|
|
|
| | | | | |
Literatuurhistorie en Cats' visie op de jeugd
*
Als uitgangspunt voor mijn betoog kies ik een herkenbare
menselijke situatie, zoals die wordt geschetst in één van de
werken van
Jacob Cats. Ik stel aan u voor een jong meisje,
Phyllis geheten. Een tiener zouden we kunnen zeggen, als dat woord al niet weer
uit de mode was. Ze is nog maagd, en ze heeft daar problemen mee. Ze wordt
bezeten door een hevige innerlijke onrust, die ons niet onbekend voorkomt als
we kijken naar jeugdigen van nu. Ze laat de volgende klacht horen:
Daer is, eylaes! een vreemt gewoel
Dat ick ontrent mijn herte voel,
Ick ben gestelt, ick weet niet hoe,
Ick worde sonder reden moe;
My sweeft een wasem om het hooft
Die my van alle vreugt berooft,
Ick gae, ick koom, ick rys', ick dael,
Ick loop, ick stae, ick rust, ick dwael,
Mijn sinnen vliegen hier en daer,
Als of ick licht van hoofde waer;
Gelukkig heeft ze een oudere en wijzere vriendin, Anna, die
Phyllis kan uitleggen wat er met haar aan de hand is:
Ick ken die sieckte wonder wel;
Het is een eerste minne-beelt
Dat om u weelig herte speelt,
Het is een dom, een grillig mal,
Het is een dertel ongeval,
Het is een voor-spel van de jeugt,
Een blijde pijn, een droeve vreugt,
Het is een bobbel in het bloet,
Dat nu sijn eerste sprongen doet;
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
't Is kalver-liefde, soete maegt,
Die u de losse sinnen jaegt;
De dialoog is afkomstig uit
Cats'
Houwelyck, voor het eerst verschenen in 1625 en
daarna tientallen malen herdrukt.
1
De vraag is nu: is de mogelijkheid tot herkenning die ik suggereerde, werkelijk
aanwezig? Weerspiegelt het zelfportret van Phyllis een | | | |
gemoedstoestand die wij kenmerkend achten voor een bepaalde leeftijdsfase?
Mogen we hier de innerlijke onrust van de puber, de Sturm-und-Drang van
de adolescent herkennen?
Degenen onder u die vaker dit soort redes hebben beluisterd, of die
artikelen kennen in literaire vaktijdschriften, zullen nu waarschijnlijk
ontspannen onderuitzakken. Het kluifje is op tafel gelegd, klaar om aangesneden
te worden. Het procédé is immers bekend: de onderzoeker begint
met een tekst, deze roept een vraag op, en vervolgens laat hij zien wat hij
allemaal heeft ondernomen om die vraag te beantwoorden.
Wie in Phyllis en Anna geïnteresseerd is geraakt, moet ik
echter teleurstellen. Het dispuut over de zieleroerselen van deze maagd vormt
uitgangspunt noch richtpunt van het onderzoek waarvan ik verslag wil
uitbrengen. Het functioneert net als het verhaaltje uit het leven, waar de
dominee zijn moraal aan ophangt: een rhetorisch trucje om even uw
belangstelling te prikkelen voor de wijze waarop de jeugd in literaire teksten
wordt afgebeeld. Want daar ga ik het wel over hebben, al zal dat concrete thema
op zijn beurt weer tijdelijk weggedrukt worden door theoretische beschouwingen
over de problemen die aan de keuze van een dergelijk onderwerp vastzitten.
Ik breng deze kwestie van de procedure met enige nadruk naar voren,
omdat het er wel eens op lijkt of de enige taak van de literatuurwetenschap het
interpreteren is van afzonderlijke letterkundige teksten, plus het
theoretiseren over de daarbij te hanteren methoden. (En volgens
Karel van het Reve zijn beide activiteiten overbodig.
2) Dat is een opvatting over literatuurwetenschap waar ik me tegen
verzet. Niet om een nieuw
Against Interpretation uit te spreken.
3 De interpretatie van taaluitingen is een essentiële
activiteit, en de theoretische problemen van het interpreteren zijn van belang
voor elk soort literatuur-wetenschappelijke arbeid. Maar dat wil niet zeggen
dat de interpretatieve vragen: Wat staat daar? Wat betekent dit werk? het alpha
en omega van het onderzoek der literatuur zijn. Vragen als: Hoe komt het dat
het er staat? Wat zijn de relaties van bepaalde literaire verschijnselen met
andere verschijnselen in de literatuur en daarbuiten, en hoe ontwikkelen die
relaties zich, met andere woorden historische vragen van wijdere
strekking, moeten niet wegens hun gecompliceerdheid ontweken worden.
Het zal duidelijk zijn dat ik hier pleit voor de
literatuurgeschiedenis, voor het beoefenen van de literatuurwetenschap als een
van de historische disciplines. Als zodanig heeft zij een lange staat van
dienst: het is een eerbiedwaardige matrone, wier reputatie helaas nogal is
aangetast door in methodologisch opzicht bedenkelijke escapades. Men heeft mede
op grond daarvan de neiging om literair-historisch onderzoek als
‘ouderwets’ te karakteriseren tegenover ‘modern’
structuur-analytisch, tekstwetenschappelijk of receptie-esthetisch onderzoek.
4 Maar evenmin als de geschiedwetenschap het werken
met hypothesen inzake historische ontwikkelingen mag laten varen ten behoeve
van het analyseren van maatschappelijke structuren in een bepaalde tijd en het
theoretiseren daarover, mag de literatuurwetenschap het element ontwikkeling
uit haar onderzoeksveld bannen terwille van systematische benaderingen. Ik
sluit | | | | mij in dit opzicht aan bij de ideeën die vanuit mijn
vakgroep geformuleerd zijn door Marijke Spies.
5
Het is niet mijn ambitie om in het volgende half uur een poging te
doen een programma, laat staan een methodologie voor de literatuurgeschiedenis
te schetsen. Dat zou mijn vermogens ook zeker te boven gaan. En evenmin heeft
het beperkte onderzoek waarover ik straks wel iets zal vertellen, de pretentie
exemplarisch te zijn voor literatuur-historisch onderzoek. Het is daarentegen
eerder een verslag van vallen en opstaan in het werken met een vraagstelling
die pas naderhand in een diachronisch perspectief geplaatst zou kunnen worden.
Maar ik wil met deze opmerkingen wel een soort principe-uitspraak doen over het
kader waarbinnen het onderzoek van de vakgroep Historische Letterkunde
overwegend plaatsvindt. De vakgroep bestudeert de oudere Nederlandse
letterkunde binnen de cultuurgeschiedenis in ruimere zin. Voor ons zijn de
historici naastere buren dan de beoefenaars der systematische
literatuurwetenschap. In dat verband zou een wel eens gesuggereerde opsplitsing
van de letterenfaculteiten in faculteiten voor taal- en letterkunde enerzijds
en historische wetenschappen anderzijds door ons zeer worden betreurd.
Het onderzoek waarover ik u sprak, en dat ik met een werkgroep van 6
à 8 studenten heb ondernomen, heeft ook niet zijn oorsprong gevonden in
een literair, maar in een historisch probleem, dat van de historiciteit
van het begrip ‘jeugd’. Over dat onderwerp is druk gediscussieerd
door beoefenaars van sociale en psychologische geschiedenis en van de
historische pedagogiek. De meest invloedrijke studie is het boek van Philippe
Ariès:
L'enfant et la vie familiale sous l'Ancien
Régime, uit 1960. Ariès betoogt dat de middeleeuwse
maatschappij, ‘notre vieille société traditionelle’,
geen duidelijke voorstelling had van het kind, en nog minder van de adolescent.
