerste neerslag vormt - moet
allereerst uitmonden in een overzicht van de ontwikkeling van topografisch
aangeduide liedboeken. Daarna zal naar een verklaring moeten worden gezocht
voor de waargenomen verschijnselen. Om dit mogelijk te maken heb ik een aantal
Nederlandstalige liedboeken uit grofweg de eerste helft van de zeventiende eeuw
doorzocht, waarvan in het onderstaande verslag zal worden gedaan. Bij de
selectie van het materiaal heb ik me laten leiden door een formeel criterium
waarvan ik veronderstel dat het de kans op lokale aspecten verhoogt: de titels
van de boekjes moesten een topografische aanduiding bevatten: namen van dorpen,
steden, rivieren, streken of gewesten. Of dit criterium correspondeert met
enige contemporaine notie is in deze fase van het onderzoek nog onbekend: we
hanteren het voorlopig alleen als een heuristisch instrument, op zoek naar de
lokale dimensie van liedboeken. Ik zal de boekjes die aan ons topografische
selectiecriterium voldoen, kortheidshalve lokale liedboeken noemen. Wat
er behalve de topografische titel achter die omschrijving schuilgaat, moet nu
juist in de loop van dit onderzoek duidelijk worden.
Als uitgangspunt heb ik Scheurleers onvolprezen bibliografie van
Nederlandse liedboeken
12 gekozen, de enige die het gehele gebied bestrijkt,
althans tot 1800. Dit werk is na zeventig jaar evenwel verouderd. In welke mate
dat het geval is, kan worden ingeschat op grond van een grondige actualisering
van een deelgebied van Scheurleers lijst: de
Fontes van Höweler en Matter
13. Het
aantal nieuwe titels daarin blijkt niet spectaculair groot, wel dat van de
herdrukken en vindplaatsen. Voor het onderhavige onderzoek heeft Fontes
geen nieuwe titels opgeleverd en ook uit andere bronnen bleek de toevloed van
nieuwe titels uiterst gering. Mijn indruk is dan ook dat de tekortkomingen van
Scheurleer bescheiden zijn in vergelijking met de tand des tijds: deze zal
grotere gaten in onze kennis van het oude liedboekenbestand hebben geslagen dan
Scheurleers ‘onwetendheid’
14. Deze overwegingen leidden tot de gedachte dat
zijn bibliografie inderdaad het meest zinvolle uitgangspunt is voor dit
onderzoek. Wel moet men bij Scheurleer altijd bedacht zijn op
onnauwkeurigheden, bijvoorbeeld in de dateringen. Deze zijn vanzelfsprekend van
groot belang wanneer we geïnteresseerd zijn in ontwikkelin- | | | | gen
en ontleningsrelaties, en dat zijn we. Daarom zal in het onderstaande ook aan
bibliografische aspecten aandacht worden besteed.
Als corpus voor dit onderzoek dienen alle door Scheurleer genoemde
liedboeken met een topografische titel uit de periode van het eerste
Nederlandse liedboek dat aan dat criterium voldoet, uit 1589, tot aan ongeveer
1659. Deze laatste datum zal voldoende blijken voor een beeld van de eerste
verspreiding van het verschijnsel ‘lokaal liedboek’ over de
Hollandse en Brabantse steden. In totaal gaat het om zo'n vijftig lokale
liedboeken uit een periode van zestig jaar.
Een eerste onderscheid is dat tussen het geestelijke en het
wereldlijke domein. Binnen de wereldlijke liedboeken plaatsen we de
Zuidnederlandse en de gewestelijke bundels apart. Uitgaande van deze indeling
worden de liedboekjes één voor één behandeld in
chronologisch-topografische volgorde (zie het overzicht hieronder). Daarna
zullen we het materiaal - waarvan veel nog nooit wetenschappelijk is onderzocht
- thematisch verwerken en een verklaring trachten te vinden voor de
gesignaleerde verschijnselen.
| |
Overzicht van topografisch getitelde liedboeken
(1589-1659)
Legenda: * = niet in Scheurleer; (n) = druknummer
Geestelijke liedboeken
| Pruisen | Pruys
Liedt-Boeck | [Alkmaar
1604] |
| | | Amsterdam na ca.
1650 |
| | [Tweede Pruys
Liedtboeksken] | [Alkmaar
1607] |
| Walcheren | Walchers
Liedeboeck | Vlissingen 1611 |
| De
Rijp | Rijper Liedt-Boecxken | De Rijp 1624,
1636, 1647, |
| | | Krommenie
1657, |
| | | Alkmaar
1664, |
| | | Zaandam 1669, 1682,
1693 |
| Hoorn | Hoorns
Liedt-Boeck | Hoorn 1630 |
| | Kleyn
Hoorns-Liet-Boeck | Hoorn [ca. 1640], 1644, ca.
1650 |
| | | Zaandam
1646 |
| | | Amsterdam 1675, 1685,
1736 |
| | | Sneek
1814 |
| | Groot Hoorns
Liedtboeck* | Hoorn
1647 |
| Medemblik | Nieu Medenblicker
Liet-Boeck | Amsterdam
1631 |
| | | Wormerveer
1646 |
| | Medenblicker
Scharre-Zoodtje | Medemblik
1650 |
| Amsterdam | Amsteldamschen
Geestelijcken Lust-Hof | Amsterdam
1637 |
| Woerden | Woerdische
Sangboeck | Utrecht 1647 |
| | | met
andere titel: [1589], |
| | | Utrecht
1625 |
| Zaanstreek | Zaender
Bloeme-Stralen | [1633], Wormerveer
1649 |
| | Sanerdams
Bloeme-Crans | Zaandam 1645 |
| | | |
| Middelie | Middelier
Lied-Boeck | Edam
1651 |
| Kolhorn | [Colhorner
liedt-boecxken] | [Alkmaar 1662] |
| |
Wereldlijke liedboeken - stedelijk
| Amsterdam | Aemstelredams
Amoreus Lietboeck | Amsterdam
1589 |
| | Nieu Amstelredams
Lied-Boeck | Amsterdam 1591 |
| | Nieu
Groot Amstelredams Liedtboeck | Amsterdam
1605 |
| | G.A. Bredero
Amsteldammer: | |
| | Geestigh
Liedt-Boecxken | [Leiden
1617] |
| | | Amsterdam 1621 (4), vermeerderd en met
andere titels 1622, 1644, 1677 |
| | Amsteldams
Fluytertje | Amsterdam
1626 |
| | Amstelsche
Linde | Amsterdam
1627 |
| | Amsterdamsche Pegasus
(…) | Amsterdam
1627 |
| | | Rotterdam
1627 |
| | (…) Groote Amstelredamsche
Rommelzoo | Rotterdam
1627 |
| | (…) Nieuwen ende vrolijcken
Amstelredamschen Doele-Vreught | Rotterdam
1627 |
| | Amsteldams
Minnebeekje | Amsterdam 1637/38, 1645 (7), 1658
(10) |
| | Dubbelt verbetert Amsterdamse
Liedboeck | Amsterdam, na
1639 |
| | Amsteldamsche
Minne-Zuchjens | Amsterdam
1643 |
| | Amsteldamse
Vrolikheyt | Amsterdam 1647, 1649,
1652 |
| | Amsterdamsche
Vreughde-Stroom | Amsterdam 1654, 1655,
1656 |
| | Amsterdamse
Mengel-Moez | Amsterdam
1658 |
| Haarlem | Haerlem Soetendal: 31
Liedekens ende Refereynen | Haarlem 1645, 1650
(13) |
| | Haerlems Oudt
Liedt-Boeck | Haarlem ca.
1620-1630, |
| | | Amsterdam 1682, 1716 (27), 1736
(31)* |
| | Nieu dubbelt Haerlems Lietboeck
(…) | Haarlem 1643 (7), 1645 (8), 1648
(9) |
| | Haerlemsche
Duyn-Vreucht | Haarlem
1636 |
| | Sparens
Vreughden-Bron | Haarlem
1643-46 |
| | Haerlemsche
Winter-Bloempjes | Haarlem 1645, 1647 (2),
1651 |
| | Haerlemsche
Somer-Bloempjes | Haarlem 1646,
1651 |
| | Haerlemsche
Lente-Bloempjes | Haarlem
1647 |
| | Haerlemsche
Mei-Bloempjes | Haarlem
1649 |
| Dordrecht | Dordrechts
Lijstertje | Dordrecht
1624 |
| Schoonhoven | Schoonhoofs
Lust-Prieelken | Utrecht
1624 |
| Utrecht | Utrechts
Zang-Prieeltjen | Utrecht
1649 |
| Rotterdam | Rotterdamsche
Faem-Bazuyn | Rotterdam
1649 |
| | Nieuw Rotterdams Liedt-Boeck
(…) | Amsterdam ca. 1657-1671 |
| | | |
| Leiden | Leytsch-priëeltje
(…) | Leiden
1651 |
| Delft | Delfs Cupidoos
Schighje | Delft 1652-56 |
| Den
Haag | Nieuwen Haagsche
Nachtegaal | Amsterdam
1659 |
| Hoorn | Hoorns
Liedt-Boecxken | Alkmaar
1659 |
| Alkmaar | Alckmaerder
Liet-Boexken | Alkmaar ca. 1664-1670 (3) |
| |
Zuidelijke Nederlanden
| Brussel | Brusselschen
Blom-Hof van Cupido | Brussel
1641 |
| | Brussels
Moeselken* | Brussel
1659 |
| Lier | Den Groeyende Lierschen
Blom-Hof | Antwerpen
1650 |
| Antwerpen | Eenen Nieuwen
Antwerpschen Liekens-Boeck (…) | Antwerpen 1654
(2) |
| |
Wereldlijke liedboeken - gewestelijk
| Friesland | Friesche
Lust-Hof | Amsterdam 1621, ca. 1623, 1626 (4), 1627 (4+1), 1634
(5), z.j. (6), z.j. Utrecht 1621 (onder andere titel), 1628?
(8+1) |
| Zeeland | Zeeusche
Nachtegael | Middelburg
1623 |
| | | Amsterdam 1630*, 1632,
1651 |
| Overijssel | Over-ysselsche
sangen en dichten | Deventer
1630 |
| | | Leiden
1634 |
| Holland | Hollands
Nachtegaeltjen; Hollandts en Zeeuws Nachtegaels
t'Samen-Gezangh | Amsterdam
1633 |
| Brabant | Brabandtsch
Nachtegaelken | Brussel 1650 (10)*, 1656 (14), 1688*,
1698* |
| |
De bronnen
Geestelijke liedboeken
Pruisen (Danzig)
Bij de doopsgezinden met hun losse organisatiestructuur en
verschillende richtingen was de verscheidenheid in liedboeken groot. Dit geldt
ook voor bundels bestemd voor de gemeentezang. De meeste van de geestelijke
liedboeken met topografische titels zijn inderdaad dopers
15. Het
oudste dat we kennen is het
Pruys Liedt-Boeck, een gezangboek voor de
Nederlandse doopsgezinde gemeente in Danzig. Het is voor het eerst in 1604 te
Alkmaar gedrukt en geschreven door ene I.I., die het voorwoord in
Danzig ondertekende
16. Er moet ook
een
Tweede Pruys Liedtboeksken zijn geweest
(Alkmaar 1607)
17.
| |
Walcheren
Het
Walchers Liedeboeck (Vlissingen
1611) is geschreven door de gebroeders
Dierick en
Jan Philipsz. Schabaelje, twee doopsgezinde molenaarszoons
die in | | | | 1612 hun geboorte-eiland Walcheren verlieten en
naar Amsterdam trokken. Piet Visser heeft dit zeer zeldzame,
slordig uitgegeven boekje uitvoerig belicht
18. De
broers Schabaelje waren zo'n twintig jaar oud, toen hun boekje werd
gepubliceerd. Dat het voor de gemeentezang was bedoeld, lijkt me - mede daarom
- niet zo waarschijnlijk. Wel wordt soms in de liedteksten collectieve zang
gesuggereerd, bijvoorbeeld in zinsneden als ‘wanneer wy nu
vergaren’ en ‘malcanderen vermanen’. Het zinspelen op een
snaarinstrument als begeleiding van de zang wijst op niet-liturgisch gebruik.
Het heeft er alles van dat de gebroeders Schabaelje de liederen voor mensen uit
de eigen, jeugdige kring hebben geschreven: dat suggereren ook de talrijke
naamdichten die hun boekje rijk is.

Afbeelding 2. Titelblad van het
Ryper Liedtboecxken (De Rijp, tweede druk
1636). Christus en discipelen in de beemden rond De Rijp. (Doopsgezinde
Bibliotheek - UB Amsterdam)
| | | |
| |
De Rijp
In een ander doopsgezind liedboek, het
Rijper Liedt-Boecxken (1624), waaraan
Jan Schabaelje trouwens heeft bijgedragen, vinden we meer
concrete informatie over bestemming en functioneren. De samensteller, de
doperse ‘leraar’ en boekhandelaar
Claes Jacobsz., heeft de geestelijke liedjes verzameld
‘die wy onder malkanderen, so d'een als d'ander in onse Jonckheyt,
gemaeckt, gedicht ende gesongen hebben’. Dit heeft betrekking op een
doperse jongerenkring, die zich waarschijnlijk de ‘Jonghe (of Groene)
Spruyten’ noemde
19. We
bevinden ons hier opnieuw in het milieu van de zogenoemde Waterlanders, een
doopsgezinde stroming die vrijzinniger was dan bijvoorbeeld de Vlamingen of de
Friezen. De (schriftuurlijke) liederen zijn anoniem opgenomen, om twee redenen.
Ten eerste uit schroom: sommige auteurs waren beschaamd om de
‘slechticheydt haers gedichts’, om de eenvoud van hun gedicht. Als
tweede - zeer opmerkelijke - reden noemt Jacobsz. dat hij wil voorkomen dat
sommige zangers bepaalde liederen zouden verwerpen, omdat ze de auteurs
‘niet seer toeghedaen en zijn’.
De lokale doelgroep vinden we uitdrukkelijk terug in het vierde
lied, ‘ghemaeckt aen de Rijper Jeught’. Het tiende is opgedragen
aan de jeugd van een naburig dorp, Jisp. Men vergelijke het
Rotterdamse liedje voor de ‘Schiese’ juffertjes uit de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn. Verder zijn er
naamdichten - vooral op meisjes uit De Rijp -, welkomst-,
afscheids- en andere gelegenheidsliederen, zoals die op de installatie van een
nieuwe ‘leraar’ (prediker).
Enig plaatselijk chauvinisme kan
Claes Jacobsz. niet worden ontzegd. Dat de titel van het
liedboekje daarvan getuigt, wordt bevestigd door de naam van zijn boekhandel,
‘In de Rijpe Oogst’, en door een titelgravure die verscheidene van
zijn uitgaven sierde. Deze toont Christus vergezeld van twee discipelen,
wandelend door de beemden rond De Rijp (afbeelding 2). Immers, ‘Heft u
ooghen op ende siet den oogst is ryp’ (Johannes 4:32).
In 1636 gaf Claes Jacobsz. een tweede druk uit. Het oorspronkelijke
materiaal werd nu uitgebreid met een fors aantal geestelijke én
wereldlijke liederen uit de plaatselijke rederijkerskamer, ‘De
Witte Roose’; deze institutie zou heel goed uit de
Spruyten-jongerenkring kunnen zijn voortgekomen.
Het succes van het Rijper liedboekje en enkele soortgelijke bundels
van Jacobsz. spreekt niet alleen uit de talrijke herdrukken, ook ná
Jacobsz' dood, maar ook uit het feit dat ze in de gemeentezang van de
Waterlanders zijn terechtgekomen. Een aantal van de liederen is, via een
vernieuwde selectie (Lusthof der zielen, eerste druk
1681) tot in de negentiende eeuw in gebruik gebleven.
| |
Hoorn
Belangrijk voor de produktie van lokale doopsgezinde liedboeken
was ook Hoorn, de hoofdstad van West-Friesland en een centrum van economische
en religieuze aktiviteit. Hier verschenen alleen al in de doperse sector drie
lokaal benoemde liedboeken, het
Hoorns Liedt-Boeck (1630), het populaire
Kleyn Hoorns-Liet-Boeck (vanaf ca. 1640) en het
Groot Hoorns Liedtboeck (1647). | | | | Eraan
vooraf ging de bundel van de Waterlandse leider
Hans de Ries, het
Boeck der gesangen (Hoorn, 1618, vijfmaal
herdrukt). Dit werd ook wel aangeduid als het ‘Hoornsche
Gesanghboeck’
20.

Afbeelding 3. Titelblad van het Kleyn
Hoorns-Liet-Boeck (Hoorn 1644) met een gezicht op Hoorn. (Doopsgezinde
Bibliotheek - UB Amsterdam)
Het
Hoorns Liedt-Boeck zelf (Hoorn:
Zacharias Cornelisz, 1630) lijkt niet in gebruik te zijn
geweest bij de Waterlanders van De Ries maar bij een andere richting, de
Vlamingen. Dit wordt gesuggereerd door een belangrijke hoeveelheid opgenomen
liederen van
Carel van Mander, die zelf de Oudvlaamse richting aanhing
21. Het boek
is uitdrukkelijk bedoeld om ‘in de vergaderinge der Geloovigen te
singhen’. Herdrukken zijn ons niet bekend, wat wellicht te verklaren is
uit een verzoening van enkele doopsgezinde stromingen die in 1639 plaatshad.
Dit had gevolgen voor het repertoire van de samenzang.
Een groot succes was het
Kleyn Hoorns-Liet-Boeck (eerste druk
Hoorn:
Jan Jansz. Deutel, ca. 1640)
22. Het is een compilatie uit diverse doopsgezinde gemeentezangboeken
juist ten behoeve van de verbroedering tussen Vlamingen, Friezen en
Hoogduitsers. Het formaat van het boekje (7 × 9 cm staand) laat toe dat
het kon worden samengebonden met de zogenoemde ‘cleyne Biestkens
Testamentjens’. Dit werd zo belangrijk geacht dat de voor schriftuurlijke
liederen ken- | | | | merkende bijbelplaatsen in de marge werden weggelaten.
De gelovige kon nu gemakkelijk een lees- én een zangboek bij zich
dragen.
Sommige liederen in het
Kleyn Hoorns-Liet-Boeck zijn opgedragen aan
personen of groepen, zoals we eerder in De Rijp zagen. Zo is er
een lied voor ene Trijn Jans in Medemblik en een lied van Hendrick
Hendrickszoon, ‘dienaar’ op Terschelling, en voor drie
met name genoemde Hoornse jongelingen. Er zijn er ook ‘Aen de Hoornsche
Jeught’ en ‘Aen die Jeught op Tessel’, van welke
laatste groep in het bijzonder de meisjes worden aangesproken (‘Na u
begheer Maeghdekens siet’)
23. Ze getuigen van een levendig interlokaal verkeer van
gezongen vermaningen. Het boekje is zeer populair geweest en, al dan niet
voorzien van een aanhangsel, een vermeerderd aanhangsel of een bijvoegsel,
talrijke malen herdrukt - ook buiten de stad -, tot in de negentiende eeuw toe
24.
In de oudst bekende druk van het
Kleyn Hoorns-Liet-Boeck siert een gezicht op
Hoorn het titelblad (afb. 3), wat het toenmalige besef van het
lokale karakter van de uitgave onderstreept.
Rond 1644 verscheen nog het
Groot Hoorns Liedtboeck (Hoorn:
Pieter Zachariassz. Hartevelt), verzameld door ene D.I.
25 Ook dit is bestemd voor de gemeentezang, maar
het ademt een conservatievere geest dan het
Kleyn Hoorns-Liet-Boeck
26. Het
fysieke formaat is overigens gelijk. Het Groot Hoorns Liedtboeck lijkt
weinig populariteit te hebben genoten. Men verwarre het niet met de latere
wereldlijke boekjes (mopsjes) van ongeveer dezelfde naam maar dan vaak in de
verkleinvorm ('t Groot Hoorns Liedt-boekje).
| |
Medemblik
Uit Medemblik kennen we het
Nieu Medenblicker Liet-Boeck (1631) en het
Medenblicker Scharre-Zoodtje (1650). De boekjes
behoren tot verschillende tradities. Of het traditionele Nieu Medenblicker
Liet-Boeck van
Jan Claeszoon Westerman - waarvan de titel een eerder
Medembliks liedboekje doet vermoeden - voor de gemeentezang is bedoeld wordt
nergens vermeld, maar de aard van de gezangen laat dit toe
27.
