Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815


auteur: Robert Halleux, Carmélia Opsomer en Jan Vandersmissen


bron: Robert Halleux, Carmélia Opsomer en Jan Vandersmissen (red.), Geschiedenis van de wetenschappen in België van de Oudheid tot 1815. Gemeentekrediet / Dexia, Brussel 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 145]

Fernand Hallyn
De kosmologie
Van Gemma Frisius tot Wendelen

▪ Enkele tijdgenoten van Copernicus

De Revolutionibus orbium coelestium libri sex, het boek dat aan de basis ligt van de ‘copernicaanse revolutie’, verscheen in 1543, het jaar waarin de auteur overleed en Vesalius zijn De fabrica humani corporis publiceerde. Voordien - waarschijnlijk in de jaren 1511-13 - had Copernicus de eerste versie van zijn heliocentrisch systeem reeds kort voorgesteld in een zes bladen tellend handschrift dat bekend staat onder

illustratie

Portret van Nicolaus Copernicus. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


de titel Commentariolus en dat bestemd was voor een kleine groep specialisten. Vervolgens - in 1540 - had de jonge Joachim Rheticus een synthese van de definitieve theorie opgenomen in zijn Narratio prima, een boek dat reeds in 1541 een eerste heruitgave beleefde.

In onze streken verschenen in de eerste helft van de 16de eeuw vooral vulgarisatiewerken. Zo verzamelde Joachim Sterck van Ringelberg (ca. 1499-1536) in 1531 in zijn Lucubrationes, vel potius absolutissima kuklopeideia...vier werken van kosmologische strekking, waaronder Institutionum astronomicum libri tres en een verhandeling over de Sfeer. Andreas Gheeraerds, bijgenaamd Hyperius (1511-1564), publiceerde in 1532 een Cosmographia. We vermelden ook het boek De sphaera et primis astronomiae rudimentis libellus utilissimus van Cornelius Wouters, alias Valerius (1512-1578); dit werk verscheen pas in 1561, maar volgens de auteur zou het ontwerp ervan teruggaan tot 1537. Al deze werken richten zich tot een zeer breed publiek en beperken zich tot het uiteenzetten van de hoofdlijnen van het geocentrisch wereldbeeld. Over wiskundige astronomie wordt niet in detail getreden en de talrijke problemen die deze kosmologie aan specialisten voorlegde en die Copernicus ertoe hebben aangezet een andere weg te volgen, komen niet aan de orde.

Minstens één humanist uit onze streken heeft rechtstreeks contact gehad met Copernicus. Het gaat om Paulus van Middelburg (1445-1533), die te Leuven geneeskunde, wiskunde en astronomie studeerde en die in 1494 bisschop werd van Fossombrone (nabij Urbino). Na de publicatie van een pleidooi voor een hervorming van de kalender (Paulina de recte paschae celebratione...,1513), verrichtte hij werk binnen de commissie die tijdens het Concilie van Lateranen was belast met de studie van de kalender. Deze commissie aanvaardde veertien voorstellen van de bisschop. Men kan ze terugvinden in het Compendium correctionis calendarii pro recta pasche celebratione (1515). In een

[p. 146]

Secundum compendium verklaart Paulus van Middelburg dat hij de voornaamste astronomen uit zijn tijd met betrekking tot zijn voorstellen om advies heeft gevraagd. Onder hen vernoemt hij ‘Nicolas Copernic uit Warmie’. In de inleidende brief van De Revolutionibus, opgedragen aan paus Paulus III, komt Copernicus op deze discussies terug. Zijn woorden verraden sympathie jegens Paulus van Middelburg en zelfs dankbaarheid voor diens aanmoedigingen: ‘...nog niet zo lang geleden, onder Leo X, werd op het Concilie van Lateranen het probleem besproken van de hervorming van de kerkelijke kalender. Het bleef onopgelost, enkel en alleen omdat men van mening was dat de grootheden van het jaar en de maanden en de bewegingen van de zon en de maan niet goed genoeg gemeten waren. En welzeker, vanaf dat moment heb ik me ter harte genomen deze zaken op een meer exacte wijze te bestuderen, hierbij aangemoedigd door de zeer beroemde Paulus, bisschop van Fossombrone, die indertijd de beraadslagingen voorzat’.

Met betrekking tot deze gebeurtenis moeten twee zaken worden onderstreept. Ten eerste, waarom heeft de bisschop van Fossombrone zijn vragenlijst - die was voorbehouden aan de voornaamste Europese astronomische autoriteiten van toen - naar Copernicus gestuurd, terwijl deze laatste op dit vlak nog niets had gepubliceerd? Het enige mogelijke antwoord is dat hij rechtstreeks of onrechtstreeks kennis moet hebben genomen van de Commentariolus en van het belang dat bepaalde astronomen aan die paar handgeschreven bladzijden hechtten. Ten tweede, het feit zelf van Copernicus' aandacht te vestigen op de problemen in verband met de kalender kon laatstgenoemde slechts sterken in de overtuiging dat een hervorming van de astronomie noodzakelijk was. Paulus van Middelburg zelf verklaarde dat men de hervorming van de kalender nooit kon baseren op de ‘reële’ bewegingen van de zon en de maan, die in alle bestaande theorieën al te veel onregelmatigheden vertoonden. In zijn Secundum compendium schrijft hij: ‘...aangezien de reële bewegingen van de hemellichamen gevarieerd en onregelmatig zijn, zal een maancyclus, vanuit reële bewegingen samengesteld, noodzakelijkerwijs misvormd en onregelmatig zijn...’. Hij weigerde zich ook te houden aan de ‘gemiddelde’ bewegingen van beide hemellichamen. Het gebrek aan uniformiteit in de bewegingen die aan de planeten in het geocentrisch systeem werden toegekend, ja zelfs de ‘monsterachtigheid’ ervan, was - volgens de inleiding van De Revolutionibus - voor Copernicus juist de belangrijkste reden om naar een ander wereldbeeld op zoek te gaan. De teksten van Paulus van Middelburg, die sceptisch stond ten aanzien van de mogelijkheid een bevredigende oplossing te ontdekken binnen het kader van het geocentrisme, hebben hem misschien gesterkt in de overtuiging dat het zoeken naar volledig nieuwe oplossingen noodzakelijk was. Het probleem van de kalender, waarbij overigens niet alleen de bewegingen van de maan en de zon betrokken waren, maar ook andere anomalieën, in het bijzonder met betrekking tot de precessie van de dag- en nachteveningspunten, zouden in hun geheel plaats kunnen maken voor een globale herziening van het wereldsysteem.

We vermelden nog dat Paulus van Middelburg zich in deze periode - waarin de grens tussen astronomie en astrologie vaak heel vaag en onzeker was - eveneens bezighield met astrologie. Nemen we als voorbeeld het Prognosticum consolatorium uit 1523, waarin hij zich verzet tegen de voorspelling van Johannes Stoeffler (Almanach novum plurimis annis venturis, 1499), die stelde dat Europa op 24 februari 1524, onder invloed van een conjunctie van alle planeten in het teken van de Vissen, volledig ging vernietigd worden door een nieuwe Zondvloed. Vanuit een precieze redenering, zowel gebaseerd op historische gegevens (de afwezigheid van catastrofen tijdens vorige conjuncties) als op astronomische argumenten (de willekeurige indeling van de dierenriem in twaalf tekens), bewijst Paulus van Middelburg de zinloosheid van deze voorspelling, die destijds de grootste ontsteltenis teweegbracht. Deze kritische houding wijst echter niet op een volledige afwijzing van de astrologie. Integendeel, Paulus van Middelburg was zelf auteur van verschillende voorspellingen. Het was dus binnen de discipline zelf dat hij de schuld legde van wat hij beschouwde als een foute praktijk.

▪ De inleider: Gemma Frisius

Gemma Frisius (1508-1555), een Fries die zich permanent in Leuven had gevestigd nadat hij er zijn opleiding had voltooid, stond aan de basis van de ontwikkeling van de studies aardrijkskunde en astronomie aan de oudste Belgische universiteit. Vanaf 1529 verzorgde hij een nieuwe uitgave van de Cosmographia van Petrus Apianus (1495-1551), een editie die tal-

[p. 147]



illustratie

De geocentrische kosmos. In: Petrus Apianus, Cosmographia, Antwerpen, 1569. Uitgegeven door Gemma Frisius. © B.U.L. ▪


rijke herdrukken zou kennen en die vermeerderd werd met een aantal werkjes van Gemma zelf. In 1530 publiceerde hij De principiis astronomiae et cosmographiae...,met daarin een beschrijving van een zelf ontworpen aardglobe; de voorstelling van de hemel is hier nog heel traditioneel.

Men heeft geopperd - maar niet bewezen - dat Gemma een leerling is geweest van Apianus in Duitsland. Zijn belangstelling voor de astronomie heeft zich echter even goed in Leuven kunnen ontwikkelen. Enkele voorbeelden om dit aan te tonen: Henricus Afinius (eerste helft 16de eeuw) had in 1517 te Leuven een astronomische thesis verdedigd over de hervorming van de kalender; het jaar daarop had Albert Pigghius (1490-1542) er geschreven over astrologie; in 1528 had Hendrik Baers (Vekenstyl, 1500-1542) er zijn astronomische tafels gepubliceerd, die - dat is juist - niet echt afstand namen van de middeleeuwse voorbeelden; Jacob van Deventer (1500-1575), die zijn studies enkele jaren voor Gemma beëindigde, hield er zich bezig met de wiskundige problemen van de cartografie; in heel deze periode kan ook de invloed van Joannes Driedoens (1480-1535), die, hoewel hij theologie onderwees, gepassioneerd was door astronomie, voelbaar geweest zijn.

Dankzij Gemma Frisius werd het werk van Copernicus reeds vroeg te Leuven gelezen. Waarschijnlijk had hij voor het eerst iets over de Poolse kanunnik gehoord van Johannes Dantiscus (1485-1548), die ambassadeur was geweest van de Poolse koning aan het hof van Karel V (1500-1558) vooraleer hij in 1537 bisschop werd van Ermland en in deze positie zelfs Copernicus' overste. Gemma was een lid van Dantiscus' ‘familie’ sinds 1531. Een in 1560 te Gent gepubliceerde biografie van Karel V, De republica, vita, moribus,...Caroli Maximi...van Zenocarus van Schouwenburch (1518-1563), bevestigt dat Copernicus, Apianus, Scala, Cardanus en Gemma tegenover elkaar zouden hebben gestaan in een groot debat over een komeet die in juni 1533 aan de hemel was verschenen en die een baan had gevolgd die niet overeenkwam met de gangbare theorie. Er bestaan geen andere getuigenissen van dit contact, maar we weten uit De Radio astronomico (1545) en uit de geschriften van zijn zoon dat Gemma deze komeet effectief heeft waargenomen. Anderzijds alludeert ook Apianus in zijn Astronomicum Caesarum (1540) op de grote geschillen tussen de astronomen met betrekking tot deze komeet, maar hij preciseert niet wie juist de medespelers waren. Hoe men deze controverse ook bekijkt, het staat vast dat Gemma, vanaf de jaren 1530, van de copernicaanse theorie, en mogelijk ook van de Commentariolus, heeft kennisgenomen, daar hij in een brief aan Dantiscus van augustus 1541 naar voorgaande gesprekken over dit onderwerp verwijst: ‘...lang geleden heb je in mijn aanwezigheid van deze beroemde auteur gewag gemaakt toen we de bewegingen van de aarde en de hemel met elkaar bespraken’.