Van heel klein kind dat zichzelf niet kan redden, werd men meteen een kleine
volwassene. De opvoeding van deze jonge volwassenen vond grotendeels plaats
buiten het ouderlijk gezin: als lid van een agrarische gemeenschap, als
leerjongen in het milieu van een meester, als hulpje in de huishouding, als
page bij een bevriend edelman. Bij het begin van de moderne tijd komt daar
verandering in, het eerst binnen de bourgeoisie. Factoren daarbij zijn de
opkomst van een bewust educatiestreven, zich uitend in een toenemende
scholarisering, en de vorming van het moderne gezin als ‘lieu
d'affection’. De ontdekking van de eigen aard van het kind plaatst
Ariès in de late Middeleeuwen. Pas vanaf de tweede helft van de
achttiende eeuw gaat men volgens hem de adolescent onderkennen in zijn
eigenheid en vervolgens in zijn eigen waarde.
De these van Ariès heeft zowel aanhangers als bestrijders
gevonden. Vooral zijn opvatting over de adolescentiefase als een relatief
recent verschijnsel is onder vuur genomen. Verscheidene auteurs hebben
materiaal aangedragen waaruit zou blijken dat men ook voor de door Ariès
genoemde tijd zicht had op de adolescentie als een specifieke levensfase.
6 In ons land heeft onder meer
Peeters zich daarmee beziggehouden, terwijl bijvoorbeeld Van Ussel en Dasberg
zich in hoofdzaak bij Ariès hebben aange- | | | | sloten.
7 Ik ga op deze discussie zo
dadelijk wat verder in. Eerst wil ik nog iets opmerken over de aard van het
meningsverschil en over wat de literatuur-historicus ermee te maken heeft.
De discussie over het begrip jeugd heeft interessante kanten.
Eén daarvan is dat de stelling van Ariès ingaat tegen onze
intuïtieve verwachtingen. De verleiding om ‘jeugd’ als een
algemeen-menselijke en constante categorie te beschouwen, is immers bijzonder
groot. Als we Adam niet meerekenen, maakt in alle tijden ieder
mens een groeifase door. Een woord met de betekenis ‘jong’ zal in
bijna alle talen wel aanwezig zijn. En de ervaring van onze eigen jeugd maakt
zozeer deel uit van onszelf, dat de neiging om deze ervaring terug te
projecteren op de situatie in het verleden bijna onweerstaanbaar is. Een
standpunt als dat van Ariès werpt een dam op tegen deze neiging. Daarmee
confronteert de kwestie ons met het probleem van continuïteit en
discontinuïteit in de geschiedenis.
8
Uiteraard zijn beide nooit absoluut. Maar reeds bij een gedeeltelijke
discontinuïteit in de wijze van denken en ervaren wordt de interpretatie
van uitingen uit het verleden door middel van de hermeneutische
Verstehensoperation een stuk moeilijker. Inleving is dan een dubieus
instrument. En dat is zeker een probleem voor de onderzoeker van oudere
literaire teksten die iets wil begrijpen van wat de figuren daarin - neem onze
Phyllis en Anna - bezielt.
Het kennisnemen van de discussie over kind en adolescent riep bij
ons de vraag op, in hoeverre de Nederlandse literatuur uit de zeventiende eeuw,
het terrein waarmee ik mij bezig pleeg te houden, materiaal zou kunnen
opleveren voor het onderzoek van de visie op de jeugd in vroeger eeuwen.
Natuurlijk hebben ook de reeds genoemde historici gegevens uit literaire
teksten niet versmaad. Peeters bijvoorbeeld gebruikt in zijn boek over kind en
jeugdige in het begin van de moderne tijd uitspraken van
Coornhert, Spiegel en
Cats. Maar de wijze waarop hij dit doet, bevredigt niet
erg. Hij houdt mijns inziens onvoldoende rekening met de (literaire) context en
doet soms alsof hij te maken heeft met uitspraken die direct op de
werkelijkheid betrokken zijn. Het kon daarom naar mijn mening zin hebben wat
nauwkeuriger naar het beeld van de jeugd in de literatuur te gaan kijken.
Een dergelijk onderzoek past binnen een algemener onderzoeksdoel van
de vakgroep Historische Letterkunde. Dat doel is gelegen in het verwerven van
inzicht in de functie van literatuur in haar historische situatie.
9
Nu kan literatuur allerlei functies vervullen,
10 en welk gebruik lezers maken van literaire teksten onttrekt zich voor
een belangrijk deel aan onze waarneming. Het gaat ons hier in het bijzonder om
de opiniërende functie die literatuur kan bezitten, het vermogen
van teksten om onze visie op de werkelijkheid te beïnvloeden. Ik heb niet
de illusie dat men op empirische wijze zou kunnen vaststellen, hoe die invloed
zich heeft voltrokken.
11 Voor dit soort receptie-esthetisch
onderzoek biedt het uit de zeventiende eeuw overgeleverde materiaal vrijwel
geen houvast. Maar wel moet het mogelijk zijn, de boodschappen van de literaire
werken en de bijdragen die zij leveren tot de beeldvorming, te beschrijven in
hun relatie tot het maatschappelijke leven en de | | | | opvattingen en
ideeën van de tijd. Het gaat mij daarbij om hypothetische relaties tussen
verschijnselen
12, niet om een reconstructie van
de (maatschappelijke) werkelijkheid. De vraag of
‘werkelijkheid’ überhaupt een hanteerbaar begrip is, laat ik
ook graag aan de filosofen over. Als
Foucault gelijk heeft, gaat in elk geval de moderne
onderscheiding van literatuur en werkelijkheid als zaken van verschillende orde
niet op voor de periode van de Renaissance. De werkelijkheid werd immers toen
ook gezien als een boek, een door God geconcipieerde ‘tekst’ die
gelezen en geïnterpreteerd moest worden. Dat punt is zeker belangwekkend
als we met
Cats bezig zijn, in verband met het sterk emblematische
karakter van zijn werk. Onuitputtelijk lijkt zijn vermogen om de verborgen
boodschappen te vinden in alles wat hij om zich heen waarneemt. Ik heb de
indruk dat er bij hem nog geen sprake is van de ‘critique de la
ressemblance’, de twijfel aan de argumentele waarde van de analogie, die
Foucault in de loop van de zeventiende eeuw ziet ontstaan.
13
Maar dit terzijde. Als we ons bezighouden met een mogelijke
opiniërende functie van literatuur, biedt het werk van
Cats goede aanknopingspunten. Het vertegenwoordigt een
literatuuropvatting, die als rhetorisch-pragmatisch valt te kenschetsen. Het
onderwijzende element is bij Cats nergens geheel afwezig, en veel van het werk
stuurt direct af op expliciete lessen van morele aard. Daarbij wordt een grote
verscheidenheid van literaire procédés gebruikt: emblemata,
exemplarische vertellingen, betogen, dialogen, spreekwoorden. Tot de
belangrijkste onderwerpen bij Cats behoren sexualiteit en huwelijk. Het is
vooral in verband daarmee dat op zeer veel plaatsen de jeugd ter sprake komt.
Dit heeft ertoe geleid dat onze keus op Cats is gevallen voor een eerste
verkenning van de wijze waarop de jeugd in de zeventiende-eeuwse literatuur
wordt afgebeeld. Hoe ziet Cats de jeugd, en welke boodschap aangaande de jeugd
wil hij aan zijn lezers overdragen?
Nu behoort deze vraag tot een type dat tegenwoordig vaak gesteld
wordt. Deze vragen kunnen zich bijvoorbeeld ook richten op het beeld van de
vrouw, of van de arbeider in een of meer literaire werken uit het verleden.
Daarom vraag ik nog even uw geduld, om nog enige problemen te kunnen aanstippen
die vastzitten aan dit soort onderzoek, en aan het onderzoek naar het beeld van
de jeugd in het bijzonder. Ik beloof u dat ik in elk geval nog bij
Cats en zijn visie op de jeugd zal terugkomen. De vraag
naar het beeld van de jeugd is verwant met vragen die in de zogenaamde
mentaliteitsgeschiedenis aan de orde komen. En daarmee deelt dit onderzoek in
de problemen die aan dat soort geschiedschrijving vastzitten. Daarover is
bijvoorbeeld in Frankrijk het nodige gediscussieerd.