Het
Medenblicker Scharre-Zoodtje (1650) van
H.J. Prins stamt vermoedelijk niet uit doopsgezinde maar
uit gereformeerde kring. De verzamelaar, dichter, bewerker en uitgever was
althans organist en voorzanger te Medemblik, een combinatie van
hoedanigheden die we niet bij doopsgezinden verwachten. Ondanks het religieuze
karakter van de liederen vertoont het boekje ook overeenkomsten met wereldlijke
liedboeken. Alleen al de beeldspraak doet dat vermoeden: het scharrezootje is
een visgerecht dat is ‘ghevangen en ontweydt (schoongemaakt) van
verscheyden Visschers’ en door Prins ‘over-goten met een
Sanghers-sausjen’, dat wil zeggen, van muzieknoten voorzien. In de
‘Aenspraeck tot den Kooper’ wordt de blijkbaar gedurfde titel
verdedigd door te wijzen op liedboeken als de ‘Speeljacht’ en de
‘Rommelzoö’. Dit laatste is inderdaad ook een gerecht
28. Het
‘zootje’ lijkt ontstaan binnen een groepje jongeren die ondanks hun
serieuze levensovertuiging van muziek en - gepast - vermaak hielden. Het werd
voor het eerst gepresenteerd op de bruiloft van Prins zelf; in een gedicht voor
zijn huwelijk wordt | | | | althans gesproken van de ‘eerste
op-dissingh’ van het
Scharre-Zoodtje. Dit opdissen kan mogelijk
letterlijk worden verstaan. Het is bekend dat de Westfriese mopsjes (dat zijn
kleine liedboekjes) bij bruiloften op zilveren schalen rondgingen.
In Prins' ‘opdrachts-brief’ aan vier jongedochters
bekent hij niet alleen van muziek maar ook van meisjes te houden, al betreft
deze liefde niet hun oogjes en gezichtjes maar uitsluitend hun zangkwaliteiten.
Het repertoire combineert erotiek en religie op decente wijze: veel van de
liederen zijn berijmingen naar het Hooglied. Het lokale besef
wordt benadrukt door een lied, geheten ‘Medenblicks Opkomst,
Veranderingh, Voor- en Tegen-spoedt’
29. Al met al is het
Scharre-Zoodtje te beschouwen als het produkt van
een religieuze jongerenzangcultuur en in dat opzicht is het vergelijkbaar met
het
Rijper Liet-Boecxken.
| |
Amsterdam
Uit Amsterdam is slechts één lokaal benoemd
geestelijk liedboek bekend uit de onderhavige periode,
Den Amsteldamschen Geestelijcken Lust-Hof
(Amsterdam, gedrukt door
Johannes Jaquet, 1637). De doelgroep is de Amsterdamse
burgerij; zowel oud als jong, wordt er uitdrukkelijk bij vermeld. De auteur,
I. Teerincx, is zelf huisvader
30. In de voorreden geeft hij uiting aan zijn trots op
zijn vaderstad: God heeft zijn gunst en goedheid over het hele land
‘gestort’, maar het aandeel van de ‘Amstelburgers’ in
deze welvaart overtreft dat van anderen in ruime mate. De inhoud van het
liedboek lijkt me niet dopers; de liederen, hoewel schriftuurlijk, getuigen van
een persoonlijker geloofsbeleving dan in de eerder behandelde doopsgezinde
boekjes.
| |
Woerden
Het
Woerdische Sangboeck (Utrecht 1647)
is zeker niet dopers. Het werd samengesteld door de lutherse predikant
Johannes Ligarius uit Oost-Friesland, die van 1586 tot
1591 in Woerden stond. De eerste, verloren geraakte druk moet uit
1589 dateren
31. Behalve de lutherse gemeente in Woerden zong ook die
in Utrecht uit de bundel, in welke stad twee latere, bewaard
gebleven drukken uitgegeven zijn. De rest van luthers Nederland zong uit een
ander liedboek, dat van
Willem van Haecht.
Bij het Woerdense liedboek schuilt een addertje onder het
methodologische gras. De oudst bewaarde druk is namelijk getiteld
De CL. Psalmen des Conincklijcken Propheten
Davids (Utrecht 1625). Ook de eerste druk van ca. 1589 zal nog geen
topografische titel hebben gehad. Pas de uitgave van 1647 vermeldt in de titel
de plaatsnaam Woerden. Mogelijk is de bundel mondeling al eerder
‘Woerdens’ genoemd - in Hoorn hebben we een dergelijke
officieuze aanduiding bewezen gezien. In ieder geval was de topografische
titelgeving in 1647 al een cliché geworden.
| | | | | |
De Zaankant
De Zaankant heeft twee lokale/regionale geestelijke liedboeken
voortgebracht. De
Zaender Bloeme-Stralen (Wormerveer
1649) moeten al in 1633 zijn verschenen onder de uitdrukkelijk lokale titel
Zaanderbloem ter eere der Zaanlandsche Zaanders
32. Het lokale karakter van de
Bloeme-Stralen blijkt ook uit de voorreden van samensteller
Boogaert, die zich niet richt tot de ‘christelijke
lezer’ maar tot de Zaanse jeugd. Het ‘Zaender’ uit de titel
wordt expliciet verklaard: de meeste liedjes zijn gedicht langs de Zaan, dat
wil zeggen in Wormerveer, 't Zaan,
Zaandam, Koog, Zaandijk,
Wormer en Jisp. Hoewel niet alle liederen van
doopsgezinde origine zijn (bijvoorbeeld die van de gereformeerde predikant
Hub. van der Meer) zou ik het boekje toch in de
doopsgezinde hoek willen plaatsen. Al was het maar om het lied ‘O
Waterlandtsche Bruydt verheven!’ op de wijs ‘O Kersnacht schoonder
dan de daghen’. Dit was bedoeld ‘tot aenmerckinghe van de
teghenwoordighe miserie der Waterlandsche Gemeente, door beroovinghe haerder
Predikers, soo door den doodt, als anderssins, en wat de oorsaeck is’
33, hetgeen me voor anderen dan doopsgezinden niet bijster
interessant lijkt. In doopsgezinde richting wijst ook het bijzondere religieuze
oogmerk van het boekje (‘tot vermaeck der Pelgerums die de Rustenburghse
Reys beminnen’), dat geïnspireerd lijkt op de eveneens doopsgezinde
beweging der Vredestadburgers
34.
Interlokaal liedverkeer van het type dat we eerder gezien hebben in het Rijper
en het Klein Hoorns liedboek, spreekt uit een lied voor de Hoornse jeugd,
‘Ick moet noch eens schencken een Liedt,/ Aen u Hoornsche Jeught’
35.

Afbeelding 4. Een Zaanse Aeneas brengt zijn moeder in
veiligheid. Illustratie uit H.J. Soet,
Sanerdams Bloeme-Crans
(1645). (Gemeentearchief Zaanstad)
In Boogaerts aanhangsel komen drie liederen voor van
H.J. Soet (ook
Soeteboom), de auteur van de andere Zaanse bundel:
Sanerdams Bloeme-Crans (Zaandam
1645)
36. Ook Soet draagt zijn bundel op aan de plaatselijke jeugd, de
‘Deucht-lievende, Sanerdamsche Jonckheydt’. Lokale aspecten bevat
het boekje | | | | verder nauwelijks, op één lied na, dat is
opgedragen aan de bestuurders van Hoorn. Onder de titel
‘Trouheyts Beloningh’ worden hierin gebeurtenissen uit de
Tachtigjarige Oorlog in Westzaan en Assendelft
bezongen
37. De bijbehorende houtsnede blijkt afkomstig van het
titelblad van een toneelstuk van Soet,
Batavische Eneas, of Getrouheyts voorbeelt
38, uit hetzelfde jaar als de
Bloeme-Crans (afbeelding 4). Het verhaalt van de verwoesting van
Westzaan en Krommenie door de Spanjaarden en van een
jongeman die als een Zaanse Aeneas zijn oude moeder op de rug nam en over het
ijs in veiligheid bracht. Na veel ontberingen wordt ze in Hoorn
liefdevol opgenomen - vandaar de opdracht van het lied aan de Hoornse
magistraat. Dit alles brengt ons bij een onverwacht lokaal ‘aspect’
van het liedboek, namelijk de lokaal-historische interesse van de auteur.
Hendrick Jacobsz. Soet, uitgever in
Zaandam, publiceerde onder meer
Beschrijvinge van Oudt Zaenden
(Alkmaar 1640) - met een lichtelijk chauvinistisch ‘H.J.
Soet, Saanderdammer’ op het titelblad -,
De historie van Waterland
(Amsterdam 1660) en
De Zaanlants Arkadia (Amsterdam
1658). Hoewel oorspronkelijk van katholieken huize zal Soet gereformeerd zijn
geweest, gezien zijn gemeenzame omgang met de predikant te
Oostzaandam, Hubertus Bergius
39. Soet gaf ook een
lied-anthologie uit,
't Kleyn Lust-Hofje (Zaandam 1649)
met geestelijke liederen voor bruiloften en andere feesten.
| |
Middelie en Kolhorn
Volledigheidshalve noem ik de liedboekjes uit twee zeer kleine
Noordhollandse dorpen, Middelie (boven Edam) en
Kolhorn (aan de rand van de Wieringermeer ter hoogte van
Schagen). Het
Middelier Lied-Boeck werd in 1651 uitgegeven voor
de auteur, de vermaner of ‘leraar’
Jacob Hendricksz. Pos. Het boekje, met schriftuurlijke
liederen zonder marginalia, vertoont geen andere uiterlijke lokale kenmerken
dan zijn titel. De Middeliër mennisten schijnen het tot in de negentiende
eeuw tijdens hun vermaningen te hebben gebruikt
40.
Naar analogie van het Middeliër liedboek kan men aannemen dat
ook het zoekgeraakte
Colhorner liedt-boecxken van
W.A. Stellinghwerff (Alkmaar:
Rem. Jansz. Boerman, 1662) voor de doperse gemeentezang is
bedoeld
41. Boerman was uitgever van talrijke andere doperse
liedboeken.
| |
Overzicht van de lokale geestelijke liedboeken
Bezien we het geheel aan geestelijke liedboeken met lokale titels,
dan valt het grote aantal doopsgezinde bundels op. Slechts vier van de vijftien
bundels bleken niet-dopers. Van de doperse bundels bleek een gedeelte bestemd
voor de gemeentezang. Hier is het doperse overwicht gemakkelijk verklaarbaar.
De katholieken hadden uiteraard hun Latijnse gezangen en de gereformeerden
beperkten zich in de gemeentezang tot Datheens psalmberijmingen - althans
officieel. Ook bij de lutheranen was er sprake van een vrij uniforme zang; de
Woerdense bundel is hier de uitzondering die de regel bevestigt. Bij de
doopsgezinden echter stonden de afzonderlijke gemeenten veel meer op zichzelf -
nog afgezien van de leerverschillen | | | | tussen de stromingen - en is er
in de eerste helft van de zeventiende eeuw een sterke differentiatie in het
gemeentelijke repertoire waarneembaar. Voor de gemeentezang bestemd bleken de
vroege Pruisische boekjes, de trits uit Hoorn, het
Nieu Medenblicker Liet-Boeck en de boekjes
uit Middelie en Kolhorn. Andere doopsgezinde bundels
functioneerden in jongerengroepen, het Walcherse en het Rijper liedboekje, dat
als enige van deze categorie later in de gemeentezang werd geïntroduceerd.
De vermoedelijk doperse
Zaender Bloeme-Stralen is ook voor de jeugd
bedoeld maar lijkt niet uit één bepaalde groep te zijn
voortgekomen. Het
Medenblicker Scharre-Zoodtje, hoewel
gereformeerd, is een typisch groepsprodukt voor de eigen kring. Ook
gereformeerd bleek
Sanerdams Bloeme-Crans: eveneens voor de
jeugd maar het werk van één auteur. Teerincx'
Amsterdamschen Geestelijcken Lust-Hof neemt
een eigen plaats in doordat de bundel zich niet richt tot de jeugd of tot een
zingende gemeente, maar tot het hele gezin c.q. de burgerij.
Opvallend is dat lokaal benoemde geestelijke liedboeken vooral in
Noord-Holland blijken voor te komen. Inderdaad bloeide daar het doperdom het
sterkst. Maar ook de drie gereformeerde boekjes komen er vandaan. Ze zullen
door de doperse topografische mode zijn beïnvloed en mogelijk ook door
wereldlijke lokale liedboeken.
Lokale aspecten in de liederen zelf zijn afwezig in traditionele
liedboeken als het Nieuw Medembliks, Hoorns, Groot Hoorns en Middeliër
liedboek. Het Rijper en Klein Hoorns liedboek vertonen meer lokale kleur door
de opdrachten en gelegenheidsliederen. Belangrijk zijn de opdrachten aan
groepen jongeren buiten de eigen plaats, die wijzen op interlokale contacten
waarbij de zang een rol speelde. Inhoudelijke lokale kleuring hebben pas enkele
liederen in de boekjes uit de jaren '40.
| |
Wereldlijke liedboeken
Er zijn veel meer wereldlijke dan geestelijke liedboeken met
topografische titels. Ze komen aanvankelijk uitsluitend voor in
Amsterdam en spoedig daarna ook in Haarlem, welke
twee steden veruit de grootste tradities in dit opzicht hebben
42. Tegen
het midden van de eeuw krijgen ook andere steden eigen liedboekjes. Het wordt
een algemeen verschijnsel in de tweede helft van de zeventiende eeuw, wanneer
geestelijke liedboeken met lokale titels juist uitzonderlijk zijn geworden.
Door deze lokale tradities heen lopen de gewestelijke bundels. We zullen
tenslotte aandacht besteden aan de Zuidnederlandse lokale en gewestelijke
liedboeken.
| |
Amsterdam
Wereldlijke liedboeken met topografische titels verschijnen
aanvankelijk uitsluitend in Amsterdam: het
Aemstelredams Amoreus Lietboeck uit 1589, het
Nieu Amstelredams Lied-Boeck uit 1591 en het
Nieu Groot Amstelredams Liedtboeck uit 1605. Ze
bevatten weinig of geen lokaal gekleurde liederen. De inhoud is ongetwijfeld
voor een deel afkomstig uit Amsterdamse rederijkerskringen, voor een | | | | deel ook zeker niet. Het liedboek uit 1589 bijvoorbeeld bevat voor meer
dan een vijfde liederen die ook al in het zogenoemde ‘Antwerps
liedboek’ (1544) voorkomen.
In de drie oude Amsterdamse liedboeken wordt niet expliciet
aangegeven dat ze bestemd waren voor de Amsterdamse jeugd - al ligt dat voor de
hand. In latere zich Amsterdams noemende liedboeken gebeurt dat meestal wel. Zo
is Kruls
Amstelsche Linde (1627) opgedragen aan de
‘Amsteldamsche nimphjes’, de
Amsterdamsche Pegasus uit hetzelfde jaar aan de
‘Aemstel-landtsche Joffertjes’ - en overigens ook aan de
‘Rijn-landtsche Nymphjes’, dat wil zeggen de Leidse meisjes -, het
Amsteldams Minnebeekje (midden jaren '30) aan de
‘Amsteldamsche Sangstertjes’, de
Amsteldamsche Minne-Zuchjens (1643) aan de
‘Amsteldamse Jufferen’,
Amsteldamse Vrolikheyt (1647) aan de
‘vrolyke Amstelsangerinnetjes’, de
Amsteldamsche Vreughde-Stroom (1655) aan de
‘soete Amsteldamsche Juffertjes’ en de
Amsterdamse Mengel-Moez (1658) aan ‘onze
kunstminnende Juffers’.
Hoewel deze boekjes zich duidelijk tot een Amsterdams publiek
richten en ook door Amsterdammers zijn geschreven, bevatten ze niet allemaal
lokaal gekleurde liederen. De eerste echt Amsterdamse liedboeken in die zin
zijn die van
Bredero. Ze hebben weliswaar geen topografische titel
maar op het titelblad is de auteur vermeld als ‘Bredero,
Amsteldammer’ en dat zegt misschien nog wel meer. Dit geldt voor zowel
het
Geestigh Liedt-Boecxken (1621) als het
Groot Liedt-Boeck (1622). Het laatste opent met
een sonnet op Amsterdam, dat tot zulk een grootheid zal komen
‘dat haer geblasen Faem sal snorren door de Wolcken’. Het bevat
verder een lied van de Amsterdamse schutterij, een ‘Amsterdams
Klaagh-liedt’ en een loflied op
Tesselschade met de aanvang ‘O Roem van
Amsterdam’. Dit laatste bevat een topos die veel voorkomt in de lokale
liedboekjes: de schone zang van jonge vrouwen draagt bij aan de roem van de
stad. In de twee andere genoemde liederen krijgt de stedentrots een
comparatieve dimensie: we bespeuren rivaliteit met Haarlem. In het
schutterslied dagen de Amsterdamse schutters de ‘Haarlemsche drooghe
harten’ uit voor een drinkwedstrijd: ‘Wy Amsterdammers tarten
u’
43. Bredero,
zelf vaandrig van het corps, wist waarover hij sprak. Nog duidelijker is de
rivaliteit in het ‘Amsterdams Klaag-Liedt’. Hier betreurt de stad
de spilzucht van haar inwoners. De zustersteden Delft en
Dordrecht informeren bezorgd wat er aan de hand is, maar Haarlem
meesmuilt. En omgekeerd: als Amsterdam lacht, zal Haarlem huilen
44.
Amsterdams zijn ook Bredero's boertige liederen, zijn specialiteit.
Hij schreef ze in het Waterlandse dialect, althans voor zover zijn
‘letteren’ dat toelieten (‘doch te luttel’). Het
beroemde ‘Arent Pieter Gysen’, een boerenpartij die ontaardt in
moord en doodslag, is het eerste specimen van dit genre. Een genre inderdaad,
want Bredero's boertige liederen zouden talloze malen worden nagevolgd. Dit
gebeurde bijvoorbeeld in het
Amsteldams Fluytertje (Amsterdam
1626) van
E. Pels de Jonge, een bijvoegsel bij diens
Lof van Cupido. De titelplaat toont de stad
gezien vanaf de tegenoverliggende IJ-oever, waarop het fluitertje - een herder
- is gezeten (afbeelding 5). De liederen worden aangekondigd als
‘Amsterdamsche | | | | boertige gesanghen’, te zingen op
‘boertige Voysjes’. Brederoësk is de ‘Boeren Sondachs
Dans-plaets’, compleet met de Waterlandse -ie- in plaats van -ee-:
‘Op ien Sondach tot Kees Koeck,/ Raeckte ick iens inden hoeck’
45. Toch is dit slechts één kant van de lokale
medaille. De andere is het Arcadië aan het IJ, het decor van het eerste
liedje van de bundel, ‘Hoort Bevallijcke Harderin’:
Hier over Amsterdam aen 't IJ
Sal ick fluyten ons kuertjes,
Ons boertjes, onse vryery
Men verlustigt zich dus in de eigen omgeving, hetzij door een
pastorale, hetzij door een satirische bril. Dit leidt gemakkelijk tot enig
chauvinisme: volgens
Pels overtreffen de Amsterdamse meisjes met hun heldere,
zoete stemmen de ‘Juffertjes van ons nabuerighe Landen’.

Afbeelding 5. ‘Pastoraal chauvinisme’:
titelgravure van het
Amsteldams Fluytertje (Amsterdam
1626) (Koninklijke Bibliotheek Den Haag)
Het ‘pastorale chauvinisme’, zoals ik het zou willen
noemen, treedt sterk naar voren in een boek van
M. van de Velden alias
Campanus,
De Roemster van den Aemstel (ca. 1622-24)
47. Met deze Roemster is uiteraard
Anna Roemers Visscher bedoeld, de gevierde Amsterdamse
dichteres. Het pièce de resistance is de ‘Hymnus aen de
Aemstel’, het eerste Nederlandse ‘stroomdicht’ en maar liefst
554 verzen lang. Ter omlijsting dienen een ‘Ode, of Lier-veerssen, aen de
Aemstel’, een ‘Afscheydt’ en een ‘Wensch aen de selve
Aemstel’, de laatste twee met muziek. Campanus' boek paste in een
toentertijd actuele literaire stroming van ‘topografische
lofdichten’. Men denke aan
Constantijn Huygens'
Batava Tempe of
Voor-
| | | |
hout (1622) en aan de
Zeeusche Nachtegael (1623), die ook was
opgedragen aan
Anna Visscher.
Deze renaissancistisch-literaire context is voor ons van belang
omdat Campanus nog eens op zijn thema terugkomt in een liedboek. Dit betreft de
waarschijnlijk door hem geïnitieerde
Amsterdamsche Pegasus (1627), waaraan ook drie
andere dichters bijdroegen
48. Het is een schitterend specimen van de nog vrij
recente traditie liedboeken die zich richtte op de koopkrachtige jeugd
49. Onder
Campanus' velddeuntjes vinden we het
‘Afscheydt’ uit de Roemster terug, nu onder de titel
‘Aenden Aemstel’. De dichter roert er een voor ons thema essentieel
aspect aan dat vaak in het ongewisse blijft: de dichter is zelf geboren in
Amsterdam.
Ach schoone Aemstels-boort! op wien my is gegheven
Het aldereerste licht, het vonckjen van mijn leven:
Op wien ick ben gevoed geluckigh in mijn Jeught,
Als wijsaanduiding geeft
Campanus een overwinningslied op de Armada in de stijl
van het Geuzenlied
50. Zijn keus
lijkt nauwelijks toevallig: ook uit het model spreekt chauvinisme, zij het van
een meer nationaal karakter
51. Overigens is ‘Ach schoone Aemstels-boort!’ het enige
lied met expliciete lokale elementen in de Pegasus.