Dezelfde brief bewijst trouwens dat Gemma vanaf 1541 in staat was Rheticus' Narratio prima te lezen. Een exemplaar van dit werk was in het bezit gekomen van de Brusselse humanist Cornelis de Schepper (1500-1555), die het aan Gemma ter inzage gaf. Gemma reageerde enthousiast. In zijn brief geeft hij

[p. 148]

eerst een opsomming van een reeks tekortkomingen van de traditionele astronomie: ‘Met hoeveel dwalingen, sluiers, labyrinthen, kortom met hoeveel raadsels, nog ingewikkelder dan die van de Sfinx, was onze astronomie omgeven! Wat mezelf aangaat, ik zou veel zaken kunnen opnoemen die me nooit hebben kunnen tevredenstellen. Bijvoorbeeld, ik heb waargenomen dat de beweging van Mars op de zodiak dikwijls met drie graden afweek van de meest exacte berekening volgens de tafels; de grootte van de maan varieert in onze ogen niet in dezelfde mate als de meest ernstige auteurs van deze discipline voorzien; de lengte van het jaar tenslotte is nooit geheel conform de waarheid gevonden. Ik zal nu dan ook niets zeggen over de beweging van het uitspansel en de apogea, die, hoewel ze nog niet in de buurt komt van de waarheid, toch door iedereen op belachelijke wijze wordt aangenomen. Ik zwijg tevens over veel andere zaken in verband met de lengte en de breedte van bijna alle sterren...’. Na dit requisitoir heeft Gemma het over de verwachting die de lezing van het werk van Rheticus bij hem heeft gewekt, alsook over het ongeduld waarmee hij de publicatie van het volledige werk van Copernicus afwacht: ‘Als deze befaamde auteur erin slaagt deze problemen te regelen en terug op orde te stellen...,geeft hij dan niet meteen een nieuwe aarde, een nieuwe hemel en een nieuwe wereld? (...) Enkel het uitstel is voor mij ondraaglijk, want ik verlang vanaf nu het einde van deze zaak te zien en er zijn wel meer geleerde mensen op de wereld die hetzelfde willen zien als ik’.

De Radio astronomico toont aan dat Gemma omstreeks 1545 de pas twee jaar voordien verschenen De Revolutionibus heeft gelezen. In dit werk stelt hij dat hij de door Copernicus vermelde tafels verkiest boven alle andere en de copernicaanse voorstelling van de beweging van de maan beter acht dan die van Ptolemaeus. Intussen levert hij volop kritiek op de theorie van de homocentrische banen, die teruggaat tot Eudoxus. Amico en Fracastor hadden in de jaren 1530 geprobeerd deze theorie opnieuw in te voeren.

Heeft Gemma Frisius aldus reeds vroeg een levendige belangstelling voor de copernicaanse theorie ontwikkeld, dan heeft hij ook van in het begin richting gegeven aan de overheersende houding die de Leuvense universiteit tegenover het heliocentrisme in de loop van de tweede helft van de 16de eeuw ging aannemen. Want men mag zich in de aard van zijn bewondering voor Copernicus niet vergissen. In feite maakte Gemma een duidelijk onderscheid tussen astronomie en kosmologie. In de aan Dantiscus verzonden lofrede maakt hij immers volgend voorbehoud: ‘En thans praat ik niet over de aard van de hypothesen waarvan deze auteur in zijn bewijsvoering gebruikmaakt, noch over hun waarachtigheid. Het kan me namelijk maar weinig schelen of hij nu zegt dat de aarde beweegt of stilstaat, zolang de bewegingen van de sterren en de tijdsintervallen voor ons nauwkeurig bepaald en tot de meest exacte berekeningen teruggebracht zijn’. Gemma plaatste zich hiermee in lijn met een zuiver instrumentalistische benadering van de astronomische hypothesen, waarvan het waarheidsgehalte niet

illustratie

Gemma Frisius. De Radio Astronomico, Antwerpen, 1545. ©B.U.L. ▪


[p. 149]

in vraag werd gesteld. Een dergelijke positie werd reeds in de Oudheid verdedigd ten aanzien van Ptolemaeus en stak opnieuw de kop op met betrekking tot De Revolutionibus, hoewel ze volledig indruiste tegen de stelling die Copernicus zelf had geformuleerd.

De houding van Gemma was in het midden van de 16de eeuw volledig te begrijpen, en wel om ten minste drie redenen:

Eerst en vooral werd de publicatie van De Revolutionibus voorafgegaan door een niet gesigneerd voorwoord, dat - de hele 16de eeuw door - door de meeste lezers werd gezien als een tekst van Copernicus zelf, hoewel het in feite geschreven was door de protestantse dominee Andreas Osiander (1498-1552). Dit epistel stelt uitdrukkelijk dat het werk niet pretendeert de ware wereldorde te beschrijven, maar enkel een vereenvoudiging en verbetering van de astronomische berekeningen op het oog heeft. Aldus maakte reeds van in het begin een voorwoord de weg vrij om aan De Revolutionibus een zuiver instrumentale draagwijdte toe te kennen.
Voorts moet men in De Revolutionibus - zoals Copernicus zelf erkende en Johann Kepler (1571-1630) later zou onderlijnen - tot op een zeker punt onderscheid maken tussen een auteur die filosofeert als een kosmoloog en een auteur die berekeningen maakt als een astronoom. Zo beschrijft het eerste boek van De Revolutionibus wel de grote lijnen van een volmaakt heliocentrische kosmos, maar de fijne structuur, uitgewerkt in de wiskundige vertaling van de vijf daaropvolgende boeken, wijkt af van deze volmaakte orde. Het centrum van de planetaire bewegingen valt niet samen met de zon, maar met het midden van de baan van de aarde, dat licht afwijkt ten opzichte van de zon. Het is evenmin waar dat De Revolutionibus steeds even duidelijk is in de bepaling van de planeetbanen: zowel voor de schijnbare beweging van de zon, als voor de beweging van Mercurius in de lengte worden verschillende modellen voorgesteld, waartussen men - en Copernicus geeft dat zelf toe - onmogelijk kan kiezen. Tegenover de verwachting van een foutloos kosmologisch systeem bleven de astronomische berekeningen een aantal dubbelzinnigheden vertonen.
Tot slot vroeg Copernicus niet alleen een systeem te aanvaarden dat indruiste tegen de onmiddellijke zintuiglijke waarneming; hij was bovendien verplicht om in functie van de interne eisen van zijn kosmologie een volledig nieuwe fysica uit te denken. Hiermee ging hij in tegen de algemeen aanvaarde aristotelische hiërarchie, volgens dewelke de wiskundige astronomie moest voorzien in berekeningswijzen die niet verwezen naar de reële wereldorde; de studie hiervan behoorde immers exclusief tot het domein van de filosofie. Copernicus vroeg dus om tegelijk het wereldsysteem én het fysisch denken te herzien. Het aanvaarden van de heliocentrische waarheid kwam - in de woorden van Osiander - neer op ‘het omverwerpen van de vrije kunsten, die reeds lang de status van gevestigde waarden hadden’. Zowat overal in Europa kon men vaststellen dat de geleerden voor deze dubbele revolutie terugdeinsden en slechts op een selectieve manier van Copernicus' werk gebruikmaakten. In de eerste decennia volgend op 1543 waren er maar weinigen - op uitzondering van Rheticus - die zover wilden gaan dat ze de kosmologische waarheid van het heliocentrisme aanvaardden.

De begrijpelijke bedachtzaamheid van Gemma op het vlak van de kosmologie heeft hem er toch niet van weerhouden bij hoog en bij laag te verkondigen dat het heliocentrisme superieur is in zijn astronomische hoedanigheid; dat het gaat om onregelmatigheden in de bewegingen van vaste sterren (De Astrolabo, 1556) of in die van de grotere planeten (in een inleidende brief van de Ephemerides novae et exactae van Stadius, 1556). Volgens zijn zoon hebben aanhoudende waarnemingen - verricht over een periode van meer dan dertig jaar - hem overtuigd van de totale ontoereikendheid van de ptolemaeïsche astronomie.

In zijn laatste (postuum uitgegeven) teksten - zowel in De Astrolabo als in de inleidende brief aan Stadius - bekrachtigt Gemma niettemin zijn instrumentalistische interpretatie van De Revolutionibus. In de brief zegt hij dat Copernicus een zeer vernuftig man is en dat zijn theorie als hypothese zeer bruikbaar is voor de berekening van astronomische tafels. Bovendien heeft ze als voordeel dat ze het waarom van de fenomenen uitlegt, terwijl Ptolemaeus niet meer doet dan ze beschrijven: ‘Inderdaad, dat de drie hogere planeten, als ze diametraal tegenover de zon staan, zich steeds in het perigeum van hun pericykel bevinden, is wat Ptolemaeus aanvaardt, en dat is niet meer dan juist ook. Daartegenover staat dat de hypothesen van Copernicus de noodzakelijke gevolgtrekking maken en de ware reden tonen’. Dergelijke regels kunnen de indruk wekken dat Gemma Frisius - ondanks zijn bedachtzaamheid - in zijn binnenste geneigd was de

[p. 150]

kosmologische waarheid van het heliocentrisme te erkennen. Het argument was in elk geval sterk genoeg opdat Riccioli honderd jaar later zich nog zou toeleggen op de weerlegging ervan, hierbij Gemma citerend in zijn Almagestum novum. Toch zou een echt instrumentalistische houding onder Gemma's leerlingen overheersen.

