terug  begin  prepost

++Het vierde deel der Spraec-konst,
welc is de Klankmaet.2)

Op datmen3) alle redenen / te bescheydelicker zoude konnen lezen en verstaen / zo wordender bygevoucht eenige zekere (daer toe gevondene.)

Teykenen.

Die in de redenen gevoecht zijnde / betonen / waermen behoort op te houden / ooc waer meer: / en waer min4): / ook hoemen in het lezen de stemme moet verheffen en verzachten: /

Deze Teykenen zijn zeer gebruykelic in alle geachte Talen / heeft5) ooc by ons te recht gebruykt zijnde / eene diensbare nutticheyt.

+Dit? teyken achter eene reden / of eenich woort komende / zo is het eene vragende reden / als Wie? Hoe zo? Wat is de mensch?

+Dit ! teyken achter eenich woort komende / zo beduyt het eene verwonderinge6) / als ô drouf gedacht!

[p. 92]

+Dit: teyken achter eene reden komende / zo beduyt het een eynde der reden / welke verkort wort in onvolkomen klanc / of in onvolkomen zin / zo datmen dit punt altijt / voor eene verswijginge van eenich woort / of meyninge aen-merken mach.1)

++Deze. /2), teykens achter eene reden (137) komende / zo beduyt het een eynde der reden.

+De woorden die tusschen twee dusdanige () teykens komen / dienen tot verklaringe der reden.

Dit - teyken4) / wort ooc tusschen Samen-gevouchde woorden gevonden / als God-zalich, on-her-varen.

Benevens deze Aenteykeningen isser noch een verkort teyken / welc men gebruykt schrijvende s'lants, t'mijnent, etc.

+Van den klank der Silben.5)

Het gebeurt dic-mael / dat elke Silbe alleen wel uyt-gesproken wort / en dat nochtans de klanck niet goet en is / als-men verscheyde Silben / naer malkander spreekt / als tot voorbeelt van het woordeken Be-te-ren elke silbe lank-samelic naer malkander uyt gesproken zijnde / zo en behouft-men / nochte men en kan den behoorlicken klank niet waer-nemen / maer als men het woordeken Beteren, bequamelic uyt-spreken wil / zo moeten beyde / de laetste Silben kort gesproken worden / van welke onderschey-dinge der Silben / eenige aenteykeningen volgen.

+1. In alle een-silbige woorden6) / en valt in het uytspreken / geen maet des klancx (of maet der Silben) waer te nemen / dewijle by ons alle een-silbige woorden / dan voor kort / ende dan weder voor lang in den rijm genomen worden.

+Behalven.

Hem, Den, Der, De, ende en, zijn by-na altijt kort / ook zijn alle Aen-

[p. 93]

hangende +woordekens kort / het zy of-se / aen de vorige woorden gehecht / of on-gehecht zijn / als Doet-se, Gaen-ze, Zien-we, Is-ser, Heeft-er, Loopt-men, Hielt-men, zoud-het of zoudet, Alle deze laetste woordekens zijn / altijt kort.

2. In alle woorden en behouft-men1) / maer de twee laetste Silben / in het spreken gade te slaen.

+3. In alle woorden is eene lange silbe.

4. Daer en konnen (in onze Tale) geen twee lange Silben / malkander in eenig woort volgen / zo dat alle twe-silbige woorden dan / een korte en eene lange Silbe hebben.

Ook2) moet mede volgen / alser in een woort / eene lange Silbe is / dat de Silbe / die voor de lange silbe komt / kort zy / als In Kastelen, Juwelen, zijn de middelste silben lang / daerom zijn de voorste silben kort / om dat twee lange silben malkander in een woort / niet en konnen volgen.

6. Alle3) woorden welke in Heyt, ich, lijc, lic, E, en / er icheyt, inge ikheyt, ie, eyndigen / hebben deze aengeteykende Silben kort / als

Goetheyt, schoonheyt, goedich, aerdig, vriendelic, aert-rijk, vrouwe, name, werker, Goedicheyt, zoeticheyt, gevinge, lijdinge, cierlikheyt, blamatie, executie.

++Behalven.

Majesteyt4), graviteyt, gelijk, ongelijk, etc.

7. De woorden5) die in ment eyndigen / daer af is de laetste Silbe lang / als Testament, Clement.

Alle Silben met eene enkele I, in het middel der woorden zijn kort / als Eenige, Heylige.

+De deelwoorden welke in Ende eyndigen / hebben op het eynde twee korte Silben / als minnende, lerende, lopende.

8. Alle Twee-silbige woorden6) / die met Ge, be of ver, beginnen / hebben op het eynde lange silben / als Gevoel, geloof, gequel, belang, bequaem, verdrag, verlof.

Merk.7)

De lengde8) of kortheyt der laetste Silben wort klaerlic bemerkt in woorden welken eene silbe in het Veelvoudich vermeerderen / Want in Tafelen, wortelen, mantelen, wagenen, bemerkt-men in de uyt-sprake / ontwijfelic de kortheyt / der twee laetste Silben / waer uyt mede blijkt dat de laetste silben van Tafel, Wortel, en Mantel, kort zijn.

Alzo bevint-men alder-bescheydelixt9) / in de uyt-sprake van Metalen,

[p. 94]

Tafereelen, Iuweelen, Geheelen, gezellen, de middelste silben / alle lang te wezen.

Hier uyt blijkt dat-men van oordeel in het veel-voudich behoort te zeggen oordelen1), welke uyt-sprake de Vriezen recht behouden.

+De gestaltenisse der voorste silben van Tafel, Latijn, Kasteel, Natuyr, Vertoont zich klaerlic in Betafelt2), Verlatijnt, Gekasteelt Vernatuyrt.

Boven is gestelt datter in een woort geen twee lange silben en konnen volgen / doch wel twee korte / want het dikwils gebeurt / dat de twee laetste silben kort zijn als in de vorige aen-geteykende woorden blijkt / doch het gebeurt zeer zelden / dat twee korte silben malkander / in het midden eenes woorts volgen / zoo datmen in Veel-silbige woorden / gemeynelic de mate der drie laetste silben / op het zekerste onderscheyt / ende de vorige silben / by beurten d'een voor kort en d'ander voor lang op-neemt.

Merc.3)

+Daer zijn eenige woorden die drie korte silben op het eynde hebben / als Vriendelikheyt, Goddelikheyt, Gravelikheyt, etc.

Merk.

Deze scheydinge4) der silben / is in de Francoysche sprake gebruykelic / ende kan ook in alle talen plaetse hebben / maer de minste bequaemheyt dezes dichts5) is in het Latijn / om datter geen woorden en zijn / die lange silben op het eynde hebben.6)

Eenige aen-teykeningen van den Rijm.

++Onze gemeyne dichten worden met voeten gedicht / welke naem Voeten, met7) samen 7) de Rijm-order8) / tot ons van de Latijnen gekomen is.

+Een voet in den rijm is gemeynelic twee silben waer mede de regelen / in den dicht gemaekt worden / en zijn dus-danich.