Afbeelding 6. Titelgravure van het
Amsteldams Minnebeekje (ca.
1637) (Koninklijke Bibliotheek Den Haag)
| | | |
Het lied ontbreekt in een roofdruk van de Pegasus
uit hetzelfde jaar (1627) door de Rotterdammer
Van Steenwegen. Lokale elementen als de opdracht zijn
verwijderd, alleen de titel is nog lokaal, zij het afgezwakt door een tweede,
‘landelijke’ titel
52. Twee gelijktijdige drukken van
Van Steenweghen verwijzen ook naar - ons verder onbekende - Amsterdamse lokale
liedboeken:
Der Minnaers Harten Jacht ofte de Groote Amstelredamsche
Rommelzoo en
Den nieuwen ende vrolijcken Amstelredamschen
Doele-Vreught
53. Ook deze
vertonen niet de geringste lokale kleuring.
Circa 1637 verschijnt de eerste druk van het succesvolle
Amsteldams Minnebeekje. Het heeft enkele
uiterlijke Amsterdamse kenmerken, zoals de titel, de opdracht en de
titelgravure (afbeelding 6). De liederen, meest in de pastorale sfeer, vertonen
zelf nauwelijks lokale trekjes, een enkel opdracht- of gelegenheidslied
daargelaten. Hetzelfde geldt voor de zo'n tien jaar oudere
Amstelsche Linde (1627) van
J.H. Krul, een van de initiatiefnemers van het
Minnebeekje.
Slechts weinig meer lokaal gekleurd is de bundel
Amsteldamsche Minne-Zuchjens
(Amsterdam:
Aeltje Verwou, 1643), door de uitgeefster opgedragen aan
de ‘Amsteldamse Jufferen; Ware Peerlen onzer Kroon’. Enkele
liederen ademen een zeker pastoraal chauvinisme, zoals dat van de wenende
minnaar in een weiland bij Diemen:
Aen Diemer-beemt verknogt,
Door Amstels vloet bezwalpt, ontfankt ontfankt een bad',
Uyt mijn bezwaart gezigt, van laauw en nuchter nat
54.
en ‘Gy Nymfjes van het weelich Y’, waarin de vlugge
voetjes van de Amsterdamse meisjes zwieren langs de Heren- en Keizersgracht
55.
Zeer Amsterdams gekleurd lijkt het
Dubbelt verbetert, Amsterdamse Liedboeck
(Amsterdam:
Jan Jacobsz. Bouman) te zijn geweest. Dit voor ons doel
belangrijke werk is helaas verloren gegaan
56. Het bestond uit twee delen: een
Oud en een
Nieu Amsterdams Lied-Boeck en is te dateren
ná 1639
57
. (De titel verraadt overigens dat er een eerdere druk geweest moet zijn.) Het
oude deel bevatte in de woorden van Wirth ‘eine Fülle alter
schöner Volkslieder’, het nieuwe - ‘voor Vryers en Vrysters
seer genoeghlijck’ - stond echter bol van ‘der schlimmsten
Perversität’. We beschikken alleen over afschriften van een aantal
van de oude liedjes uit het eerste deel, waaronder zich geen lokaal materiaal
bevindt
58. Uit het weinige dat Wirth ons in zijn verontwaardiging over de
‘Untergang des Niederländischen Volksliedes’ - die hij met dit
boekje laat beginnen - meedeelt, kunnen we afleiden dat het
Nieu Amsterdams Lied-Boeck in de al eerder
geconstateerde pastoraal-boertige sfeer moet worden geplaatst. Verder moet het
‘historisch-patriottistische Hollandse zaken’ hebben bevat
59. Dat is precies waarnaar we
op zoek zijn. Een indruk van dit soort liederen geven ons wellicht de Haarlemse
pendanten van dit dubbele Amsterdamse liedboek (zie onder).
De
Amsteldamse Vrolikheyt (Amsterdam:
Josua Rex, 1647) is weer door en voor Amsterdammers, maar
inhoudelijk niet sterk lokaal gekleurd, ook niet bij liederen waarvan de titels
dat zouden doen vermoeden: ‘Amsterdamse Kermis- | | | | Vreugt’,
‘Basuyn der Amsteldamse Vrolikheyt’ en ‘Aen de Amsteldamse
Kittelbroers’ (= drinkebroers)
60. Wel zetten deze een trend die in de meer
bekende bundels
Olipodrogo en de
Nieuwe Hofsche Rommelzoo (1654-55) tot volle
wasdom zou komen: kermisvermaak en braspartijen blijken de pijlers waarop de
Amsterdamse vrolijkheid omstreeks het midden van de eeuw is gebouwd.

Afbeelding 7. Titelplaten van de beide delen van de
Amsterdamsche Vreughde-Stroom (Amsterdam:
C.J. Stichter, 1654-55). Spelevaren op de Amstel. Vgl. afb. 9. (Koninklijke
Bibliotheek Den Haag)
Door ons criterium van de topografische titels vallen de
Olipodrigo en
Nieuwe Hofsche Rommelzoo
61 zelf buiten het bestek van dit opstel, hoewel deze
talrijke | | | | lokale aspecten vertonen. Dit wordt ruimschoots goedgemaakt
door de gelijktijdige, minder bekende maar even interessante
Amsterdamsche Vreughde-Stroom
(Amsterdam:
Cornelis Jansz. Stichter, twee delen 1654-55): ook hierin
is het lokale vermaak ruimschoots vertegenwoordigd. In een inleidend gedicht
wordt de Amstelnimfjes voorgehouden dat ze met hun boottochtjes over de
Amstel naar de Meer, Schulp,
Ouderkerk en Diemen wel zullen willen zingen en
spelen uit de Vreughde-Stroom. Het tweede deel opent met een soortgelijk
gedicht, waarin Venus een kraam opzet op de vaste markt te
Amsterdam. Cupido tracht het liedboekje te slijten aan passerende
Amsteljuffers:
Wilt ghy nae buyten gaen om een Pan-Aal of Roompje,
Kom neemt met u dit Amsteldamsche Vreughde-Stroompje:
En is 't noch in de schuyt of op het Velt te guur,
Soo neemt dit Boeckje t'huys, vermaeckt u by het vuur.
We bevinden ons hier in de sfeer van ‘schuitje varen theetje
drinken’. Ook in een der liedjes komt dit thema terug
62, evenals het winterse alternatief: schaatsenrijden op de Amstel
63.
Een geheel andere vorm van vermaak betreft ‘Wat heeft den
Amstel al gespuys’: het kroeg- en bordeelbezoek
64. Achtereenvolgens passeren we Swarte Saer, Juffrouw Spillebout,
‘die selfs haer eyghen dochters hout’, Mennist Ann' op het einde
van het Rokin en Mary, ‘die swarte kronje’ in de Nes. In het tweede
deel staat een heus antwoordlied op dezelfde wijs
65. De dichter
J. Bara neemt het op voor de hoeren, die hij
‘Amstel-nimfen’ en ‘vergode liefjes’ noemt.
Eerder geconstateerde lokale aspecten vinden we in onder meer twee
dialectliederen. Een daarvan, een ‘Boere-Bruyloft’ in het
Waterlands, is ondertekend ‘Hoe oubolliger, hoe beter’, waarin
‘oubollig’ het literaire equivalent van ‘boertig’ is.
Het andere dialectlied bootst - in navolging van Bredero's
Spaanschen Brabander - de in Amsterdam veel
gehoorde Antwerpse tongval na
66. Ook
het genre historielied, hier met betrekking tot de belegering van Amsterdam
door de Prins van Oranje, hebben we al eerder in lokale liedboeken gezien.
Nieuw in ons onderzoek is wat men het lokaal gekleurde beroepslied
zou kunnen noemen. Het betreft een afscheidslied van een Oostindiëvaarder:
‘Adieu o pronk der Stede!’
67. In de achtereenvolgende
strofen neemt de auteur,
F. Klaix, afscheid van de stad, van de omgeving met zijn
‘Amstelstromen’, van zijn kameraden en tenslotte van de
‘Amstel-Maagden’. Dat het om een reëel afscheidslied gaat en
niet om een zuiver literaire conventie, blijkt uit het volgende lied in de
Vreughde-Stroom, dat Klaix op 1 mei 1650 dichtte op het eiland
Sangai.
De jongste lokale bundel uit onze onderzoeksperiode is de
Amsterdamse Mengel-Moez (Amsterdam:
Gerrit Smit, 1658). De opdracht van de muze Thalia, door
hoofdauteur
Daniel Questiers, is gericht aan ‘onze kunstminnende
Juffers’. Evenals de doelgroep zijn de auteurs Amsterdammers
68 en ook het decor van de liederen is Amsterdams, al is
dat hier niet nadrukkelijk aanwezig
69.
Amsterdam heeft met zijn zestien topografisch benoemde
liedboeken veruit de grootste traditie in dit opzicht. Men kan er de
ontwikkeling van de lokale dimensie | | | | goed in volgen. Aanvankelijk
beperkte deze zich althans uiterlijk tot de titel -
Aemstelredams Amoureus Lietboeck (1589),
Nieu Amstelredams Liedboeck (1591) en
Nieu Groot Amstelredams Liedtboeck (1605) -,
later richtten de uitgevers zich steevast tot de Amsterdamse jeugd, in het
bijzonder tot de meisjes. De produktie lijkt overwegend lokaal qua dichters en
samenstellers en zeer zeker qua uitgevers en drukkers. Van inhoudelijke lokale
kleuring is daarentegen lang niet altijd sprake. Dit aspect komen we voor het
eerst tegen bij
Bredero en kort daarop in het
Amsteldams Fluytertje. Het uit zich onder meer
in boertigheden in lokale stijl - soms in dialect - en in het fantasiedecor van
het ‘Arcadië aan de Amstel’, waartegen vele liederen worden
geplaatst. Bij Bredero bespeurden we lokaal chauvinisme en rivaliteit ten
opzichte van Haarlem. Ook klassiek geöriënteerde
stedentrots speelt een - bescheiden - rol, en wel in de
Amsterdamsche Pegasus van
M. Campanus. Lokaal chauvinisme kan zich dus literair
manifesteren op het niveau van zowel de burgercultuur - waarin we bijvoorbeeld
Bredero's schutterslied kunnen plaatsen - als van meer renaissancistische
cultuuruitingen.
Van stedentrots en lokaal koloriet is opvallend weinig te merken in
boekjes als het
Amsteldams Minnebeekje en
Vrolikheyt; iets meer in de
Minne-Zuchjens en
Mengel-Moez. Het
Dubbelt verbetert Amsterdamse Liedboeck
daarentegen schijnt wel lokaal-chauvinistische liederen te hebben bevat. Lokaal
materiaal vindt men in overvloed in de
Amsterdamsche Vreughde-Stroom. Het is hier vooral
het vermaak van de plaatselijke jeugd dat in een lokaal koloriet wordt
bezongen.
| |
Haarlem
Haarlem heeft een heel eigen traditie van liedboeken waarin de
eigen stad wordt bezongen. ‘Haarlem’ is al een belangrijk thema in
de
31 Liedekens ende Refereynen van een dichter die
zich ‘Haerlem Soetendal’ noemde. Soetendal vertrok in
1599 uit Haarlem naar Lissabon en dichtte voor die gelegenheid het
afscheidslied ‘Adieu Haerlem Soetendal/ Met al u schoon Contreyen’.
Hij neemt daarin afscheid van zijn ouders, familie en vrienden, van de drie
rederijkerskamers en van de ‘contreien’ van Haarlem. Deze worden
gespecificeerd: Overveen, Zandvoort, Wijk aan
Zee, Heemskerk, Beverwijk,
Velzen, Schoten, Santpoort,
Spaarndam en nog vele andere bestemmingen voor uitstapjes van de
Haarlemse jeugd. In Spaarndam smulden de jongelui bijvoorbeeld van de panaal,
gestoofde paling. ‘Adieu Haerlem Soetendal’ zal 's dichters oudste
lied zijn; blijkens de titelpagina heeft hij de hier verzamelde liederen
gedicht sinds zijn vertrek uit Haarlem in 1599. Voor dezelfde
gelegenheid schreef hij nog enkele liederen, waaronder een ‘Scheydt-liedt
aen sijn Vrienden’. Hij noemt daarin enkele ‘broeders’ en
‘zusters’ met name, onder andere de Haarlemse uitgever van doperse
liederen en andere lectuur,
Passchier van Wesbusch. We bevinden ons hier blijkbaar in
een dopers milieu. Soetendal is tijdelijk teruggekeerd uit Lissabon - ook
hiervoor schreef hij een afscheidslied: ‘Adieu Lissebon schoone’ -
en hij verbleef in 1614 in Parijs
70. Onder zijn verdere liederen bevinden zich nóg twee
afscheidsliederen op Haarlem, ongedateerd. Uit een van zijn Haarlemse periodes
zal ook een welkomstlied dateren voor rederijkerskamers uit andere steden,
wellicht ter gelegenheid van het | | | | bekende Haarlemse juweel in 1606.
Te oordelen naar de vogelfiguur op het titelblad van zijn boek is Soetendal lid
geweest van de Haarlemse kamer De Pelicaen (‘Trou moet
blijcken’). Naast al dit gelegenheidswerk is er ook een lokaal liedje van
boertige snit, ‘Boerenkermis tot Siecken buyten Haerlem’.
Soetendals bundel moet in Haarlem bijzonder populair
zijn geweest: Scheurleer noemt weliswaar slechts twee drukken, een uit 1645
(zojuist besproken) en een andere uit ongeveer 1650, maar deze laatste is wel
een dertiende druk! Soetendals liederen lijken de wortel te zijn geweest van de
lokaal-chauvinistische traditie die we in de andere lokale liedboeken uit
Haarlem zullen waarnemen.

Afbeelding 8. Titelblad van het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck (Haarlem ca.
1620-1630) met het stadswapen van Haarlem. Origineel in zwart en
rood. (Koninklijke Bibliotheek Den Haag)
| | | |
De meest uitgesproken vertegenwoordiger van die traditie
is het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck, dat door Scheurleer
omstreeks 1630 wordt gedateerd maar zowel aanmerkelijk jonger als ouder kan
zijn
71.
In elk geval is het tot in de achttiende eeuw herdrukt, tenminste dertig keer.
Opmerkelijk is dat alle typisch Haarlemse liederen, twaalf in getal,
vooraan zijn gezet. Het boek opent met twee liederen van
Haarlem Soetendal, ‘Adieu Haerlem schoone
stede’ en ‘Adieu Haerlem Soetendal’. Dan volgen twee
historieliederen, een oud Geuzenlied uit 1573 over het beleg van
Haarlem
72 en een lied uit
Govert van der Eembds rederijkerstoneelstuk
Haerlemse Belegeringh (1619)
73. Verder hebben enkele liederen betrekking op
rederijkersfeesten: twee op het Haarlemse juweel van 1606 en een op een
‘appelboomfeest’ te Zandvoort
74. Lokaal zijn ook liederen die de
‘contreien’ bezingen, zoals ‘Ick gingh op eenen morgen/ Al
door den Aerdenhout’ - een lyrische uiting van religieuze natuurbeleving
- en vooral, iets verder in het boek, een ‘Sondagliet’. In dit
laatste gaan de knechten met hun meiden stappen in Santpoort,
Velzen, Schooten, Beverwijk, Wijk
aan Zee, Zandvoort, het strand, Bentvelt,
Overveen en uiteraard in Spaarndam, waar de panaal
weer klaar staat. Boertig is ook ‘Heemsteetsche Kermis’. De
Haarlemse dimensie is dus nadrukkelijk aanwezig, niet alleen door het vrij
grote aantal lokaal getinte liederen, maar ook door de bijzondere plaatsing
ervan aan het begin van het boek. Deze bevestigt de zin van ons onderzoek: de
samensteller-uitgever is - evenals wij - op zoek geweest naar lokale liederen
en selecteert vrijwel dezelfde categorieën als wij. Blijkbaar
vertegenwoordigde het lokale lied ook al in de zeventiende eeuw een notie, zij
het benoemd op stedelijk niveau (‘oud Haarlems’).
Diverse onderzoekers, geïntrigeerd door oude volksliederen,
hebben reeds het voorwoord van het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck door uitgever
Casteleyn aangehaald, waarin deze stelt dat oude liederen
niet meer worden gedrukt doordat de jeugd begerig is naar
‘spick-speldernieuwe Deuntjes’. Dit tot ongenoegen van degenen die
ze hebben gedicht en er mee groot zijn geworden. Vandaar dit liedboek.
Casteleyn verwijst de jeugd voor de ‘alder-nieuwste’ liedjes naar
de ‘Nieuwen Haerlemschen Laurierkrans, die den Leser neffens dese bekomen
can’. Hiermee bedoelt hij ongetwijfeld het
Nieu dubbelt Haerlems Lietboeck, ook genoemd de
Laurier-Krans, der Amoureusen, waarvan een
uitgaaf uit 1643 is bewaard, door hemzelf gedrukt. Inderdaad bevat het eerste
deel hiervan geheel ander repertoire, met vrijwel geen lokale kleur - het
eerder genoemde zondagslied uitgezonderd. Het tweede deel draagt echter wel
weer een lokaal stempel en dat bestaat opmerkelijk genoeg uit de helft van de
typisch Haarlemse liederen uit het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck. Blijkbaar waren er
toch ook oude liedjes waarin de Haarlemse jeugd behagen schepte.
Opmerkelijk en voor onze probleemstelling interessant is de parallel
tussen het ‘dubbele’
Oud en
Nieu Amsterdams Lied-boeck enerzijds en het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck en het
Nieu dubbelt Haerlems Lietboeck anderzijds. Dat
er een relatie is, lijkt buiten twijfel: niet alleen weerspiegelen de titels
elkaar, ook inhoudelijk moet het ene oude liedboek aan het andere hebben
ontleend. Wie aan wie is echter een open vraag
75, al
heeft Haarlem de beste papieren voor het oudste ‘oude’
lied- | | | | boek. Dit alles is van belang omdat we hier te maken hebben met
een uiting van de aloude rivaliteit tussen Amsterdam en
Haarlem
76. Deze gaat terug tot in de Middeleeuwen, toen Haarlem de
belangrijkste stad van Holland was maar door Amsterdam dreigde te worden
voorbijgestreefd. Ook in de zeventiende eeuw heerste er een ruziesfeer tussen
de beide steden. Op economisch gebied trachtte Amsterdam steeds oude Haarlemse
privileges te omzeilen, die haar handelsactiviteiten belemmerden. Het gaat dan
om bijvoorbeeld tolrechten of het Haarlemse recht de dam bij de Schinkel te
onderhouden, die de Amsterdamse schippers het liefst doorgegraven zouden zien.
Op politiek niveau had vooral de Amsterdamse houding tijdens het beleg van
Haarlem door de Spanjaarden kwaad bloed gezet bij de Haarlemmers. Ook in de
literatuur bestaat dit spanningsveld. De grote booswicht in de
Gijsbrecht van Aemstel, Vosmaer, is niet voor
niets een Haarlemmer, en ook bij
Bredero hebben we stedelijke rivaliteit geconstateerd, op
schuttersniveau. In het licht hiervan kan het niet toevallig zijn dat juist
deze twee steden zo vroeg belangrijke lokale liedboektradities ontwikkelen, en
bij de twee oude liedboeken raken deze tradities elkaar.
Het Haarlemse koloriet blijft niet beperkt tot traditionele
liedboeken. We treffen het bijvoorbeeld ook aan in de
Minne-Zughjes van
Salomon de Bray (Amsterdam 1628)
77, ondanks de neutrale titel. De Bray bezingt zijn
wandelingen langs het Spaarne, naar zee en de duinen. Het ademt desondanks niet
de sfeer van het typisch lokale liedboek, zoals we dat inmiddels hebben leren
kennen. Niet alleen ontbreekt de topografische titel en is het buiten Haarlem
uitgegeven, bovendien bevat het overwegend persoonlijke, renaissancistische
lyriek, die niet primair lijkt te wortelen in een groepszangcultuur. Voor ons
doel van belang is het veelvuldige bezingen van het Spaarne, dat de auteur
verkiest boven Maas, Rijn, Eem, Waal, Amstel en Schelde. Hiermee treffen we
voor het eerst in de Haarlemse traditie een comparatief element aan.
Moderner dan de traditionele Haarlemse liedboeken is ook de
Haerlemsche Duyn-Vreucht (1636) van C.P.
(vermoedelijk
Christiaen Pietersz.)
78
van Wesbusch. In zijn voorrede tot de ‘Haerlemsche
Sangherinnetjes’ noemt Van Wesbusch Haarlem de ‘peerle
aller Steden, met alle Schoon versien’, waar Redenrijk zetelt, vergezeld
door ‘sanggodinnen’ (muzen). Ook hier is een aantal liederen gewijd
aan de vrijetijdsbesteding van de Haarlemse jeugd, zoals wandelen in de duinen,
paling eten in Spaarndam en baden in Zandvoort.