▪ De ‘Leuvense’ ontvangst: het instrumentalisme

Johan van Staeyen (Stadius) van Loenhout (1527-1579) was, voor hij wiskundige en astronoom werd van de hertog van Savoye en van de prins-bisschop van Luik, Robert van Bergen, en voor hij als professor aan het Collège Royal te Parijs werd aangesteld, een leerling van Gemma Frisius. Vanuit sociaal oogpunt beke-

illustratie

Joan Stadius, Tabulae Bergenses, Keulen, 1560. © K.B. ▪




illustratie
Maaneclips. In: Rembert Dodoens, De Sphaera, sive de astronomiae et geographiae principiis cosmographica isagoge, Antwerpen, 1584. © B.U.L. ▪


ken, was hij dus vertrouwd met de twee belangrijkste plaatsen waar men in de loop van de 16de eeuw astronomie beoefende: de universiteit en het hof. In de Efemeriden van 1556 erkent hij duidelijk een geocentrische kosmos, vermits hij spreekt over de beweging van de zon en de retrograde beweging van de planeten. In dit kader verwijst hij de lezer echter naar de Narratio prima van Rheticus, citeert hij Copernicus voor de precessie van de equinoxen en gebruikt hij - om de

[p. 151]

breedte te bepalen - de Prutenische Tafels, opgesteld door Erasmus Reinhold (de eerste die op De Revolutionibus waren gebaseerd). In 1560 publiceerde hij de Tabulae Bergenses, genoemd naar de prins-bisschop van Luik, met de bedoeling een instrument aan te reiken dat gemakkelijker te consulteren zou zijn dan Reinholds Prutenische Tafels. In de Tabulae Bergenses wordt een geocentrisch wereldbeeld (het bestaan van een achtste sfeer en de beweging van de zon) gecombineerd met belangrijke ontleningen aan Copernicus (herhaling van bepaalde waarnemingen, maar ook van de opvatting van de daling van de abside van de zon naar de aarde of van de precessie van de equinoxen). Stadius situeert de vooruitgang van de astronomie eerder in de verbetering van de berekeningen dan in de ontwikkeling van nieuwe theorieën.



illustratie

Portret van Tycho Brahe. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


Een ander typisch voorbeeld van het instrumentalistisch onthaal van het heliocentrisme leverde Rembert Dodoens (1518-1584), beroemd om zijn Cruydeboeck, maar tevens auteur van een Cosmographica...isagoge, zijn eerste werk, gepubliceerd in 1548. In 1584 verscheen een herziene en verbeterde uitgave onder de titel De Sphaera...Copernicus wordt er vijf maal in vernoemd (voorwoord; I,7; II,14; III,7; IV,17). In het voorwoord gaat de auteur zelfs zover te verklaren dat zijn werk een voorbereiding vormt op de lectuur van Copernicus: ‘Inderdaad, (mijn werk) leidt (de lezer) als was het aan de hand naar de boeken van deze man over de omwentelingen’. Dodoens rept echter met geen woord over het heliocentrisme! Hij stelt zich tevreden met het aan Copernicus ontlenen van rekenopgaven. Met betrekking tot de afmetingen en de proportionele afstanden van de aarde, de maan en de zon maakt hij een samenvatting van boek IV, hoofdstuk 17 en volgende uit De Revolutionibus, maar de algemene strekking blijft geocentrisch.

De complexiteit van de situatie komt goed tot uiting in het werk van Cornelius Gemma (1535-ca. 1578), de zoon van Gemma Frisius. Na het onvolledige traktaat van zijn vader over het astrolabium (1565) met toevoeging van achttien hoofdstukken te hebben afgewerkt en gepubliceerd, publiceerde hij gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren Efemeriden. Hierin somt hij de tekortkomingen van de oude tafels op en spreekt hij ronduit zijn voorkeur uit voor de nieuwe, opgesteld door Reinhold. In de Efemeriden van 1561 schrijft hij over dit onderwerp: ‘Het leek me aanvankelijk goed, na lezing van de alfonsinische tafels, de oude en gewone weg te nemen (...). Kort nadien ben ik mijn fouten beginnen inzien, nu eens door een vergelijking van de effecten met de oorzaken, dan weer door de positie van de sterren zelf (...) Dat is de reden waarom ik mij, de principen van de ouden negerend, heb gewend naar de prutenische tafels, vol bewondering voor dit goddelijke vernuft van Copernicus’. In zijn De Arte cyclognomonica (1569) laat hij een duidelijke voorkeur blijken voor het heliocentrisme, dat beter met de waarnemingen overeenkomt, maar gaat hij niet zover om het geocentrisme, dat volgens hem de verdienste heeft dat het beter overeenstemt met de Bijbel, expliciet te verwerpen.

Cornelius Gemma heeft zich eveneens actief beziggehouden met twee hemelse fenomenen die de tweede helft van de 16de eeuw hebben getekend: de

[p. 152]



illustratie

Sterrenhemel met de nova van 1572.
In: Cornelius Gemma, De naturae divinis characterismis, Antwerpen, 1575. © B.U.L. ▪




illustratie
Tabel met vermelding van Copernicus' waarnemingen. Gerard Mercator, Chronologia, Keulen, 1569. © B.U.L. ▪


verschijningen van een nieuwe ster in 1572 en van een komeet in 1577. Beide gaven in heel Europa aanleiding tot een overvloedige literatuur en in de twee gevallen was Cornelius Gemma één van de hoofdrolspelers in de debatten. Hoewel Tycho Brahe (1546-1601), de belangrijkste astronoom van toen, zijn thesis over de nieuwe ster ernstig in vraag stelde, had hij toch grote eerbied voor zijn geschrift over de komeet. Wat de nieuwe ster betreft, veronderstelde Gemma dat ze afkomstig was uit de onzichtbare diepten van de ruimte, waarnaar ze ook zou terugkeren. Dit kwam tegelijk neer op een ontkenning van het principe van de circulaire beweging, eigen aan ieder hemellichaam, én op een aanzienlijke vergroting van het volume van de wereld, de sfeer van de vaste hemellichamen overstijgend (De naturae divinis characterismis, 1575, II,3).

illustratie
Hemelglobe vervaardigd door Gerard Mercator. Sint-Niklaas, Museum van de Koninklijke Oudheidkundige Kring Land van Waas. © M.K.O.K.L.W. ▪


[p. 153]



illustratie

Michiel Coignet, Instruction nouvelle des poincts plus excellents & necessaires touchant l'art de naviguer, Antwerpen, 1581. Titelblad. © B.U.L. ▪


Wat de komeet uit 1577 aangaat, die plaatste hij niet aan de rand van de aardse atmosfeer - zoals de aristotelische doctrine het voorschreef - maar in de hemel van Mercurius (De prodigiosa specie naturaque cometae...,1578). Het theoretisch ongemak is in beide gevallen opmerkelijk: noch de stelling over de ster, noch die over de komeet was in overeenstemming met de traditionele kosmologie. Nochtans bleef Cornelius Gemma de standpunten hiervan delen. Hij spreekt bijvoorbeeld over de ‘hemel van Mercurius’ vanuit een geocentrische optiek.

Een bijzondere plaats moet worden toegewezen aan de beroemde cartograaf Gerard Mercator (1512-1594). Hij werd ingewijd in de astronomie door Gemma Frisius en hij bezat - naast andere astronomische werken - een zelf geannoteerd exemplaar van de eerste uitgave van De Revolutionibus. In zijn Chronologia neemt hij van Copernicus enkele opmerkingen over met

illustratie

Beschrijving van een jakobsstaf, met aandacht voor de verbeteringen van Gemma Frisius. Michiel Coignet, Instruction...,Antwerpen, 1581. © B.U.L. ▪


betrekking tot de maaneclipsen en in zijn hemelglobe schijnt hij de copernicaanse theorie over de libratie te volgen. Dit gebruik van De Revolutionibus kan omschreven worden als instrumentalistisch, vermits Mercator elders opteert voor het zogenaamde ‘Egyptische’ systeem, dat reeds door Heraclidus van Pontus werd aanbevolen, vervolgens door Plato werd overgenomen en tenslotte ook door Martianus Capella werd gevolgd. Het belangrijkste kenmerk van dit systeem ten opzichte van dat van Ptolemaeus, is dat Venus en Mercurius erin worden voorgesteld als satellieten van de zon, die zelf rond de aarde draait. In een brief aan Vivianus en in zijn Fabrica mundi toont Mercator zich een voorstander van dit systeem. Het ‘boek van de schepping en vervaardiging van de wereld’, een inleiding op de grote Atlas, is één lange kosmogonische bespiegeling - ingedeeld volgens de zeven dagen van de schepping - waarin Mercator zijn geloof in een

[p. 154]

harmonieuze wereld, die volledig voor de mens werd gecreëerd, uitdrukt. Men kan erin lezen dat op de tweede dag, boven de onbeweeglijke aarde ‘eerst op de laagste plaats de Sfeer van de Maan werd neergelaten en vastgehecht; op de tweede plaats de Sfeer van de Zon, met Mercurius en Venus; op de derde plaats die van Mars, vervolgens die van Jupiter, en zo altijd maar verder...’.

Het instrumentalistisch gebruik van De Revolutionibus kan worden teruggevonden in verschillende andere werken. Coignet (Nieuwe onderwijsinghe op de principaelste puncten der zeevaert, 1589) en Saminiati (Tabulae astronomicae, 1599) beroepen zich in hun tafels voor zeelieden op de tafels van Reinhold - die ze nauwkeuriger achten dan de oude - zonder zich meteen zorgen te maken over de waarheid van het heliocentrisme in kosmologische zin.

Adriaan van Roomen, alias Adrianus Romanus (1561-1615), die later naar Würzburg zou uitwijken, publiceerde in 1591 te Leuven het kosmografisch vulgarisatiewerk Ouranographia sive caeli descriptio, een beschrijving van de geocentrische wereld die niet veel verschilt van die in de werken die men in de eerste helft van de eeuw uitgaf. Het systeem van Copernicus wordt slechts oppervlakkig en in enkele lijnen aangeroerd, zonder de minste discussie en zonder enige beoordeling. Dit wordt gevolgd door een citaat uit een gedicht van Cornelius Gemma over De Revolutionibus. Een thesis die onder zijn leiding te Würzburg werd voorbereid en die waarschijnlijk de inhoud van zijn lessen weerspiegelt, toont evenwel aan dat van Roomen de heliocentrische theorie kende en dat hij uit instrumentalistisch oogpunt enkele verdienstelijke punten zag. Hoewel hij in dit werk het onwaarschijnlijke karakter van de copernicaanse hypothesen benadrukt, neemt hij de theorie van de libratie over en acht hij de Prutenische Tafels veel betrouwbaarder dan degene die op Ptolemaeus waren gebaseerd.

Hoewel hij hen in zijn gepubliceerde werken niet veel plaats heeft toegekend, is van Roomen in contact gekomen met alle nieuwe tendensen uit de astronomie van zijn tijd. Te Praag heeft hij de nieuwe instrumenten van Tycho Brahe bewonderd, maar hij betreurde het dat de Deen op zo'n jaloerse manier de details van zijn nieuwe gegevens voor zichzelf hield. De grote observator scheen hem immers een erbarmelijk theoreticus te zijn. ‘...Hij schijnt me niet bekwaam voor de theoretische constructie’, schrijft hij in een brief uit 1602. Van Roomen is dus zeker en vast geen adept geweest van het kosmologisch systeem van Brahe, waarin de maan en de zon rond de aarde draaien en de vijf planeten rond de zon. Van Roomen heeft nog andere belangrijke astronomen gekend, zoals de Italiaan Giovanni Antonio Magini (1555-1617), die hij bewonderde om zijn tafels, gebaseerd op Copernicus maar nog steeds voorgesteld vanuit een instrumentalistische optiek. In Praag en in Frankfurt heeft hij eveneens Kepler ontmoet en hij onderhield met hem een briefwisseling die hoofdzakelijk handelde over problemen uit de zuivere wiskunde, maar die - althans in de geest van Kepler - eveneens verband hielden met het onderzoek naar de harmonie van de wereld. Van Roomen heeft ook een grote invloed uitgeoefend op de Poolse wiskundige Jan Brozek (1585-1652), één van de eersten die in zijn land de copernicaanse theorie onderwees en die - met het oog op een biografie - een verzameling aanlegde van ten minste twintig, helaas verloren gegane brieven van de auteur van De Revolutionibus. Dat van Roomen slechts weinig over deze materie heeft geschreven, hoewel hij uiteindelijk de astronomie van zijn tijd goed heeft gekend, is ongetwijfeld te wijten aan zijn scepticisme, dat zijn voorkeur naar de zuivere wiskunde deed uitgaan. In een brief aan Brozek verklaart hij geen zin te hebben in een dispuut met Magini, omdat hij niets kent dat meer onzeker is dan zekere astronomische vragen. Voortaan wilde hij zich wijden aan meer zekerheid biedend onderzoek.