[p. 95]

Als van twee silben / de eerste kort is / ende de andere lang / zo worden +die twee silben eenen voet genaemt / als Bedrog, Verstant, Kasteel.

Deze voet heeft groote vergelijkinge met het Iambus der Latijnen.

+Daer is noch een voet / van eene lange met eene korte silbe / als Dragen, Werker, Vlijtich, Schone.

Deze voet volgt het Latijnsch Trochaeus, Wy gebruyken ook eenen voet / als het Latijnsch Dactylus, welk is van drie silben / waer van de eerste silbe lang is / ende de twee laetste kort / als menige, zuyvere, lopende.

+Wy en hebben geen Spondeus,2) nochte Pijrrhichius, volgens onze derde en vierde aen-teykeningen der silben.

Van den Rijm.3)

De gemeyne rijm / wort met de eerste voeten4) bedicht / de kortste gemeyne regelen zijn van vier voeten / of van acht silben aldus Psalm 131 +O Heer, mijn hert, en is, niet hoog, niet op ge bla zen, is mijn oog.

+Merk.

Altijt mogen de een-silbige woorden voor korte of lange silben genomen / volgens den eersten regel der silben / dien-volgens zijn de woordekens Heer, Hert, Is, ende Hoog, voor lang genomen / en de woordekens O, Mijn, En, Niet voor korte silben / alzo ooc

 
+Ben ic niet als een kint het welc
 
De voester speent van hare melc?
 
+Zuyg over al den besten sin
 
Gelijc de By, niet als de spin.

Onze langste / en aenzienelixte veirzen worden van zes voeten5) / of van twaelf silben gemaekt / als Camphuyzen.6)

Een dinc onbreekt ons meest, Gods vad erlic ke hant,
De ze genrij ke vloec, de eere lic ke schand'
De waert geach te smaet, de vreuch delic ke druc,
t'Al heb bende gebrec, en t'za lich on geluc.

Deze veirzen worden ook gemeynelic / bedicht eerstelic twee regelen van twaelf silben / en daer na twee regelen / van dertien silben / als Cats in den Zelf-strijt.7)

 
Het lievelicxte zoet, dat eerbaer herten wenschen
 
Is maer een enkel paer, van twee geliefde menschen,
[p. 96]
 
Een derde wie het zy, en paster niet met al,
 
+Al waer-men mint en meynt is, twee een vol getal.

Deze veirzen en ooc het recht gebruyc dezer voeten is in het neder-duytsch eerstelic berijmt van / Aldegonde, en Karel van Mander, lieden van groter uyt-nementheyt / door welke wegen onze geachtste Poëten, den Neder-duytschen rijm / tot de hoogste volkomenheyt / alrede schijnen gebrocht te hebben.

Tot eene grondelicke bedenkinge1) / hebben wy hier eenige Latijnsche Trochaici aengeteykent / welke geheel volghens onze uyt-sprake konnen gelezen worden / zonder quetsinge der Voeten / uyt welke veirzen de Fransche ende de Duytsche rijmorder / ontwijfelic schijnt gesproten te zijn.

Buchananus psalm 119.2)

Quid juventam, ne labescat, servat aeque ac lex tua,
AEqua ne me diligentem desere opprimentibus,
Tempus instat puniendi legis adversarios.
Iussa firma fine nullo, firma nullo exordio.

Deze veirzen zijn Trochaici catalectici, waer om3) de sylboe Catalecticae4) allenelic / in de uytsprake5) slibberen.6)

+Met de Dactyli, worden zommige liedekens bedicht / als Zuyvere, schone, vermaeclicke maecht. Alzo ooc /

Phoebus die is nu al over de Zee,
Blinkende komt'er Diana vertogen.

De gemeyne Psalmen / en Liedekens / worden by na alle / met de eerste voeten7) bedicht.

+Doch aengaende de order aller veranderinge / die wort by-zonderlic en volkomelixt / nae de zing-noten bedicht.8)

+Alle uyt-nemende ende altijt blijf-weirdige dichten / behoren in zoetheyt en Verstandelikheyt / tot eene on-na-volgelicke volkomenheyt vertrocken9) te werden / op dat wy met de Grieken ende Latijnen onze Letter-eewe / allen nakomelingen tot een onveranderlike Wet zouden mogen voorstellen.

+Aen-teykeninge op het beschrijven der
vreemde woorden, en hare uyt-sprake.

Van de Letteren der vreemde woorden / is het gebruykelic / en ooc in

[p. 97]

reden gegront / dat-men die nae haren oorspronc schrijft / te meer de wijle de gewoonte / by ons de vreemdicheyt zelve veroudert heeft zo schrijven wy dan Propheet Nazareth, Philosooph, Conscientie, daer wy volgens onze +tale / zouden konnen schrijven Profeet, Nazaret, Filosoof, Konciencie, etc.

Maer tot de uyt-beeldinge des spraek-klanx is een verder op-merkinge nodich / want om Philosophije,1) en Geometrije, te schrijven / zo behoort / de voorlaetste silbe eene dobbele I te wezen / als men de selve lang uyt spreken +wil / en die wy daer-en-tegen gewoon zijn / kort uyt te drucken als Academie, Blasphemie, Victorie, Glorie, behoren met eene enkele I. geschreven te worden.

+Gelijken voet mach-men houden in de Bybelsche eygene namen / schrijvende Elijas,2) Hiskijas, Ieremijas, de silben lang uyt-sprekende / en Athalia, Lydia, en Euvodia, de voor-laetste silbe kort uyt-sprekende / ende deze namen die verscheyde uytspraken lijden konnen / zoude-men na dat-ment' begeert / lang of kort konnen teykenen.

Ooc zoudemen dan genootsaekt zijn / tot waerneminge des onderscheyts / onze kortsilbige woorden / met eene I te schrijven / als Lijnie,3) Bezie, Olie, etc. maer de lang-silbige vereyschen eene dobbele I, als Brouwerije, Visscherije, Schalmeye, Galeye, etc.

+Het schijnt ooc wel aenmerkens waerdich darmen eene zekere order invoerde / tot de Pronuntiatie der vreemde woorden / want het is den volke vreemt / en on-navolgelic / de voorlaetste silben der vreemde woorden / kort +uyt te spreken van Maximus Synodus, Ephesen, etc.

Ja het en is niet alleen vreemt / maer zelfs ooc voor de gemeynte verachtelic / daerom en zoude ic niet ondienstich achten / het gemeyn gebruyc / als eenen aengeboren aert der tale in te volgen / ende de woorden / die in goeden gebruyke zijn behoudende / als Hercules, Aristoteles, Seneca, Cicero, etc. zoude ic aller vreemde namen / voor laetste silben lanc-saem4) uyt-spreken.

Wy aldus met deze vreemden woorden levende5) / en zoude het niet +vreemder sijn / dan de Latijnen / die vele der Griexsche silben (146) verandert hebben / als in Camelus, Adamas, Paracletus, Caminus, etc.