Interessant vanuit functioneel perspectief is een liedje ‘te singhen op
de Speelwaghen nae Santvoort’, waarin de rit, het baden, het drinken en
de terugtocht worden bezongen. Zo is er ook een lied ‘om in de Kermis nae
de Doelen te singhen’. Verder komen enkele boertigheden voor, zoals de
‘Overveensche Wandeling’ van een boerenknecht en een meid die naar
de kermis in Overveen gaan en ruzie krijgen, en ook een ‘Heemsteesche
Vryagie’ in dialect.
Of er veel uit de boekjes van
De Bray en
Van Wesbusch is gezongen, weten we niet. Herdrukken zijn
in elk geval onbekend. Weer iets moderner en ongetwijfeld ook populairder is
een groep liedboeken uit het midden van de veertiger jaren,
Sparens Vreughden-Bron en de zogenoemde Haarlemse
bloempjes. Dit zijn | | | | anthologieën. In
Sparens Vreughden-Bron (1643) komt de
Haarlems-Amsterdamse rivaliteit aan de oppervlakte. De uitgever,
Michiel Segerman, draagt het boek op aan de plaatselijke
jeugd, omdat ‘ons Spare, niet min, als den Amstel versien is, van soete
Quelers ende Queelderessjes, wiens sang-grage kropjes staech greetich zijn om
yet nieuws te neurien’. Onder de Haarlemse liederen vindt men
boertigheden, zoals ‘Eens dat ick in Oudt Sparen/ Te Kermis hadt
gheweest’ op de wijs en in navolging van Bredero's beroemde ‘Arent
Pieter Gysen’, compleet met messetrekkerij. Interessant is een
schutterslied, waarin wordt gerookt en gedronken en trommels en trompetten
klinken. In tegenstelling tot Bredero's schutterslied schieten hier de
Haarlemmers de Amsterdammers juist te hulp bij de genoegelijkheden
79.
In het tweede deel van de
Vreughden-Bron (1646) is de lokale dimensie nog
nadrukkelijker aanwezig. Zo wordt de Sint Bavo als de mooiste kerk van het land
bezongen, inclusief de orgels, de scheepjes en de klokken - de bekende
damiaatjes
80. De relatie van de stedentrots met de zangcultuur wordt
gelegd in het volgende lied, ‘Sparens lof en roem van de Haerlemsche
Nymphjes’. Meer nog dan de damiaatjes en de uitvinding van de
boekdrukkunst zou het gezang van de Haarlemse meisjes hebben bijgedragen aan de
faam van de stad
81. Dat ook de liedboekjes bijdroegen aan
de stedelijke glorie, wordt gesuggereerd door de muze Calliope te laten
zingen:
Laet Rome op sijn Tyber roomen,
En Amstel op haer Amstel-stroomen,
Wy brommen [= beroemen ons] op ons Sparens-Bron.
82

Afbeelding 9. Titelgravure van deel II van
Sparens Vreughden-Bron (Haarlem
1646). De gravure van deel I is identiek, behalve dat de toren rechts
ontbreekt. Op de vlag van het speeljacht zijn de sterren van het Haarlemse
stadswapen te herkennen (vgl. afb. 8). (Koninklijke Bibliotheek Den
Haag)
| | | |
Herdrukken van
Sparens Vreughden-Bron kennen we niet, maar de
formule van het traditionele chauvinisme in renaissanceverpakking is toch bij
de Haarlemse jeugd aangeslagen. Dat blijkt uit het succes van de
Haerlemsche Winter-Bloempjes (1645), waarin
dezelfde formule wordt gehanteerd. Niet alleen beleefde dit boekje tenminste
twee herdrukken, ook liet uitgever
Claes Haen ze volgen door
Somer-,
Lente- en
Mei-Bloempjes (1649).
Ik licht hier slechts die zaken uit de Bloempjes die iets toevoegen
aan onze kennis van het lokale aspect van liedboeken. In de voorreden aan de
Haarlemse ‘soetertjes’ beveelt de uitgever nu eens niet het gebruik
aan tijdens uitstapjes, maar juist gedurende ‘droeve en langhe
verdrietighe Wintersche-avonden’. Interessant is voorts een lied
opgedragen aan de jeugd van Goes, waaruit blijkt dat de
interlokale contacten tussen jeugdgroepen zich ook over grote afstanden konden
uitstrekken
83. Van de lokale boertigheden
noem ik alleen een lied over het snoektrekken in Overveen
84,
ongetwijfeld naar aanleiding van Bredero's ‘Arent Pieter Gysen’,
waarin het boerengezelschap bijeenkomt wegens een soortgelijk spel, het
ganstrekken. Uniek is de uitvoerigheid waarmee dit volksvermaak wordt
beschreven. Vermaak van de burgerij vormt het onderwerp in een loflied op
Spaarndam, geschreven op de wijs van een ander lokaal loflied
85.
Tenslotte is er het lied van de Haarlemse slijper
86, een specimen van het genre ‘lokale ambachtsliederen’,
dat is voorbereid door enkele wevers- en spinnersliederen in het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck.
De basis voor de Haarlemse traditie van lokale liedboeken, die in
omvang slechts wordt overtroffen door die van Amsterdam, lijkt te
zijn gelegd door Soetendals afscheidsliederen, vanaf 1599. Strikt genomen zijn
dit gelegenheidsliederen, maar door de bijzondere persoonlijke omstandigheden
van de dichter zijn het evenzovele uitingen van zijn liefde voor de
geboortestad. De traditionele Haarlemse liedboeken, in het bijzonder het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck, bouwen voort op zijn
werk en bevatten verhoudingsgewijs veel liederen van lokaal-chauvinistische
aard, zoals historie-, rederijkers- en boertige liederen. In de jaren '30 en
'40 krijgen de lokale liedboeken een meer renaissancistisch karakter, met name
Sparens Vreughden-Bron en de Haarlemse Bloempjes.
Geliefd worden liederen over de uitstapjes in de omgeving, een typisch Haarlems
thema dat terug te voeren is op Soetendals populairste lied.
Lokaal-chauvinistische liederen blijven talrijk en betreffen boertigheden, oude
ambachten en pastoraal chauvinisme. Het meest pregnant voor ons onderzoek zijn
de liederen waarin de zangkunst van de Haarlemse meisjes wordt geplaatst naast
- en boven - andere voorwerpen van stedelijke trots. Samenvattend kunnen we
stellen dat stedentrots gedurende de gehele eerste helft van de zeventiende
eeuw een belangrijke rol speelde in de Haarlemse liedtraditie en dat het topos
met steeds weer nieuwe literaire middelen werd ingevuld.
| |
Dordrecht en
Schoonhoven
Het heeft enige tijd geduurd voordat er buiten de
Haarlems-Amsterdamse as lokaal getitelde liedboeken ontstonden. De vroegste
twee die zijn overgeleverd, uit | | | | 1624, betreffen twee naburige
steden, Dordrecht en Schoonhoven. Vermoedelijk hebben
ze het topografische principe minder van de Haarlemse en Amsterdamse boekjes
afgekeken dan van twee dan juist verschenen gewestelijke liedboeken, de
Friesche Lust-Hof (1621) en de
Zeeusche Nachtegael (1623). Dit kan men
althans vermoeden uit de voorrede van het verrassende
Dordrechts Lijstertje
(Dordrecht:
Damis van Rybeeck, 1624). De auteur,
Abraham Aertsz. Plater, acht zijn werk te gering om
Lusthof of Nachtegael te heten - exact dezelfde metaforen als in de
gewestelijke bundels. Hij noemt het daarom maar Lijstertje, een ‘schraal
vogeltje’. In een lange reeks sonnetten wordt de Dordtse jeugd
aangesproken en de dichter gelauwerd. Plater ontpopt zich als een vroege
volgeling van
Bredero. De boertige liederen zijn weliswaar niet
fonetisch in dialect genoteerd maar volgen voor het overige de trant van
Bredero. Voor ons van belang is dat de gebeurtenissen zich vaak afspelen in
Dordrecht en omgeving. Zo is er een koddige huwelijksbemiddeling van een boer
in Kinderdijk en overweegt elders een stelletje te gaan stappen
‘tot Neeltjes in de Speuy-straet’. Een ‘bestevaer’
haalt herinneringen op langs de weg naar het Wilgenbos, waar eertijds veel volk
zich vermaakte, en een andere oude baas raakt aan de praat in de trekschuit van
Rotterdam. In een ‘Wagemans-praetgen’ op een wijs van
Bredero wordt gesproken over de kermis, waarheen de
meisjes toestromen uit de oorden rond de stad
87.

Afbeelding 10. Titelgravure van het
Dordrechts Lijstertje (Dordrecht
1624). Jeugdig vermaak in de Dordtse contreien. (Koninklijke
Bibliotheek Den Haag)
Eigenlijk heel modern is een stedelijk loflied, het
‘Eer-liedt, tot lof vande oude vermaerde Stadt
Dordrecht’. De geografische ligging aan Maas en Merwe wordt
behandeld en voorts de handel en de geschiedenis van de stad, waaronder de
recente synode. Ook bezingt
Plater de contreien: 't Blaeu-huys en
Dubbeldam, waar men van lokale heerlijkheden als
‘bout’ (eendevlees) en zalm kan genieten, met | | | | Rijnse
wijn. De opmerkelijke conclusie luidt dat men het in Dordrecht
even goed heeft als in Italië.

Afbeelding 11. Titelgravure en illustratie uit het
Schoonhoofs Lust-Prieelken (Utrecht
1624). Jeugdig vermaak op en langs de rivier. (Universiteitsbibliotheek
Leiden)
In hetzelfde jaar als de Dordtse bundel, in 1624, verscheen het
Schoonhoofs Lust-Prieelken, in
Utrecht bij
Jan Amelissz
88. Het
is een dubbel liedboek met twee auteurs, de rederijkers
I.C. Wydstraet en
A.E. Drost. Vooral het eerste deel, van Wydstraet, ademt
de sfeer van Bredero's amoureuze liederen. Reeds in de voorrede van de drukker
beluistert men het
Groot Lied-Boeck: ‘Vrolijcke Maeghden en
Jongelinghen’
89. De opdracht van de auteurs is gericht aan de
‘Kunst en | | | | Sangh-lievende Schoon-Hoofsche Maeghden’. Zij
schromen hun nederige bundeltje uit te geven. Had immers de voortreffelijke
Bredero al niet aan de begeerte van de jeugd voldaan? En
men heeft toch ook de liederen van de ‘roem-waerden en
uyt-muntenden’
Starter? Vergeleken met deze wijn zijn hun eigen
‘slordighe Lietjes’ slechts kleinbier. Lokale kleur zoals in de
Dordtse bundel ontbreekt vrijwel geheel. Alleen in het eerste lied van elk deel
hebben de respectieve auteurs een toespeling op Schoonhoven en het
Lustprieel aangebracht, hetgeen vooral de tweede auteur zichtbaar inspanning
heeft gekost. Interessanter is een aantal afscheidsliederen van
Wydstraet. Ze zijn geschreven ter gelegenheid van
bijeenkomsten van rederijkers uit Gouda, Haastrecht
en Schoonhoven. Men kan zich goed voorstellen dat de auteurs van
de Dordtse en de Schoonhovense bundels tijdens dergelijke bijeenkomsten van
elkaars plannen op de hoogte raakten. In de bundels is van rivaliteit geen
sprake in die zin dat er nergens naar de andere bundel wordt verwezen. Waar
Dordrecht literair de meerdere is, blinkt het Schoonhovense boekje
uit door zijn fraaie gravuretjes. De titelgravure - evenals in Dordrecht
meerdere malen afgedrukt - spant de kroon. Het is een kleine encyclopedie van
het jeugdig vermaak langs de rivier - een thema dat in de liederen ontbreekt.
Men zeilt, roeit, jaagt (in de zin van het trekken van een speeljacht) en vist
(afbeelding 11).
| |
Utrecht
Een gedicht aan het slot van de
Winter-Bloempjes suggereert dat dit boekje ook
buiten Haarlem populariteit genoot
90. Dat vinden we bevestigd in
Utrecht. De uitgever van het
Utrechts Zang-Prieeltjen (1649),
Lucas de Vries, beklaagt zich er namelijk over dat de
Stichtse jeugd eerdere uitgaven van hem met liederen van lokale dichters niet
heeft willen kopen. Liever gaf men z'n geld uit aan dure boekjes als het
Amsterdamse Minnebeekje,
't Haerlems Mey- Somer- en
Winter Bloemtje, de
Amsterdamsche Vrolijckheyt en
Sparens Vreughden-Bron, aldus De Vries. Vandaar
zijn nieuwste uitgave, waarin het beste uit die populaire boekjes van elders is
opgenomen. Het
Utrechts Zang-Prieeltjen bevat inderdaad niets
Utrechts. Utrechts zijn alleen de doelgroep - de Stichtse jeugd - en de
uitgever.
Toch heeft Utrecht in de jaren '40 een traditie van
lokaal-chauvinistische literatuur gekend. In navolging van
Huygens'
Batava Tempe of
Voorhout publiceerde
Regnerus Opperveldt in 1640 een
Ultrajectina Tempe, ofte S. Jans Kerck-Hoffs versch
wandel-groen. Het Janskerkhof was in
Utrecht wat het Voorhout in Den Haag
was: een geliefkoosde plaats voor jongelui om elkaar te ontmoeten - vooral 's
avonds. In Utrecht, zo beschrijft Opperveldt, weerklonk dan muziek:
Jacob van Eyck speelde vanaf de toren van de Janskerk zijn
beroemde fluitvariaties; ook nam de dichter op het Janskerkhof een zanger waar
die zichzelf op de luit begeleidde
91. Hetzelfde Janskerkhof is het onderwerp van
Henricus Regius'
Ultrajectina Umbracula: Lind- en Iepe-Loff van Jans
Kercken-hof (1642)
92. Deze stedendichten, waaraan enkele liedjes zijn toegevoegd,
maken het waarschijnlijk dat er in Utrecht ook een markt bestond voor lokale
liedbundels. Die schijnen er ook geweest te zijn, al brachten ze uitgever De
Vries niet genoeg op.
| | | | | |
Rotterdam
Evenals De Vries noemde uitgever
Visscher van de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn de
Amsteldamse Vrolikheyt en de
Haerlemsche Winter-Bloempjes, zoals we in het
begin van dit artikel hebben gezien. Ook de Rotterdamse drukker nam vele
liederen van buiten de stad op, zij het dat er in zijn bundel toch ook
Rotterdamse liederen te vinden bleken.
We hebben in de inleiding ook kennis gemaakt met het
Nieuw Rotterdams Liedt-Boeck (of ‘De
nieuwe Rotterdamsche Speel-jacht’) en het brouwerslied daaruit. Dit is
het enige lokaal getinte lied in het boekje, dat overigens een voor de
volkskunde uitermate interessante uitgavegeschiedenis heeft: uiteindelijk zou
het door marskramers worden uitgevent. Mogelijk dateert het oorspronkelijk van
vóór 1660.
93
| |
Leiden
In tegenstelling tot de Utrechtse en Rotterdamse bundels van 1649
is het
Leyts-Prieeltje, ofte Cupidoos Zinn'licheyt van
Joan. Zac. Baron (Leiden:
Philip de Croy, 1651) sterk lokaal gekleurd. Het idee
‘lokaal liedboek’ is door Baron op een persoonlijke manier
vormgegeven in een aantrekkelijke bundel, die hij opdraagt aan de
‘Leyts-Prieelsche Soetertjes’. Het voorwerk bevat een aantal
gedichten waarin de loftrompet wordt gestoken over Baron en zijn Prieeltje. De
grondtoon van Barons liederen is pastoraal, waardoorheen soms chauvinistische
accenten klinken. Die twee elementen vermengen zich op wonderlijke wijze in het
lied ‘Klagende harder op 't Leydtsch' belech’. Baron laat de herder
als ooggetuige vertellen van de ellende van het beleg door de Spanjaarden en de
vreugde van de bevrijding - 77 jaar na dato
94. Nog wonderlijker is een lied over
dezelfde gebeurtenis waarin allegorieën en personen zingend optreden, elk
op een eigen melodie. Achtereenvolgens komen de Leidse maagd, de Honger, de
Pest, Tweedracht in dialoog met
burgemeester Van der Werf, de Spaanse veldoverste Baldeus
en nog eens de Leidse maagd, nu ontzet, aan het woord
95.

Afbeelding 12. Illustratie bij het lied
‘Ys-Vreucht’ uit het
Leyts-Prieeltjen (Leiden
1651). (Stadsbibliotheek Haarlem)
| | | |
De categorie ‘jeugdig vermaak in lokaal
koloriet’ is vertegenwoordigd met een lied over de ijspret die de Leidse
jeugd beleeft op de Oude Rijn en de Vliet en, buiten
de stad, al toerend naar Leidschendam, de Kaag,
Leiderdorp, Warmond en enkele gehuchten
96. In een ander lied in deze categorie (‘Ha!
Jeucht wat hebje al pleysier’) worden de kaats- en de maliebaan genoemd
97. Een
lokale institutie, de schutterij, is vertegenwoordigd met het lied
‘Wack're Helden die de kan’
98.
Ook de boertigheden zijn Leids gekleurd. Interessant is een lied
over de Leidse bedelaars, waarvan een aantal met name wordt genoemd, dat wil
zeggen met hun bijnaam
99. Verder zijn
er twee liederen over
Hans Rappert en de Leidse steen en een over de markt in
het nabijgelegen Valkenburg
100.
| |
Delft
Het
Delfs Cupidoos Schighje (1652, tweede deel 1656)
van de in Delft woonachtige uitgever
Arnold Bon, tevens hoofdauteur, vertoont eigenlijk alleen
de inmiddels tot cliché geworden lokale uiterlijkheden als de
topografische titel en een opdracht aan de ‘Delfsche Sang-lievende
Juffertjes’. In zijn liederen komt de stad echter niet of nauwelijks
voor. Een van de kluchtliederen is zelfs gesteld in onmiskenbaar Waterlands
101.
| |
Den Haag
Speciale aandacht verdient de
Nieuwe Haagsche Nachtegaal, uitgegeven in
Amsterdam door
Jan van Duisberg (1659), die ook wel als lieddichter
optrad
102. In tegenstelling tot
wat de titel suggereert, is het een door en door Amsterdamse bundel, met
liederen van
Van Duisberg zelf,
Vondel,
Reaal,
Spiegel,
Tesselschade,
Jonctijs en Cats. Daaronder bevindt zich een
vijftal licht-chauvinistische verwijzingen naar de Amstelstad. Er is slechts
één lied met een Haags decor: het Haagse Bos
103, waarvan we op de titelgravure vermoedelijk een afbeelding zien.
Een ander lied dat pretendeert Haags te zijn (‘Out Haags
Kermis-liedt’), komt echter al veel eerder voor in
Den nieuwen ende vrolijcken Amstelredamschen
Doele-Vreught (1627)
104; het lijkt me meer de Waterlandse dan de Haagse tongval na te
bootsen. De ‘Voor-Sang’ van de uitgever brengt de oplossing: de
Amsterdamse jeugd wil kennismaken met de Haagse nachtegaal en
Van Duisberg spoort daarom de Amstelzangeressen aan
‘Keyzers grachje, Rijkebuurt,/ Kluveniers en Cingels-waatren’ te
laten schallen, zodat de nachtegaal in het Haagse bos het hoort en ook gaat
zingen. Het betreft dus weer interlokaal contact tussen jongeren: de liederen
zijn bestemd voor zowel Amsterdamse als Haagse meisjes, de laatsten onder
aanvoering van een niet bij name genoemde ‘joffer’ - de Haagse
nachtegaal zelf. Eerder zagen we dat de
Amsterdamsche Pegasus op de jeugd in twee steden
tegelijk mikte, de Amsterdamse en de Leidse. Na de periode waartoe we ons
momenteel beperken, ziet men vaker titels met meer dan één
stadsnaam, zoals de
Uytertse Hylickmaeckers, Vol Soetighheydt/ Ofte Amsterdamse
Kermiskoeck, te dateren ná 1665
105. Het betreft een initiatief van een groep Utrechtse | | | | jongeren voor een soortgelijke groep uit Amsterdam, die ze
op de kermis aldaar ontmoeten.
| |
Mopsjes: Hoorn, Alkmaar,
Enkhuizen
Het
Hoorns Liedt-Boecxken van 1659 is strikt genomen
het enige mopsje dat binnen ons corpus valt. Dit noopt me althans het begin van
de bekende traditie van deze zeer kleine Noordhollandse liedboekjes te
behandelen, een traditie die een kleine twee eeuwen zou duren
106. Kenmerkend voor de mopsjes is het formaat: 32mo ofwel zo'n 4,5
x 7 centimeter staand. Dankzij dit zeer kleine formaat konden de juffers de
boekjes gemakkelijk in hun tasjes meenemen. Mopsjes zijn kleinoden, ware
statussymbooltjes: vaak fraai gebonden, voorzien van zilveren slotjes en soms
zelfs afgezet met schildpad. Ze werden bij bruiloften op zilveren schalen aan
de gasten gepresenteerd.