▪ De ‘Leuvense’ ontvangst: astrologische bezigheden

Hoewel de astronomie in de ontvangstfase van de copernicaanse theorie niet gelieerd was aan een kosmologie, stond ze bij Gemma Frisius en bij de meerderheid van zijn leerlingen toch in nauw verband met de astrologie. Dit mag niet verwonderen, want was Copernicus op dit punt erg zwijgzaam, dan kon een zelfde belangstelling worden teruggevonden bij de eerste Duitse aanhangers: bij Rheticus in zijn Narratio Prima en bij Erasmus Reinhold in zijn Prutenische Tafels. We moeten ook rekening houden met het feit dat Gemma Frisius en de meerderheid van de overige deelnemers aan de discussie tegelijk wiskundige én arts waren. Het geloof in de invloed van de sterren op het menselijk lichaam belastte de beoefening van de

[p. 155]

geneeskunde met de zorg over de astronomisch-astrologische waarneming en voorspelling.

Gemma Frisius' De principiis astronomiae et cosmographiae (1530) bevat reeds hoofdstukken over ascendanten, huizen en directies, onderwerpen die rechtstreeks verband houden met de astrologie. Diezelfde Gemma vervaardigde horoscopen en probeerde bij al zijn waarnemingen voortdurend de stand van de hemel in verband te brengen met aardse gebeurtenissen. Zo zou hij, volgens de getuigenis van zijn zoon, in 1547 in de verschijning van een bloedrode zon, waarvan het licht zo zwak was dat men bij volle dag talrijke sterren kon waarnemen, de aankondiging hebben gezien van het nakende conflict tussen Karel V en de hertog van Saksen. Zijn belangstelling voor meer precieze tafels en nauwkeuriger observaties hield verband met zijn astrologische bezigheden. In De Astrolabo wordt de

illustratie

Portret van Guillaume Postel. In: Isaac Bullart, Académie des Sciences et des Arts, Brussel, 1695. © B.U.L. ▪


opstelling van de horoscoop van Filips II van Spanje als voornaamste voorbeeld aangehaald om te illustreren dat het instrument voor meerdere zaken kan gebruikt worden.

Astrologische bezigheden beheersen tevens het astronomisch werk van Stadius, die onder andere voorspellingen maakte aan het Franse hof. Het voorwoord van zijn Efemeriden bevestigt de invloed van de planeten op de aardse gebeurtenissen, zowel van natuurlijke als van menselijke aard, en geeft voorbeelden van juiste voorspellingen. Bovendien is elke uitgave van de Efemeriden voorzien van een door Stadius opgestelde Latijnse vertaling van de Iatromathematica, een aan Hermes Trimegistes toegeschreven traktaat over het verband tussen ziekten en hemellichamen. Stadius maakte horoscopen, met name voor Justin van Nassau. Het deel in de Tabulae Bergenses dat handelt over de vaste sterren schenkt veel aandacht aan elementen die ook de astroloog kunnen interesseren.

Gelijkaardige preoccupaties zijn aanwezig - hoewel belang en klemtoon verschillen - in het werk van Dodoens, Mercator en van Roomen. Ook in de 17de eeuw zouden ze niet verdwijnen. De astrologische zorg komt evenwel het duidelijkst naar voor in het werk van Gemma Frisius' zoon, Cornelius Gemma, die vervuld was van het gechristianiseerd neoplatonisme en nauwe banden onderhield met kabbalisten als Guillaume Postel (1505-1581) en Guy Le Fèvre de la Bodene (1541-1598). Zijn traktaat over de komeet van 1577 werd heruitgegeven samen met dat van Postel en het werk van Guy Le Fèvre bevat meerdere lovende toespelingen aan zijn adres. De astrologie situeert zich, volgens Cornelius Gemma, binnen het kader van een kosmologische semiotiek. Dit wordt in het lang en het breed uitgelegd in De Naturae divinis characterismis...uit 1575. Een eerste versie is terug te vinden in De Arte cyclognomica uit 1569. De wereld is volgens hem een levend wezen waarvan alle delen met elkaar in verbinding staan en elkaar wederzijds beïnvloeden. Men zou de observatie van de hemel niet los kunnen zien van die van de aardse natuur en van die van de menselijke samenleving. Alle fenomenen die zich in één van deze drie ‘werelden’ voordoen, staan in verband met zaken die in de andere werelden gebeuren, en worden hierdoor ‘tekens’ die door de ‘kosmokritische’ kunst moeten worden ontcijferd. Erg onder de indruk van zowel de nieuwe ster uit 1572 als de komeet uit 1577, probeerde hij lang de betekenis van

[p. 156]

deze verschijningen te interpreteren. Het einde van De prodigiosa specie naturaque cometae laat de diepe emotionele verankering en de denkbeeldige voortzettingen van de waarneming goed naar voor komen: na een wiskundig-natuurkundige studie van de komeet, volgt een gravure met daarop een voorstelling van een vrouw - een allegorische figuur met de naam ‘Belgica’ - gezeten temidden van ruïnes, treurend en vol angst, terwijl de Sibylle van Eritrea met de vinger naar de hemel wijst om haar de komeet te tonen. Daarna volgt een gedicht, waarin beide personages elkaar onderhouden over de voortekens van de komeet.

Het weinig bestudeerde oeuvre van Cornelius Gemma toont ongetwijfeld het best aan hoe in deze periode de kosmologie en de astronomie met andere problemen waren verbonden, zodat men hun geschiedenis niet kan beperken tot technische problemen uit de wis- en natuurkunde in moderne zin. Men moet er zich voor hoeden al te vlug deze ‘andere’ bezigheden uit de eigenlijke ‘wetenschap’ te verwijderen. Enerzijds is het dikwijls zo dat juist zij aanleiding hebben gegeven tot de observaties en het stellen van vragen hierover hebben gestimuleerd. Anderzijds waren ze gelieerd met de algemene ontwikkeling van de wetenschap in het Europa van toen. Kepler zelf zou later bij twee gelegenheden de overeenkomst onderlijnen tussen de grondslagen van de astrologie van Cornelius Gemma en die van zijn eigen poging om deze op een steviger basis te reconstrueren.

▪ Een ‘realistische’ ontvangst: Simon Stevin

De juistheid van het copernicaanse systeem wordt door Simon Stevin (1548-1620) verkondigd in boek III van De Hemelloop, een in 1605 gepubliceerd astronomisch traktaat. In dit boek doet Stevin niets anders dan De Revolutionibus kopiëren en samenvatten. Hij plaatst Ptolemaeus duidelijk naast Copernicus, toont hun beider bekwaamheid en stelt de lezer in staat te begrijpen waarom hij Copernicus zou moeten verkiezen.

De nadruk wordt vooral gelegd op de grotere samenhang van de heliostatische voorstelling: ‘...dat t'ghene mette stelling eens vasten voor vreemt en met verwondering anghesien wort, deur d'ander sonder wonder is, als gegront sijnde op 't gene wesentlick inde natuer bestaet.’ (III, inl.)

Net zoals Kepler gelooft Stevin in de rol van het magnetisme bij de bepaling van de banen der planeten. Men zal niets vinden over ellipsen, want volgens hem wordt de magnetische kracht niet vanuit het centrum naar de rand uitgeoefend, maar komt ze voort uit de sfeer van vaste sterren (III, 1, voorst. 2-4). Het gaat om een zuiver fysische kracht die de plaats inneemt van het oude concept van de ‘eerste beweging’. Laat ons ook nog onderstrepen dat Stevin geen enkele waarde hecht aan de symbolische centrale positie van de zon, dewelke in een bekende passage door Copernicus werd bezongen (De Revolutionibus, I, 10). Stevin benadrukt dat de copernicaanse zon zich niet echt in het centrum van de planeetbanen bevindt en dat het zelfs niet zeker is dat ze in het midden staat van de vaste sterren. Tegenover de onmetelijkheid van de sfeer van vaste sterren, verhoudt het hele zonnestelsel zich als een punt en vandaar kan het als het centrum worden beschouwd (III, 1):

‘Angaende des werelts middelpunt met stelling eens roerenden Eertscloots, daer wort billichlick de Son toe ghenomen, om datse ghenouchsaem het middelpunt is vande ronden beschreven deur de verstepunten der Dwaeldersweghen, maer 't middelpunt vanden hemel der vaste sterren te wesen machmen vermoeden, dan men cant, soo ick meen, niet volcommelick bewijsen.’

‘Angaende Copernicus int 10 Hooftstick sijns 1 boucx vraeght, wie in dese schoonste kercke die lampe in een ander beter plaets soude stellen dan int middel, van daer sijt over al t'samen mach lichten? t'sijn wel beweeghlicke natuerlicke redenen, maer op gheen Meetconstich bewijs ghegront. Soo veel isser af, by aldienmen eenich ander punt dan de Son, ick neem des eertclootwechs middelpunt, wilde houden voor werelts middelpunt, stellende de Son daer rontom te draeyen, met een halfmiddellijn even an des Eertclootwechs uytmiddelpunticheytlijn, men soude daer op een beschrijving des Hemelloops connen doen sonder dwaling, maer de Son voor werelts middelpunt te nemen valt gherievigher, soo wel om bequamelick te leeren de overeencomminghen der stellinghen eens vasten en roerenden Eertcloots, (...) al om meer ander ontmoetende saken die aldus lichter en verstaenlicker sijn.’

Hoewel Stevin in de waarheid van het copernicaanse systeem gelooft, weigert hij terzelfdertijd deze waarheid te beschouwen vanuit het symbolistisch standpunt van Copernicus en Kepler. Het is wel zo dat hij aan de lofrede op de centrale plaats van de zon

[p. 157]

‘beweeglicke natuerlicke redenen’ toekent, maar noch de mogelijkheid, noch de afwijzing van een symbolische interpretatie wekken echt zijn belangstelling. In hetzelfde hoofdstuk wordt de keuze van het exacte centrum van de wereld vergeleken met de vrije keuze van de eerste meridiaan in de geografie: het komt er gewoon op aan praktische afspraken te maken.