+Van Rijmver-lof.6)

Hier zouden wy ook int corte iet aen-roeren van de veranderingen der

[p. 98]

woorden / welke byzonderlic / in den rijm / gebruykt wort / met verkortinge / en verlenginge.

+Om de uyt-sprake der woorden te verzoeten zo worden dik-mael1) eenige letteren naer-gelaten als Mense, voor Mensche, Zeeuse, Hollanse, voor Zeeusche, Hollansche.

In vele woorden kan de verminderinge / der letteren ooc plaetse hebben / +zonder veranderinge der uyt-sprake / als in plaetse van Hooren spreecken, zulcks Konincks eerlicks, reyn zy, konnen wy schrijven Horen, spreken, zulx, Koninx, eerlix, rein, zi.

Deze manier is in oude tijden gansch gebruykelic geweest / is zeer wel van Ponterus Huyterus3) aen-geteykent / ook van Cats, in den Zelf-strijt / en van Grotius in de recht-beschrijvinge naer-gevolcht.

+De verkortinge wort dicmael gebruykt / inde gevallen / en in de gheslachten / als mijn ziel voor mijne ziele, U gunst voor uwe gunste, van mijn Vader in plaetse4) van mijnen Vader, mijn handen, voor mijne handen, Aen een goet man, voor aen eenen goeden man, Dees man, voor Deze man, Goe Vrou voor goede Vrouwe, Do'on voor Doden, ooc Vraeg antwoort, Getuygenis, +voor (147) vrage ant-woorde, getuygenisse, waerlt voor Werelt.

De verkortinge geschiet mede voor-namelic in de Ledekens / en inde Voornamen / zo dat deze woordekens / als De, Des, Het, Ik, Is, Te, Tot, Zy, alleenelic uytgedrukt worden met D, S, T, K, S, T, T, S, als

D'ander }   { de ander K'achte }   { Ik achte
S'jaers } voor { des jaers zal'k5) } voor { Ik wil
S'omers }   { des zomers wil'k }   { wil ik
S'avonts }   { des avonts zal'k }   { zal ik.

Zi's }   { Zy is
Dat's }   { Dat is
Dit's } voor { Dit is
t'Amsterdam }   { tot Amsterdam
t'Avont }   { te avont
t'Uys }   { te huys.

Het vertoont zich zeer cierlic / alsmen de verkorte woorden van de bystaende woorden / met een By-teyken afscheyt / vele willen nu het teyken gestelt hebben / aen de zyde daer de letteren verswegen worden6) / doch ic achte het wel zo cierlic / ende de minste moeyte / onze aengewezene manier te volgen.

[p. 99]

+Aen-merkinge op de Zoet-vloeyentheyt der Silben.1)

Als voor of achter enkele Consonanten / Vocalen komen / zo geschiet de uyt-sprake / in eene volkomene zoeticheyt.

+De sware uytsprake wort veroorzaekt door veler Consonanten ontmoetinge.

Voor en achter C, F, H, K, S, T, R, en X vloeyen alle letteren wenschelic / daerom ooc D, V, en G op het eynde eenes woorts komende / altijt voor T, F, en H gelezen wort om alle harde uytsprake te vermijden.

Deze letteren ontmoetingen / als B, L, M, N, P, W, veroorzaekt de meeste hardicheyt / ende is daerom zeer te vermijden.

+Van letteren die in het spreken veranderen.2)

Ooc wort3) tot verzoetinge van den klanc der woorden eenige letters in het spreken verandert / want als naer B, C, D, F, G, H, K, P, S, T, X eene Z4) zo wort die als eene S of C uytgesproken / zie Folio. 7.

+En als naer B, C, D, F, G, H, K, P, S, T, X eene V volcht / zo verandert die in F, zie Folio 7.

Als naer B, C, D, F, G, H, K, P, S, T, X eene G volcht zo wort de G in H of CH verandert / als voor S'gelijx zeytmen S'chelijx, ooc voor Weg gaen, zeytmen Wech chaen, alzo / Tchinc al verloren, voor T'ginc al verloren.

Als naer N eene G volcht zo wort de G in eene C of K verandert / als in plaetse van Koning5) zeyt-men Koninc, alzo zeggen wy Spronc voor Sprong, Lanks of Lanx voor Langs.

Als G voor eene T of D komt / zo verandert de G veeltijts in H, want +voor Ligt zeggen wy liht, voor Bedaegt zeyt-men Be-(149)daeht, alzo ooc Volht voor Volgt, etc.

Als naer I, K of C eene D volcht zo verandert de D veeltijts in T als in plaetse van Tot den eynde zeggen wy verzoetende Totten eynde also ooc in plaetse van Tot den mensche, zegt-men Tot ten mensche alzo ooc Lankte voor Langde of Langde.6)

[p. 100]

+Van letteren die in het spreken verswegen konnen worden.1)

+Als in eenich woort / eene dobbele Consonant komt zo en behoeftmen maer eene uyt te spreken / als Bedden, Zetten, Willen, Zeggen, behoort / aldus gelezen te werden / Bed-en, Zet-en, Wil-en, Zeg-en.2)

De dobbele letters beduyden allenelic / dat de Consonant by de voorste silbe behoort / zo dat de dobbele letteren de Wtsprake niet en beswaren.

Deze verswijginge der letteren kan ooc geschieden / als gelijke letters / malkander in verscheyde woorden volgen als Ik kan niet, Mach gezeyt worden met eene K en N uyt te laten / aldus Ik an'iet, alzo ooc voor Tot dat het wort om de lichticheyt gezeyt Tot at'et.

De H naer S of T volgende / kan veeltijts in het spreken verswegen worden / als Komt'ij3) voor Komt hy. Is'et voor Is het.

Alzo zeggen wy ooc Lans voor Lands Wans voor Wands Rans voor Rands, etc.

Alzo ooc Aem-merken of A-merken voor Aen-merken, Om-moeten voor +Ont-(150)moeten, ooc Wareit voor Waerheyt Schoneit voor Schoonheyt, etc.4)

Tot verzoetinge5) der uytsprake / wort tusschen eenige silben eene T gestelt / als Ont-gaen voor On-gaen Ont-komen voor On-komen Traentjes +voor Traenjes, etc. dit dient-men te vermijden als naer malkander zoete Consonanten volgen.

Tot verzoetinge der Same gevouchde woorden is veeltijts de verwerpinge eeniger letteren nodich / als Tege-woordich Herte-kenner, Zonne-schijn,6) Helde-daet, Duchte-loos, Spra-konst, Vo-reden, Christe-rijc, Bogaert voor Boomgaert, etc.

Dat wy dit zelf niet door-gaens nagevolcht en hebben / is geweest / op dat de Leser ons niet ongehoort veroordelen en zoude.