Het genoemde Hoornse liedboek is weliswaar het oudst bewaard
gebleven mopsje - steeds volgens Scheurleer - maar niet het allereerste. Het is
‘op nieus vermeerdert’, met andere woorden, het betreft tenminste
een derde druk. De betreffende editie is opvallend genoeg uitgegeven in
Alkmaar, hetgeen wellicht vooruitloopt op de latere conglomeraten
van Noordhollandse liedboekjes: mopsjes uit Hoorn,
Enkhuizen, Alkmaar, Edam en
Purmerend fuseerden in steeds wisselende combinaties.
In het
Hoorns Liedt-Boecxken van 1659 vinden we
hoegenaamd geen lokaal getinte liederen. Wel bevat het reeds de liedjes waaraan
de mopsjes hun naam zouden hebben ontleend, liedjes waarin de herder Mopsis een
rol speelt.
De oudst bewaard gebleven druk van het
Alckmaerder Liet-Boexken (ca. 1664-1670)
107 is ook een derde druk. Omdat dit typisch lokale liedboek mischien
buiten ons corpus valt, citeer ik slechts één lied, dat voor ons
onderzoek van bijzonder belang is. Het betreft het ‘Vreucht-gesangh der
negen Sang-Goddinnen’ ter ere van de zingende Alkmaarse jeugd. Elk der
negen muzen zingt een strofe op telkens een andere wijs. Calliope begint:
Roemluchtigh Amstellandt,
Roemt vry op uwen over groote stadt,
Veel grachten vol van vuylicheydt om vat.
Wy roemen op oudt Alckmaer jent [= mooi],
Vermaecklijck en excellent
108.
Duidelijker is de jaloezie op het allesoverheersende
Amsterdam niet in verzen te vatten. Wat deze Alkmaarse muzen
betreft mogen andere steden zich beroemen op wat ze willen,
Alkmaar spant de kroon met haar Hout, vroedschap, kerk en orgel.
De gehele muzenzang is een imitatio, niet naar een Amsterdams maar naar
een Haarlems voorbeeld. Dit is het eerder geciteerde lied uit
Sparens Vreughden-Bron, waarin de Haarlemse
Calliope ook al afgunstig was jegens Amsterdam (‘Laat Romen op sijn Tyber
roomen/ En Amstel op haer Amstel-stroomen’). Literaire wedijver in
stedelijke naijver, derhalve.
| | | |
Ook Hoorn had een rivaal:
Enkhuizen. De produktie van wereldlijke lokale liedboeken komt
hier na 1660 op gang. Het
Enchuyser Lied-Boecxken (Enkhuizen, eerste druk
1668) is sterk afhankelijk van het Hoornse mopsje; het neemt daaruit
bijvoorbeeld de Mopsis-liederen over. De veel interessantere
Enchuyser Ybocken van
Femme Gerbrandtsz. Drieduym, een ware catalogus van
lokale ambachten, werd door Scheurleer vragenderwijs gedateerd 1657 maar is
zeker van na 1666
109, waardoor ook dit werkje buiten ons corpus valt.
| |
Zuidnederlandse steden
Vergeleken bij Holland komt het lokale liedboek, althans in de
formele zin waarin wij de term hier hanteren, in de Zuidelijke Nederlanden vrij
weinig voor. Het oudste is waarschijnlijk de
Brusselschen Blom-Hof van Cupido
(Brussel 1641) van de jeugdige dichter
Guilielmus van der Borcht (ofwel ‘a Castro’).
In het voorwerk blijkt sprake te zijn van naijver jegens de noordelijke
dichtkunst. Er wordt niet alleen geappelleerd aan de chauvinistische gevoelens
van Brusselaars, maar ook aan die van Brabanders en zelfs het ‘gansche
Neder-landt’. Het boek is fraai verlucht met gravures (afbeelding 13) en
lijkt de Hollandse voorbeelden naar de kroon te willen steken. De lokale kleur
is beperkt tot boertige liederen, waarvan er een zich afspeelt in
Koekelberg, een vermaaksoord even ten oosten van
Brussel.

Afbeelding 13. Titelgravure van de Brusselschen
Blom-Hof van Cupido (Brussel 1641). (Koninklijke Bibliotheek Den
Haag)
| | | |
Deze sfeer zal ook te vinden zijn in het
Brussels Moeselken (Brussel:
Gielis Stryckwant, 1659) van de boezemvrienden
Petrus Suetmans en
Eustachius de Meyer, dat ik niet heb kunnen raadplegen
110. De titelgravure (afbeelding 14)
toont een dorper in de stijl van Teniers, met een moezel of doedelzak. De vier
pijpen staan voor de vier afdelingen van de bundel: minne-, herders-, drink- en
boertige liederen.

Afbeelding 14. Titelplaat van het
Brussels Moeselken (Brussel 1659). De
doedelzak (moezel) heeft vier pijpen die, samen met de vier tafereeltjes achter
de muzikant, corresponderen met de vier afdelingen van het liedboek (amoureuze,
pastorale, drink- en boertige liederen).
Uit het Antwerpse zijn twee lokale bundels bekend,
rederijkersboekjes die de renaissancistische ambitie van
Van der Borcht nauwelijks benaderen. In 1650 verscheen
Den Groeyende Lierschen Blom-Hof van de
produktieve toneelschrijver
Cornelis de Bie, lid van de rederijkerskamer
‘Den groeyenden Boom’ in Lier; in
Antwerpen zelf verscheen
Eenen Nieuwen Antwerpschen Liekens-Boeck genaamd
Den Lust-hof der Jonckheydt
(Antwerpen:
Godtgaf Verhulst, tweede druk 1654), een collectief
produkt van de Antwerpse rederijkerskamer de
‘Goudt-Blom’
111. Dit werk heeft niets dan de plaats van publicatie
gemeen met het beroemde zogenoemde ‘Antwerps
Liedboek’ uit 1544, waarvan de werkelijk titel,
Een schoon Liedekens Boeck, niet aan ons
topografische criterium voldoet
112. Het is niet uit te maken of het
Antwerpse liedboekje het Lierse navolgde - althans in de titelgeving - of
andersom. Geen van beide vertoont lokale kleuring.
| | | |
| |
Gewestelijke bundels
Evenals de steden konden ook gewesten hun eigen liedboek hebben.
Hierbij kunnen we soortgelijke mechanismen veronderstellen als bij de lokale
liedboeken. Vijf gewesten zijn hierbij betrokken: Friesland, Zeeland, Holland,
Overijssel en Brabant. We zullen ze slechts behandelen voor zover ze relevant
zijn voor ons onderzoek naar de lokale liedboeken.

Afbeelding 15. Titelgravure (verkleind) van J.J.
Starters
Friesche Lust-Hof (Amsterdam
1621). Centraal in de lusthof, temidden van de zich vermakende jeugd, is de
Friese maagd gezeten
Het eerste gewestelijke liedboek is tevens het belangrijkste: de
Friesche Lust-Hof van
Jan Jansz. Starter (Amsterdam 1621). Het is
een van de mooiste liedboeken uit de zeventiende eeuw, en dat zegt veel. De
titelplaat toont de Friese jeugd, zich vermakend met zang en geminnekoos in wat
klaarblijkelijk een Friese lusthof moet voorstellen (zie afbeelding 15). De
opdracht, gericht ‘tot de Jong-Frouwen van Friesland’ zal de lezer
inmiddels als een cliché in de oren klinken, maar dat was het in 1621
beslist nog niet. Integendeel, de Friesche Lust-Hof is in vele opzichten
de Amsterdamse lokale liedboeken vooruit. Van de lokale liederen zijn er twee
voor ons van belang door hun originaliteit: een liedje in het Fries
113 en een loflied op
Friesland, dat de belangstelling van
Huygens wekte
114. De timing van
Starter - zelf geen Fries - was perfect. Zijn bundel liep
in de voorste gelede- | | | | ren van de al bij
Campanus genoemde literaire trend waartoe ook
Huygens' Haagse stedendicht
Batava Tempe ofwel
Voorhout (voltooid 1621) behoorde en diens model,
Johan van Heemskercks
Geneuchlijcke Paedtje (1621) op een laan in
Leiden
115.
De
Friesche Lust-Hof werd spoedig gevolgd - ik ben
geneigd te zeggen ‘nagevolgd’ - door een al even schitterende
gewestelijke dichtbundel, de
Zeeusche Nachtegael (Middelburg
1623). Dit was werkelijk een prestigeproject, een initiatief van Zeeuwse
dichters die de Hollanders wilden tonen dat er ook in Zeeland een letterkundig
leven bestond. Voor ons van belang is de lokale kleur van een aantal liederen,
vooral boertigheden die in het Zeeuwse volksleven zijn gesitueerd (Zeeuwse
mosselman, Zeeuwse slijper).
Als reactie op het Zeeuwse project - waarvoor vooral in Holland
belangstelling bestond - verscheen het minder belangrijke
Hollands Nachtegaeltjen (Amsterdam
1633). Het bevat vooral liederen van Amsterdamse dichters, zoals de
lokaal-chauvinist
M. Campanus. Aardig is het bijgebonden
Hollandts en Zeeuws Nachtegaels t'Samen-Gezangh,
waarin de liederen uit de
Zeeusche Nachtegael broederlijk naast
‘Hollandse’ liederen staan afgedrukt.
Ook Brabant kreeg zijn Nachtegaal. In tegenstelling tot de
noordelijke bundels is dit een typisch volksboekje, dat buitengewoon populair
lijkt te zijn geweest. De vroegst bekende drukken (een tiende uit 1650 en een
veertiende uit 1656) zijn uitgegeven door
Jan Mommaert in Brussel
116, die zelf ook liederen
bijdroeg, samen met andere Zuidnederlandse dichters als de bekende
Joan Ysermans. Het
Brabandts Nachtegaelken, opgedragen aan de
‘Brabandtsche jonckvrouwen’, bevat ook liederen uit Holland. De
boertigheden zijn sterk lokaal gekleurd, zoals een herbergruzie ‘Buyten
Brussel in de Kat’ en een scatologisch lied over een boer in
Tervuren
117.
Voer voor volksliedkundigen is een boertig refrein ‘Op het edel en
wijdt-vermaerdt Koeckelberghs Bier’, waarin tal van liederen worden
geciteerd
118.
Volledigheidshalve noem ik nog de bundel van de Deventer calvinist
Jacobus Revius,
Over-ysselsche Sangen en Dichten
(Deventer 1630), waarin de lokale kleur slechts aanwezig is in
enkele regionaal-historische liederen.
| |
Nadere interpretatie van het materiaal
Tijdens het ‘doorbladeren’ van de lokale boekjes zijn
ons tal van zaken opgevallen betreffende hun lokale dimensie, zoals de
produktie door dichters en uitgevers en de couleur locale van de
liederen. Ook zagen we hoe sommige steden elkaars boekjes navolgden en hebben
we het vermoeden geuit dat rivaliteit tussen die steden daaraan debet was.
Alvorens nader in te gaan op deze zaken, zullen we ons eerst bezighouden met de
klassieke volkskundige vragen naar verspreiding in tijd en ruimte, waaraan is
toe te voegen die in de sociale ruimte.
| | | | | | | |
| |
Verspreiding
De scheiding van het geestelijke en het wereldlijke domein is
alleen al uit het oogpunt van verspreiding zinvol gebleken. Na enkele vroege
geestelijke liedboeken zoals die uit Pruisen en
Walcheren speelt de lokale titelgeving zich vrijwel uitsluitend af
in Noord-Holland (de witte rondjes op het kaartje op p. 59). Het gaat in veruit
de meeste gevallen om doopsgezinde boekjes. Opvallend is dat niet alleen steden
maar ook dorpen, waaronder enkele zeer kleine, lokale liedboeken hebben. Het
oudst bekende lokale geestelijke liedboek in Noord-Holland komt
uit De Rijp en tot de jongste behoren die van
Middelie en Kolhorn. Hoorn, de
‘hoofdstad’ van West-Friesland, spant de kroon met drie lokale
bundels. Opvallend is dat in de tweede helft van de eeuw er vrijwel geen lokale
geestelijke liedboeken bij komen. Dit is te verklaren uit de omstandigheid dat
de ergste centrifugale krachten die het doperdom teisterden dan tot bedaren
zijn gekomen.
Het wereldlijk domein toont een geheel ander beeld (zie kaartje).
Aanvankelijk komen de lokale liedboeken alleen voor in Amsterdam,
maar Haarlem volgt spoedig met een eigen traditie. Buiten de as
Amsterdam-Haarlem ontstaat er in de jaren '20 een onafhankelijke traditie van
gewestelijke liedboeken: Friesland, Zeeland,
Holland, Brabant en Overijssel. Met name
de eerste twee inspireerden twee lokale liedboeken in Zuid-Holland
(Dordrecht en Schoonhoven) en wellicht ook
Amsterdamse liedboeken. De latere lokale liedboeken reageren op de traditie van
Haarlem en Amsterdam: Utrecht, Rotterdam,
Leiden, Delft. Het zwaartepunt ligt daarbij wederom
op Zuid-Holland. Pas aan het einde van de door ons onderzochte
periode zien we wereldlijke lokale liedboeken ontstaan ten noorden van
Haarlem en Amsterdam: eerst natuurlijk weer
Hoorn, gevolgd door Alkmaar, Enkhuizen
en enkele kleinere steden. Op het moment dat het geestelijke lokale liedboek
uit die streken verdwijnt, komt het wereldlijke ervoor in de plaats. Naast de
verspreiding in de Republiek zien we vanaf de jaren '40 ook in de Zuidelijke
Nederlanden enkele lokaal getitelde liedboeken ontstaan, met name in
Brabant langs de as Brussel-Antwerpen.
De wereldlijke lokale liedboeken in de doorzochte periode hebben
vrijwel altijd betrekking op steden, niet op dorpen zoals soms in de
geestelijke traditie. Daarin zal in de tweede helft van de zeventiende eeuw
overigens verandering komen. We noteren ten slotte dat het verschijnsel lokaal
liedboek zich vooral in het gewest Holland voordoet en - in veel mindere mate -
in de Zuidelijke Nederlanden.
Voor de sociale verspreiding kunnen we de bekende dichotomie van
volks- en elitecultuur te hulp roepen. Passen we deze toe op liedboeken, dan
spreken we over het grote verschil - aan het begin van de zeventiende eeuw -
tussen de traditionele, eenvoudige liedboeken en modieuze luxe-uitgaven. Het is
deels een uiterlijk verschil. Dat toont het voorbeeld van
Bredero: zijn
Geestigh Liedt-Boecxken - let op het diminutivum
- van 1621 is qua uitvoering een vrij traditioneel boekje, het
Groot Lied-Boeck uit 1622 daarentegen een
waardige representant van de luxe-categorie. De liederen uit 1621 zijn evenwel
allemaal terug te vinden in het pronkstuk van 1622. Het gaat dus vooral om
uiterlijke verschillen, die overigens zeker gevolgen zullen hebben gehad voor
de prijs en daarmee voor de sociale laag | | | | van de afnemers. Van het
Groot Lied-Boeck is bijvoorbeeld bekend dat het
in 1628 1 gulden en 14 stuivers kostte, wat inderdaad ver boven het gemiddelde
moet hebben gelegen: in het algemeen behoorden liedboekjes samen met
almanakken, schoolboekjes en dergelijke tot de goedkoopste boeken
119.
De lokale liedboeken laten zich niet en masse in
één van de genoemde categorieën plaatsen. In dit opzicht is
er wel een verschil waarneembaar tussen geestelijke en wereldlijke liedboeken.
De geestelijke zijn aanmerkelijk eenvoudiger uitgevoerd: het zijn inderdaad
‘boecxkens’. Alle leden van de gemeente moesten ze immers kunnen
verwerven. Een sociaal-economische verklaring lijkt me hier echter niet de enig
mogelijke; ook de sobere levenshouding van de doopsgezinden kan hebben
bijgedragen aan dit verschil. Onder de wereldlijke liedboeken zien we
uitersten. Zo zijn bijvoorbeeld de
Friesche Lust-Hof, de
Zeeusche Nachtegael en de
Amsterdamsche Pegasus bijzonder rijk uitgevoerd,
het
Brabandts Nachtegaelken, het
Haerlems Oudt en het
Nieu dubbelt Haerlems Lietboeck daarentegen heel
eenvoudig. De meerderheid van de wereldlijke lokale liedboeken behoort echter -
zeker rond het midden van de eeuw - tot een middenklasse: bescheiden van
formaat, maar her en der voorzien van aardige gravures. Deze boekjes maken de
indruk vooral voor het betere deel van de burgerij bedoeld te zijn geweest. Zo
noemde de uitgever van het
Utrechts Zang-Prieeltjen,
Lucas de Vries, de prijzen van de Haarlemse en Amsterdamse
boekjes hoog, al bleken ze voor de Utrechtse jeugd geen bezwaar. Integendeel,
De Vries zou de statusverhogende waarde van de boekjes wel eens onvoldoende
onderkend kunnen hebben.
| |
De lokale dimensie
De lokale dimensie van de liedboeken laat zich ontbinden in een
aantal factoren, waarop we de bronnen tijdens het onderzoek hebben gescreend.
Dat zijn in de eerste plaats de produktie, zowel door dichters als uitgevers,
en de doelgroep. We kunnen dit de functionele lokale factoren noemen. Daarnaast
is er de literaire realisering van de lokale dimensie. Hiertoe zal ik de
couleur locale van de afzonderlijke liederen rekenen en ook aspecten die
de presentatie betreffen, zoals de titel en de opdracht.
Hoewel het niet altijd expliciet is vermeld, wekken veruit de
meeste lokale liedboeken de indruk het werk te zijn van een of meer dichters
ter stede, vaak leden van de plaatselijke rederijkerskamer. Dit laatste is
echter lang niet altijd te verifiëren, zeker niet zonder uitgebreid
detailonderzoek. Soms kan men de rederijkersachtergrond aflezen uit opdrachten,
eerdichten van mederederijkers, toespelingen in liederen en dergelijke. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij
Haarlem Soetendal en bij de boekjes uit
Dordrecht, Schoonhoven en Lier. Slechts
een enkele keer wordt een boekje gepresenteerd als het gezamenlijk produkt van
een rederijkerskamer; het
Nieuwen Antwerpschen Liekens-Boeck is een
voorbeeld. In het algemeen zou ik echter willen suggereren dat liedboeken veel
sterker in de rederijkerij wortelen dan we ons doorgaans realiseren.
Op de regel dat lokale liedboeken het werk zijn van lokale auteurs
zijn slechts weinig uitzonderingen. Een daarvan bleek het
Utrechts Zang-Prieeltjen. Dat dit uit | | | | liedjes van buiten de stad is samengesteld wordt door de uitgever
gemotiveerd met de lauwe belangstelling die de Utrechtse jeugd had getoond voor
eerdere boekjes met liedjes van plaatselijke dichters. Bij de
Rotterdamsche Faem-Bazuyn en het
Brabandts Nachtegaelken is voor een compromis
gekozen: ze bevatten werk zowel van eigen bodem als van elders.
De lokale produktie geldt ook de uitgeverij: de boekjes worden in de
meeste gevallen ter plaatse uitgegeven, zeker de eerste drukken. Alleen wanneer
het een kleine plaats betreft, wordt uitgeweken naar een uitgever in de
omgeving. Zo werd het
Middelier Lied-Boeck uitgegeven in
Edam, het
Colhorner Liedt-Boecxken in Alkmaar,
het
Woerdische Sangboeck in Utrecht en
het
Nieu Medenblicker Lietboeck in
Amsterdam. Het
Rijper Liedt-Boecxken werd aanvankelijk
uitgegeven - niet gedrukt - in het kleine maar trotse De Rijp
zelf, na de dood van de plaatselijke boekhandelaar echter in achtereenvolgens
Krommenie, Alkmaar en Zaandam. Een
opvallende uitzondering op deze algemene regel is de
Friesche Lust-Hof, die vanaf het begin in
Amsterdam is uitgegeven en niet bijvoorbeeld in Leeuwarden. Ook de
Zeeusche Nachtegael lijkt buiten het eigen gewest
meer aftrek te hebben gehad dan er binnen: na de eerste druk in
Middelburg verschenen alle volgende edities in Holland.
De primaire doelgroep van een liedboek kan men in het algemeen
gemakkelijk afleiden uit de opdracht, de voorreden, inleidende gedichten en
dergelijke. Ook gelegenheidsgedichten en acrosticha kunnen een lokale doelgroep
te zien geven, maar dan gaat het om de directe adressanten van de liederen en
minder om de doelgroep van het later samengestelde liedboekje.