Het lijkt erop dat Stevin heeft geaarzeld vooraleer hij zijn verdediging van het heliocentrisme publiceerde. In De Hemelloop bekent hij immers dat hij het werk gedurende een tijdje aan de kant heeft gelegd (II, 5). Deze aarzeling is te begrijpen, want de publicatie van zo'n krachtige verdediging van het heliocentrisme vergde de nodige moed. Terwijl de katholieke Kerk zich tot in 1616 tamelijk onverschillig toonde ten aanzien van kosmologische debatten, heerstte in de hervormde gebieden reeds sinds Luther achterdocht. Men kan vermoeden dat De Hemelloop Stevin heeft verhinderd te Leiden een professoraat te bekomen. In 1608 haalde de auteur zich met deze tekst in ieder geval de verwijten op de hals van Ubbo Emmius (1547-1625), de latere rector van de universiteit van Groningen. Emmius reageerde heftig op basis van geruchten, zonder eerst de tekst gelezen te hebben. Hij was verontrust over het potentiële lezerspubliek, daar het werk in het Nederlands, het Latijn en het Frans werd gepubliceerd. Verwijzend naar het inleidende hoofdstuk van De Revolutionibus (dat hij aan Copernicus zelf toeschreef en niet aan Osiander), verklaarde Emmius dat hij zonder problemen een instrumentalistische verwijzing naar het werk van Copernicus zou aanvaard hebben, maar dat hij niet zou kunnen dulden dat men zich ging toeleggen op het bewijzen van de waarheid van de heliocentrische hypothese. Hij protesteerde vooral tegen het feit dat de toekenning van een kosmologische draagkracht aan de copernicaanse theorie inhield dat de Heilige Geest - die door de Bijbel tot ons spreekt en verklaart dat de zon rond de aarde wentelt - werd beschouwd als een ‘leugenaar’. Doet de gewelddadige toon van Emmius aan Luthers reactie denken, dan kondigt de reden voor de aanval reeds de houding aan die de katholieke Kerk een tijdje later ten aanzien van het heliocentrisme zou aannemen.

▪ Nieuwe elementen: Kepler en Galilei

Sinds 1597 verdedigde Kepler openlijk het copernicaanse systeem. In 1609 publiceerde hij zijn Astronomia nova, met daarin de uiteenzetting van zijn eerste twee wetten. Door de ontoegankelijkheid van het werk werd het grote publiek - net zoals bij De Revolutionibus - niet bereikt. Toch waren Maelcote, Lansbergen, Wendelen en anderen erover ingelicht. Vanaf 1612 schreef een enthousiaste Odo Maelcote (Malcotius, 1572-1615), een Brusselse jezuïet en tevens uitvinder van een nieuw type astrolabium, hem vanuit Rome over de Astronomia nova. Kepler zond hem enkele andere boeken van zijn hand. Voor hij naar de Spaanse Nederlanden terugkeerde, liet Maelcote zich op de jaarmarkt van Frankfurt nog een aantal werken van de Duitse astronoom aanschaffen.

Was de Astronomia nova in 1609 een belangrijke theoretische vooruitgang, dan verscheen in het daaropvolgende jaar het eerste boek van Galilei, Sidereus Nuncius, met daarin een beschrijving van de eerste waarnemingen op basis van een telescoop. Dit werk kende een grote weerklank. De ontdekkingen die erin worden bekendgemaakt, alsook die welke hierop volgen, schijnen argumenten aan te dragen in het voordeel van het heliocentrisme. Het oppervlak van de maan blijkt oneffen te zijn en niet gladder of volmaakter dan dat van de aarde. Dit leidt tot een opheffing van het kwalitatieve onderscheid tussen de ondermaanse en bovenmaanse wereld. Het bestaan van de vier satellieten van Jupiter maakt het meer waarschijnlijk dat de aarde in haar baan rond de zon door de maan kan worden vergezeld. De waarneming van de schijngestalten van Venus, vergelijkbaar met die van de maan, pleit eveneens in het voordeel van een bewegende aarde. In 1611 wetd te Rome het Collegium Romanum samengeroepen om over deze ontdekkingen een uitspraak te doen. Een commissie, waarvan ook Maelcote lid was, bevestigde de geldigheid van Galilei's waarnemingen en Maelcote hield een publieke lofrede op de Sidereus Nuncius.

De impact van de waarnemingen van Galilei was veel directer dan die van Keplers ingewikkelde berekeningen. De ontdekkingen waren in onze streken erg vlug gekend. Octavio Pisani (ca. 1575-?), een in Antwerpen gevestigde Italiaan, correspondeerde met Kepler en Galilei, en publiceerde in 1613 een Astrologia, seu motus et loca siderum, met daarin een voorstelling van de maan, de zon, Jupiter en Saturnus zoals Galilei ze had beschreven. Toch ging niet iedereen akkoord met de interpretatie van de nieuwe gegevens. In zijn Optica (1613) weigert Franciscus Aguilon

[p. 158]



illustratie

Waarneming van de maan met een telescoop. In: Charles Malapert, Oratio, Douai, 1620. © B.U.L. ▪




illustratie
Nicolaus Copernicus, Astronomia instaurata, Amsterdam, 1617. Titelblad. Derde uitgave van De Revolutionibus, verzorgd door Nicolas Mulerius. © B.U.L. ▪


(1566-1617) het oneffen oppervlak van de maan te erkennen. De negatieve reacties werden evenwel zeldzamer. In 1620 publiceerde de uit Bergen afkomstige Charles Malapert (1581-1627) te Douai een werk waarin hij een samenvatting geeft van alle telescopische waarnemingen die tot dan toe waren verricht: Oratio, in qua de novis belgici telescopii phoenomenis non injucunda qaedam academice disputantur. Alle galileïsche ontdekkingen worden erin geïnventariseerd, hoewel Malapert in het dispuut over de waarde van de ontdekking van de zonnevlekken zijn voorkeur laat uitgaan naar Scheiner. In een postuum uitgegeven werk komt Malapert nogmaals op de zonnevlekken terug (Austriaca sidera, 1633). Hij oppert dat het gaat om een optisch verschijnsel, veroorzaakt door kleine, rond de zon draaiende planeten, die onder de vorm van een vlek zichtbaar worden omdat ze zich met een

[p. 159]

groot aantal in dezelfde zone bevinden. Hij aanvaardt voorlopig het ‘Egyptische’ systeem, maar hij neigt sterk naar dat van Brahe, die zich ertoe beperkt aan Mars, Jupiter en Saturnus een beweging toe te kennen die gelijkt op de beweging die het ‘Egyptische’ systeem reeds aan Venus en Mercurius toeschrijft.

De meest enthousiaste reactie kwam van Libertus Fromundus (1587-1653). Hij werd geboren te Haccourt, nabij Visé en studeerde te Maastricht en te Leuven, waar hij nadien professor werd aan de universiteit. In 1615 publiceerde Fromundus een werk met als titel Saturnalitiae coenae, variatae somnio sive peregrinatione coelesti. Het behandelt zeer uiteenlopende onderwerpen en het voorwoord van dit boek spoort de

illustratie

Nicolas Mulerius, Tabulae Frisicae Lunae-Salares quadruplices, Amsterdam, 1611. Titelblad. © B.U.L. ▪


lezer aan om zich niet met de bestaande kennis tevreden te stellen. Het genre van de ‘saturnaliën’ werd vanaf 1427 te Leuven ingevoerd. Een meester in de kunsten beantwoordde de meest uiteenlopende vragen, hierbij het ernstige aan het aangename koppelend. De belangrijkste tekst in de bundel van Fromundus benadert de samenstelling van de wereld onder de vorm van een verdichtsel: de auteur droomt dat hij, op de rug van Pegasus en in het gezelschap van een Genie, een reis maakt door de hemel. In de loop van deze reis wordt hem de zinloosheid van de aristotelische kosmologie aangetoond, terwijl Galilei's telescopische waarnemingen één na één worden bevestigd: de maan is geen volmaakt effen lichaam, Venus heeft schijngestalten, Jupiter bezit vier satellieten (waarvan de omlooptijd intussen gekend is), Saturnus blijkt uit drie samengekleefde delen te bestaan, de melkweg bestaat uit een massa sterren...Terloops wordt - in navolging van Keplers Dioptrice - Galilei in het Italiaans geciteerd. Fromundus benadrukt dat al datgene wat hem wordt geopenbaard, in overeenstemming is met de implicaties van het copernicaanse systeem, waarvan hij tevens de fysische theorie aanneemt: de wereld bevat geen absolute plaatsen, maar meerdere zwaartepunten; iedere planeet is van een eigen zwaartepunt voorzien. Kortom, we worden hier geconfronteerd met een geestdriftige verdediging van het heliocentrisme, waarbij de fictieve vorm van de droom eerder dient om de tegenstanders belachelijk te maken, dan om het engagement van de auteur te verhullen. In 1615 was het voor iedereen duidelijk dat Fromundus een overtuigd copernicaan was.

In dit klimaat van vernieuwde belangstelling voor het heliocentrisme verscheen eveneens een nieuwe editie van De Revolutionibus, de derde sinds 1543. Ze was het werk van de uitgeweken Bruggeling Nicolas Mulerius (of des Muliers, 1564-1630), die in 1614 hoogleraar was geworden in wiskunde en geneeskunde aan de pas opgerichte universiteit van Groningen. Deze editie verscheen te Amsterdam in 1617 en kreeg als titel Astronomia instaurata libris sex comprehensa...Mulerius beklaagt zich in dit boek over de fouten in de bestaande uitgaven en verklaart de integriteit van Copernicus' werk te willen herstellen (‘integritati suae restituta’). Sinds 1614 was het manuscript van De Revolutionibus in het bezit van Comenius - zelf een anti-copernicaan - die toen in Amsterdam verbleef. Enkele verschillen met de twee

[p. 160]

vorige uitgaven die evenwel de inhoud van het manuscript herstellen, laten veronderstellen dat Mulerius toegang had tot de oorspronkelijke tekst. De kritische uitgave wordt voorafgegaan door een biografie van Copernicus en gevolgd door een inventaris van alle waarnemingen die hij heeft opgetekend. Alle berekeningen werden door de uitgever overgedaan. Een rijkgevuld notenapparaat zorgt voor verduidelijking van enkele duistere punten, geeft de referenties op van de oude bronnen en voegt voor een aantal zaken meer recente gezichtspunten (onder meer van Brahe, Kepler, enz.) toe.

Mulerius' uitgave is in de eerste plaats een filologisch werk. Het is trouwens in die vorm dat hij zijn onderneming zelf voorstelt. In het voorwoord benadrukt hij dat hij Copernicus geenszins wil verdedigen, maar dat hij - vanuit een humanistisch standpunt - één van de belangrijkste werken uit de geschiedenis van de astronomie voor het grote publiek toegankelijk wil maken. Het feit dat hij respect opbrengt voor de tekst, weerhoudt hem er niet van in een aantal noten zijn voorbehoud te maken of kritiek te uiten. Zo stelt hij met betrekking tot hoofdstuk 10 van het eerste boek, waarin Copernicus verklaart dat de zon de hele wereld verlicht, dat de sterren te ver verwijderd zijn en dat de zon te klein is om deze taak te kunnen vervullen. Ook benadrukt hij, met betrekking tot hoofdstuk 15 uit het derde boek, dat de reusachtige afstand die volgens Copernicus het zonnestelsel van de sterren scheidt, enkel voortkomt uit de interne vereisten van de theorie. Deze voorzichtige houding leverde de uitgever de instemming op van de rector van zijn universiteit, Ubbo Emmius - de bestrijder van Stevin - die voor hem een inleidende lofrede schreef.