Daer zijn vele diergelijke aenmerkingen7) in het dagelix gebruyc / welke hulpsame middelen tot eene verbeteringe der sprake zouden konnen dienen / om alle de swaerste Letter-ontmoetingen bequamelic te vermijden gelijc zulx ooc inde Griexsche sprake doorgaens tot bevorderinge der zoet-vloeyentheyt waerghenomen wort / hier van zy alle Tael-lievende gewaerschout.

[p. 101]

Deze sware Letter-ontmoetinge1) / en schijnt in onze sprake buyten Rijm / van niemant beprouft te zijn / maer is zeer geluckelic van Cats en +Heynsius in rijm bearbeyt / zo datter vele Veirzen zijn / waer (151) van elc woort in eene Vocael eyndicht of begint.

+De verlenginge en wort in onze sprake nauwelix gebruykt / alzo zeyt-men Ellef2), zellef Arrem, Vollec, voor Elf, zelf Arm, Volc, etc. alzo ooc Ditte, Icke, voor Dit en Ic.

Ooc worden by vele woorden des Vrouwelicken geslachts een R op het eynde tot cierlikheyt bygevoucht, als Tot der rechter hant of Totter rechter hant voor Tot de rechte hant, alzo mede Totter doot, Wt der stat, ter goeder uyre, Vander vrouwe, etc.

+Daer wort in eenige woorden eene Wisselinge der letteren gebruykt / als Kunnen voor Konnen, Om-helzen, Om-halzen, Misschien voor Mach-schien, ook Isser? voor Is daer? of Is zy daer.

Merk.

Het tegenwoordich gebruyk heeft / deze woorden veroudert als Moesten, Bloeme, Roem, Calumne Noemen Roemen wy segwy4) nu Mosten, Blomme, Rom, Calomme, Naemen,5) Rommen.

+Van Kreeft-woorden.6)

Kreeft-woorden zijn / welker Letters van vooren of van achter gelezen zijnde / de zelve woorden blijven / als Lepel, Ene, Tijt, Neen, Elle Ebbe, etc. doch deze zijnder zeer weynich maer onvolmaekte7) Kreeft-woorden +zijnder zeer veel / welke ooc eeni-(152)ge gemeynschap met malkander schijnen te hebben / als

Leven }   { Nevel Leed, }   { Deel
Tol, }   { Lot Top, }   { Pot
Pool, }   { Loop Rooc, }   { Coor
Sak, } en { Kas Keur } en { Reuk
Kloc }   { Colk Toon, }   { Noot
Berg, }   { Greb Pijn }   { Nijp
Regel }   { Leger Lam }   { Mal etc.

De Grieken hebben Kreef-swijze hele spreuken nagezocht / welke exempelen by andere Volkeren nauwelix gevonden en worden / Daerom wy ooc deze Griexse spreuke tot een exempel stellen / Νίψον ἀνο μή ματα μὴ μόναν

[p. 102]

ὄψιν, dat is / En wast niet alleen het aengezicht / maer ooc de gebreken

Onder de Latijnsche is ons deze spreuke ter hant gekomen signa te1) signa temere me tangis et angis.

+Van Letter-wisselingen.

De Letter-wisselingen zijn mede / by de Grieken gevonden / maer nu velen Volkeren gemeyn / het gebruyc is: met de Letteren eener reden / eene andere reden te beschrijven / als

  { Maerten Beheyt2) } wort { MET ARbeyt heEN
uyt { Pieter Lenaers3) } gele- { Leer iet sparen
  { Daniel Woets4) } zen { V daet si loven
  { Emanuel de Meteren5) }   { Eenmael met vreden

+Van de gemeynschap der Duytsche tale met vreemde talen.

Overmits De6) verscheydenheyt der talen / inde verwerringe der eerste sprake onstaen is zo geeft het7) een groot nae-denken8) / datter iet gemeyns / onder alle de Talen overich is / dit nae-denken wort ooc vermeerdert / door de overblijfselen / die noch in de gemeyne spraken bevonden worden / waer af Theodorus Bibliander9), en Antonius Thysius10), getuygen dat den gehele gront onzer tale / uyt de Hebreeusche Griexsche / en Latijnsche / sprake gesproten zy / welke meyninge Abraham vander Mijle mede toestemt om +denn leergierigen hier af eenige openinge te doen / zo hebben wy hier aengeteykent / eenige onzer woorden / die de Hebreeusche / Griexsche en Latijnsche zeer na gelijk zijn.

[p. 103]

Gemeyne woorden der Hebreen en der Nederlanderen.1)

Koppel, twee Kepel Comijn Comon
Kabel Chobel Boos malus Boos
Bedeel, divido Bedal Beelt Baal of bel
Tortelduyve Thor Recke extendo Raka
Etmael Ethmol Passere Pasa
Baren, gignere Bara Pas, passus Pesa
Sotten Sothim Aerde Arets
Schaet Schahat Pfert hoogd2) Phert
       
+Over, uber Ever, eber Doek Doocq
Beet, morsus Peth Dorsch Dosch
Leeu Levyah Ei-lant Ei
Schaden Schad, schadad Evel, malum Ngevel
Schakel3) Schakel Gadere vergader Gadar
Seven Schevang Hake Hakah
Hem, illi Hem Hel, helder Hal, halal
Kussen Kisse Hollen Holel
Morgen Maghar Huylen Heililu,
Achter Achar, Luy, Lieden Luime
Bate, lucrum Baza Mantel Magnel
Gevel des huyzes Gebuul Rotsen4) loopen Rotz
Var taurus Phar, Schaft Schevet
Lecke, lingo Laquaq Scheppen Schaeph
zide, Latus Zid Tassche Taske
Schenke potiso Schakan, Smy, gesmijde Zmyde
Schave Schavah Toren Toren
Makker socius Makkar Zeren, verzeren Zarar
Memme EM Schilden Schilte

Gemeyne woorden der Grieken ende der Nederlanderen.5)

Axe Axine Anker Angkura
Acker Agros Angst Anchos
Acht Octo Af Apo

[p. 104]

Aesem Aasmos Valle Ballo
Aseme1) Aazo Pile Belos
Heet zijn Aithein Bremme2) Bremo
Hitte Aithos brade Brazo
As axis Axon boter Boutyron
Hechte Hapto broot Broton
       
+bravere Katabrabeuo Engel Angelos
Dier Ther Erlange Lanchano
Dere3) Dairo Eewe Aion
Di Toi Erm Eremos
Voet, fus Pous Heel Holos
Fame Pheme Hyzoop Hyssopos
Giete Cheo Hulk Holkas
Grijpe Gripeuo Hale6) Halomi, halo
Klatse4) Klazo In En
Galle Chole Kennep Kannabis
Kamer Kamera Kallen Kalein
Deere5) noceo Teiro Klinke Klango
Derre, durve Tharro Klank Klange
Klosse Klosma Krijte Kerytto
bedeest Deos Kemel Kamelos
Deizen Deisein kiste Kiste
Dubbel Diplous kusse Kuso
Dunken Dokein koph7) hoogd Kephale
Enige Enioi klimme scando Klimax leder
Aerde Era Keizer Kaisar
Izer Sideros kelk Kulix
Klage Klajo knauwe Chnauo
Komme Kumbos Lampe Lampas
Kracht Kratos Lossen Lusein
Kupe Kuphos Leeu Leon
Dochter Thugater Linen Linon
Deure Thura Leger lectus Lechos
Ete Edo Lecke Leicho
Een Hen, heis Met Meta