De opdrachten van de vroege doopsgezinde lokale liedboeken richten
zich tot een algemene ‘Christelijke lezer’ en niet expliciet tot
een lokaal publiek. De latere geestelijke liedboeken, zoals de
Amsteldamschen Geestelijcken Lust-Hof, de Zaanse
bloemenbundels en het
Medenblicker Scharre-Zoodtje doen dat wel: hier
spreekt men de plaatselijke jeugd aan. Dat is dan allang een cliché in
de wereldlijke bundels, sedert
Starter zijn
Friesche Lust-Hof van 1621 met een eerdicht aan
de ‘Jong-frouwen van Friesland’ opende.
Opmerkelijk is dat meestal alleen de meisjes worden aangesproken,
soms de jeugd als geheel, een enkele keer de jongens én de meisjes maar
nooit de jongens alleen. De meisjes zongen om hun aanstaande mannen te
behagen - althans zo stellen die dichtende mannen het voor - en hun gezang
wordt beschouwd als een sieraad van de stad. Dit zijn natuurlijk literaire
conventies, maar dat betekent niet dat ze niet tot een gegeven uit de
werkelijkheid zijn te herleiden: meisjes waren blijkbaar ook al in de
zeventiende eeuw zanglustiger dan jongens.
Schaars zijn de gevallen waarin ook ouderen expliciet als doelgroep
worden vermeld. Dat zijn bijvoorbeeld het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck en
Teerincx'
Amsterdamschen Geestelijcken Lust-Hof. De inhoud
van de liedboeken, hoezeer ook onderling verschillend, weerspiegelt dit. Het
Haarlemse boek bevat talrijke oude liederen en Teerincx bezingt episoden uit
het gezinsleven die wellicht meer spraken tot de verbeelding van gehuwden dan
tot die van de jeugd. In beide gevallen is het wel de lokale burgerij
waarop wordt gemikt.
| | | |
Men kan zich afvragen of de beoogde lokale doelgroepen
bereikt werden, met andere woorden of de boekjes inderdaad in de stad zelf
werden gekocht en gebruikt. De boekjes zelf verschaffen weinig opheldering over
dat probleem. Hooguit kan men uit het aantal herdrukken afleiden of de boekjes
in een behoefte voorzagen. Dat is in het geestelijke domein bijvoorbeeld
duidelijk het geval met het Rijper en het Kleyn Hoorns liedboek
en in het wereldlijke vooral bij de typische volksboekjes, zoals die uit
Haarlem en Brabant. Van de meeste modieuze liedboeken
(zoals Dordrecht, Schoonhoven, Leiden,
Delft,
Haerlemsche Duyn-Vreucht) is echter dikwijls
alleen een eerste druk bewaard, die dan ook nog meestal zeer zeldzaam is. Dit
doet vermoeden dat dergelijke projecten weinig winstgevend waren: de produkten
waren modegevoelig en de doelgroepen zullen, door de lokale beperking,
getalsmatig klein zijn geweest. Daarover, en over oplagecijfers van liedboeken
is heel weinig bekend
120. Lijken de meeste individuele
liedboeken slechts in kleinen getale te zijn gedrukt en verkocht, het
concept van het lokale liedboek kon wel degelijk aanslaan. Dat
suggereren althans elkaar opvolgende lokale liedboeken uit dezelfde plaats. Het
Leyts-Prieeltje (1651), typisch zo'n
eendagsvlieg, werd bijvoorbeeld gevolgd door het
Leydsche Vreugden-Hoff (ca. 1662?) en de
Leytse Cupido (1667).
Andere bronnen die op vragen over de lokale afname antwoord zouden
kunnen geven, zijn bijvoorbeeld boekverkoperscatalogi en boedelinventarissen.
Liedboekjes behoren echter tot de minste categorie boeken en worden daarom lang
niet altijd bij name genoemd. Zo noemt de veilingcatalogus van de Amsterdamse
boekhandelaar
Cornelis Claesz. in 1610 onder de rubriek
‘Verscheyden Liedt-Boecken’ naast een aantal titels liedboekjes
en gros, zoals ‘Delfsche Liedt-boecken in 8’,
‘Haerlemsche Liedt-boecken in 16’ en ‘Antwerpsche
Liedt-boecken in 8’
121. Dit behoeven niet per se lokaal getitelde boekjes
te zijn; ze zullen in elk geval in de betreffende steden zijn gedrukt en
verkocht. Maar niet uitsluitend: ook in Amsterdam, naar nu blijkt.
Overigens laat de inventaris ons een glimp zien van wat er aan lokaal
geproduceerde liedboeken verloren moet zijn gegaan.
De geconstateerde problemen spelen nog sterker bij
boedelinventarissen. Deze kennen we bijvoorbeeld van een aantal inwoners van
Maassluis, waaronder een boekhandelaar
122. Een meerderheid van diens boekenbezit
bestond - we schrijven 1696 - uit liedboeken. De titels van de meeste boeken
worden afzonderlijk vermeld, alleen de liedboekjes worden als één
post opgevat: 500 stuks. Bij de boedels van andere inwoners van dezelfde stad
treffen we een enkele keer titels aan van liedboeken wanneer het fraaie
exemplaren betreft, zoals die van
Camphuysen en
Cats; van eenvoudige liedboeken wordt echter zelden een
titel vermeld. De boedels vertellen ons dus niet of de inwoners van Maassluis
exemplaren bezaten van bijvoorbeeld de
Maes-sluyse Vréde-Crans (1669) of het
Maes-sluysche tydt-verdryf (1671). Meer greep op
deze materie verschaft evenwel een soortgelijke boedelverzameling uit
Medemblik. Hier worden liedboeken vermeld wanneer ze kostbaar zijn
uitgevoerd, bijvoorbeeld wanneer ze zilveren slotjes hebben. Er zijn twee
categorieën, mopsjes en minnewitten. Mopsjes zijn, zoals we hebben | | | | gezien, een Westfriese specialiteit; de minnewitten komen daarentegen
uit Amsterdam
123. In de
Medemblikse boedels uit de achttiende eeuw tellen we 36 mopsjes tegen acht
minnewitten. Extra interessant is de boedel van een onbekende boekhandelaar in
1687, die 89 luxe en 131 eenvoudige mopsjes bevat
124. Hier vinden we vanuit de
materiële cultuur een onweerlegbare bevestiging - zij het weinig
gedifferentieerd - van althans één aspect van onze ‘lokale
hypothese’, die we tot nog toe uitsluitend konden baseren op de
liedboekjes zelf.
Bekijken we het geheel van de deelresultaten van onze speurtocht
naar de lokale dimensie van liedboeken in de sfeer van produktie en consumptie,
dan kan men de lokale liedboeken - vooral de wereldlijke - inderdaad
karakteriseren als gemaakt ‘voor en door’ inwoners van dezelfde
stad.
| |
De literaire vormgeving van de lokale dimensie
Naast deze sociaal gerichte analyse van het materiaal kan men het
ook meer literatuurhistorisch benaderen en de liedteksten op hun lokale
dimensie onderzoeken. Dan blijken de dichters een keur van mogelijkheden te
hebben ontwikkeld. Daar zijn bijvoorbeeld het stedenlof c.q. lof op het
gewest en een verwant genre als het stroomdicht. Representanten van deze
renaissancistische categorie, die natuurlijk ook en vooral buiten het lied
bloeide, hebben we gezien in achtereenvolgens de
Friesche Lust-Hof, het
Dordrechts Lijstertje en de
Amsterdamsche Pegasus.
Huygens'
Voorhout is in deze de grote katalysator geweest.
Als de volkse tegenhanger van deze categorie kan men het historielied
beschouwen, zoals de geuzenliederen op het beleg van Haarlem en
Amsterdam.
Het lokaal-chauvinistisch gevoel van de renaissancist vindt men ook
terug in wat ik bij de behandeling van de Amsterdamse liedboeken met
pastoraal chauvinisme heb aangeduid: liederen waarin nimfjes en satyrs
de oevers van de Amstel - het Spaarne, de Oude
Rijn - bevolken. Ook hier is er een volkse tegenhanger, waarbij
overigens aanvankelijk het volk uitsluitend als object en niet als subject
diende: de boertige liederen.
Bredero was de grootmeester van dit genre, waaraan hij
een buitengewoon effectief stijlmiddel toevoegde: de nabootsing van het
plaatselijke dialect. Dit suggereert een voordracht met wat ik niet anders kan
noemen dan een ‘boertjes-van-buut'n-effect’
125.
Dit zou talrijke malen worden geïmiteerd, waarbij men - naar het mij
toescheen - vaker Bredero's fonetische schrijfwijze overnam dan dat men een
adequate notatie ontwikkelde voor het eigen dialect. Deze eerste indruk
verdient het zeker te worden getoetst door historisch-dialectologisch
onderzoek.
De boertigheden spelen zich meestal af in de omgeving van de stad.
Het gaat om bijvoorbeeld gesprekjes tussen volksfiguren en beschrijvingen van
lokale feestelijkheden als de kermis of het trekken van gans of snoek. De
stedelijke bevolking kon dit alles waarnemen tijdens haar zondagse uitstapjes.
Dergelijke vormen van ‘aapjes kijken’ door de elite zijn ook in de
schilderkunst gedocumenteerd, vooral in de Zuidelijke Nederlanden
126.
Thematisch niet ver verwijderd van de boert buiten de stadswallen
zijn de talrijke verwijzingen naar uitstapjes. Deze liederen vormen een rijke,
tot nog toe niet | | | | geëxploreerde bron voor het vermaaksleven
van de zeventiende-eeuwse jeugd. We zien hoe de Haarlemse jongeren in hun
speelwagens naar het Zandvoortse strand rijden, er baden, door de duinen
wandelen, panaal in Spaarndam verzwelgen. Het vermaak is
geografisch bepaald: de Amsterdamse jeugd spelevaart op de Amstel, de jonge
Leidenaars schaatsen onder de stadswallen of toeren over de vaarten en hun
Dordtse leeftijdgenoten doen zich langs de rivier te goed aan lokale
specialiteiten als eend en zalm. Ook de ‘hout’
(Haarlem, Den Haag, Alkmaar) is in trek.
De betreffende liederen vervullen een interessante dubbelrol: ze vertellen over
het vermaak en maken tegelijkertijd deel uit van datzelfde vermaak. Overigens
wordt het vermaak ‘zonniger’ voorgesteld dan het was: tijdens
winteravonden moest er binnenshuis worden gezongen, zo verraden de
Winter-Bloempjes.
Hoe belangrijk het thema ‘vermaak van de jeugd’ is,
blijkt ook uit titels als
Duyn-Vreucht,
Vreughde-Stroom en
Doele-vreught en uit de gravures die de boekjes
sieren
127. Eén van de
vormen van vermaak die afgebeeld wordt, vindt men zelden in andere vormen van
beeldende kunst: het zingen van liedjes. ‘Muziek’ is weliswaar een
van de belangrijke onderwerpen van de zeventiende-eeuwse schilderkunst en
daarbij worden ook zingende personen afgebeeld, maar dit betreft doorgaans het
zingen van bladmuziek, zelden of nooit uit een (klein, relatief dik)
liedboekje. Men zwaait bij zulk zingen de maat: er wordt met gepaste ernst door
amateurs gemusiceerd. Dat is iets anders dan spontaan gemeenschappelijk gezang
op de speelwagen naar Zandvoort. Dergelijke lekenzang uit
liedboekjes is voor zover mij bekend een uiterst zeldzame topos in de
schilderkunst
128; gravures
uit liedboekjes vormen in dit opzicht een unieke picturale bron.
Van bijzonder belang voor onze kennis van de toenmalige
jongerencultuur zijn verwijzingen naar contacten tussen jeugdgroepen in
verschillende plaatsen. Dit is een van de weinige lokale kleuringen die men ook
in het geestelijke lied kan aantreffen. Zo maakte de Rijper jeugd geestelijke
liederen voor leeftijdgenoten uit Jisp en de Hoornse voor die op
Tessel. In het wereldlijke domein richtte een Rotterdammer een
wereldlijk lied aan de ‘Schiese’ jeugd en een Amsterdammer een heel
liedboek aan zijn beminde Haagse ‘nachtegaal’ met haar vriendinnen.
Ook de Utrechtse jeugd stelde een liedboek samen voor anderen, te weten
Amsterdammers met wie men ging kermis vieren.
Een ander genre dat kan bijdragen aan het lokale coloriet is het
ambachtslied, zoals dat van de Zeeuwse mosselman en van de Haarlemse
slijper. Een bijzonder geval is de Amsterdamse Oostindïevaarder, wiens
adieu aan Amsterdam overlapt met het afscheidslied. In dit laatste
genre (dat valt onder het gelegenheidslied) bracht de rederijker
Haarlem Soetendal enkele populaire specimina voort, die
aan het begin staan van de Haarlemse traditie van lokale liedboeken.
Ten slotte kan men ook de topografische titels zelf
beschouwen als een literaire invulling van de lokale dimensie van liedboeken.
In de titelgeving zijn duidelijk modeverschijnselen waarneembaar. Welbeschouwd
zijn er twee golven geweest. De eerste begint met de drie vroege Amsterdamse
liedboeken, het
Aemstelredams Amoreus Lietboeck van 1589 voorop,
en loopt door in de geestelijke liedboeken en in de traditionele wereldlijke
liedboeken uit Haarlem. De titels zijn nog stereo- | | | | tiep:
ze onderscheiden zich voornamelijk door de topografische aanduiding en indien
nodig door toevoegingen als Nieuw, Oud, Groot, Klein en Amoreus
129.
De tweede golf wordt opgeroepen door de
Friesche Lust-Hof (1621) van
Starter, die inhaakt op een lokaal-chauvinistisch snufje
dat rond 1620 de literaire lucht lijkt te bezwangeren. Vrijwel alle volgende
lokale wereldlijke liedboeken hebben beeldende titels: van nu af aan zingt ook
de lokale jeugd uit prieeltjes, lust- en bloemhoven, nachtegaaltjes, bloempjes,
bronnen en beekjes, rommelzooi en mengelmoes, faambazuin en moezelaar. Deze
mode bestond al eerder bij de liedboeken zonder topografische titels - ze begon
met de
Nieuwen Lust-Hof van 1602 - en waaide tenslotte
over naar de lokale liedboeken in het geestelijke domein.
Hoezeer ook door literaire mode bepaald, de titels verwoorden door
de dichter, samensteller of uitgever gewenst geachte associaties en daarvan is
de topografische er een. Deze topografische associatie is te duiden als
stedentrots - waarover spoedig meer. Ze kan worden versterkt door een
opdracht aan de plaatselijke jeugd. Een vrij zeldzame maar sterk werkende
stijlfiguur die ongeveer hetzelfde beoogt, wordt toegepast door
‘Bredero, Amsteldammer’ en door ‘Haerlem
Soetendal’
130. Deze auteurs koppelen hun eigen naam
aan die van de stad en belijden daarmee openlijk hun persoonlijke
lokaal-chauvinisme.
Zo is de topografische titel verklaard als een literair stijlmiddel
om uiting te geven aan of in te spelen op gevoelens van lokaal chauvinisme.
Soms correspondeert het met de opzet van een boek, bijvoorbeeld bij het
Haerlemsch Oudt Liedt-Boeck, waarin alle lokaal
getinte liederen voorop zijn geplaatst, of bij het
Dordrechts Lijstertje, dat doortrokken is van
couleur locale. In andere gevallen blijkt een topografische titel
slechts de verpakking voor een liedbundel die functioneel wel lokaal is, maar
niet literair-inhoudelijk (Utrechts Zang-Prieeltjen,
Rotterdamsche Faem-Bazuyn,
Delfs Cupidoos Schighje en vele geestelijke
bundels).
In dezelfde sfeer van titel en opdracht bevindt zich de
titelgravure, die de werking van de lokale verpakking in hoge mate kan
versterken. Niet alleen de topografie, ook het vermaak van de jeugd is een
geliefd thema op dergelijke gravures en vaak worden die twee ook gecombineerd
(Friesche Lust-Hof,
Schoonhoofs Lust-Prieelken,
Amsterdamsche Vreugde-Stroom, enzovoorts).
| |
Lokale liedboeken en stedelijke rivaliteit
In het bovenstaande zijn veelvuldig termen gevallen als
stedentrots en lokaal chauvinisme. Verklaren we één lokaal
liedboek uit dergelijke uitingen van stedelijk zelfbewustzijn, dan is het
aantrekkelijk de lange reeks lokale liedboeken te verklaren uit stedelijke
rivaliteit. In de stadsgeschiedenis, met name die van de Middeleeuwen, is dit
een bekend gegeven
131. De stedelijke autonomie, waarvoor de middeleeuwse burger zich zo
had ingespannen, was een belangrijk motief geweest voor de Tachtigjarige
Oorlog. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de zeventiende-eeuwse
Republiek, die het resultaat was van die strijd, de stedelijke autonomie nog
steeds hoog in het vaandel stond, naast de gewestelijke. In tegenstelling tot
de overige gewesten voerde in Holland de stedelijke autonomie de boventoon: dit
gewest was in feite een liga van achttien stadrepublieken. Binnen de | | | | steden heerste een hiërarchie: men maakte traditioneel onderscheid
tussen de zes grote steden (Dordrecht, Haarlem,
Delft, Leiden, Amsterdam en
Gouda) en de twaalf kleine, waarvan Rotterdam weer de
grootste was. Door zijn economische macht domineerde Amsterdam de
overige steden in de liga in hoge mate.
Tussen de steden onderling heersten talrijke rivaliteiten, die
meestal hun oorsprong vonden in economische belangentegenstellingen. Zo was
Dordrecht in de Middeleeuwen voortdurend in conflict met steden
als Rotterdam en Schoonhoven in verband met het
stapelrecht, dat de stad door dik en dun verdedigde. Rotterdam en
Delft streden om Delfshaven. Amsterdam
en Haarlem hadden - zoals eerder beschreven - een hele reeks
redenen voor hun onderlinge naijver. Door zijn dominerende positie had
Amsterdam in feite met vrijwel alle Hollandse steden economische
wrijvingen. Ook tussen Hoorn, dat West-Friesland domineerde, en
Enkhuizen heerste rivaliteit.
Zetten we deze algemeen-historische gegevens af tegen de
verspreiding van de liedboekjes die we eerder hebben geconstateerd, dan treft
ons een aantal overeenkomsten, althans in het wereldlijke domein. De overgrote
meerderheid van de lokale liedboeken komt uit Holland, het gewest waar de
stedelijke autonomie het grootst was. We hebben bij de wereldlijke boekjes ook
al opgemerkt dat het steeds om steden ging, nooit om dorpen zoals in het
geestelijke lied. De zes grote steden van Holland hebben elk een of meer
liedboeken, Gouda uitgezonderd. De fraaiste gewestelijke bundels
vinden we buiten Holland: Friesland en Zeeland, waar het gewest de
belangrijkste politieke eenheid was. Maar ook op het niveau van de
afzonderlijke rivaliteiten vinden we telkens overeenkomsten.
Dordrecht en Schoonhoven, die ooit vochten wegens het
stapelrecht, komen in hetzelfde jaar met stedelijke liedboekjes in een periode
dat deze buiten Amsterdam en Haarlem nog niet eerder
te zien waren geweest. Amsterdam en Haarlem zelf, aartsrivalen, lijken met hun
rijke tradities van lokale liedboeken tegen elkaar op te bieden. Bij de
‘oude’ liedboeken uit die steden hebben we zelfs regelrechte
overname kunnen constateren.
Bredero, Amsterdammer, tartte de Haarlemse schutters
en de muzen van Haarlem en Alkmaar bleken af te geven
op Amsterdam. Het Enkhuizer mopsje betrekt zijn liederen uit het
Hoornse mopsje van tien jaar eerder. Mogelijk reageert het
Leyts-Prieeltje met zijn liederen over het beleg
van Leiden op de Haarlemse liedboeken, waarin deze topos werd
geïntroduceerd. Dat er ook tussen Brussel en
Antwerpen van rivaliteit sprake was, lijkt me waarschijnlijk; hun
liedboeken doen het vermoeden. We kunnen een zekere wetmatigheid opmerken: het
initiatief lijkt van de machtigste stad uit te gaan; de kleinere volgt na. Men
vergelijke de koppels Amsterdam-Haarlem,
Dordrecht-Schoonhoven,
Haarlem-Leiden,
Hoorn-Enkhuizen,
Amsterdam-Brussel, Brussel-Antwerpen.
Evenals in het economische leven wordt op het bescheiden niveau van de
liedboekjes rivaliteit ingefluisterd door jaloezie. Ook op gewestelijk niveau
is sprake van rivaliteit: de
Friesche Lust-Hof is nauwelijks verschenen of
Cats verzamelt al kopij voor een
Zeeusche Nachtegael. Beide gewesten wedijveren
met Holland.