14 In ons land heeft het Tijdschrift voor
geschiedenis in 1973 een themanummer aan de mentaliteitsgeschiedenis
gewijd. Bertels
15 wijst daarin
onder meer op de methodologische en kentheoretische valstrikken waarop ik
zoëven heb gezinspeeld, toen ik het discontinuïteitsprobleem
aanstipte. Ik beperk mij hier tot een tweetal moeilijkheden van meer praktische
aard.
Een eerste moeilijkheid is, dat het gezochte meestal niet
uitdrukkelijk in de teksten gegeven wordt. Een bepaalde mentaliteit of
opvatting kan er slechts door moeizame interpretatie aan onttrokken worden.
Literaire teksten nemen in dat opzicht nog een | | | | bijzondere plaats in.
De literaire conventies, het werken met topen, vaste symbolen en overgeleverde
stoffen, maken het gebruik ervan voor historisch onderzoek nogal hachelijk.
16 (Waarom heet de jonge maagd met wie we ons verhaal
begonnen, eigenlijk Phyllis en de vrijster in het volgende deel van
Houwelyck Rosette? Dat ze niet, als echte
zeventiende-eeuwse schonen, getooid zijn met namen als Aagje of Geertruid moet
ons misschien te denken geven over de werkelijkheidswaarde van de door de dames
uitgesproken opvattingen.) Deze handicap vormt echter tegelijkertijd een
uitdaging voor de onderzoeker. De literatuur bezit een eigen aantrekkelijkheid
als onderzoeksobject. Conventionele elementen als topen en symbolen blijven
niet voor niets bestaan. Ze kunnen wijzen op een continuïteit in
opvattingen die licht kan werpen op historische verbanden en ontwikkelingen.
Als
Cats jongemannen beschrijft in termen van
Horatius' jongelingsportret uit de
Ars Poetica
17, hoeft dat niet als een louter literaire
imitatio beschouwd te worden. Evenzeer verhelderend kan het zijn, als we zien
hoe traditionele gegevens aangepast worden aan nieuwe situaties, of wanneer het
blijkt dat ze op een bepaald moment niet meer gebruikt kunnen worden. De
historische dimensie van het literaire materiaal zou zo kunnen bijdragen tot
het inzicht in de ontwikkeling van de onderzochte ideeën. Bovendien zijn
literaire teksten ook aantrekkelijk wegens de bijzondere invloed die ze op de
lezer kunnen uitoefenen, een invloed die
Plato al vreesde en die dieper kan gaan dan die van
niet-literaire teksten. Literaire werken weerspiegelen zo niet alleen
opvattingen, maar brengen ze ook tot stand.
Een tweede moeilijkheid is dat het gaat om begrippen die geladen
zijn met moderne waarde-oordelen en waaraan vooronderstellingen ten grondslag
liggen, die we onszelf soms nauwelijks bewust zijn.
18 Als we in onze tijd spreken over het
jeugdprobleem, jeugdliteratuur, ouderen en jongeren, pubers en adolescenten,
dan spelen daarin allerlei concepties mee. Enerzijds wordt de jeugd als ideaal
voorgesteld, anderzijds wordt de jeugd verketterd (‘de moderne jeugd
deugt niet’). Deze laatste zinnen laten zien dat we met
‘jeugd’ zowel een leeftijdsfase als een leeftijdsgroep aanduiden.
In beide betekenissen is het een relatief begrip, afhankelijk van onze
ideeën over volwassenheid en niet los te maken van onze opvattingen over
de mens, als persoonlijkheid en als maatschappelijk wezen. Jeugd is nooit exact
te begrenzen ten opzichte van wat niet meer jeugd is, tenzij door arbitraire
afspraken. En het bezit alleen een vaste en beschrijfbare inhoud op het niveau
van het abstracte en collectieve, wanneer we afstand nemen van de in elke
seconde weer veranderende werkelijkheid. Mijn jeugd, uw jeugd, de jeugd van
onze ouders, de schooljeugd en de Duitse jeugd: telkens gaat het om een andere
inhoud. In het ene geval is het een object voor de psychologie, in het andere
voor de sociologie. En we kunnen er zeker van zijn, dat psychologen en
sociologen het zelden onderling en met elkaar eens zullen zijn. Probeer alleen
maar eens vast te stellen wat de moderne inhoud is van het begrip adolescent.
19
Ik geef een voorbeeld. Vivian Fox, in een artikel onder de titel
‘Is adolescence a phenomenon of modern times?’,
noemt zelf haar beschrijving van adolescentie een ‘compilation of
adolescent qualities’, ontleend aan verschillende auteurs.
20 Ze spreekt
onder meer over: innerlijke onrust, ervaren in een periode van
Sturm-und-Drang, | | | | van onzekerheid naast conformisme met
groepsgenoten. De adolescent is in zichzelf gekeerd, egoïstisch of wreed,
maar aan de andere kant zijn er eigenschappen als spontaneïteit,
overborrelende energie, idealisme. Luiheid en onevenwichtigheid vinden
tegenover zich fysieke en sexuele stoutmoedigheid. Op het sociale vlak zien we
groepsvorming met criminele bijverschijnselen naast langdurige en als drukkend
ervaren afhankelijkheid van ouders en onderwijsinstellingen. Nu is het best
mogelijk dat deze beschrijving de werkelijkheid juist weergeeft, maar het
voorbeeld maakt toch wel duidelijk dat we met een ingewikkeld fenomeen te maken
hebben, dat met allerlei vezels vastzit aan een bepaalde cultuursituatie. Het
is riskant om het te gebruiken bij historisch onderzoek maar het is aan de
andere kant ook erg moeilijk om er geheel van los te komen.
De zoëven geschetste problemen kleven ook aan de onderzoekingen
van Ariès en zijn aanhangers en tegenstanders. Er worden wel allerlei
argumenten aangedragen, maar de bewijskracht ervan is gering. Zo kan men
bijvoorbeeld niet zeggen dat de provocerende hypothese van Ariès inzake
de adolescentie door het bewijsmateriaal van zijn tegenstanders wordt
gefalsifieerd. Dat blijkt niet mogelijk, doordat het onderzochte materiaal en
de gebruikte methoden in de verschillende studies te weinig coherentie
vertonen. Het heeft al weinig zin naar falsificatie-materiaal te zoeken, als de
uitgangshypothese gebruik maakt van een ongedefinieerd centraal begrip. Wat
Ariès zegt over de inhoud van het begrip adolescent, biedt nauwelijks
enig houvast. Geen wonder dat we in de latere studies stuiten op een wirwar van
geïsoleerde waarnemingen en ver uiteenliggende noties. Er is individueel
psychologisch materiaal bij, ontleend aan dagboeken of brieven, en er is
sociologisch materiaal, bijvoorbeeld over de positie van de leerjongens in het
ambacht, of over jeugdgroepen op het platteland. Hier wreekt zich natuurlijk
mede de onhelderheid van het adolescentiebegrip. Op zichzelf is het combineren
van psychologische en sociologische gegevens niet verwerpelijk. Het
maatschappelijk leven maakt evenzeer deel uit van het individu, als het
individu van de maatschappij.
21 Men zal
dan echter wel een theoretisch model moeten hanteren waarin de relatie
van deze gegevens een plaats heeft.
22 Dat de sociale factoren zeker niet
onderschat moeten worden, blijkt uit de aard van het aangevoerde materiaal,
zelfs bij de auteurs die de adolescentie een verschijnsel van alle tijden
achten. Hun bewijsmateriaal heeft namelijk onmiskenbaar selectieve trekken. Als
we even afzien van de uitspraken afkomstig uit de klassieke oudheid (die
waarschijnlijk op een andere wijze eveneens een bijzonder karakter hebben),
beroepen de verdedigers van een vroeg voorkomende adolescentie zich vooral op
gegevens van ‘modern-burgerlijke’ herkomst. Dat geldt voor de
humanisten en studenten bij Peeters, de Londense leerjongens bij Smith en Fox
en de puriteinse gezinnen in New England bij Stannard.