[p. 105]

My Moi Melke Amelgeo
Moeder Meter Muis Mus
Mane Luna Mane dor1) Mudde Modion
Maent Man dor 1) Morgen Iugerum Morge
Midsen2) Meson Mile Milion
       
+Nu Nu, nun Voer Bora
Nevel Nephele Teer Terus
Fruiten Phrugein Rete, scheur Rexis
Ic kappe Kopto Stijve Stypho
kere Koreo Schorre, oever  
kyrche, kerke Kuriake   Scheros
Leeg zijn, Legein Gestikt Stictos
Leure, Leros Stige Steicho
Moejen, Mogein Sterke Sterizo
Forme door Letter-verzettinge Morpha, Sterkte Sterigma
    Stroye Stroun
    Stroiinge Strosis
Nacht Nux Stijl Stylos
Nieu Neos Stene Steno
Nest Nossos Staen Stanai
Nutten Anuttein Swige Siago
Oye Oïs Steele Stelechos
Olie Elaion Schimp Scomma
Os Bous Ruim Rume
Put Buthos Schip Scaphe
Prate Phrazo Stam Stemma
Pene, pijne Poine Scheef Scajos
Ploie Pliko Schepter Sceptron
Purpur Porphyra Scandael. Scandalon
Plage Plage dor. Sponcie Spongos
Quelle Scullo Schneide hoogd.  
Rad, rasch Radios   Schizo
Regenen Raino Ster Aster
Ronke Rencho Spue Ptuo
Rose Rodon Spelonke Spelaion
Reder3) Rhetor Spade schoppe  
Rede Retoreuo   Spathe

[p. 106]

Temme Domao Tol Telon
Throon Thronos Titel Titlos
Tresoor Thesauros Tapijt Tapes
Traen Thranos dor Verre, vorde Porro
       
+Volen1) Polos Plette, verpleten Pletto
Ure Hora Zie, ziede Zea,2)
Veel Pollos Hier af komt misschien het woordeken Zee.  
Valle Sphallomai    
Vroech Proi Zac Saccos
Vreze Phrisso Vader Pater.

De Gemeyne woorden der Neder-landeren ende der Latijnen.3)

As4) Axis kulkt5) Culcita
Acker Ager klaer Clarus
Arm Armus karper Carpio
Acht Octo kort Curtus
Anker Anchora krone Corona
Angstich Anxius kosten Constare
Ab hoogd af, Ab koorde Chorda
Boter Butirum kupe Cuppa
baert Barba korf Corbis
beest Bestia krijt Creta
bloeten Balare kamer Camera
beker Becario Decke Tego
boejen Bajae6) Du Tu
betalinge Talio Drom Trama
Kruys Crux Dure Duro
Colf Clava Ete Edo
kapoen Capo Engel Angelus
kolen Caules Disch, tafel Discus
kasse Capsa krebbe Crabatus
keller Cellarium korste Crustum

[p. 107]

Elle Vlna Fruit, Fructus
Eewe AEvum Fame Fama
Enge Angustus Feest Festum
       
+Graen Granum Huiden Hodie
Gordin Cortina Hebbe Habeo
Hule Vlulo klanc Clangor
Ic Ego klinke Clango
In In kemel Camelus
Joc, Juc Iugum kiste Cista
Joc Iocus kerse Cerasum
keten Catena kaes Caseus
kop, kap Caput koke Coquo
keizer Caesar kok Coquus
kelc Calix Lampe Lampas
Mamme Mamma Leeu Leo
Mortier Mortarium Lelie Lilium2)
Mi Mi Letter Littera
Moeder Mater Linen, linnen Linum
Mispel Mespilum Lanteerne Lanterna3)
Muyr Murus Monster monstrum
Mete Metior Meester magister
Midden Medium Mager macer
Melke Mulgeo Mile miliare
Molen Mola Nu Nunc
Male Molo Neve Nepos
Muis Mus Neut Nux
Murmurere murmuro Neuze Nasus
Mudde1) modium Nevel Nebula
Vlamme Flamma Stijge Instigo
Mantel mantellum Net Nitidus
Glas Glacies Nacht Nox
Fackel Facula Neen Non
Gruis Grusum Nieu Novus
Lijste Lista Oye Ovis
Sickel Sicula Onder Inter
Speer Sparus Ore Auris
Riem Remus Order Ordo

[p. 108]

+Olie Oleum Pont Pondo
Os Bos Poorte Porta
Palm Palma Plante Planto
Plage Plaga Plante Planat1)
Put Puteus Paer Par
Prijs Pretium Purper Purpura
Persoon Persona Roze Rosa
Plat, Plein Planus Regel Regula
Proeve Probo Recht Rectus
Proeve Probatio Rat Rota
Sta Sto Regenen Rigare
Scrijn Scrinium Ront Rotundus
Scimp Scomma Rumoer Rumor
Scrive Scribo Rove Rapo
Zonne Sol Shepter2) Sceptrum
Schelmstuc Scelus Suker Saccarum
Schelm Scelestus Somme Somma
Zuge Sugo Sponcie Spongia
Zat Satur Sterre stella
Salt, zout Sal Zes Sex
Zeven Septem Spuge Spuo
Scotel Scutella Stal, beyde van staen stabulum
Zegel Sigillum    
Sober Sobrius Spelonke Spelunca
Sponde Sponda lecti Temme Domo
Zeker Securus Teste Testa
Sceef Scaevus Toren Turris
Pene, Pine Poena Tant Dens
Ploje Plico Tortelduve Turtur
Pere Pirum Twee Duo
Pael Palus Trecke Traho
Poel Palus, udis Tapijt Tapetum
Penne Penna Titel Titulus
Plume Pluma Volen Pullus
       
+Ure Hora Visch Piscis
Vlies Vellus Winne Vinco
Vel Pellis Weduwe Vidua
Vat Vas Waer Verus

[p. 109]

Zoc Soccus Wil Volo
Jlich1) Ilico Wint Ventus
Voller Fullo Wijn Vinum
Uyl Vlula Woeste Vasto
Vader Pater Woest Vastus
Wal Vallum Lang Longus
Venster Fenestra Tronc. Truncus.
Vlocke Floccus    

Alle deze woorden die in onze sprake door een menichvuldich gebruyc / grondelic ingewortelt zijn / oordelen wy de onze / alhoewel die ooc in de genaemde Talen / hare natuyrelijke plaetse behouden / het ware ooc aen onze sprake gewelt gedaen met deze woorden daer af te nemen / alhoewel wy buyten het gemeyn gebruyc / alle alle2) vreemde woorden verwerpen.