Al deze overeenkomsten suggereren dat de stedelijke en gewestelijke
rivaliteit inderdaad belangrijke factoren zijn geweest bij het ontstaan en de
verspreiding van | | | | de lokale liedboeken. In de Renaissance luidde de
literaire term voor rivaliteit aemulatio, het strijdbare zusje van
imitatio. Bij imitatio volgt men een literair voorbeeld na, uit
eerbied voor de meester en in de hoop ook een goed kunstwerk te vervaardigen;
bij aemulatio doet men hetzelfde maar poogt daarbij de meester te
evenaren of zelfs voorbij te streven. Het is duidelijk dat deze
procédé's ook ten grondslag liggen aan de literaire vormgeving
van de lokale dimensie van liedboeken. We zien ze toegepast op de titels, de
gravures, de opdrachten en op vele van de stijlmiddelen die de liederen hun
couleur locale verlenen.
Toch kan men het lokale liedboek niet monocausaal uit stedelijke
rivaliteit verklaren. Tussen Zwolle en Kampen bestond
ook rivaliteit, maar we kennen geen Zwols of Kampens Liedboek
132. Blijkbaar
is een aanwezige zang- en liedboekjescultuur een voorwaarde, en inderdaad,
veruit de meeste liedboeken, ook de niet-lokale, komen in de zeventiende eeuw
uit Holland. Verder moeten we kijken naar culturele invullingen van het begrip
stedelijke naijver. In dit verband zijn dat in de eerste plaats de
rederijkerskamers, die immers met de regelmaat van de klok hun
stedelijke én literaire naijver in landjuwelen en andere festiviteiten
uitleefden. Een vast onderdeel van hun wedstrijden was het vervaardigen van een
lied op een gegeven thema. Zoals eerder betoogd lijken vele van de lokale
liedboekjes uit hun midden te zijn voortgekomen. De verspreiding van de lokale
liedboeken correspondeert wonderwel met de gewesten waar de rederijkerij
bloeide: Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant. In de oostelijke gewesten
komen weinig rederijkerskamers voor, in het noorden ontbreken ze vrijwel
geheel. Dit maakt het aannemelijk dat het de rederijkerskamers zijn geweest die
als het culturele medium hebben gefungeerd waardoor de stedelijke naijver zich
in een stortvloed van lokale liedboeken heeft kunnen ontladen.
Betrekken we nu de stedelijke naijver op de doelgroepen van de
uitgevers van de boekjes. De volksliedkundige Ernst Klusen heeft eens het
begrip ‘groepslied’ voorgesteld als een muzieksociologisch
alternatief voor het wetenschappelijk gezien verouderde,
romantisch-essentialistisch gekleurde begrip ‘volkslied’
133. Binnen de groepen waaraan Klusen dacht, kenden alle
leden elkaar. Het lied was in zijn visie een van de ‘voorwerpen’
waarmee de groep werd vormgegeven. Substitueren we voor ‘groep’
‘de plaatselijke jeugd die zich een middle-class liedboek kon
veroorloven’, dan lijkt Klusens model aardig te passen. Veel van de
lokale liedboeken bleken te zijn ontstaan in groepen vrienden, die hun
groep-zijn onder meer vormgaven door te zingen. Dit geldt even goed voor de
doopsgezinde jongerenvereniging in De Rijp en voor de
vriendenkring van de Medemblikse organist
Prins als voor de metgezellen waarmee
Christiaen van Wesbusch de duinen introk, voor de
rederijkers van Schoonhoven of voor het gezelschap waarvan
Haerlem Soetendal afscheid nam. Opvallend is ook hoe
jong de dichters vaak zijn. In essentie lijkt het te gaan om jeugdgroepen
waarin een paar jongens de liedjes maken en de meisjes ze zingen. Wanneer de
liederen worden gepubliceerd - vaak door drukkers en boekhandelaren die zelf
lid waren van dergelijke groeperingen - vergroot de groep die ze zingt zich
uiteraard, maar de liederen behoeven niet in een volstrekte anonimiteit te
verdwijnen. Men denke aan het Rijper lied- | | | | boekje, waarin de namen
van auteurs niet werden afgedrukt uit angst voor boycots door hun
niet-welgezinden.
Stellen we ons de lokale liedboeken voor als functionele
‘voorwerpen’ binnen zulke lokale groepen - hetzij de plaatselijke
jeugd van een zekere stand, hetzij de leden van een plaatselijke religieuze
gemeenschap - dan nuanceert dat onze verklaring uit de stedelijke rivaliteit.
Men onderscheidde zich met de liedboekjes van soortgelijke groeperingen uit
andere steden, waarmee zoals we gezien hebben contact werd onderhouden. Maar
liedboeken konden nog meer van dergelijke symboolfuncties dragen. De
geestelijke bundels en het daarin vastgelegde lied-repertoire markeerden de
religieuze richting die men aanhing, en de wereldlijke boekjes de jeugdige
staat. Voor de jeugdgroepen betekenden de boekjes, althans de chiquere, vaak
ook nog een sociale onderscheiding.
Lokale liedboeken zijn dan ook zeker niet te beschouwen als uitingen
van het zelfbewustzijn van een stedelijke samenleving als geheel: daartoe
dienden stadswapens en -zegels, stadhuizen en stadswagen, carillons en orgels.
Alleen Hoornse dopers en oudere Haarlemmers bleken stadswapens in hun lokale
liedboeken op prijs te stellen - al wappert er soms een stadsvlag op een
speeljacht. De vergelijking van meisjesgezang met zulke symbolen van stedelijke
trots is dan ook afkomstig van verliefde jongemannen, niet van vroede vaderen.
Een gebruiksartikel als een liedboekje was zo ongeveer het laatste waaraan een
stedelijke magistraat zou denken als deze de stedentrots materieel wilde
vormgeven. Om diezelfde reden zal men in een typisch lokaal liedboek zelden of
nooit een opdracht aan de lokale overheid aantreffen, zoals men die wel in
muziekboeken vindt
134.
| |
Besluit
Tenslotte ben ik de lezer nog een methodologische verklaring
omtrent het begrip ‘lokaal liedboek’ verschuldigd. Met opzet heb ik
dit in den beginne niet expliciet gedefinieerd: het begrip moest in de loop van
het onderzoek kunnen groeien. We hebben inmiddels gezien wat er zoal achter de
formele categorie ‘liedboek met topografische aanduiding in de
titel’ (ons heuristische instrument) kan schuilgaan. De kenmerken van
deze liedboeken bleken in twee groepen uiteen te vallen. Enerzijds zijn er de
functionele aspecten die betrekking hebben op de produktie en consumptie
alsmede de muzieksociologische facetten; anderzijds de literaire aspecten,
waarvan een aantal betrekking heeft op de ‘buitenkant’ van de
boekjes - titel, opdracht, titelgravure - en andere de stilistische middelen
betreffen die de liederen hun lokale kleur verlenen.
We kunnen nu die liedboeken als lokaal beschouwen die voldoende
van deze kenmerken bezitten. Hierbij zijn natuurlijk allerlei nuances aan te
brengen. Een enkele keer is de topografische titel een façade gebleken
voor een in andere opzichten nauwelijks lokaal te noemen liedboek, en ook het
omgekeerde komt voor: liedboeken die vele lokale kenmerken vertonen maar geen
topografische titel hebben. Daarmee blijkt de lokale dimensie een factor die
bij de studie in het algemeen van liedboeken uit de zeventiende eeuw en later
betrokken dient te worden.
| | | |
| |
Summary
The local dimension of songbooks in the seventeenth
century
The
Rotterdamsche Faem-Bazuyn (Rotterdam's Trumpet of
Fame) of 1649 is a tiny songbook of a Rotterdam editor who seems to have
followed a fashion of what we shall call ‘local songbooks’. Their
titles contain the name of the town involved, like
Hoorns Liedt-Boeck, Haerlemsche Winter-Bloempjes, Brussels
Moeselken, and many others, but what exactly is hidden behind these
titles is hitherto unknown. Typical local songs, expressions of local
chauvinism? The aim of this article is to investigate what the ‘local
dimension’ of such songbooks consists of.
About 50 songbooks with ‘topographical titles’ from the
Netherlands, both from the North and the South, from the period 1589 until
about 1659 were screened on local aspects. Firstly, we established the
diffusion of the phenomenon. The first profane local songbooks appeared in
Amsterdam, and Haarlem - its eternal rival - followed
soon. These towns produced by far the greatest amount of local titles. A new
impetus came from the ‘provincial’ songbooks, especially
J.J. Starter's
Friesche Lust-Hof (1621). It was followed by
several other provinces as well as by two towns, Dordrecht and
Schoonhoven. Other towns followed later, notably those in the
Southern part of Holland and a few in Brabant.
In the sacred field there was an independent development. Here, the
local songbooks were mainly found in mennonite circles. Most of them appeared
in towns and villages in the North of the province of Holland, especially in
Hoorn. The mennonite songbooks are usually simple in comparison
with the profane ones, which as a rule seem to aim at the better part of the
middle-classes. However, some are very simple.
Next, we tried to establish the local dimension of these songbooks.
Nearly all of them appeared to be written by local poets and published by local
booksellers - if there were any. They were produced for the local market - at
least, they were dedicated to the local youth, especially to its female
part.
The poets used various techniques to realise the local dimension in
their songs. Sometimes they wrote songs in praise of the town or its river - a
very modern genre indeed, with classical roots. Another principal was the
‘pastoral chauvinism’, as we could classify songs in which nymphs
dwell along the local river. A very important category appeared to be the
jocular songs about peasants in the surroundings of the town, often in dialect.
There were also songs about the trips young town people made into the country
side. As a matter of fact, they are an important source for our knowledge of
the youth culture in the seventeenth century. The topographical title itself
can also be regarded as a literary realisation of the local dimension, together
with the dedication to the local youth.
The initial suspection that the local songbooks were an expression
of local chauvinism, has been affirmed by this investigation. The Dutch towns
were | | | | strong on their autonomy and numerous were their rivalries. We
see these mirrored in the songbooks:
Amsterdam-Haarlem,
Dordrecht-Schoonhoven,
Hoorn-Enkhuizen,
Amsterdam-Brussels and on a provincial level:
Zeeland, Friesland and Brabant envying Holland. They imitated their rivals's
local songbooks, sometimes using the classical devices of imitatio and
aemulatio. For ‘they’ we have to substitute the local
chambers of rhetoric, because they appear to be the medium through which town
rivalry expressed itself in local songbooks. However, not the whole town
population was involved. The profane songbooks originated from the local youth
and was consumed by the same group, as the sacred ones were made by and for
members of a particular congregation.
|
*Ik dank dr Piet Visser (Doopsgezinde
Bibliotheek Amsterdam), die het manuscript van dit artikel van waardevolle
kanttekeningen heeft voorzien.
1Aanleiding voor die zoektocht, en
uiteindelijk ook voor het onderzoek waarvan dit artikel verslag doet, was een
verzoek van Concertgebouw De Doelen in Rotterdam om een muziekprogramma ter
opluistering van het 750-jarig bestaan van de stad. Zo vertolkte Camerata
Trajectina op 9 december 1990 in De Doelen het programma ‘De Rotterdamse
Faambazuin’ met zestiende- en zeventiende-eeuwse liederen uit en over
Rotterdam.
2Visser spreekt over ‘het vermaarde gekookte
water’. De uitdrukking komt niet voor in het WNT, maar ongetwijfeld is er
‘bier’ mee bedoeld en niet bijvoorbeeld
‘gedestilleerd’. Bij het bierbrouwen wordt het water immers
gekookt, terwijl bij korenwijn, brandewijn en dergelijke sprake is van
‘branden’ of ‘stoken’. Bovendien beroemde Rotterdam
zich op zijn bierproduktie, zoals in het onderstaande zal blijken.
3Rotterdamsche Faem-Bazuyn,
Rotterdam [1649], p. 56.
4‘Schies’ lijkt geen gebruikelijk
equivalent van ‘Schiedams’ of ‘Overschies’ te zijn
geweest. Wellicht is het een dichterlijke vorm - vgl.
‘Amstelnimfen’ e.d..
5Tenminste één lied is van de hand
van Visser zelf, ‘Bedrogen dronckaert’, ondertekend met de spreuk
‘Dit's heel van 't Varcken’. Faem-Bazuyn, p. 46.
6Voor de bibliografische complicaties rond dit
liedboek, zie noot 93.
7Nieuw Rotterdams
Liedtboeck II, p. 14, op de wijs ‘Christus den Mey
playsant’.
8Uit de liedtekst destilleerde ik nog de Leeuwen
(?), de Hollandse Tuin, de Vreugde, de Gulden Os, de Posthoorn, de Ankers, de
Haas, de Haringbuis en -boot, de Bril, de Druif, de Drie Ringen, de Klok, de
Bijl, de Halve Maan en de Molen.
9E.M.A. Timmer,
De generale brouwers van Holland. Een bijdrage tot de
geschiedenis der brouwnering in Holland in de 17de, 18de en 19de
eeuw (Haarlem 1918) p. 2.
10A.Th. van Deursen,
Het kopergeld van de Gouden Eeuw. II:
Volkscultuur (Amsterdam 1978) p. 42.
11F.H. Matter (ed.),
G.A. Bredero's Boertigh, Amoreus, en Aendachtigh Groot
Lied-Boeck. De melodieën (Den Haag 1979) p. 18.
12D.F. Scheurleer,
Nederlandsche Liedboeken. Lijst der in Nederland tot het
jaar 1800 uitgegeven liedboeken (Den Haag 1912; supplement 1923.
Reprint 1977).
13C.A. Höweler en F.H. Matter,
Fontes hymnodiae Neerlandicae impressi
1539-1700 (Nieuwkoop 1985). Zoals de titel aangeeft betreft het
deelgebied Nederlandstalige geestelijke liedboeken mét muziek. Ik heb de
toevoegende waarde van dit werk gekarakteriseerd in een recensie in het
Jahrbuch für Volksliedforschung 32 (1987), p. 182-184.
14Om de lezer een indruk te geven van de mate
waarin de tand des tijds heeft huisgehouden in het liedboekenbestand: in de
loop van dit onderzoek deden zich zo'n acht gevallen voor waarbij een lokaal
liedboek leek te zijn verdwenen. Het gaat om gevallen als bijvoorbeeld het
‘Nieuw Medembliks liedboek’, dat een eerder liedboek uit die stad
doet veronderstellen.
15In het onderstaande heb ik dankbaar gebruik
gemaakt van de uitvoerige studies over doopsgezinde liedboeken van Piet Visser,
te weten
Broeders in de geest. De doopsgezinde bijdragen van
Dierick en Jan Philipsz. Schabaelje tot de Nederlandse stichtelijke literatuur
in de zeventiende eeuw (Deventer 1988) en
Het lied dat nooit verstomde. Vier eeuwen Doopsgezinde
liedboekjes. Inleiding en catalogus (Den Ilp 1988).
16Marten Schagen,
Naamlijst der Doopsgezinde schrijveren, p. 15,
noemt exemplaren in 16mo en 8o, gedrukt door J. de Meester te Alkmaar in 1604.
Van deze druk zijn geen exemplaren meer bekend. Een veel latere druk (Amsterdam
z.j., zeker na 1650) bevindt zich in de UB te Amsterdam (Doopsgezinde
Bibliotheek). Scheurleer interpreteert de initialen als ‘Jacob
Jacobszoon’, de Mennonite Encyclopedia IV (Scottdale, Pennsylvania
1959), p. 225, daarentegen als ‘Jan Jansz.’.
17Van deze uitgave is geen exemplaar meer bekend.
Het
Jaarboekje voor de Doopsgezinde Gemeenten in de
Nederlanden 1837, p. 65, vermeldt als initialen van de auteur S.H.
en als plaats van publicatie Alkmaar. Elders leest men H.S.
18Visser, Broeders, p. 193-225.
19Visser, Broeders, p. 229.
20Visser, Het lied, p. 28. Vergelijk ook
Fontes p. 121: ‘Register. Om dit Boeck oock neffens het Hoornsche
Gesang-boeck te gebruycken’, wat op de onderhavige uitgave betrekking
heeft.
21Visser, Het lied, p. 28.
22Datering volgens Visser, Het lied, p.
28.
23Kleyn Hoorn-Liet-Boeck
[1644] (ex. Amsterdam UB, Doopsgezinde Bibliotheek: OK 65 1032), resp. p. 230,
277, 283 en 302.
24Tot het vierde kwart van de zeventiende eeuw
vonden de herdrukken steeds te Hoorn plaats, met één
uitzondering, een uitgaaf te Zaandam door H.J. Soet. Vanaf ca.
1675 verschijnen er herdrukken in Amsterdam. Dit overgaan van de
oorspronkelijke plaats van uitgave naar de grote stad is een figuur die veel
voorkomt bij populaire volksboekjes in de tweede helft van de zeventiende
eeuw.
25Wat betreft de datering: het exemplaar Amsterdam
UB, Doopsgezinde Bibliotheek: OK 65-466 is gedateerd 1647 maar het bijgebonden
Byvoegsel van dezelfde uitgever draagt het jaartal 1644. De titel komt
niet voor in Scheurleer.
26Visser Het lied, p. 12.
27De eerste druk is volgens Scheurleer uitgegeven
in Amsterdam; de tweede druk (1646), die ik raadpleegde, in
Wormerveer bij
W.S. Boogaert.
28Mogelijk wordt gedacht aan het
Nieu Liedt-Boeck ghenaemt Der Minnaers Harten Jacht ofte de
Groote Amstelredamsche Rommelzoo van 1627. De culinaire metafoor
wordt hierin echter niet uitgewerkt, zulks in tegenstelling tot enkele
populaire Amsterdamse liedboeken van kort ná het Medemblikse zootje,
De Nieuwe Hofsche Rommelzoo (1655) en de
Olipodrigo (1654; ‘olipodrigo’
betekent hetzelfde als ‘rommelzo’).
29Medenblicker
Scharre-Zoodtje p. 15: ‘O Medemblick! voormaels
gebouwt’ door A.H. (kenspreuk ‘Durate’) op de melodie
‘O saligh heyligh Bethlehem’.
30Het titelblad noemt slechts de initialen I.T.
maar in het opdrachtgedicht verschijnt de naam
Teerincx. Deze wordt ook wel gelezen als Teelincx
(catalogus UB Amsterdam). Het huisvaderschap van Teerincx leid ik af uit twee
liederen, een ter gelegenheid van de geboorte van een kind, het andere op het
overlijden ervan.
31Zie W.J. Kooiman,
Luther's kerklied in de Nederlanden (Utrecht
1943) p. 88-89 en voor een bibliografische correctie Fontes p.
146.
32J. Honig Jz. Jr.,
Historische, oudheid- en letterkundige
studiën I (Zaandam 1866), p. 240. De eerste druk zou voor
Boogaert in Amsterdam zijn gedrukt. Scheurleer plaatste het boekje abusievelijk
onder de wereldlijke liedboeken.
33Zaender Bloeme-Stralen
1649, p. 107, ondertekend ‘Vive patiens’ (= Claes Claesz.
Molenaer).
34Visser, Broeders, p. 239.
35Zaender Bloeme-Stralen, p.
231.
36Het Gemeentearchief Zaanstad in Koog aan de
Zaan bezit de enige twee bekende exemplaren van dit boekje (Broch. 03.348 en
03.368).
37Sanerdams Bloeme-Crans
1645, p. 207.
38Alkmaar: S.C. Breken-Geest 1645. Ex. in
Archief Zaanstad, Broch 00.540.
39Voor bio- en bibliografische gegevens over
Soet zie [Jacob Honig], ‘Hendrik Soeteboom’, De
Navorscher 8 (1858), p. 212-216. Ook P. Visser rekent hem tot de
niet-doopsgezinden ( Broeders II, p. 110).
40Visser, Het lied, p. 32.
41Volgens Scheurleer, p. 73, bevond dit werkje
zich in de verzameling van J.W. Enschedé, die in 1927 werd
geveild.
42Voor elk van beide steden stelden M. Prick
van Wely en C. Rabé een liedbundeltje samen,
Haarlemse liedjes en versjes (1981) en
Roem van Amsterdam (1982).
43Ed. G. Stuiveling 1975, p. 161.
44Ed. Stuiveling 1975, p. 171.
45Amsteldams Fluytertje
1626, p. 16.
47Uitgegeven met inleiding en aantekeningen door
een werkgroep van Utrechtse Neerlandici: Ruygh-Bewerp 3 (Utrecht 1973).
Van de twee dateringsvoorstellen van de werkgroep kies ik voor de eerste: de
Roemster moet dateren van ná Huygens' Batava tempe ofwel
Voorhout (1622) en vóór Anna Visschers huwelijk en vertrek
naar de Wieringermeer (1624).
48De andere auteurs van de
Pegasus zijn
J.J. Colevelt ( Cupidoos Dartelheydt),
Jan Robbertsen ( Herderszangen) en
A. Pietersz Craen ( Pastorellen, of
Bosch-Gesanghen).
Campanus' eigen bijdrage bestaat uit
Veld-Deuntjes.
49Deze traditie laat men gewoonlijk beginnen met
Den nieuwen Lust-Hof (Amsterdam 1602). Zie
hierover o.a. Matter, De melodieën, p. 18 e.v.