Kortom, Mulerius hield vast aan een instrumentalistische houding. Ze was reeds duidelijk zichtbaar in de tafels die hij in 1611 had gepubliceerd, de Tabulae Frisicae lunae-solares quadruplices, en die berekeningen volgens Ptolemaeus, de alfonsinische tafels, Copernicus en Tycho Brahe samenvoegden. Daar hij ze het nauwkeurigst achtte, ging zijn algemene voorkeur uit naar de tafels die opgesteld waren volgens Brahe, maar hij voegde eraan toe dat de ‘copernicaanse methode’ soms meer mogelijkheden biedt en ‘de tychoniaanse perfectie zo goed als het kan benadert’. In zijn Institutionum astronomicarum libri duo (1616) verklaarde hij dat hij zich na 25 jaar studie nog steeds niet met het heliocentrisme had kunnen verenigen, hoewel hij evenmin tevreden was over de geocentrische voorstelling. Alles bij elkaar bleef Mulerius een scepticus: ‘Maar wat loont het van ons nog langer bezig te houden met hypothesen die niets anders zijn dan verzinsels van mensen die tevergeefs proberen om via de analyse het systeem van de wereld te ontdekken?...We moeten ons neerleggen bij de almachtige wijsheid van God de Schepper en bij de zwakheid van onze intelligentie, die meer bewondering heeft voor de werking van de wereld dan dat ze haar begrijpt’. Hij erkende niettemin de rekenkundige bruikbaarheid van het heliocentrisme en uitte zonder eromheen te draaien zijn bewondering voor Copernicus (‘Interim laude et amore dignum censeo Copernicum’). In 1618 publiceerde Mulerius nog een korte Nederlandse verhandeling over een komeet die in hetzelfde jaar aan de hemel was verschenen. Hierin verklaart hij dat zijn waarnemingen hebben aangetoond dat de komeet zich voortbeweegt door de bovenmaanse hemel. Indien Aristoteles zou kunnen terugkeren, dan zou hij verplicht zijn zijn theorie over de kometen te veranderen. Uitgaand van de stelling dat niets tevergeefs geschapen is, geeft Mulerius een aantal historische voorbeelden die aantonen dat kometen onheil aankondigen en de mensen zouden moeten aanzetten om hun leven te beteren.

Mulerius' voorzichtige houding stond lijnrecht tegenover die van een andere emigrant, de in Gent geboren Filip van Lansbergen (1561-1632). Op de vlucht voor de inquisitie, volgde hij zijn ouders naar Frankrijk en nadien naar Engeland, waar hij theologie studeerde. Na een kort verblijf te Antwerpen werd hij predikant in Zeeland, meer bepaald in Middelburg en Goes. Zijn eerste werken handelen over de driehoeksmeting (in het bijzonder de Triangulorum geometriae libri quatuor, in 1591 uitgegeven te Leiden), maar op het einde van de jaren 1590 probeerde ook hij uit ontevredenheid met het geocentrische model een wereldsysteem uit te werken dat erg lijkt op dat van Tycho Brahe. De nieuwe ster uit 1604 inspireerde hem tot sombere gedachten van astrologische aard, die hij in dichtvorm aan het papier toevertrouwde.

In zijn Progymnasmatum astronomiae restitutae liber de motu solis uit 1619 neemt hij stelling voor Copernicus. Een bewijs voor de dagelijkse omwenteling van de aarde zou te vinden zijn in wat hij ‘de fysische aarde’ noemt: een door alchimisten verkregen vast lichaam dat een natuurlijke rotatiebeweging om de eigen as zou bezitten. Het lijdt in zijn ogen geen twijfel

[p. 161]



illustratie

Filip van Lansbergen, handgeschreven gedicht over de nova van 1604. In: Album Radermacher, p. 103. Gent, Universiteitsbibliotheek. © B.U.G. ▪


[p. 162]

dat ‘de grote aarde’ op een gelijkaardige manier wordt aangedreven. Lansbergen herneemt Copernicus' argument over de symbolische betekenis van de centrale plaats die aan de zon wordt toegekend. Om symbolische redenen erkent hij ook de oneindigheid van de wereld, die ‘de majesteit en de almacht van God aantoont en verheerlijkt’. De mens is volgens hem - en hiermee is hij dezelfde mening toegedaan als Kepler - een wezen dat werd geschapen om aandachtig het universum te beschouwen en daaruit een openbaring af te leiden die rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de Kerk, van de godheid afkomstig is. Men kan hier duidelijk zien hoe het symbolisme van de copernicaanse kosmologie nieuwe inspiratie vond in een religieuze, aan de Hervorming verwante denkwereld.

De belangrijkste verdediging van het heliocentrisme is terug te vinden in de Bedenckingen op den Dagelijkschen en de Jaerlijckschen loop van den Aerdtkloot. Mitsgaders op de ware Afbeeldinge des sienelijken Hemels...De Nederlandse tekst uit 1629 werd vanaf 1630 gevolgd door een Latijnse vertaling (Commentationes in motum Terrae diurnum et annuum et in verum adspectabilis Caeli typum...) van Martinus Hortensius (1605-1639), een leerling van Lansbergen. Lansbergen zet in dit werk in de eerste plaats - maar zonder veel originaliteit (hij kopieert regelmatig Kepler) - een reeks argumenten van wiskundige, natuurkundige en theologische strekking op een rijtje, die de dagelijkse en jaarlijkse omwentelingen van de aarde moeten bevestigen. Hij pretendeert nochtans aan de bestaande argumenten, die slechts ‘waarschijnlijk’ zijn, wiskundige ‘demonstraties’ toe te voegen. Hij berekent dat indien men de dagelijkse rotatie van de aarde weigert te erkennen, de achtste Sfeer zich met een snelheid van 643.980 mijl per seconde zou moeten voortbewegen, wat hij onmogelijk acht. Indien men de dagelijkse rotatiebeweging zou aanvaarden, dan zou de aarde in dezelfde tijd slechts 1/16 van een mijl voortdraaien. Ook zou het met betrekking tot de jaarlijkse beweging van de aarde, onmogelijk zijn om een afdoende verklaring te vinden voor de beweging van de maan indien men niet erkent dat ook de aarde rond de zon draait. Lansbergen levert eveneens scherpe kritiek op het systeem van Tycho Brahe, dat, vergeleken met dat van Copernicus, niets anders zou doen dan de onderdelen van het geheel omdraaien. Bovendien zou het minder spaarzaam (het vereist meer cirkels) en minder rationeel (wat de hogere planeten betreft is de

illustratie

Omwenteling van de aarde rond de zon.
Filip van Lansbergen, Bedenckingen...,1624. © B.U.L. ▪




illustratie

[p. 163]

‘epicykel’ veel groter dan de ‘deferens’) zijn. Intussen herberekent Lansbergen ook de grootte van de sterren. Hij kent aan elk van hen een diameter toe die minstens even groot is als die van de baan van de aarde. In zijn Uranometria komt hij uitgebreid op de afmetingen van de aarde terug. Hij verklaart dat de afstand tussen de zon en Saturnus niet meer is dan een punt, in vergelijking met de afstand die Saturnus van de vaste sterren scheidt. In totaal onderscheidt hij drie ‘hemelen’ in zijn zuiver theologische wereld: de eerste omvat het zonnestelsel en strekt zich uit tot aan Saturnus; de tweede komt overeen met het gebied waarin de sterren kunnen worden teruggevonden; de derde strekt zich uit tot in het oneindige en is de verblijfplaats van God en de gelukzaligen. Verschillende copernicanen stelden zich jegens Lansbergen eerder gereserveerd op, zowel omwille van de zwakheid van bepaalde wiskundige en natuurkundige argumenten als omwille van het belang en de oriëntatie van de metafysische ontwikkelingen. De Commentationes dwongen echter ook respect af. Dit blijkt uit het feit dat Bonaventura Cavalieri (1598-1647) in 1642 het boek aan zijn Bolognese studenten aanbeval als één van de beste inleidingen op het copernicaanse systeem. Ook Jean de Beaugrand gaf aan Mersenne een - in zijn geheel genomen - positief advies: ‘U vraagt me naar mijn oordeel over het boek van Lansbergius over de dagelijkse en jaarlijkse beweging van de aarde. Hierop zal ik je zeggen dat het erg duidelijk is en naar best vermogen de redenen opgeeft die tot nu toe aangevoerd werden om deze bewegingen in de aardse sfeer onder te brengen. Maar hij vergeet er één, namelijk die welke voortkomt uit de plaats van de kometen aan de hemel en die haast de meest beslissende en sterkste is die we hebben’.

In 1632 publiceerde Lansbergen astronomische tafels (Tabulae motuum coelestium perpetuae...Item novae et genuinae motuum coelestium theoricae...), die overeenkomen met de meridiaan van Goes. Deze uitgave vergde meer dan 44 jaar voorbereiding. De tafels zijn volledig gebaseerd op het heliocentrisme, want niettegenstaande Ptolemaeus en Copernicus slechts de uiterlijke verschijningen beschreven en het geocentrisme het best met de waarnemingen overeenkwam, liet enkel het heliocentrisme toe de bewegingen der planeten te verklaren. Hoewel Lansbergen Keplers Astronomia nova kende, stelt hij deze bewegingen niet voor als ellipsen. Hij gebruikt de middelen van de wiskun-

illustratie

Portret van Libertus Fromundus. Visé, Musée de Visé. © C.A.L. ▪


dige machinerie, eigen aan Ptolemaeus en Copernicus. Het centrum van de ‘deferens’ van alle planeten beschrijft zelf ook een cirkel, terwijl voor Mercurius er nog een ‘epicykel’ op de ‘deferens’ wordt toegevoegd. Anderzijds weigert Lansbergen - zowel hier als elders (zie de volledige titel van de Commentationes) - de door Copernicus veronderstelde ‘derde beweging’ te erkennen, die overeenkomt met een ‘libratie’ van de aarde rond haar as. Voor de voorstelling van de tafels verkiest hij de regels die van toepassing waren op de oude tafels (de alfonsinische tafels) boven alle andere (meer bepaald die van Reinhold). Herhaaldelijk vergelijkt hij de voorspellingen uit zijn tafels met waarnemingen, teneinde hun volmaakte overeenkomst aan te tonen. In 1634 werden de tafels van Lansbergen in het Frans vertaald. Ook in Engeland, waar Jeremy Horrocks (ca. 1617-1641) er vanaf 1635 efemeriden uit trachtte af te leiden, kenden ze een zekere belangstelling. In 1637 onderwierp William Crabtree (1610-1644) hen aan een systematische vergelijking met de Tabulae Rudolphinae van Kepler, die enkele jaren voordien waren verschenen, en hij kwam tot de vaststelling dat deze laatste duidelijk betrouwbaarder waren. De tafels van Lansbergen bleven evenwel nog een zeker respect genieten. Dit was te wijten aan enkele

[p. 164]

gelukkige toevalligheden, zoals het feit dat ze melding maken van de transitie van Venus in 1639, terwijl de Tabulae Rudolphinae aan deze planeet een ver van de zon gelegen positie toekennen.