+Van eenige verscheydenheyt der Sprake
onder de Neder-landers.

De neder-duytsche Tale wort in Gront-woorden Buygingen ende Tael-spreuken met de Hoog-duytsche hoe scherper aengemerkt / hoe gelijker bevonden / ooc wort by de Geleerde getwijfelt / welke van beyde de Outste +is / dewijle de Hoog-duytschen den Joden ende den Grieken naer-(161)der wonen / ende de outste schriften het Neder-lansch naerder gelijkenen.

De Neder-landers hebben in hare gemeyne bouken / alle eenderleye sprake3) / als in Bibelsche Over-zettingen / Tijt-bouken4) / ooc in geachte schriften van Hoven en Steden / onder welke gemeyne schriften eenige Eemdersche5) Testamenten de volmaekste geacht worden / niet tegenstaende de Lant-sprake merckelic van het nederlantsch afwijkt.

Aengaende het onderscheyt onder de Neder-landers alleenelic het ghemeyn Spreec-ghebruyc aengaende / gheschiet by de Hollanders in het verkorten +der woorden / zeggende Vraeg Antwoort, Ic zeg, Ic heb, ooc Schepe, Huyze, Stede etc. in plaetse van Vrage Antwoorde, Ic zegge, Ic hebbe, Schepen, Huyzen, Steden etc. Dusdanige verkortingen zijn verwerpelic.

+Gelijc als mede verwerpelic is de verlanginge der Vlaemsche uyt sprake / als zy zeggen / Lopene, Wagene, Schuyte etc.

[p. 110]

+In het verkleijnen der woorden hebben de Brabanders de meeste volkomenheyt.

+Ende in zachte uytsprake eeniger letteren schijnen de Vriezen eenige goede opmerkingen te hebben / die ter zoet-vloejenheyt dienstich zijn.

Deze verscheijdenheden zijn nodich aengemerkt / op dat een jder zijnes Volx eijgen gebrec kennende / het achtbaer gebruyc niet en verwerpe.

+Eenige Vertoningen van oude schriften
der Duytsche sprake.

Ontrent het honderste Jaer / naer Christus verschijninge / is Mariaes Lof-zanc / dusdanich gevonden.1)

Mikkeloso2) min sela truchtin, Inti Gifan3) min geest in Gote minemo heylante.4) Mijne ziel verhef den Heere Ende mijn geest verheuge in God mijnen Salichmaker.
Bithiu vuantha her geschouuota odmuothi5) sinero thiuni.6)
Seno nu fon, thiu saliga mih quedent alla cunnu.
Want hy heeft de nederheyt sijner dienstmaecht aengesien: want siet van nu voort sullen my salich noemen alle geslachten.
Bithiu vuantha7) mir teta mikilu thie tar mahtig ist: inti heilag sin namo. Want hy heeft my groote dingen gedaen / die machtich is: ende heylich is sijne naem.
Inti sin miltida in cunnu inti in cunnu inan forhtanten. Ende sijne barmherticheyt duert van geslachten tot geslachte / den genen die hem vreesen.
Teta maht in sinemo arme, zispreitta ubarhubtige muo te8) sines herzen. Hy heeft gewelt gedaen / door sijnen arm: hy heeft verspreyt de hoveerdige / in haers herten gedachten.
+Nidar gisatta machtige van sedale: inti arhuob odmuotige. Hy heeft de machtige van den throon afgetrocken: ende de nederige heeft hy verheven.
Hunherente9) gifulto guota:10) intiota ge11) forliet itale. De hongerige heeft hy met goederen vervult / ende de rijcke heeft hy ledich wech ghesonden.

[p. 111]

Inphienus1) Israël sinan knecht:2) zigi muntigonne sinero miltidu. Hy heeft Israel sijnen knecht op geholpen / op dat hy der barm-herticheyt gedachtich ware.
So her Sprach3) ziconsen4) fateren. Abrahame inti sinemo samen ziuue-rolti. Gelijck hy gesproken heeft tot onse Vaders / Abraham ende sijnen zade / inder eewicheyt.

Salomons Hoog-liet is voor vijfhondert Iaren dusdanigh
gevonden door D. Paulus Merula.5)

Cusse her mih6) mit themo cusse sines mundes. Hy cusse my met den cusse sijnes monds.
Thicco geheizzet7) mir sine cuomst per Prophetas: nu cume her seluo, ande cusse mich mit thero suoze sines Euangelij. Dicke beloofde hy my sijne comst / door de Propheten: nu comt hy self / ende cusse my met het soete sijnes Euangeliums.
Wanda bezzere sint thine spune themo wine, sie stincken8) mit then bezzeston9) saluon Thiu suoze thiner10) Gratiae, is bezerra than thin11) Skarphe thero legis, also hiz quijt, Want dijne spenen sijn beter dan wijn / sy ruycken met de besten salven. Die soetheyt dijner genade / is beter dan die scherpte der Wet / also hy seyt:
Lex per Moysen data est, gratia et veritas per Iesum Christum facta est. De Wet is door Moysen gegeven, de genade ende waerheyt is door Iesus Christus geworden.
Thiu selva genatha is gemisket mit varijs donis Sancti Spiritus, mit them12) thu
+machost, ex peccatoribus Iustos, ex damnandis rumunerandos,13) Thin namo is uzgegozen14) oley.
De selve genade is ghemengt met verscheyde gaven des H. Geests, met dien makest du / van sondaren rechtvaerdige, van verdoemelicke, vergeldelicke, Dijn name is uytgegoten oly.
Thin namo is wide gebreydet, wanda vano thir Christo, heyze wir Christiani. Dijn name is wijd gebreyd: want van dij Christo / heeten wy Christenen.
Vano thiu minnon thich the Ionckfrouwen:15) that sint the sielan the ther jugethet sint Van dies minnen dy de Jonckvrouwen / dat sijn de sielen die daer verheucht zijn

[p. 112]

in thero douphe,1) and gewadet mit veste innocentiae. inden doop / ende ghecleedet met het cleet der onnoselheyt.
Zich mich nah thir, so louphen wir in themo stanke thinere salvon. Ick bekenne3) mine unkraft: vane then helph mich mit thinan genathan, so scundich andere ze thinemo wega. Treckt my na dy / so loopen wy inden reuc dijner salve. Ic bekenne mijne onkraft: van dien helpt my met dijne genade / so send ick andere tot dijne wegen.
Ter4) Cunig leydede mir in sine genathema. Ich weyz nu in fide et spe, the genatha the min noch beydet in re. De Coninck leydede my in sijne Camer. Ick weet nu in geloove ende hope, de genade die my noch verbeyd in der daet.
Exnltabimus5) ande wir vreuwen uns ana thich, els an uns selvon, wir gehugega thinere spune over then win. Wir ne willon niet vergezzan thaz thiu genathe6) thines Euangelij, suozer is, than thiu, austeritas thero ewo. +Lex thiu quijt Si quis hoc vel illud fecerit: morte moriatur: thu quithes avor in thinemo Euangelio. Non veni vocare justos, sed peccatores. thie rechte minnon thich, thich ne minnot nieman, her ne sy7) recht, ande nieman ne is recht, her ne minno thich. Wy verheugen / ende wy vervreuchden ons an dy / niet aen ons selven / wy geheugen dijner borsten boven den wijn: Wy en willen niet vergeten / dat die genade dijnes Euangelijs, soeter is / dan de suerheyt der Wet. De Wet / die seyt / die dit of dat gedaen heeft: sal den doot sterven, maer du segges in dijn Euangelio: Ic en ben niet gecomen om die rechtvaerdige te roepen, maer de sondaers: die oprechte minnen dy / dy en mint niemant / hy en zy oprecht / ende niemant is oprecht / hy en minne dy.