50‘Belgica looft den Heer’, in het
liedschrift van Anthonis van Buytevest, Leiden, Gemeente-archief: Gildenarchief
1474, fol. 67r (afschrift op het P.J. Meertens-Instituut). Campanus heeft de
strofevorm enigszins aangepast aan zijn klassieke smaak.
51Over contrafacten die - ook zonder letterlijke
ontleningen - verband houden met het in de wijsaanduiding genoemde model zie
L.P. Grijp,
Het Nederlandse lied in de Gouden Eeuw. Het mechanisme
van de contrafactuur (Amsterdam 1991), p. 88, maar ook p.
145.
52De volledige titel van Steenweghens druk luidt
Nieu Liedt-Boeck, genaemt Den Amsterdamsche Pegasus, ofte
Nederlantsche Doelen-Vreucht. Steenweghen ontleende een dertigtal
van de 118 liederen uit de echte Pegasus, vooral de liederen van
Colevelt en ook een aantal van Campanus.
53De drie drukjes zijn samengebonden in het
convoluut KB: 299 L 37. Een veel latere Amsterdamse Rommelzoo is
't Amsterdamsche Rommel-zootje (Amsterdam: J.
en C. Lootsman, na 1650; PJMI: coll. liedboeken B 14-5). Deze heeft slechts
drie liederen gemeen met Steenweghens uitgave van 1627.
54Amsteldamsche
Minne-Zuchjens (1643), p. 107. Wijsaanduiding ‘Soolang is 't
Muysjen vry’, auteur P. vander Gracht.
55Amsteldamsche Minne-Zuchjens, p. 206.
Wijsaanduiding ‘Floride’, ondertekend ‘Uyt
liefde’.
56Olim in Berlijn, Preussische
Staatsbibliothek: Zf 7788.
57Het eerste, ‘oude’ deel had geen
afzonderlijk titelblad, maar in het vervolg van de totaaltitel
( Dubbelt verbetert, Amsterdamse Liedboeck) ligt de
eigenlijke benaming besloten: ‘waer in begrepen zijn veelderley oude
Liedekens’. De bovenregel van het eerste deel luidde overeenkomstig
‘Oud-Amsterdams Liedtboeck’. De datum post quem is gebaseerd
op een matrozenlied, aangehaald in H.F. Wirth,
Der Untergang des Niederländischen
Volksliedes (Den Haag 1911), p. 144. Van de uitgever,
Jan Jacobsz. Bouman, zijn uitgaven bekend uit de jaren
1644-1671. Dat, zoals wel is gedacht, de eerste druk van het
‘Oud-Amsterdams Liedtboeck’ van vóór 1591 zou dateren
- in welk jaar namelijk het
Nieu Amstelredams Lied-Boeck verscheen - is
buitengewoon onwaarschijnlijk. Dit was ‘nieuw’ ten opzichte van het
kort daarvoor verschenen
Aemstelredams Amoreus Lietboeck (1589).
58W. Heiske vervaardigde een afschrift van de
(meest zestiende-eeuwse) liederen die ook in Duitse bronnen worden
aangetroffen. Het afschrift wordt bewaard in het Deutsches Volkslied-Archiv,
Freiburg i.B. In het P.J. Meertens-Instituut bevindt zich een kopie
daarvan.
60Amsteldamse Vrolikheyt
1647, p. 82, 184 en 232.
61Het ‘Nieuwe Hofsche’ van de
Rommelzoo verwijst niet naar een plaats maar de oorspronkelijke uitgever, Evert
Nieuwenhoff.
62‘Burger Jacht-luyden Lauwerkrans’,
‘O stroom Godt van den Amstel-vliedt!’,
Amsteldamsche Vreughde-Stroom II (1655), p.
17.
63‘Loop Vrijers loop ten Yze’,
getiteld ‘Vier- en Bier Ziekke’: Vreughde-Stroom II, p.
71.
64Vreughde-Stroom I (1654), p.
119.
65Vreughde-Stroom II p. 55. Voor dit type
antwoordlied zie Grijp, Het Nederlandse lied, p. 99.
66Vreughde-Stroom I, p. 53. Het lied bevat
-ai- voor -ij-, zoals in ‘Laisken’ en ‘sayt ghay’;
‘kick’ voor ‘ik’ en ‘au’ voor
‘jouw’. Bredero noteerde in 1617 dezelfde kenmerken.
67Vreughde-Stroom II, p. 242. Voor
vergelijkbare liederen, doorgaans overigens van later datum, zie B. Paesman,
Wie wil d'r mee naar Oost-Indië varen. Liedjes uit
de Compagniestijd (Amsterdam 1991).
68Het betreft ongeveer dezelfde groep als die van
de
Nieuwe Hofsche Rommelzoo, waaronder ook een
dichteres,
Catharina Questiers (‘Ik min mijn
vrijheid’).
69Lokale kleur verschaffen onder meer een
spelevaart naar Buiksloot, een lied van een ‘Oubollige
Lijf-artsz’ in dialect en enkele gelegenheidsliederen waarin de stad
wordt genoemd.
70Soetendal,
31 Liedekens ende Refereynen 1645, p.
10.
71Een nauwkeurige datering van dit typische
volksboek is vooralsnog niet mogelijk. Scheurleer geeft voor zijn datering van
omstreeks 1630 geen redenen op, Matter voor de zijne evenmin (ca. 1650,
‘helaas een slag in de lucht’, De melodieën, p. 20).
Anderen houden het op ca. 1640. Het oudste jaartal dat in het
Haerlems Oudt Liedt-Boeck (HOL) voorkomt is
1619; verder is er een verwijzing naar de ‘Nieuwen Haarlemschen
Laurierkrans’, waarvan een zevende druk uit 1643 bekend is. De eerste
druk zal dan toch van vóór ca. 1630 moeten zijn geweest. Het HOL,
dat de indruk van een eerste druk maakt, zou dan ook uit die tijd moeten
stammen. De uitgever van beide boekjes, Vincent Casteleyn I, was werkzaam van
1612-1658. Theoretisch blijven dus alle jaren tussen 1619 en uiterlijk 1643
mogelijk. Zelfs een relatieve chronologie tussen Soetendals 31 Liedekens
en het HOL is niet te geven: het voorkomen van liederen van Soetendal in het
HOL houdt niet in dat Soetendals verzamelbundel als zodanig ouder is.
72E.T. Kuiper en P. Leendertz,
Het Geuzenliedboek I (Zutphen 1924), no.
61.
73Haerlems Oudt
Liedt-Boeck, p. 9: ‘Geen smert en duerdt des menschen ronden
tijdt’.
74De rederijkerskamer in Zandvoort
heette ‘ De wilde appelboom’ (G.D.J. Schotel,
Geschiedenis der Rederijkers in Nederland II
(Rotterdam 1871)).
75Van de zeventien ons bekende liederen uit het
‘Oud Amsterdams Lied-boeck’ komen er maar liefst vijftien ook voor
in het Haerlems Oudt Liedt-Boeck. Ze zijn vrijwel alle woordelijk gelijk
en dat is een significante constatering aangezien het juist oude volksliederen
betreft, waarvan de overlevering doorgaans aan sterke variatie onderhevig is:
Amsterdam heeft Haarlem dus woordelijk afgeschreven, of andersom. Alleen in de
titels en wijsaanduidingen is soms enige variatie te bespeuren, waarbij Haarlem
meestal méér heeft dan Amsterdam. Dat geldt ook voor het enige
lied waarin wezenlijk afgeweken wordt (‘Ick hoord' een Watertjen
ruyselen’), dat in Haarlem 11 en in Amsterdam 9 strofen telt.
76Over de rivaliteit tussen Haarlem en Amsterdam
zie J.J. Temminck,
‘Naer haer spraecke gebooren van Amsterdam. Enkele
gegevens over de relatie tussen Haarlem en Amsterdam in vroeger
eeuwen’, Haerlem Jaarboek 1981 (Haarlem 1982) p.
43-67.
77Dit werkje is uitgegeven door J.A. Colom in
Amsterdam, als tweede deel van de
Minne-Kund ofte Philosophie der
Liefden.
78Van deze Van Wesbusch worden slechts de
initialen vermeld: C.P. De naam ‘Christiaen van Wesbusch’ komt voor
in een acrostichon in de Duyn-Vreucht, p. 27. J.G.C.A. Briels,
Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers
(Nieuwkoop 1974), p. 547 noot 1, vermeldt ene Christiaen Pietersz. van Wesbusch
die ca. 1630 in ondertrouw ging.
79‘Komt helden die bemint het
smoocken’,
Sparens Vreughden-Bron I (1643), p. 91.
80‘Haerlems Kerck-Loff’ (‘Tis
Hollandts pronck, Haerlems cieraet’), Sparens Vreugden-Bron II
(1646), p. 16.
81‘Hoogh-beroemde Peerel-Stadt!’,
Vreugden-Bron II, p. 20.
82Vreugden-Bron II, p. 1:
‘Blomme-krans van de negen Zangh-Goddinnen, gevlochten om het Hooft van
de soetquelende Minervisten, van Sparens Vreuchden-Bron’. Calliope zingt
op de wijs van ‘O Kersnacht’.
83Winter-Bloempjes, p. 7:
‘Alwaerde soete Goese Jeught’ van
Anthony Janssen.
84Winter-Bloempjes, p. 230.
85‘Sparendam playsant van Huysen’ op
de wijs van 's Hartogen-Bosch ghy Stadt verheven’,
Somer-Bloempjes (1646), p. 123.
86‘Slijp schaer en mes// de klock heyt
ses// en krijg ic nog geen neering’, Somer-Bloempjes, p.
30.
87‘Wilje me na Pieterman?’ op de
wijs ‘Lieve keyjere wat een deun’,
Liedt-boecxken, ghenaemt Dordrechts
Lijstertje (KB: 174 H 9), p. 71. De meisjes komen uit Kijfhock,
Rijsoort, van 't Veer en van de Lint, int Ambacht en van
Rijerkerck.
88Exemplaar in UB Leiden: 1194 H 31.
89Bredero spreekt zijn cliëntèle aan
met ‘Lustighe en vrolijck-moedighe Maagden en
Jonghelingen’.
90Winter-Bloempjes, p. 238:
‘Verwondering, over de schielicke veranderinge van de vreught-lievende
Nymphjes, buyten dit gewest, in 't ontfangen van de Haerlemsche
Winter-Bloempjes’ (B. Targier). Uit het gedicht blijkt dat het een
verandering ten goede betreft.
91R. van Baak Griffioen,
Jacob van Eyck's Der Fluyten Lust-Hof (Utrecht
1991), p. 43-46. Het origineel (Utrecht: Aegidius Roman 1640) bevindt zich in
Utrecht, UB: Rar. 669a.
92Origineel (pamflet zonder plaats en datum) KB:
504 A 25.
93Het originele titelblad is in het enige
bekende exemplaar (Den Haag, KB: 174 H 10) uitgesneden en vervangen. Het
liedboek zal oorspronkelijk ‘De nieuwe Rotterdamsche Speel-jacht’
of iets dergelijks hebben geheten; deze titel wordt althans gegeven op p. 1 en
stemt in grote lijnen overeen met het bijgebonden ‘Tweede deel’ van
een ‘Nieuw Rotterdams Liedt-Boeck genaemt de Speeljacht der
amoureusen’. Dit laatste is uitgegeven door
Jacob Cornelissz. Stichter te Amsterdam en wordt door
Scheurleer gedateerd ca. 1665. Deze Stichter werkte inderdaad in de periode
1657-1671 (Gruys, Thesaurus). Op het nieuwe titelblad van het eerste
deel luidt de titel
De nieuwe Rotterdamse Nachtegael; het is
‘gedruckt in Compagnie voor de Kramers’. Blijkbaar heeft deze
‘compagnie’ van marskramers een uitgeversrestant van Stichter
omgedoopt om het als iets nieuws te kunnen slijten. Aan te nemen is voorts dat
de Amsterdamse uitgever Stichter met deze Nieuwe Rotterdamsche
Speel-jacht een oorspronkelijk Rotterdams liedboek heeft
heruitgegeven.
94Leyts-Prieeltje (1651 -
ex. Haarlem, Stadsbibliotheek: 86 A 22), p. 48. Wijsaanduiding: ‘Leyden
was eerst verblijt van geest’.
95Leyts-Prieeltje, p. 51.
96Leyts-Prieeltje, p. 112. ‘Nu is
den tijt van 't Jaer gecomen/ Om eens te loopen op het Ys’. De genoemde
vlekken zijn 't Schou, de Vrient, 't Pis-hoeckje en Speertjes. ‘Ten
Dam’ heb ik geïnterpreteerd als ‘naar
Leidschendam’.
97Leyts-Prieeltje, p. 56.
98Leyts-Prieeltje, p. 88: ‘'t
Leydtsche Blaeu-Vaendel’.
99Leyts-Prieeltje, p. 77: ‘Ach
Leydenaers wat raet’, van
I. Pietersz. Enkele van de genoemde bedelaars zijn
Roomwaerde Augustijn, de Rijcken Pachter, Dwerch-Broeck Capiteyn,
Half-vis-half-vleys, Mans-Palulle, Samtje (uyt de Gang?).
100Leyts-Prieeltje, p. 98 (‘Van
Hans Rappert’), p. 100 (‘De Blaeuwe
Keysteen’) en p. 106 (‘Valckenburger-Marckt’).
101Delfs Cupidoos Schigje II
(1656), p. 40. De auteur is A. Bon zelf.
102Van Duisberg droeg verzen bij aan
de door hemzelf uitgegeven bundels
Caliope, of vermakelijke zang-godin (1655), de
Dichtkunst van
Jan Vos (1658) en ook aan de
Amsterdamsche Kordewagen (1662). Ik dank deze
gegevens aan Jaap Boter en Ari van Vliet, die deelnamen aan de werkgroep
Vers-Voet-Voois (Utrecht, muziekwetenschap, 1991).
103‘k Was lestmaal in 't groene Haagsche
Wout’,
Nieuwe Haagsche Nachtegaal (1659), p.
215.
104Rotterdam: P.J. van Steenwegen [1627], p.
8.
105Scheurleer dateert in zijn catalogus het boekje
(tegenwoordig KB 346 H 46) omstreeks 1650, maar een samenspraak tussen de Paus
en Bommen Berend, gedateerd op 1665, levert een duidelijke datum post
quem op.
106G. Kalff,
Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), p.
666 e.v.
107Datering volgens Fontes. Het formaat is
32mo.
108Alckmaerder
Liet-Boexken (ex. Den Haag, KB: 346 J 3G), p. 165. Calliope zingt
op de wijs van ‘O schoonste Cariclea’.
109Een lied ( Ybocken, p.
175) behandelt het verschijnen van Engelse oorlogsschepen in het Vlie
(1666).
110Een vrij uitvoerige beschrijving van deze
bijzondere bundel vindt men in de tentoonstellings-catalogus
Verzameling kostbare werken. Ontstaan en ontwikkeling van
een afdeling van de Koninklijke Bibliotheek. Brussel 1961, p.
171-173. Met dank aan Gilbert Huybens, die me op het bestaan van het niet door
Scheurleer vermelde liedboekje wees.
111Zie ook Luc Luyten, ‘Over de
illustratie van Den Lust-Hof der Jonckheydt, een 17e-eeuws Antwerps liedboek,
uitgegeven door ‘De Goudbloem’’, Volkskunde 86
(1985), p. 225-230.
112De bijnaam ‘Antwerps liedboek’ is
afkomstig van Hoffmann von Fallersleben, op wiens naam de eerste
wetenschappelijke uitgave staat (1855).
113‘Hoe komt Jetske, sis het my’,
uitgave J.H. Brouwer (Zwolle 1966) I, p. 141.
114‘Nieu-Liedeken tot lof van
Vrieslandt’, door Huygens in het Frans vertaald. Zie L.P. Grijp,
‘Melodieën bij teksten van Huygens’, in A.Th.
van Deursen e.a., Veelzijdigheid als levensvorm (Deventer 1987), p.
89-107, met name p. 100.
115Jacob Smit,
Driemaal Huygens (Assen 1966), p. 23. Voor het
verschijnsel ‘stededicht’, en met name voor de Neolatijnse
oorsprong ervan, zie F.P.T. Slits,
Het Latijnse stededicht. Oorsprong en ontwikkeling tot in
de zeventiende eeuw (Diss. Amsterdam 1990).
116Latere drukken dateren uit 1688, 1698 en
1736. Met dank aan Gilbert Huybens (Leuven).
117Brabandts Nachtegaelken,
p. 183, alwaar het lied getekend is door uitgever
Jan Mommaert. W.L. Braekmans,
Hier heb ik weer wat nieuws in d'hand. Marktliederen,
rolzangers en volkse poëzie van weleer (Gent 1990), p. 243,
citeert het als een anoniem lied uit een handschrift van 1661-1667.
118Brabandtsch Nachtegaelken 1656, p. 193.
Een soortgelijk rondeel vindt men op fol. N7 verso.
119B. van Selm, ‘… te bekomen
voor een Civielen prijs. De Nederlandse boekprijs in de zeventiende eeuw als
onbekende grootheid’, De zeventiende eeuw 6 (1990), p.
98-116, hierin p. 108.
120Pionierswerk verrichtte in dit opzicht E.K.
Grootes, ‘Het jeugdige publiek van de ‘nieuwe
liedboeken’ in de eerste kwart van de zeventiende eeuw’, in
W. van den Berg en J. Schouten (ed.), Het woord aan de lezer (Groningen
1987), p. 72-88. Hierin tracht de auteur aan de hand van demografische gegevens
de omvang van de doelgroep ‘koopkrachtige Amsterdamse jeugd’ vast
te stellen, als basis voor oplagecijfers.
121B. van Selm,
Een menighte treffelijcke Boecken. Nederlandse
boekhandelscatalogi in het begin van de zeventiende eeuw (Utrecht
1987) p. 244.
122De betreffende gegevens kan men vinden in de
‘boedelbank’ van het P.J. Meertens-Instituut. De boekhandel in
kwestie behoorde aan
Abram Goeman en
Lysbet de Bije; hun boedel werd opgemaakt in 1696. Met
dank aan drs Hester Dibbets.
123Thirsis-Minnewit was een
Amsterdams liedboek, dat gedurende vrijwel de gehele 18e eeuw uiterst populair
was. De mopsjes werden in de achttiende eeuw overigens óók in
Amsterdam gedrukt, blijkbaar voor de Westfriese markt.
124De meest in aanmerking komende naam is die van
Gerrit Theunissz Schellinger, die van 1672 tot 1677 als
uitgever was (Gruys, Thesaurus).
125Men kan zich een indruk vormen van dit effect
met de LP
Bredero Amsteldammer. Liederen uit het Groot Lied-Boeck
van Garbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618) van Camerata Trajectina
(Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis, VNM R 86003, 1986).
126Vooral Jan I Breughel beeldde deze topos uit.
Zie P. Vandenbroeck,
Over wilden en narren, boeren en bedelaars. Beeld van de
andere, vertoog van het zelf (Antwerpen 1987), p.
96-101.
127In de inleiding van Grijp, Het Nederlandse
lied, vindt men er een zevental gereproduceerd.
128Ik zag tot nog toe dergelijk gezang uit
liedboekjes alleen afgebeeld op enkele bruiloftsstukken van Dirk Hals. Bij Jan
Steen wordt een enkele keer gezongen vanaf een los blaadje, bijvoorbeeld in het
bekende ‘Soo de oude songen soo pijpen de jonge’.
129Men vergelijke de ontwikkeling van de titels
van de liederen zelf (Grijp, Het Nederlandse lied, p. 151-160).
130We zagen een dergelijke aanduiding en
passant ook bij de lokale historicus
H.J. Soet, ‘Saanderdammer’. Vergelijk de
componisten
Joan Albert Ban, ‘Haerlemmer’ (1642) en
Cornelis Leeuw, ‘Edammer’ (1646), die
Nederlandse gedichten toonzetten.
131Ik volg hier P.B.M. Blaas,
‘Stedelijke naijver. Een inleidende verkenning’, in
P.B.M. Blaas en J. van Herwaarden, Stedelijke naijver. De betekenis van
interstedelijke conflicten in de geschiedenis. Enige beschouwingen en
case-studies (Den Haag 1986), pp. 11-26. Voor het stedelijk bewustzijn in
de zestiende eeuw, zie S. Groenveld,
Verlopend getij (Dieren 1984) p.
15-22.
132Wel is er een stemboekje bekend van een
muziekuitgave uit Kampen, die in de moderne vakliteratuur soms als het
‘Kamper liedboek’ wordt aangeduid - ten onrechte.
133E. Klusen, ‘Das Gruppenlied als
Gegenstand’, Jahrbuch für Volksliedforschung 12
(1967), p. 21-41.
134Een voorbeeld levert
Nicolaes Vallet, die zijn luitboek
Secretum musarum (1615) opdroeg aan de
magistraat van Amsterdam.
|
|