De weerliicke liefden tot Roose-mond


auteur: Justus de Harduwijn


editeur: Oscar Dambre


bron: Justus de Harduwijn, De weerliicke liefden tot Roose-mond, 1613. (ed. Dr. O. Dambre.) Tweede herziene en bijgewerkte druk. Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1978.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

B. De ‘Roose-mond’-bundel

I. Bibliografie

Van ‘ Roose-mond ’ is maar één exemplaar bekend. Dat unicum - een in 8° oblong bundeltje van 15,3 op 10 cm -, nu in rood marokijn gebonden, berust onder nr G 8342 op 's Rijks universiteitsbibliotheek te Gent. Het is herkomstig uit de veiling R. Della Faille te Antwerpen in 1878, waarop het als nr 972 aangekocht werd voor 210 Belg. frs. Vroeger had het aan de literator Serrure toebehoord.

Het titelblad draagt de volgende tekst: ‘De Weerliicke Liefden // Tot // Roose-mond. // Eensdeels naerghevolght de Griecksche// Latijnsche // ende Franchoysche Poëten. [typografische versiering als vignet] // t'Handt-werpen, // By Hieronymus Verdussen/ inde X. Gheboden. // Anno M. DC. XIII’. - Er is geen omlijsting.

R. Foncke heeft het bundeltje als volgt beschreven in Het Boek (15 febr. 1913, blz. 49-53): - ‘Een klein in-8° bundeltje van 106 bladzijden. Het is doorlopend gepagineerd van 3 tot 104, met arabisch cijfer in de

[p. 16]

buitenste bovenhoek; tevens zijn de eerste bladen van ieder vel nog onderaan aangeduid met gotische hoofdletter A, B, C, D, E, F, G, met volgcijfer tot 5; bij A begint die reeks echter maar met A2; bij G gaat ze niet verder dan G3 (blz. 101). - Behalve op blz. 15, 16 en 26 wordt telkens, in de benedenhoek rechts der bladzijde, van de volgende pagina het beginwoord of een deel er van overgedrukt. - Een paar keren beginnen de stukken met een groter hoofdletter (blz. 9, 25, 32, 65); soms zelfs is deze versierd (blz. 3, 11, 13, 14, 15, 37, 47, 71, 77, 88, 94). - Over het algemeen werd met gotische letter gedrukt; echter niet het “approbatur” of de latijnse liminaria, waarvan het tweede zelfs cursief staat. Ook niet de eigennamen of spreuken; noch de namen uit de antieke mythologie of van de personificaties, die wij er in aantreffen. Met onze letter vinden wij ook nog de antwoorden in het echodicht op blz. 58, alsmede desvoorkomend de opschriften der gedichten. De langere titels hebben twee verschillende letters: die van de opdracht door Caudron heeft cursief-gedrukte regels tussen latijnse; die van het gedicht door David vander Linden, op blz. 94, is ten dele gotisch, ten dele latijns gesteld; hetzelfde merken wij op het titelblad van het bundeltje.’ -

Wat de inhoud betreft, omvat de bundel als voorwerk: blz. 1, het titelblad; van 3 tot 8 een proza-opdracht aan de Catharinisten te Aalst, van G. Caudron; blz. 9, een latijnse brief van Erycius Puteanus aan de auteur; blz. 10 een latijns gedicht (14 verzen) van Andreas Hojus; blz. 11-12, twee sonnetten vanTheoderick van Liefvelt; blz. 13, een sonnet van Caudron; blz. 14, een sonnetTot Phoebum van de dichter zelf.

Daarop volgen de eigenlijke Weerliicke Liefden tot Roose-mond (blz. 15-93), d.z. 50 sonnetten, met romeins cijfer genummerd van I tot L (XXXII is geen eigenlijk sonnet, maar een ‘Echo-’dicht); tussenin de sonnetten, drie ‘Liedekens’: blz. 25, 9 vierregelige strofen; blz. 32, 10 zesregelige strofen; blz. 65, 11 zevenregelige strofen; blz. 37, een Ode; blz 47-51, ‘Elegie tot Ian van Swaerveld constigh Schilder’; blz. 77-79 ‘Elegie’; blz. 88-92 ‘Claght-dicht’; blz. 71-73, ‘T'samen-clap tuschen den Wegh-gangher met het Duyfken’.

Ten slotte volgen nog: blz. 94-103, een lofgedicht van David van der Linden De gheboorte der Liefde Gheestelicke / ende Weereltlicke. Ter Eeren Van de Liefden, eer-tijdt beschreven door J. de H. van Ghendt; blz. 104, een acrostichon-sonnet van F. vander Beken; en op de voorlaatste, ongenummerde blz. de latijnse approbatie van Laur. Beyerlinck, ‘Met gratie ende Privilegie, voor ses Iaeren’.