23
Een uitzondering moet wel gemaakt worden voor het element van de
‘jeugdbonden’, die van oeroude agrarische oorsprong zijn.
24 Daarbij kunnen
we ons echter met Ariès afvragen, of deze zich niet eerder groeperen op
grond van de ‘burgerlijke staat’ dan op grond van een
gemeenschappelijke adolescentie-situatie.
25 De aard van
het bewijsma- | | | | teriaal betekent wellicht dat de bevindingen van
bijvoorbeeld Smith en Peeters niet strijdig zijn met die van Ariès, als
we aannemen dat de door Ariès geschetste ontwikkeling bij sommige
sociale groepen eerder inzet. Gezien de algemene sociaal-economische
verhoudingen konden juist in Engeland en de Nederlanden dergelijke vroege
ontwikkelingen verwacht worden.
26
In verband met dat laatste leek het werk van
Jacob Cats een keuze te zijn die perspectief bood. Cats
geldt immers als een kenmerkend vertegenwoordiger van het Noordnederlandse
burgerdom. Zijn maatschappelijke, intellectuele en religieuze achtergronden
zijn vrij nauwkeurig gedetermineerd.
27 Bovendien zou deze keuze voor slechts één schrijver
ons kunnen behoeden voor de valkuil van de generalisatie, waarin verscheidene
auteurs over de jeugd-in-het-verleden zijn beland. Bijna onbedwingbaar is
immers de ‘geistesgeschichtliche’ neiging om samenhang en eenheid
te postuleren waar bij nauwkeuriger kijken sprake is van verscheidenheid.
Differentiatie, naar tijdperk, naar gebied, naar groep, naar levensbeschouwing,
en ten slotte naar individuen, is noodzakelijk. Pas daarna kan bezien worden op
welke punten het zo ontstane verbrokkelde beeld weer gelijmd kan worden.
Nu dan toch eindelijk terug naar de zeventiende-eeuwse letterkunde.
Maar met deze zware last van methodologische problemen op zijn rug moet de
literatuuronderzoeker zich toch aardig gehandicapt voelen. Hij vindt dat zijn
vraag naar de functie van literatuur in het verleden best legitiem is. Maar hoe
komt hij langs al deze voetangels en klemmen tot een of ander antwoord op zijn
vraag? Het is duidelijk dat hij zich onder meer rekenschap zal moeten geven van
de betekenis van de in die literatuur gebruikte begrippen. Eén daarvan
is het begrip jeugd waarin wij geïnteresseerd raakten. Hoe
verzamelen we nu de daarop betrekking hebbende uitspraken? Daarvoor is, zo
leert
Lakatos ons
28, een interpretatieve theorie nodig,
die ons vertelt op welke aspecten we moeten letten bij het doornemen van de te
onderzoeken literaire teksten. Daarvoor zou kunnen dienen een (voorlopige)
definitie van het begrip ‘jeugd’. Die zal echter, ook als we
gebruik maken van in het verleden gehanteerde categorieën, gemakkelijk
‘besmet’ worden met elementen uit het moderne adolescentiebegrip.
Aangezien het zoals gezegd nog de vraag is, of de adolescent überhaupt
bestaat voor de negentiende eeuw, hebben we een dubieus onderzoeksinstrument in
handen. En dat maakt het verzamelen van het materiaal bijzonder lastig. Men zou
het probleem kunnen beschrijven in termen van de status-leer uit de
klassieke rhetorica: we moeten tegelijkertijd werken binnen de status
coniecturae (bestaat het begrip?) en de status finitionis (wat is de
inhoud van het begrip?), terwijl tot overmaat van ramp de uitspraken in de
literaire teksten bijna steeds zijn geformuleerd binnen de status
qualitatis, nl. in de vorm van (morele) waarde-oordelen.
Hoe zijn we nu aan het werk gegaan? Op grond van de doorgenomen
studies over de jeugd in het verleden stelden we een lijst op met een
vijftigtal vragen. Daarin kwamen | | | | naast letterkundige onderwerpen als
dichtvorm, genre, vertelperspectief, emblematisch karakter, enzovoorts,
allerlei aspecten aan de orde van ‘jeugdig’ gedrag en aan jongeren
toegekende eigenschappen. Ik noem onder meer leeftijdsindicaties, gegevens over
de sexe en over de relaties tussen de beide geslachten, sociale gegevens
(situering in de stad of op het platteland, maatschappelijke status, relaties
met ouderen en leeftijdsgenoten), psychologische en morele gegevens
(onzekerheid, drift, ijdelheid, verdorvenheid, opvoedbaarheid, enz.),
parallellen met klassieke noties (zoals
Horatius' beschrijving van de jongeling) en met bijbelse
gegevens (zoals de parabel van de Verloren Zoon). Met die lijst
in de hand werd het omvangrijke werk van
Cats door de leden van de groep onderzocht. Dit
materiaal bleek zich echter vrijwel volledig te onttrekken aan onze fraaie en
gedetailleerde categorieën. Voorzover er door Cats uitspraken over de
jeugd werden gedaan, waren deze over het algemeen verstopt in een fictionele
inkleding of in directe praktische raadgevingen. De meeste gegevens over de
jeugd deden zich bovendien op het eerste gezicht aan ons voor als uitermate
vaag en globaal. De vragenlijst bleek dus ongeschikt om als zeef te dienen voor
Cats' uitspraken over de jeugd. In de praktijk kwam onze materiaalverzameling
dan ook slechts tot stand door plaatsen te noteren waar bepaalde woorden
(jeugd, jeugdig, jong, jongeling, meisje, vrijer, enz.) voorkwamen. Daarmee
beschikten we tenslotte over een grote collectie ongeordende en uit hun context
losgemaakte citaten. Hoe nu daarmee verder te werken?
In eerste instantie is geprobeerd langs inductieve weg tot een nader
inzicht te komen. De werkgroep heeft gezocht of er zich bepaalde patronen in
dit materiaal aftekenden. Dit bleek een doodlopende weg te zijn. Er kwamen wel
enige groepen van onderling verwante uitspraken te voorschijn, maar de
gehanteerde categorieën konden niet anders dan willekeurig genoemd worden.
Een samenhangende visie op de jeugd, of desnoods een complex van divergerende
opvattingen, kon uit alleen dit materiaal onmogelijk worden afgeleid. Dat is
niet verwonderlijk, gezien onze eerdere vaststelling dat jeugd een relatief
begrip is. Dat betekent dat ook de uitspraken van
Cats slechts begrepen kunnen worden binnen een ruimer
kader. Het is op grond van een op dat laatste gebaseerde theoretische
conceptie, dat we getracht hebben de uitspraken met betrekking tot de jeugd te
interpreteren en in een (voorlopige) ordening onder te brengen. Achteraf gezien
lag deze aanpak nogal voor de hand. Ik heb echter de feitelijke gang van zaken
niet willen verbloemen, omdat het nog eens laat zien hoe sterk de verleiding is
om met een hoeveelheid tekst op tafel onmiddellijk aan het interpreteren te
slaan. De kans is groot dat men in dat geval niet meer tot stand brengt dan een
willekeurige verzameling van uiteenlopende aspecten.
Ik zei zoëven dat het begrip jeugd niet los te maken is van de
opvattingen over de mens, als persoonlijkheid en als maatschappelijk wezen. Dat
maakte het noodzakelijk ons te oriënteren op het mensbeeld van
Cats. Een beknopte samenvatting over Cats'
levensbeschouwing vindt men in Van Es' herdenkingsrede uit 1960: ‘Cats
als moralist en dichter’.
29 Wat betreft het wereld- en
mensbeeld in de tijd van de Renaissance ble- | | | | ken vooral enige
studies van Veenstra voor ons van praktisch nut te zijn.
30 Een meer toegespitst onderzoek naar de
specifieke opvattingen over de jeugd in enkele moraalfilosofische werken uit
deze periode
31 bracht ons niet veel verder. Wel
leverde het materiaal op, dat naast de uitspraken van
Cats gelegd kon worden en deze gedeeltelijk aanvulde.