▪ De tussenkomsten van de Kerk

Onder het gezamelijk gewicht van Keplers onderzoekingen en Galilei's waarnemingen, werd de druk om de waarheid van het copernicaanse systeem te erkennen alsmaar groter. In de jaren 1612-15 drong Galilei er op aan dat de Kerk de nieuwe wetenschappelijke gegevens zou erkennen en de letterlijke interpretatie van Bijbelse passages, die stelden dat de aarde stilstond, zou laten varen. Welnu, de Kerk, die zich tot op dat moment tamelijk onverschillig had getoond ten aanzien van het kosmologische debat, reageerde deze keer wel, maar dan in juist tegenovergestelde zin als Galilei had gewenst. In maart 1616 werd het copernicaanse systeem ongegrond bevonden en in strijd met de Heilige Schrift. Passages uit De Revolutionibus evenals de werken van Diego de Zuniga (1536-1597) en Paolo Foscarini (1565-1616) werden op de Index geplaatst, wat in 1619 ook gebeurde met de Epitome astronomiae copernicanae van Kepler. In 1633 volgde het beruchte proces van Galilei, met als gevolg dat instemmen met het heliocentrisme als een vorm van ketterij werd beschouwd. In tegenstelling tot de beslissing uit 1616 - waarvan het nieuws traag werd verspreid - vond het decreet van 1633 veel meer weerklank. Het werd zowel in de Spaanse Nederlanden als in het prinsbisdom Luik snel afgekondigd en aanvaard.

De eerste gevolgen van de hardere opstelling van de Kerk zijn duidelijk zichtbaar in de belangrijkste reactie die in onze streken op de verschijning van de komeet uit 1618 volgde, namelijk in De Cometa van Thomas Feyens (Fienus, 1567-1631, een leerling van Cornelius Gemma en hoogleraar in de medicijnen) en Libertus Fromundus, de auteur van de droom in de reeds vermelde Saturnalitiae coenae. In de loop van de redactie van dit werk blijkt zich een attitudeverandering te hebben voorgedaan, klaarblijkelijk ingegeven door het nieuws over de beslissing van 1616.

De Cometa opent met een tekst van Feyens, die zonder aarzelen veronderstelt dat de komeet een hemellichaam is met een onbekende samenstelling. Mogelijk is hij van dezelfde aard als de planeten, want telescopische ontdekkingen hebben reeds aangetoond dat in de hemel meer voorwerpen zijn dan we met het blote oog kunnen zien; er zijn in ieder geval meer dan zeven planeten. Maar de komeet zou ook een voorbijgaand voorwerp kunnen zijn, want voor Feyens staat de duurzaamheid van de hemelen niet vast.

De aanhef van Fromundus' bijdrage wordt gekenmerkt door een enthousiasme dat vergelijkbaar is met dat in de Saturnalitiae coenae: de auteur verklaart het aristotelisme dood en prijst Copernicus, Kepler en Galilei. Hij beschrijft uitvoerig zijn eigen telescopische waarnemingen van de komeet en bespreekt haar baan, evenals haar fysisch voorkomen. Ze zou niet kunnen doorgaan voor een ondermaans verschijnsel en ze zou samengesteld zijn uit een ‘etherische substantie’, met variabele soortelijke massa en dichtheid. Plots worden de beschouwingen over de komeet onderbroken: in januari 1619 verneemt Fromundus van Feyens het vonnis dat in 1616 over het heliocentrisme werd uitgesproken. Hij verbaast zich over de traagheid waarmee deze beslissing te Leuven is toegekomen en stelt zich vragen omtrent de achterliggende redenen. Deze zouden van niet-wetenschappelijke aard kunnen zijn. Fromundus is van mening dat ze de vrijheid opheffen waarmee copernicanen de betekenis van bepaalde Bijbelse passages interpreteren. Opdat een passage zich zou lenen tot een lezing in figuurlijke zin, moet er een ‘noodzaak’ zijn voor de eliminatie van de letterlijke betekenis. Welnu, voor zover het heliocentrisme niet echt is bewezen in de ogen van alle bevoegde autoriteiten, dient een dergelijke noodzaak zich niet aan. Bij gebrek aan bewijs past het dat de astronoom en de kosmoloog zich hier schikken naar de exegese van de theologen. In de laatste pagina's van De Cometa neemt Fromundus openlijk het kosmologische systeem van Brahe over, hoewel hij Copernicus' begaafdheid (‘acutissimus Copernicus’) blijft erkennen.

De Cometa eindigt met een ‘uitsmijter’. In extremis voegt Feyens aan het werk een weerlegging toe van het heliocentrisme, bestaande uit negen argumenten. Na de gewaagde ideeën over de kometen, komt deze zeer conventionele bijlage verrassend en een beetje misplaatst over. Waarschijnlijk werd ze slechts uit voorzorg aan het boek toegevoegd.

Ook in Fromundus' latere werk zijn merktekens van deze voorzichtigheid terug te vinden. Er is echter geen reden om hierin een slaafse onderwerping, noch een gebrek aan rechtschapenheid te zien, want veel later zou hij tegenover dezelfde religieuze autoriteiten het

[p. 165]

augustinisme van zijn vriend Jansenius vastberaden verdedigen. Het ware gevaar van het heliocentrisme berust volgens Fromundus in haar recuperatie door de hervormde Kerken. Hij verwijst steeds naar Kepler en Lansbergen, maar zelden naar Galilei. Daarnet hebben we zelfs kunnen vaststellen dat hij zich tegelijkertijd tegenstander én bondgenoot toonde van deze laatste. Zijn gewijzigde houding wijst voor alles op een nieuwe spirituele afstand, die meebrengt dat hij de kosmologische vraagstukken onder de theologische plaatst. Zijn houding in kosmologische aangelegenheden neemt zelfs een augustiniaanse vorm aan, zoals hij bij verschillende gelegenheden in herinnering brengt door te verwijzen naar het sceptiscisme van de bisschop van Hippone in zijn commentaar op de bekende passage uit de Ecclesiast: ‘Terram autem in aeternum stat’.

illustratie

Libertus Fromundus, Vesta, Antwerpen, 1634. © B.U.L. ▪


Fromundus gaat hiermee enkele Franse jansenisten vooraf, onder wie Pascal (Pensées, uitg. Lafuma, 164).

In 1627 publiceerde Fromundus zijn Meteorologicorum libri sex. Zijn stellingname in dit werk is erg genuanceerd. Hij bekritiseert Galilei voor zijn (neo-aristotelische) theorie van de kometen, maar hij noemt hem ook ‘Arundinem nostratem’. Hij verwijt Kepler zijn animisme, maar betoont hem op andere plaatsen dan weer groot respect. Hoewel het heliocentrisme voor hem globaal gesproken onvoldoende gegrond is, doet hij niets minder dan de grondgedachte van de copernicaanse fysica overnemen, wanneer hij het bestaan erkent van meerdere gravitatiecentra, eigen aan iedere planeet.

Wat de kometen betreft, onderscheidt hij twee soorten: bovenmaanse en ondermaanse. Net zomin als zijn tijdgenoten neemt Fromundus volledig afstand van de astrologie: hoewel hij kometen beschouwt als natuurfenomenen, erkent hij toch dat God ze een bovennatuurlijke betekenis heeft gegeven, vooral wanneer ze behoren tot de bovenmaanse soort. Zonder vooraf ook maar iets te elimineren, onderzoekt hij binnen verscheidene domeinen en vanuit verschillende hoeken hypothesen die hem erg waarschijnlijk voorkomen. Zijn denkwereld bestaat uit fragmenten die hij her en der heeft ontleend en biedt zich eerder aan als een samenraapsel dan als een systeem.

In zijn volgend werk, Ant-Aristarchus (1631), verklaart Fromundus het decreet te verdedigen dat in 1616 tegen de copernicanen werd uitgevaardigd. Hij stuurt verwijten aan het adres van Kepler, ‘vandaag de belangrijkste verdediger van Copernicus’, en vooral ook aan dat van Lansbergen, die hij voorstelt als een ‘copernicaans-calvinistisch astronoom’. Nadat hij op nauwkeurige wijze een voorstelling heeft gegeven van het heliocentrische systeem, voorzien van alle argumenten die in zijn voordeel pleiten, presenteert Fromundus een drievoudige weerlegging, gebaseerd op de Heilige Schrift, de zintuigen en de rede. Wat betreft het theologisch aspect stelt hij dat de copernicanen roekeloos snel de letterlijke betekenis van bepaalde Bijbelse passages, die de beweging van de zon behandelen, verwerpen. Het copernicanisme is op zich geen vorm van ketterij, maar de ketterij maakt zich vaak van haar meester. Dit hangt af van de mate waarin het copernicanisme aanleiding geeft tot een vrije interpretatie van de Heilige Schrift, zonder dat rekening wordt gehouden met de autoriteit van de traditie.

[p. 166]

De argumenten die Fromundus uit de zintuiglijke waarneming meent te kunnen afleiden, zijn soms erg verfijnde gemeenplaatsen die men in het merendeel van de anti-copernicaanse polemieken terugvindt: indien de aarde zou draaien dan zou een pijl die verticaal naar boven werd geschoten niet op dezelfde plaats neerkomen als die vanwaaruit hij was vertrokken; een gewicht dat vanuit een toren naar beneden werd geworpen, zou niet aan de voet ervan neerkomen, enz. Tot slot heeft de weerlegging die gebaseerd is op de rede betrekking op de ordening en de schoonheid van de wereld. De grote leegte die volgens het heliocentrisme tussen Saturnus en de sterren aanwezig moet zijn, zou de wereld een complete wanverhouding bezorgen. De grote eenvoud die de copernicanen voor hun systeem opeisen, blijkt grotendeels een illusie en vormt trouwens geen argument, want misschien heeft God met de Schepping van een ingewikkelde wereld juist zijn vindingrijkheid willen aantonen...Om te eindigen verklaart Fromundus - op zijn minst voorlopig - het systeem van Brahe te verkiezen, aangezien dit meer in overeenstemming is met de Heilige Schrift, de zintuiglijke waarneming en de rede. Toch is ook dit voor verbetering vatbaar, vooral met betrekking tot de baan van Mars, die de baan van de zon snijdt. De kwaliteit van de argumentatie in de Ant-Aristarchus werd destijds zelfs door enkele verdedigers van Copernicus, zoals Galilei en Cavalieri, gewaardeerd.

