buiten het bestek dat ik mij gesteld heb. Ik wil er echter op wijzen dat m.i. een grondig onderzoek van deze kwestie niet moet uitgaan van het Afrikaansch van onzen tijd: men behoort, geloof ik, aan te vangen met nauwkeurig na te gaan uit welke verschillende streken der Vereenigde Gewesten de volkplanters afkomstig waren, 't geen, dank zij den gegevens door den heer Mc. Call Theal bijeengebracht, thans zeer goed mogelijk is. Blijkt uit dit onderzoek dat het overwicht van een bepaald dialect in de taal der kolonisten waarschijnlijk kan heeten, dan moet de aldus gevormde hypothese getoetst worden aan de getuigenis van 't geen verder uit de geschiedenis der Nederlandsche taal in Zuid-Afrika bekend is, en stellig komt dan de gesproken taal van heden als ons belangrijkste gegeven in aanmerking. Alleen op die wijze ontgaat men het gevaar voor een bewijsstuk aan te zien wat slechts een toevallig overblijfsel kan wezen; een woord of een spreekwijze die in onzen tijd alleen in 't Afrikaansch en in een of ander dialect van Nederland voorkomt, kan zeer goed in de 17de eeuw in veel algemeener gebruik zijn geweest. Men heeft in het tegenwoordige Afrikaansch eigenaardigheden ontdekt die aan het taaleigen van Sliedrecht, andere die aan dat van Goes of aan dat van Nijkerk deden denken, doch wie