Voor ons doel hadden we voorlopig genoeg aan enige zeer algemene noties over de
mens. Dit referentiekader verdient wel een verdere uitwerking en nuancering. De
wijze waarop in Cats humanistisch erfgoed en calvinistische opvattingen
samenkomen, moet nader bestudeerd worden, wil het duidelijk kunnen worden wat
bijvoorbeeld het begrip Rede, dat we hieronder zullen gebruiken, voor hem
inhoudt. Maar de genoemde algemene noties hielpen ons reeds een zekere ordening
in het materiaal aan te brengen.
Deze noties gaan er van uit dat de zeventiende-eeuwer
32 de mens primair ziet als een moreel wezen binnen een
hiërarchisch geordende kosmos. Zijn fysieke en emotionele gesteldheid
worden beheerst door de menging van zijn lichaamsvochten, de humores,
die corresponderen met de vier elementen. Hierin ligt een van de gronden voor
de analogie tussen micro- en macrokosmos. Deze lichamelijke aspecten binden hem
aan de materie, maar door de Rede, waarmee God de mens begiftigd heeft, heeft
hij deel aan een hoger bestaan.
33 Het is deze
‘verticale’ visie op de mens, als een wezen geplaatst tussen hoog
en laag, tussen het goddelijke en het aardse, tussen goed en kwaad, dat ons
inziens veel meer de opvattingen bepaalt, dan de ‘horizontale’
visie op de mens als een zich in de tijd ontwikkelend individu. Men ziet die
horizontale ontwikkeling wel, men hanteert ook schema's met levensstadia, maar
in elk stadium van het mensenleven gaat het in de eerste plaats om die keuze
tussen goed en kwaad en om een individueel daarop aangesproken worden (zeker
bij een calvinist als
Cats).
34
Dat heeft duidelijke consequenties voor de wijze waarop over de
jeugd wordt gesproken. Ieder mens bevindt zich in het spanningsveld tussen het
hogere en het lagere, tussen zijn goddelijke roeping en zijn neiging tot de
zonde. Altijd blijft hij een ‘Hercules am Scheidewege’.
35
Cats formuleert dit als volgt in de voorrede van zijn
Self-stryt, een werk waarin hij toont hoe
Joseph wordt belaagd door de vrouw van Potiphar:
Des menschen leven (…) is als een middel-punct, tusschen den
uytnemende staet der Engelen, en het woelen der onvernuftige dieren. In gevalle
de mensche sich laet vervoeren van de invallen syns vleesch, hy wert gelijck
gemaekt den dieren op den velde. Indien hy daer-en-tegen, door de krachten des
geests, de lusten van 't vleesch over-wint, hy wert verheven tot de
heerlijckheyt der Engelen. Siet daer, Mensche, uwe gestalte. Gy staet om een
beest, ofte om een Engel gelijck te werden.
36
Sephyra, de wulpse echtgenote van Potiphar, vertegenwoordigt in
Cats'
Self-stryt het kwade. Ze verpersoonlijkt volgens
de voorrede ‘het Vleesch’. Als zodanig moet ze de lezer tonen, wat
voor ‘wanschapen invallen (…) onse verdorven aert, op gelycke
gelegentheden, tot vorderinge sijnes voornemens, soude mogen te berde
brengen’.
37 De figuur van Sephyra
waarschuwt ons dus voor de kracht van onze eigen verkeerde nei- | | | | gingen.
Ze gebruikt tegenover Joseph herhaaldelijk en met nadruk het
argument dat het ‘weeldig bloet’ van de jeugd zijn eisen stelt. Als
iemand ‘sieck van jeugt’ is, moet hij wel genezing zoeken door zijn
lusten te bevredigen:
De jeugt begeert haer regt: wie kan het haer beletten?
Voorwaer gy zyt te kranck u tegen haer te setten,
Die met te naeuwen dwank die soete jonkheit dwingt
Maeckt dat haer vrye geest uit alle banden springt.
38
Sephyra roept Joseph dan ook op het (overspelig) bed met haar te
delen:
Wel aen, laet ons Natuur, de moeder aller dingen,
De krachten onser jeugt ten soeten offer bringen;
Haer Priesters zijn wy selfs, mijn kamer is haer kerck;
Haer autaer is mijn bed: wel op, en ty te werck.
39
Joseph, die in
Self-stryt als een jongeman van 27 jaar wordt
voorgesteld, moet een hevig gevecht met zichzelf voeren. Hij is zich pijnlijk
bewust van het dier dat in hem huist:
Wat ben ik voor een dinck! hoe swaer om af te malen!
Wat spook woont in mijn ziel! wie kan het regt verhalen?
Half quaet, half goet, half dwaes, half vroet, half mensch, half
beest,
Half kloeck, half kranck, half recht, half manck, half vleesch,
half Geest,
40
Hij weet slechts stand te houden door het gebed:
Mijn lust gaet buyten spoor, myn jonkheyt speelt de beest
Kom dael op ons, ô God, met uwen reynen geest.
41
Het is God die hem tenslotte voor de val behoedt.
Deze keuzemogelijkheid tussen redding en val begeleidt de Christen
gedurende zijn gehele leven. In dat opzicht is het leven een continuum,
waarin de verschillende levensfasen zich slechts door accentverschillen
onderscheiden. De strijd tussen geest en zinnen is in de jeugd niet wezenlijk
anders dan in het latere leven. Wel komt bij
Cats en anderen telkens naar voren, dat de risico's voor
de jeugd groter zijn.
Het vleys dient alle tijt gehouden in den bant,
Doch meest wanneer de jeugd in onse leden brant.
42
| | | |
Dit hangt samen met de fysieke constellatie van de jonge
mens, waarin de kwaliteiten vochtig en warm overwegen.
43 Juist tijdens de
jeugd manifesteren de lichamelijke driften zich op hun hevigst, terwijl
daarentegen de morele kracht nog weinig ontwikkeld is. De
‘natuurlijke’ situatie van de jongere bestaat in het krachtig aan
den dag treden van begeerte, ongeremde levensvreugde, onrust, liefdesverlangen.
Dit complex van eigenschappen wordt ook als ‘jeugd’ aangeduid. Als
zodanig is het wel typerend, maar niet exclusief voor een bepaalde
leeftijdsgroep. In zijn
Ouderdom en Buyten-leven, geschreven als hij
bijna tachtig is, bekent
Cats dat dit soort levenslust hem nog niet verlaten
heeft:
Ick hebbe menigmaal noch al te grooten jeugd,
En voor een grijsen baart, en voor gestrenge deugd.
44
Ook al moet op grond van de morele maatstaf de lust worden
afgekeurd,
Cats erkent dat het juist in de jeugd bijzonder moeilijk
is er niet aan toe te geven. ‘Ick sie het klaar genoeg wat dienstig is
gedaan’, zegt Don Jan in het
Spaens Heydinnetje,
45 ‘Maer wie kan in
de jeugt sijn tochten wederstaan?’ Wie houdt stand als de hartstocht hem
bespringt? De jeugd wordt nu eenmaal beheerst door ‘heete lusten’
en de rede heeft daar een harde dobber aan. Een ‘seker Edelman, begaeft
met goede zeden’ was dan ook ‘door sijn gulle jeugt geweken uyt de
reden’ en stond op het punt overspel te plegen met de vrouw van zijn
vriend. Op het nippertje kreeg zijn goede inborst echter de overhand.
46
De omgeving waarin hij verkeert, kan veel invloed hebben op de
jongere. Slecht gezelschap kan funest zijn en kan iemand zijn eigen aard doen
vergeten.
Cats demonstreert dat aan een konijntje dat samen met
jonge katten wordt opgevoed. Daaraan verbindt hij de volgende waarschuwing:
Ey, let gesellen, let, wat quaat geselschap doet,
En wat het is, of wel, of qualijck opgevoet.