Volcht de 19. Psalm uyt de Duytsche outheden in het
licht gebracht door Abraham van der Mijle.8)

Hemiln9) tellunt guodlikheyt10) Godes ind werk sinro hande12) furkundit festi. De Hemelen vertellen de goedelikheyt11) Godes / en het werc siner handen verkondicht t'vaste.
Dach13) dages ut ropizot wort in naht nachti14) tund wistuom15). De dach den dach uyt ruypset een woort / ende de nacht den nacht kont wetenschap.16)

[p. 113]

Ne sint spraken noh woorth thero ne worthin1) gihorda iro stemmen. Geen zijnder spraken noch woorden daer niet worden gehoort hare stemmen.
An allere2) erthon fuor iro luyt3) ind an endron ringis erthon iro woorth.5) Aen alle aerde voor4) haer geluyt en aen d'eynden des rinx der aerde hare woorden.
An sunum6) satta sina selitha. In de zonne heeft zy gezet zijne tente.7)
+In he also brudegomo fortgangande fan sinro betekameren. Ende hy als een brudegom voortgaende van zijne beddekamer.
Mendida also wrisil te loupom weh. Zy zal verheugen als een worstelaer te lopen den8) wech.
Fan hoon himili sin utgant In sin withirloop untes9) sinro hoi. Van den hogen Hemel is zijn uytganc in zijnen tegenloop tot zijne hoochte
Noh ne ist the sig geberge fan sinro hitte. Noch daer en is die zich bercht van zijne hitte
Ewa Godes um bemillam10) bekerund selim. De wet godes onbevlekt bekerende de zielen
Urkuntschap Godes getruuin wisduon farliendi luzzundon. tgetuygenisse Gods getrou / wijsheyt11) verlenende den kleynen
Godes rehnussi retha geblithande herta. Godes gerechticheden zijn recht / verblijdende de herten
Gebot godes schuni Irlihtende ogum. Tgebot Gods is schoon verlichtende de ogen
Fortha drusten heilig volwonende an werildi werildis. De vreze12) des Heeren is heylich voldurende tot des werels werelt
Diroma drusten giwari rechtlika an sig selvon, begerlika ovir golt in stein durtikin vilo in suottera over honog in rata, De rechten des Heren zijn waer gerechtichlic in zich zelven begeerlicker over gout en steen kostelic vele13) en zoeter boven honih en raet /
+gewisso thin schalc behodit sia, an behuodende im mikil withirlon gewis dijn knecht hoetse en behoedende die14) grote wederloon
misdadi wie virnimit Wie verneemt de misdaden
fan beholenen minin van verholene mijne
gereini mi, reynich mi
in fan fremetgon en van vreemde

[p. 114]

ginathe thenin schalke, vergenadich1) dinen knecht
Of sie min ne werthon geweldig, Of se mijner niet geweldich en werden
than ik un bemillam2) wezen scal, dan zal ic onbevlekt3) wezen
fan meistero misdadin van de meeste misdaden
in solon wesan that en zullen wezen dat
gelicum sulum spraken gelijken sullen de spraken
minis mundis4) in gehugenisse mijnes monts en geheugenisse
minis hertin mijnes herten
in thinro tegenwoordichz5) in dijne tegenwoordichz
dinicero. altijt.6)

Volcht eene zeer oude Beschrijvinge der tien Geboden / in de Vriesche sprake beschreven / wort van den eerweirdigen D. Festus Homnius7), in het Schat-bouc8) aengeteykent dusdanich

Van de9) tiaen wird / dit sint da tiaen10) wird.

Israhel dijn God is een weer God.

Him scheltu tienia / en11) sijn era mit nene

Fraemde Goden menzia /

Israhel dijn God scheltu / neen byld makia12) /

Fan alle da creatura deer bida Himel fliucht /

jefta13) op der eerde swerft / en in de14) wettere suomt /

want ic mine ontank wrec15) al toe da fyarda / en

mine tank16) laenie / al toe da tienda17) /

+Israhel dijn Godes nama18) scheltu naet for swerra /

Ner tot19) nene ydelnisse / op tyaen sonder need /

Israhel dis Sonnendeis fira scheltu naet forjetta /

Disse fyower boeden waren20) in eenre taefla /

Israhel era dijn Fader / en dijn Moder / hoe du lange

libbe op der eerda

Hoed dy van Hoerdom /

Hoed dy van Manslachta /

Hoed dy van Tyefta /

[p. 115]

Hoed dy van falsch Tiuch1) /

Hoed dy van onnetter byeringe2) / alle der tingena

deer dijn nesta aegh mit mara riucht dan du.

In deze outste schriften / kan men verscheyde opmerkingen van den gront onzer woorden zien / doch niet volkomelic den stant van de Sprake dier tijden maer in de laetst-voorgaende vierhondert jaren / is de Tale tot deze onze tijden toe / dagelix meer en meer gezuyvert / besnoeyt ende verbetert.

 

EYNDE.

+Prosodia.
+136
2)A 71.
3)Deze en de volgende alinea heeft v.H. ontleend aan de Nederd. Sp. 54/55: ‘Op datmen dan te bescheydelijker alle redenen zoude konnen lezen / ende de zelve ook te beter verstaen / zoo wordenze bepaeld met zekere (daer toe gevonden) Af-teekeningen. Die inde Reden (daer mede af-gedeeld zijnde) betoonen / waermen behoord op te houden / waer meer ende waer min: ‘Ook hoemen dan (na gelegentheyd) in 't verhalen zijns aessems dien altemet verheffen / oft verzachten moet’.