In 1634 publiceerde Fromundus een nieuwe weerlegging van het heliocentrisme onder de titel Vesta. In vergelijking met de Ant-Aristarchus worden hierin weinig nieuwe argumenten naar voren gebracht, maar de toon is - om meer dan één reden - veel scherper geworden. Vooreerst was er de veroordeling van Galilei het jaar voordien. De officiële kennisgeving van dit feit staat vooraan in het boek afgedrukt. Vervolgens beantwoordt Fromundus deze keerde kritiek van Jacob van Lansbergen (ca. 1590-1657), de zoon van Filip, die in 1633 de verdediging van zijn vader op zich had genomen in een Apologia, waarin hij geen moeite deed om scheldwoorden achterwege te laten. Tenslotte was Fromundus zelf ervan beschuldigd geworden - en, zoals we reeds hebben vastgesteld, waarschijnlijk niet helemaal ten onrechte - in zijn jeugd een aanhanger van het heliocentrisme te zijn geweest. Hij voelt zich in dit werk verplicht om hierop een krachtig antwoord te geven, hoewel hij toch toegeeft dat ‘men tegelijkertijd copernicaan én katholiek kan zijn’, maar dan wel op voorwaarde dat men het heliocentrisme slechts beschouwt als een hypothese.

Fromundus, die in 1647 nog een vermeerderde uitgave van zijn Meteorologicorum libri sex zou publiceren, kwam niet op zijn positie terug. Ze vormt de voornaamste reactie op het heliocentrisme aan de Leuvense universiteit in de eerste helft van de 17de eeuw. In het vervolg zou het lot van Copernicus' systeem vooral afhangen van de invoering van het cartesianisme. Hierop zal in één van de volgende hoofdstukken dieper worden ingegaan. Wat de geestelijken betreft, die schaarden zich - althans naar buiten toe - allemaal achter het officiële standpunt. Een goed voorbeeld vormen de astronomische geschriften in de Opera mathematica (1669) van de jezuïet Andreas Tacquet (1612-1660): zeven boeken bespreken het geocentrisme, terwijl het achtste het heliocentrisme bekritiseert op basis van de Almagestum novum (1651) van Giambattista Riccioli (1598-1671). Dit geheel verenigde op kritische wijze de beschikbare weerleggingen en schoof het systeem van Tycho Brahe als het beste alternatief naar voren.

▪ Govaart Wendelen

Het is onmogelijk om hier een volledig overzicht te geven van alle namen die men in verband kan brengen met de kosmologische en astronomische problemen uit de 17de eeuw. We vermelden hier dan ook slechts pro memorie Michel van Langren (1600-1675), de wiskundige van Filips IV. Hij onderhield een briefwisseling met de Franse astronoom Ismaël Bouillau (1605-1694). Men schrijft hem verschillende waarnemingen toe - met name die van de komeet uit 1652 - maar hij heeft vooral de maan bestudeerd en als eerste de idee gelanceerd om de verschillende delen van de maankaart te noemen naar aardse beroemdheden, iets wat snel werd overgenomen door Hevelius en Riccioli. Men kan de evolutie van dit voorstel volgen doorheen zijn briefwisseling met Ericius Puteanus (1574-1646), de opvolger van Justus Lipsius te Leuven en een veelschrijver die zich tevens met astronomische problemen heeft beziggehouden.

De beste verdediger van de nieuwe ideeën vinden we terug in de rangen van de Kerk: Govaart Wendelen (of Wendelinus), geboren te Herk-de-Stad in 1580 en gestorven te Gent in 1667. Na zijn studies in Doornik en Leuven en zijn reizen naar Neurenberg, Marseille

[p. 167]

en Rome, verbleef hij gedurende een lange periode in de Provence (1601-11), waar hij kennismaakte met Peiresc en Gassendi. Vanaf 1612 was hij in België en werd in 1619 priester. Eerst woonde hij als pastoor in Geetbets (1620) en Herk-de-Stad (1633) en daarna, als officiaal van de kathedraal, in Doornik. In 1658 gaf hij deze functie op en trok zich terug te Gent.

Wendelen is ongetwijfeld de voornaamste Belgische astronoom uit de 17de eeuw. Galilei, Descartes en Newton toonden naast vele anderen veel respect voor hem. Fromundus schrijft in zijn Meteorologicorum libri sex dat hij meer verdiende dan de bescheiden functie van dorpspastoor. Ondanks het feit dat hij tot de Kerk behoorde, stond hij open voor het heliocentrisme. Een brief uit 1633, geadresseerd aan Mersenne, toont zijn ongeloof ten aanzien van het proces van Galilei: ‘En is het enkel omwille van deze mening dat hij zo'n gevaar heeft gelopen?’.

In een uit 1626 daterend werk, Loxias, seu de obliquitate solis, werpt Wendelen zich op een probleem dat in de ogen van Copernicus zeer belangrijk was: de schuine richting van de zonnebaan. De titel Loxias komt overeen met een bijnaam van Apollo of van de zon, afgeleid van λοξος (= ‘schuine cirkel’). Volgens de waarnemingen leek het erop dat deze schuine richting sinds de Oudheid wijzigingen had ondergaan. Ze zou eerst zijn gedaald (van Eratosthenes tot Peurbach) en vervolgens gestegen (van Peurbach tot Wendelen). Het probleem wordt vanaf het begin hernomen. Wendelen vervolledigt zelfs de bestaande gegevens door er zijn eigen waarnemingen aan toe te voegen, evenals gegevens die hij in de Provence in een handschrift heeft gevonden. Hij begint met het bestuderen van de vergissingen en de afwijkingen die in de bewaardgebleven waarnemingen kunnen geslopen zijn. Drie factoren worden bestudeerd: de atmosferische refractie (veranderlijk naargelang van de streek), de parallax van de zon (die hij door middel van een combinatie van de methode van Aristarchus en het gebruik van een telescoop vastlegt op 1'), en de onnauwkeurige, door Ptolemaeus berekende breedteligging van Alexandrië (die hij op basis van inlichtingen van zeelieden preciseert). Rekening houdend met deze nieuwe parameters herberekent hij vervolgens alle gegevens en komt hij tot de vaststelling dat de schuine richting reeds sinds Thales van dalende aard is. Om te eindigen stelt hij een tafel ter beschikking om ze op elk gegeven ogenblik te berekenen. Dit werkje van Wendelen is nog steeds een voorbeeld van een kritische geest en methodologische vooruitgang.

In 1629 publiceerde Wendelen het eerste deel van een werk dat uiteindelijk onafgewerkt zou blijven: De Deluvio. De auteur telt in de geschiedenis van de mensheid niet minder dan zeven zondvloeden. Dit onderwerp geeft aanleiding tot uitvoerige beschouwingen over de geschiedenis van de aarde. De kosmologie komt vooral in het laatste hoofdstuk aan bod. Het heliocentrisme is overduidelijk aanwezig. Wendelen bevestigt daarenboven dat hij de zonnevlekken reeds vanaf 1601 heeft waargenomen, met andere woorden lang voor Galilei. Kometen zijn volgens hem vuurmassa's die door de zon worden uitgestoten en elliptische banen beschrijven.

De eclipsen hebben Wendelen zijn hele leven lang gefascineerd. Om ze te kunnen observeren ontwikkelde hij vernuftige observatiemethodes, die de medewerking vereisten van een heleboel parochianen. Hij was tevens één van de eersten om het tikken van de secondenslinger aan te wenden. Terloops stelde hij de invloed vast van de temperatuur op de slinger: in de winter waren er meer tikken dan in de zomer. In 1644 publiceerde hij over dit onderwerp Eclipses lunares ab anno 1573 ad 1644 observatae. Hierin zet hij in detail zijn observaties uiteen en heeft hij het over het voordeel dat men eruit kan trekken, in het bijzonder bij het corrigeren van de geografische lengten. De analyse van de eclipsen brengt hem er eveneens toe de zonneparallax nogmaals te verminderen, ditmaal tot 14,65611. Tezelfdertijd zien we een gevoelige stijging van de afstand tussen de zon en de aarde. Wendelen brengt haar op 14 656 aardstralen, veel meer dan zelfs Kepler ooit had durven denken.

Wendelens copernicanisme komt zeer duidelijk tot uiting in De Caussis pluviae...(1646), een werk dat werd gepubliceerd naar aanleiding van een rode regen die door de Brusselse kapucijnen was waargenomen. De oorspronkelijke tekst werd in een heruitgave aangevuld met delen uit Wendelens briefwisseling met Chifflet, Plempius, Gassendi en anderen. De thema's van deze brieven overstijgen het onmiddellijke onderwerp van de ‘meteorologie’. Uit een brief aan Gassendi blijkt onder meer Wendelens genegenheid voor Kepler, zelfs al kende hij aan de maan eerder een ovale dan een elliptische baan toe.

De Tetratogia cometica (1652) behandelt de kometen uit 1607, 1618 en 1652. Wendelen herhaalt zijn reeds

[p. 168]

vermelde theorie, volgens welke de kometen door de zon worden uitgestoten, net zoals de aarde vuurmassa's uitspuwt door middel van vulkanen. Nu geeft hij aan de kometen ‘conchoïde’ banen. Het heliocentrisme is quasi onverhuld aanwezig: het boek bevat een befaamde zin waarin Wendelen de aarde (‘Tertium Corpus’) voorstelt als één van de planeten die een ellipsvormige baan rond de zon beschrijven.

In 1658 hernam hij een werkwijze die hij reeds in 1643 had toegepast (Luminarcani...Lampas). Hij bracht een bundeltje uit met twaalf astronomische stellingen, voorgesteld in de vorm van anagrammen. Deze nieuwe Lampas, zijn laatste gepubliceerde werk, bevat onder andere de derde wet van Kepler, die Wendelen misschien onafhankelijk heeft ontdekt in 1610, acht jaar voor de Duitser. In ieder geval heeft hij ze als eerste toegepast op de satellieten van Jupiter. In het voorwoord vernemen we dat de eclipsen volgens Wendelen ook een voorspelling inhielden. Het zoeken naar meer exacte kennis was niet ontdaan van een zeker geloof in de invloed van de hemel op aardse gebeurtenissen.

Het uitgegeven werk van Wendelen vormt slechts een deel van zijn ganse oeuvre. Talrijke aanvullingen zijn te vinden in onafgewerkte handschriften, bewaard in Brussel en Brugge, en in de briefwisseling die hij onderhield met Gassendi, Mersenne en anderen. Een werk over de komeet uit 1618 lijkt verloren te zijn. Wendelen heeft langdurig gewerkt aan tafels en een nieuwe, sterk vermeerderde uitgave van zijn Loxias en van zijn boek over de maaneclipsen voorbereid. In een brief aan Gassendi oppert hij de stelling dat de diameters van planeten in evenredige verhouding staan tot hun afstand van de zon. Nadat hij de eerste wet van de val van gewichten heeft geformuleerd, volgens dewelke de afgelegde weg gedurende een bepaald tijdsinterval gelijk is aan de som van de afgelegde wegen gedurende de twee voorafgaandelijke tijdsintervallen, beweert hij in een andere brief aan Gassendi de juiste wet te hebben gevonden voor dat Galilei ze in 1632 heeft gepubliceerd. Een andere brief, gericht aan Mersenne en daterend uit 1633, trekt deze bewering nochtans in twijfel: hij verwijst hierin immers nog steeds naar zijn eerste wet. Laten we de vraag wie eerste was even in het midden, dan is het duidelijk dat Wendelen in zijn tijd mee aan de kop van het onderzoek stond en dat zijn oeuvre meer aandacht verdient dan het over het algemeen in de geschiedenis van de wetenschap krijgt.