Dit moet voor al een voogt, of goeden vader weten,
Gewoonte doet de jeugd haar eygen aart vergeten;
Dies wilj' een aardig kind gewennen tot de deugd,
En lijt geen rouwen hoop ontrent uw' teere jeugd.
47
Met name het plattelandsmilieu wordt als gevaarlijk voorgesteld,
wegens de daar heersende lossere zeden. In de
Spiegel van den ouden ende nieuwen tijdt vraagt
een meisje aan haar moeder, of ze naar een boerenfeest mag gaan. De moeder
weigert:
Neen kint, dit spel en dient u niet,
Want malle vreugde baert verdriet;
Ick hebbe dit wel eer gesien,
Ick weet al wat'er kan geschiên:
| | | |
Ick weet wat vryheyt dat men nam,
Vermits het heck was van den dam.
Wanneer de jeugt speelt op het lant,
Dan springt men lustig uyt den bant,
Men raest'er dickmael nagten lang,
Ten minsten tot den hanen-sang.
Men maeckter ligt een mengel-bedt,
Dat is geseyt, een maegden-net,
Daer ligt een duyve sonder gal
Haer beste veeren laten sal.
48
De verleidingen liggen steeds op de loer, en de jeugd is er extra
vatbaar voor, doordat zij onvoldoende onderscheidingsvermogen bezit en te
gemakkelijk op uiterlijke schijn afgaat:
Want dat de losse jonckheyt doet
En is gemeenlick anders niet,
Als dat op malle dingen siet,
49
Men zou verwachten dat onze dichter misstappen die uit
‘jeugd’ begaan worden, enigermate zou vergoelijken. Dat doet
bijvoorbeeld ook de Fransman
Pierre Charron, die stelt dat de ondeugden van de jeugd,
als voortkomend uit ‘ce sang bouillant, vigueur & chaleur
naturelle’, te verontschuldigen zijn.
50
Cats laat wel doorschemeren dat men van een jonggezel
zaken kan accepteren die door oude mensen gemeden moeten worden,
51 en hij noemt de jeugd vaker zot of blind dan slecht,
maar overwegend is bij hem toch de waarschuwende toon. Uiteraard kon hij de
liefde, ondanks dat deze zoveel morele gevaren in zich bergt, niet geheel
afwijzen. Cats aanvaardt de sexuele drift als de natuurlijke door God
ingeschapen voorwaarde voor de continuïteit van het menselijk leven op
aarde. Zij moet, gezuiverd van egoïstische hartstocht, dienstbaar gemaakt
worden aan het huwelijk, dat de grondslag vormt voor het maatschappelijk leven.
Het normale einde van de periode van ‘noest gewoel’ is dan ook het
huwelijk. Men moet aannemen dat de mens dan aan een rijpere vorm van liefde
gaat toekomen. Dan vermindert ook de lust in wereldse vermaken:
Doch ick vernam daar na, als ick ten lesten troude,
Dat al het noest gewoel in my geheel verkoude;
Daar quam een ander geest, die jock en spel verjoeg,
Om dat my swaarder pak op hals en schouders woeg.
52
Cats trekt een vergelijking met de nachtegaal, die in
de lente speelt en tiereliert, maar tegen de zomer ‘een soeter lust, een
rijper aert’ in zich voelt, | | | |
Waer door het met sijn gaytjen paert,
Waer door het, eer de lente scheyt,
Een nestje maeckt, een eytjen leyt,
Dan is de lust van singen uyt,
Men hoort voortaen als geen geluyt,
Die reyne stem, en soet geklag
En schettert niet gelijckse plag.
53
De jeugd schettert en raast daarentegen naar hartelust.
Cats geeft daar allerlei voorbeelden van. Er zijn echter
óók jongeren die zich niet richten op ‘mal geraes’ en
‘ongesouten vreugt’, maar die proberen de deugd na te streven. En
daarmee komen we op een tweetal onderscheidingen die Cats ten aanzien van
jeugdigen hanteert.
Het heeft in de eerste plaats geen zin jongeren ter verantwoording
te roepen, als zij nog geen zonden kunnen begaan, of als zij niet kunnen
beseffen wat zondig is en wat niet. Nu heeft
Cats het voortdurend over de strijd tegen de vleselijke
lusten.
54 Dat veronderstelt dat de jongeren over wie
hij spreekt, tenminste sexueel gerijpt zijn en dat ze de leeftijd des
onderscheids hebben bereikt, zodat ze in moreel opzicht aanspreekbaar zijn. Zo
gezien heeft Cats het inderdaad over adolescenten, maar dan zonder deze
leeftijdsgroep af te perken tegenover ouderen, wier hoedanigheid hoogstens in
graad verschilt. Een afbakening ten opzichte van jonge kinderen maakt hij wel.
Hij zegt hier iets over in enkele aantekeningen bij een
Sinne-beelt, dat is gevoegd achter zijn
Self-stryt. De zelfstrijd tussen geest en vlees
vindt niet plaats in ‘de minderjarige kinderkens der geloovigen’:
omdat ‘de selve geen werckelijcke sonden konnen begaen, soo konnen sy
oock desen inwendigen strijt niet gevoelen’.
55 Een tweede
onderscheiding, naast die tussen minderjarigen en meerderjarigen (waarbij de
betekenis van deze begrippen niet zonder meer gelijk gesteld mag worden aan de
huidige
56), is die tussen de natuurlijke
mens en de wedergeboren mens, dat is degene die zich tot het ware Christelijke
geloof bekeerd heeft. De natuurlijke mens kent wel het conflict tussen hart en
geweten, maar hij laat zich volgens Cats slechts leiden door de
‘menschelijcke redelijkheyt’. Als zijn grillen daarmee enigszins in
overeenstemming gebracht kunnen worden, meent hij de strijd al gewonnen te
hebben. Slechts de wedergeborene kent de ware zelfstrijd tussen het Vlees, dat
is ‘een ingebooren verdorventheyt en aengenegentheyt in de ziele tot de
dingen die tegens God wet zijn strijdende’ en de Geest, ‘seeckere
heylige hoedanigheydt, door Godes Geest uytgewracht in het verstant en wille
des mensches’.
57 Het is vooral het gebed
tot God dat hem in deze strijd moet helpen. Als de jongere gelouterd uit de
zelfstrijd te voorschijn komt, zal hij een beter mens en een beter lid van kerk
en maatschappij zijn.
58 Deze religieuze dimensie, waarin het niet alleen om
menselijke eigenschappen en vermogens gaat, maar ook, en vooral, om de
Goddelijke genade, is essentieel voor Cats' visie op de jeugd. En dat betekent
dat elke tekst waarin over de jeugd wordt gesproken, of waarin jongeren
sprekend worden ingevoerd, in dat licht bezien moet worden. Oók de
klacht van Phyllis, waarmee ik begon, en de uitleg van haar wijzere
vriendin.
| | | |
De vraag of
Cats al of niet een specifieke adolescentiefase
onderscheidt, is daarentegen gedicteerd vanuit een waardenstelsel dat de
ontwikkeling van een mens in hoofdzaak als een autonoom proces ziet, waarin de
rol van de Goddelijke genade buiten beschouwing wordt gelaten. Deze
discrepantie tussen toen en nu maakt dat we soms op onze vragen een antwoord
krijgen, dat met die vragen in een zekere spanning blijft staan. En dat is per
slot van rekening een uitermate boeiend verschijnsel.
Dames en heren, in het bijzonder u, leden van de Faculteit der
Letteren, en meer in het bijzonder de docenten, studenten en leden van de
technische en administratieve staf van het Instituut voor
Neerlandistiek,
Het is een lichtelijk absurde situatie een ambt te moeten
‘aanvaarden’ dat men al verscheidene jaren uitoefent. Ik heb mij
zelf in deze situatie gemanoeuvreerd, door telkens weer aan andere
verplichtingen de voorrang te geven boven het opstellen van een oratie. Ik zal
de onwerkelijkheid van dit gebeuren niet vergroten door volgens traditie elk
van de aangesproken categorieën personen tot een goede samenwerking uit te
nodigen. Ik heb daarover in de afgelopen jaren niet te klagen gehad, ik ben
daar dankbaar voor en ontleen daaraan vertrouwen voor de toekomst.