4)ook waar men meer en waar men minder moet rusten (‘ophouden’).
5)Hier zal men moeten lezen: ende hebben. Of wel: dit heeft.
+Interrogatio
+Admiratio.
6)De Nederd. Sp. spreekt van ‘T'verwonderings teeken’ (58), maar onderscheidt de gevallen verwondering, aenroeping, verhueging en klachte.
+Colon.
1)Deze theorie heeft v.H. zo juist in de practijk gedemonstreerd; men zie het begin van dit caput en A 71. De Nederd. Sp. 57 geeft: ‘Kolon of membrum is een Lid van een reden / 'twelke men steld / daer de reden een vol verstand héft / ende nochtans niet voleynd en is: alzoo het volgende tot meerder versterkinge ofte verklaringe diend: Ende men mag dit teeken een ofte meermael in een vol-sloten reden stellen / na dattet te passe komt / als ...’ [twee vbb. volgen].
+137
+Periodus.
2)Het teken / past alleen bij den Gothischen letter-druk. In deze heruitgave hebben wij het niet vervangen door een komma om nog zo nauw mogelijk aan te sluiten bij het origineel. Van H. houdt ze trouw uiteen: de komma bij Lat. letters.
+Parenthesis.3)
3)cf. Nederd. Sp. 59: ‘De tusschen-stelling is een ofte meer woorden / die inde reden gevoegd zijnde / de zelve meer verklaringe geven: de welke zomtijds ofze daer al schoon uytgelaten wierden / zoo zoude nochtans de reden volmaekt konnen wezen: ...’
4)De Nederd. Sp. 60 noemt het: Hyphen, Kopulatio, Aen-een-brynging ofte Koppeling: ‘Het... diend om te stellen tusschen de koppel-woorden / dat is: wanneer twee woorden aan een gehecht / ende onder een uyt-sprake gebracht worden’.

+De syllabarum quantitate.
5)A 72.
+Monosyllaba diotiones fere omnes sunt indifferentes.
6)A 73.

+139
+Dictiones enclyticae.
1)Meestal met oe gespeld; z. Caron 97, 111 vlg.
+Omnis dictio syllabam longam habet.
2)l. 5. Ook. Men zie voor de no's. 1-5 A 73 (eveneens de no's 1-5).
3)A 73 de no's 6, 8 en 9.

+De quantitate syllabarum.
+139
4)Dus met klemtoon op de laatste lettergreep.
5)A 73/74 de no's 7, 10 en 12.
+Participia.
6)A 74 no. 13.

7)A 75 no. 15.
8)cf. B 149.
9)zeer duidelijk.
1)Met één e om aan te geven, dat de klemtoon er niet op valt (vgl. de vorige alinea). Het woordeind -elen voor oordelen en tafelen kan ongeveer gelijk geklonken hebben: met zwak beklemtoonde niet-kleurloze vocalen; zie mijn De reductievocaal in het verleden, Gron. 1952, 13 over de uitspr. van wandelen bij Montanus. Volgens W N T werd (vooral in O. Ned. naar het schijnt) ook gezegd oórdel, órdel.
+140
2)A 74 no. 14.

3)A 73 no. 6.
+Vrīendĕlĭkhĕyt. Gōddĕlĭkhĕyt. Grāvĕlĭkhĕyt.

4)Vgl. B 137 ‘onderscheydinge der silben’, al heet het in marg. quantitas. Van H. handelt over klemtoon; hij noemt echter het verschil: lang en kort. Zie B 141.
5)deze manier van dichten (naar het woordaccent, zoals in Fr. en andere moderne talen). Van H. zegt dus, dat zulle accent-verzen in het Latijn niet passen zouden. Zie F. Kossmann, Ned. Versrythme, 's-Grav. 1922, 60-61 over de metriek van v.H. Al oordeelt K. te scherp, er is wel de eis in B van strenger regel voor de versmaat dan in A. Overigens blijkt uit de vbb. (B 142) uit Camphuyzen en Cats, dat v.H. de practijk vrijwel bleef taxeren naar het in A gezegde.
6)Omdat geen woorden in het Lat. door v.H. met klemtoon op de laatste syllabe uitgesproken worden. (Wat b.v. aan te vangen met fĭdēs?)

+141
+Pedes
7)samen met.
8)dichtsysteem: het overeenstemmen van regels in eindklank is in dezen term iets bijkomstigs.
+Eerste voet.
+Iambus.
+Drāgĕn. Wĕckĕr.1) Vlĭĭtĭch. Schōnĕ. Mēnĭgĕ. Sūyvĕrĕ. Lōpĕndĕ.
1)l. Wĕrker. De bedoeling is wschl.: de voc. op zichzelf is kort, maar de silbe is ‘lang’, heeft klemtoon. Zo toont het volgende vb. twee korte vocalen ĭĭ.
+Spondeis et pyrrhichijs caremus.
2)Bijzonder de vierde aantekening, die handelt over tweelettergrepige woorden waarin één lange syllabe kan en moet voorkomen, verklaart dat de maten -- en ˘˘ niet voorkomen.

3)A 29.
4)jamben.
+De Hubert

+142
+Aldegonde.
+Cats.
5)A 78.
6)z. aant. bij ‘dezes dichts’, B 140.
7)z. dezelfde aant.
+143
1)ter grondige beschouwing.

2)Uit Buchanan's Paraphrasis Psalmorum Davidis Poetica citeert v.H. de versregels 9, 121, 126, 152 van Ps. 119. De Bijbelverzen, waarop ze betrekking hebben, dragen dezelfde nummers.
3)Te lezen: waer van? Of te veranderen in: om dat?
4)laatste versvoet, waaraan de laatste lettergreep ontbreekt. Bij v.H. meervoudig, omdat hij over vier verzen spreekt.
5)Dan is er in de metrische voordracht, den metrischen gang in den laatsten voet een κατάληξις.
6)wegglijden, wegvallen, ontbreken.
+Versus dactylici.
7)jamben.
+144
8)A 79.
+Rijmwet
9)tot een onnavolgbare volkomenheid gebracht (zie p. 150 i.m.) opgevoerd, opgeheven.

+Orthographia exoticarum dictionum.
+Dusdanige woorden schrijft Vondelen aldus.
1)cf. Ampzing r. 1187 vlgg.
+Antepenultima.
+145
2)cf. Ampzing r. 1192 vlgg.
3)cf. Ampzing r. 1230 vlgg. De spelregels van v.H. zijn blijkbaar: 1. schrijf korte i met zwak accent als i, b.v. glorie; 2. lange i met sterk accent als ij, b.v. philosophije; 3. de tweede component van een eigenlijke diphthong als y.
+De pronuntiatione exoticarum vocum.
+Penultimae.
4)met klemtoon.
5)als wij aldus met de uitspraak dezer vreemde woorden deden.
+146

+De Figuris dictionum.
6)A 80.
+De verkortingen worden aldus genaemt.
1)Dus niet altijd? Dan zei men zowel mensche als mense.
+Aphaeresis2) syncope apocope synaeresis nobis fere idem.
2)v.H. laat onder deze benaming - anders dan in A - ook syncope, apocope en synaeresis vallen; het zijn alle ‘verkortingen’ en ‘nobis fere idem’.
3)z. De Vooys, Verz. Opst. I, 268.
+Aphaeresis
4)In te voegen: van.
+147
5)l. K'wil.
6)b.v. 's jaers; v.H. zet het tussen de twee betrokken woorden.
+De syllabarum euphonia
1)z. Caron 63 vlgg. (met een paraphrase op p. 67).
+148

+Litterae mutabiles in pronuntiatione.