Het zou misschien de gemakkelijkste oplossing zijn geweest, niet
mijn nek uit te steken, en het te laten voorkomen dat ik het houden van een
inaugurele rede een verkalkte academische traditie achtte. Dat ik die tactiek
niet heb gevolgd, komt omdat ik wel degelijk de zin van een dergelijk openbaar
college inzie. Niet om mijzelf aan den volke te presenteren; wie wil weten wat
ik denk en doe, kan daarover in andere geschriften informatie vinden. Maar wel
omdat ik geloof in de zin van de bestudering der oudere letterkunde en in de
wijze waarop die bestudering wordt aangepakt in de vakgroep waarvan ik deel
uitmaak. Die zaak is het waard om voor een wat ruimer publiek dan alleen
vakgenoten uitgedragen te worden.
Ik hoop dat mijn directe collega's en vrienden in de vakgroep
Historische Letterkunde hun eigen opvattingen in het voorafgaande herkend
hebben. Voorzover zij of anderen het niet met mij eens zijn, spreek ik de wens
uit dat dit zal leiden tot een vruchtbare wetenschappelijke discussie.
Ik betuig mijn dank voor het vertrouwen dat men in mij gesteld heeft
door mij op deze post te benoemen.
En ten slotte, maar niet het minst, dank ik de groep kandidaten
Historische Letterkunde zonder wier bijdragen het verhaal over ‘de jeugd
bij
Cats’ niet zó tot stand zou zijn
gekomen.
Ik heb gezegd.
[oorspr. in Spektator 9 (1979-1980), pp. 477-493]
|
*Rede uitgesproken bij de officiële
aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de Historische Nederlandse
Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam op 9 juni 1980. Ik heb dankbaar
gebruik gemaakt van de resultaten van twee kandidatenwerkgroepen die ik in 1979
heb begeleid. Deelnemers daaraan waren Marga van Beek, Han Dommisse, Frank
Elsing, Jan van Engelen, Marco van den Haak, Eva Hartman, Jeanne Lendfers, Ed
Nijhuis, Frans van Ree en Otto de Ruyter. Ik dank verder Mieke Smits-Veldt,
Marijke Spies en Herman Pleij voor hun kritische opmerkingen bij een eerdere
versie van een deel van deze tekst.
1Zie W.C.M. de Jonge van Ellemeet.
Museum Catsianum. Tweede vermeerderde uitgave,
1837-1887. 's-Gravenhage 1887, pp. 15-18 en D. ten Berge.
De hooggeleerde en zoetvloeiende dichter Jacob
Cats. 's-Gravenhage 1979, p. 95. Om praktische redenen heb ik alle
citaten uit Cats ontleend aan: Jacob Cats.
Alle de wercken (…). Amsterdam 1712.
[Facsimile-uitgave, Groningen 1978], hieronder aangehaald als
‘Cats’. De hier geciteerde passages uit
Houwelyck staan in dl. I, p. 244 en 245.
2K. van het Reve.
Het raadsel der onleesbaarheid. Baarn
1979.
3Susan Sontag.
Against interpretation and other essays. New
York 1966.
4De tegenstelling klinkt bijvoorbeeld door bij
H.A. Gomperts.
Grandeur en misère van de
literatuurwetenschap. Amsterdam 1979, p. 11. Gomperts drukt zich
echter genuanceerder uit door tegenover elkaar te stellen ‘ouderwets,
literair-historisch-biografisch onderzoek’ en ‘modern, theoretisch,
structuur-analytisch of receptie-esthetisch onderzoek’. Het is ook niet
helemaal duidelijk of hij hier een eigen oordeel verwoordt, of de visie
weergeeft van de door hem gekritiseerde beoefenaars van de literatuurwetenschap
aan de universiteiten.
5Marijke Spies.
‘Literatuurgeschiedenis en methodologie’. [1976].
In: Syllabus Historische Letterkunde. [Interne publikatie van het]
Instituut voor Neerlandistiek [aan de] Universiteit van Amsterdam. Amsterdam
1978, pp. 1-21. Marijke Spies. ‘Het epos in de 17e eeuw in
Nederland: een literatuurhistorisch probleem. I. De methodische problematiek
van de literatuurhistorie’. In: Spektator 7 (1977-1978),
pp. 379-411.
6Natalie Zemon Davis. ‘The reasons
of misrule: youth groups and charivaris in sixteenth-century
France’. In: Past and present no. 50 (1971), pp. 41-75.
S.R. Smith. ‘The London apprentices as 17th century
adolescents’. In: Past and present no. 61 (1973), pp.
149-161. S.R. Smith. ‘Religion and the concept of youth in 17th
century England’. In: History of childhood quaterly 4
(1974-75), pp. 493-516. G.R. Gilles.
Youth and history. Tradition and change in European age
relations, 1770-present. New York, Londen 1974. D.E. Stannard.
The Puritan way of death. A study in religion, culture,
and social change. New York 1977, hfst. III. Vivian C. Fox.
‘Is adolescence a phenomenon of modern times? ’ In:
The journal of psychohistory 5 (1977), pp. 271-90. Ik gebruikte van het
werk van Ariès de tweede druk: Philippe Ariès.
L'enfant et la vie familiale sous l'Ancien
Régime. Parijs 1973.
7H.F.M. Peeters.
Kind en jeugdige in het begin van de moderne tijd (ca.
1500-ca. 1650). Meppel 1975 (1966 1). J.M.W. van Ussel.
Geschiedenis van het sexuele probleem. Meppel
1977 (1968 1). Jos van Ussel. ‘Wie houdt er niet van
kinderen? Bespiegelingen over de ontwikkeling van de westerse houding tegenover
het kind’. In: De gids 139 (1976), pp. 443-54. Lea
Dasberg.
Grootbrengen door kleinhouden als historisch
verschijnsel. Meppel 1975.
8Vgl. C.P. Bertels. ‘Skepsis
tegenover de geschiedenis van de mentaliteit’. In: Tijdschrift
voor geschiedenis 86 (1973), pp. 155-66 (spec. pp. 163-65).
9Vgl. bijv. Herman Pleij.
Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en
burgermoraal in de late Middeleeuwen. Amsterdam 1979, pp. 11-12 en
Dirck Pietersz. Pers.
Suypstad of dronckaerts leven. Tekstuitg. met
inl. en aant. Voorbereid door een werkgroep van Amsterdamse neerlandici en
uitgewerkt door J.E. Verlaan en E.K. Grootes. Culemborg 1978, pp. 8-9,
56-60.
10Vgl. René Wellek en Austin Warren.
Theorie der literatuur. Amsterdam 1974, hfst.
3.
11Dat misverstand lijkt aanwezig te zijn in de
recensie van Suypstad (zie noot 9) door A.J. Gelderblom, in De nieuwe
taalgids 72 (1979), p. 358.
12Spies, ‘Literatuurgeschiedenis en
methodologie’ (zie noot 5), p. 16.
13Michel Foucault.
Les mots et les choses. Une archéologie des
sciences humaines. Parijs 1966, p. 65.
14Zie bijv. Jacques Le Goff. ‘Les
mentalités. Une histoire ambigue’. In: Faire de
l'histoire. III Nouveaux objets. Uitgeg. door Jacques Le Goff en Pierre
Nora. Parijs 1974, pp. 76-94.
16Vgl. Le Goff 1974 (zie noot 14), p. 86:
‘Mais littérature et art véhiculent des formes et des
thèmes venus d'un passé qui n'est pas forcément celui de
la conscience collective.’ We moeten er niet aan voorbijzien dat
‘les oeuvres littéraires et artistiques obéissent à
des codes plus ou moins indépendants de leur environnement
temporel’.
17Een reminiscentie aan
Ars Poetica vs. 158-168 is m.i. aanwezig in
de volgende passage uit
Ouderdom en Buyten-leven (Cats II, pp.
342-43):
Mijn kintsheyt nam vermaack in knickers, blasen, koten,
Of kaatsen met den bal, of stuycken met de noten,
Te schieten met den boog, of rollen met den bol,
Te rijden op een stock, of spelen met den tol:
Maar als de jonkheyt quam, verliet ick kintsche dingen,
En schiep doen grooten lust in 't lopen, jagen, springen,
In sang, in snaren-spel, en wat de gulle jeugt,
Of door het oog verlockt, of in den geest verheugt:
Doch ick vernam daar na, als ick ten lesten troude,
Dat al het noest gewoel in my geheel verkoude;
Daar quam een ander geest, die jock en spel verjoeg,
Om dat my swaarder pak op hals en schouders woeg.
18Dat de historicus zich niet kan losmaken van
eigentijdse concepties, is een gemeenplaats. Vgl. ten aanzien van de
mentaliteitsgeschiedenis de volgende uitspraak van Ariès:
‘L'histoire des mentalités est toujours, qu'elle avoue ou non, une
histoire comparative et régressive. Nous partons nécessairement
de ce nous savons du comportement de l'homme d'aujourdhui, comme d'un modele
auquel nous comparons les données du passé=quitte ensuite
à considérer le modèle nouveau, ainsi construit à
l'aide des données du passé, comme une seconde origine, et
à redescendre vers le présent et à modifier l'image
naïve que nous en avions au début.’ (Ariès 1973, p.
XIX-XX). Vgl. ook Bertels 1973 (zie noot 8), p. 158: ‘De onderzoeker, die
de psychiese beleving in een periode opneemt als relevante faktor in zijn
geschiedenis-rekonstrukties, hanteert in samenhang ermee specifieke opvattingen
van mens en maatschappij; deze gaan minstens zozeer vooraf aan zijn onderzoek
als dat zij eruit volgen.’
19Zie bijv. Arthur T. Jersild.
The psychology of adolescence. 2nd ed. New
York, Londen 1963 (1957 1), waarin een grote verscheidenheid van
kenmerken wordt besproken.
20Fox 1977 (zie noot 6), p. 286.
21Zie de beschouwing hierover in het tweede
hoofdstuk van E.H. Carr.
What is history? Londen 1961.
22Een voorstel hiertoe in: H.F.M. Peeters.
Historische gedragswetenschap; theorieën, begrippen
en methoden. Een bijdrage tot de studie van menselijk gedrag op de lange
termijn. Meppel, Amsterdam 1978, p. 60. Peeters baseert zich
daarbij op Kenneth Keniston. ‘Psychological development and
historical change.’ In: The journal of interdisciplinary
history 1971, pp. 329-46.
23Zie noot 6 voor de volledige titels.
24Davis 1971 (zie noot 6).
26Dat de ontwikkeling van het vroege kapitalisme
in Engeland en Nederland echter ook verschillen vertoont, wordt betoogd door:
Hans den Haan.
Moedernegotie en grote vaart. Een studie over de expansie
van het Hollandse handelskapitaal in de 16e en 17e eeuw. Amsterdam
1977, hfst. I.
27Zie bijv. H. Smilde.
Jacob Cats in Dordrecht (…).
Groningen, Batavia 1938. G.A. van Es. ‘Cats als moralist en
dichter’. In: Aandacht voor Cats bij zijn 300-ste
sterfdag. Uitgeg. door P. Minderaa. Zwolle 1962, pp. 7-26. J. Kluiver.
‘Het gezin in de “Gouden Eeuw”. De op- en aanmerkingen
van Vader Cats’. In: Visies op Jacob Cats en zijn tijd.
Bulletin van de werkgroep historie en archeologie van het Kon. Zeeuws
genootschap der wetenschappen 28 (1978), pp. 46-59. Ten Berge 1979 (zie noot
1).
28Vgl. Spies 1977-78 (zie noot 5), pp. 384-85;
haar betoog steunt op: Imre Lakatos. ‘Falsification and the
methodology of scientific research programmes’. In: Criticism
and the growth of knowledge. Proceedings of the International Colloquium in
the Philosophy of Science. Londen 1965, vol. 4. Ed. by Imre Lakatos and Alan
Musgrave. Cambridge 1970, p. 129.
30Fokke Veenstra. ‘De mens en zijn
wereld in het Goddelijk plan (…)’. In: idem, Ethiek en
moraal bij P.C. Hooft. Twee studies in renaissancistische levensidealen.
Zwolle 1968, pp. 103-214, en de inleiding van dezelfde auteur op: G.A. Bredero.
Griane. Ingeleid en toegelicht door Fokke
Veenstra. Met fragmenten uit het volksboek van Palmerijn. Culemborg 1973.
Veenstra baseert zich o.m. op
Ficino,
Charron,
Laurentius en
Lemnius.
31Onder meer van
Coornhert,
Spiegel,
Wittewrongel en
Amesius.
32Dit geldt vooral voor de eerste helft van de
zeventiende eeuw. Later in de eeuw wordt het ‘traditionele
wereldbeeld’ steeds meer aangetast. In het morele denken blijft het
echter nog lang een gewichtige rol spelen. Uit het hierboven gehouden pleidooi
voor diachroon onderzoek volgt dat de verdere ontwikkeling van de
relaties tussen het (veranderende) wereldbeeld en de visies op de jeugd nadere
aandacht zou verdienen. Interessant materiaal lijkt bijv. aanwezig in het werk
van P. Loosjes,
De man in de vier tijdperken zijns levens,
uit 1809.
34Vgl. Van Es 1962 (zie noot 27), p. 24:
‘Hij ziet de mens als individu in de gemeenschap van gezin,
familie, werkteam, maatschappij. Maar die samenleving ziet hij toch ook altijd
in het perspectief van de eeuwigheid - en de individuele mens in gemeenschap
met God.’
35Vgl. Erwin Panofsky.
Hercules am Scheidewege und andere antike Bildstoffe in
der neueren Kunst. Leipzig, Berlijn 1930.
50Pierre Charron.
De la sagesse (…). Troisiesme edition
reueüe et augmentée. Parijs 1607, p. 172.
51
Een mensch, die jaren heeft, moet dikmaal saken mijden
Die in een jong-gesel, oock wijse mannen lijden. (Cats II, p.
342).
54Vgl. Ten Berge 1979, die echter hieruit
onverantwoorde conclusies trekt over Cats persoonlijke frustraties op het
gebied van de sexualiteit.
56De gegevens over de wettelijke meerderjarigheid
bieden weinig houvast. In de Republiek bestond nog een grote verscheidenheid in
leeftijdsgrenzen. (A.S. de Blécourt.
Kort begrip van het oud-vaderlands burgerlijk
recht. 7e dr. bew. door H.F.W.D. Fischer. Groningen 1967, p. 57.)
Ook de leeftijd voor het doen van belijdenis in de gereformeerde kerk lag niet
vast. Calvijn achtte de kinderen met tien jaar reeds rijp daarvoor en de
Nederlandse vluchtelingenkerk in Londen stelde de veertienjarige leeftijd, maar
in later jaren schoof de leeftijdsgrens verder naar boven op. (D.J. de Groot.
In: Christelijke encyclopedie. Dl. I. Kampen 1956, p. 412). Deze laatste
ontwikkeling past overigens in het door Ariès e.a. waargenomen
‘infantiliseringsproces’.
58
Thien jaren van de mensch, die met door-knede sinnen
Het vleesch en sijn gevolg heeft leeren overwinnen,
Zijn beter voor de Kerk, en voor den gantschen Staat,
Dan twintig, als de jeugd in losse wegen gaat;
Want yemant, recht gemeukt, heeft dan eerst rijpe zeden
Om dienst te mogen doen aan Landen, Luyden, Steden, (Cats II, p.
337).
Vgl. ook de
Voor-reden over de Proteus, of Minne-Beelden, verandert
in Sinne-beelden (Cats I, bl. ***[1]).
|
|