Het vlot


auteur: Wim Hofman


bron: Wim Hofman, Het vlot. Van Holkema en Warendorf, Houten 1989 (tweede druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Ik had het over Luitwieler

Op een middag zat ik weer eens ergens in die schroothoop op de Paardenmarkt. Daar was eerst niet veel aan de hand. De zon scheen en maakte het ijzer warm. Een lauwe wind blies pluizen door de lucht. Spinnen hingen lui en dik in hun hangmatjes en likten hun lippen af. Het zal dus wel in de nazomer geweest zijn, ik weet niet meer precies wanneer.

Maar ik weet nog exact hoe ik een knal hoorde, vlakbij. En nog een. Iemand gooide met stukken steen of ijzer. Het was niet moeilijk om te raden wie: Luitwieler natuurlijk. Hij had het deze keer echt op mij gemunt. Ik zag hem eerst niet, maar hoorde hem wel. Hij sloeg met een stuk ijzer tegen ijzer en het was net alsof hij tegen zichzelf liep te praten.

Hij zei zoiets als: ‘Nu moet je niet denken, jon-

[p. 17]

getje, dat hij je niet in de gaten heeft. Luitwieler heeft echt wel ogen in zijn kop. Goeiedag! Hij weet heus wel dat jij daar in je broek zit te doen van bangigheid. Jij denkt zeker dat hij je niet te pakken kan krijgen?’

Dat soort dingen zei hij, op rustige toon alsof hij een schoolmeester was die het tegen een oerdom kind had dat na moest blijven omdat het niet meer wist hoeveel drie min twee was.

Hij had mij natuurlijk allang gezien en ik vroeg me af hoe ik ontsnappen kon. Mijn hart sprong heen en weer als een diertje in zijn kooi. Door een gaatje kon ik hem over het ijzer zien klauteren. Hij keek niet naar mij, hij kwam wel langzaam maar zeker mijn richting uit. Hij had blote benen en droeg grote hoge schoenen. Met een ijzeren staaf gaf hij dreunende slagen op de buizen en stukken staalplaat die hij tegenkwam. Op een ander moment zou dat soms wel mooi geklonken hebben, maar nu gingen de klappen door merg en been. De klappen beloofden niet veel goeds. Luitwieler zag er verbeten uit en droeg voor de gelegenheid een Duitse helm die hij ergens op de kop getikt had.

‘Aha!’ riep hij, bijna elk woord een klap gevend. ‘Aha, ik zie daar een jongetje met een brilletje op!’

Iets dergelijks riep hij.

Er zijn van die momenten dat je in je radeloosheid denkt: ‘Wat nu?’ Dan denk je dat de tijd stilstaat, maar wonder boven wonder gaat de tijd toch door en dat was toen ook. Want juist op het moment dat ik de moed opgaf en er niets anders opzat dan te gaan gillen, stapte Luitwieler mis. Niet alle stukken ijzer lagen even vast.

Hij struikelde, er verrolden een paar buizen. Hij riep: ‘Nou zeg!’ en stortte tussen het schroot. Zijn val werd begeleid door gerammel en gebonk: een finale met veel slagwerk. Daarna was het stil.

[p. 18]

Je hoorde alleen nog de wind en de zee die daar in de verte zijn eigen besognes had. En ik hoorde mijn bloed bonzen. Een paar vogels vlogen laag over, die wilden graag wat meepikken.

Ik was bang, maar ook nieuwsgierig en met een beverig gevoel ging ik kijken.

 

Luitwieler lag op zijn rug. Hij was waarschijnlijk achterover gevallen en zijn hoofd lag lager dan zijn knieën. Zijn mond stond open en ik zag duidelijk zijn boventanden en het roze tandvlees. De helm zat scheef over zijn hoofd. Hij lag er ongemakkelijk bij. In een van zijn handen stond een klein plasje bloed. Ook op zijn pols zat iets roods, donkerder dan roest.

Ik moest denken aan de schildering van Jezus in de kerk. De schilder had met een dun kwastje donkere straaltjes bloed op de handen en voeten van Jezus geschilderd. Het bloed liep over het hout naar een doodskop zonder onderkaak.

‘Die is dood!’ dacht ik en ik vroeg me af wat ik doen moest. Het zenuwachtige gevoel werd sterker, maar ik kroop toch langzaam naar dat stille lichaam toe, misschien om na te gaan of hij nog ademde.

Dat was niet verstandig. Toen ik vlakbij hem was, sloeg hij een grijpklauw uit en pakte me bij mijn jas.

‘Hebbes!’ zei hij, ging zitten en lachte. Het klonk onplezierig.

Hij dwong me ook te gaan zitten en stak zijn gewonde hand naar mij toe. Gelukkig had hij me daarmee niet bij mijn jas gepakt. De hand zat nu onder het bloed.

Hij begon een vraaggesprek.

‘Wat is dit?’

‘Een hand.’

‘Wat is ermee?’

‘Er zit bloed aan.’

[p. 19]

‘En hoe komt dat?’

Ik keek goed naar de hand. In de muis van zijn duim zat een flinke jaap.

‘Er zit een snee in,’ zei ik.

Ik keek maar niet te veel naar die snee, want daar werd ik niet goed van. Er kwam nog steeds dik bloed uit.

‘Er zit een snee in,’ deed Luitwieler mij na. ‘En hoe komt dat?’ Hij werd nijdiger. ‘Hoe komt het dat er in de hand van Luitwieler een snee zit, sodeju?’

Zo spraken jongens in die tijd.

‘Hij is gevallen,’ zei ik.

‘Juist,’ zei Luitwieler. ‘En waardoor kwam dat?’

‘Er lag een buis los...’ probeerde ik.

In die trant verliep het gesprek. Luitwieler gaf mij de schuld. Hij beweerde dat ik die buis daar los gelegd had om hem te laten vallen en hij maakte me duidelijk dat ik ervoor zou moeten boeten.

Ik had er verschrikkelijk veel spijt van dat ik die middag niet thuisgebleven was, dan had ik nu wel ergens met punten in een winkel in de rij gestaan voor een half ons suiker of een zakje havermout.

Hij ging staan en porde mij met de stang.

‘Hup, staan jij!’

En ik stond en hij porde weer.

‘Lopen jij.’

En ik liep en kroop over stukken ijzer, hij duwde me haast voort en de stang deed op den duur gemeen zeer.

‘Links!’ beval hij, toen ik probeerde rechts te gaan om aan het gepook te ontsnappen. Hij duwde alleen maar harder tegen mijn rug. Het was alsof hij mijn vel eraf wilde krijgen. Hij stuurde me daarheen waar hij me hebben wilde: de schroothoop af, naar een stel leegstaande huizen.

‘Hierdoor,’ zei hij.

[p. 20]

Er stond daar een muur met een gat erin en daardoor kwamen we in een beschutte ruimte die misschien ooit een tuintje geweest was. Nu lagen er brokken puin waar distels rondom groeiden. Rechte stengels waren het met ontelbare stekeltjes eraan en met van boven lichtpaarse dotjes of pluizen. Ik probeerde ze uit de weg te gaan.

‘Rechtdoor,’ zei Luitwieler. ‘En trap die netels voor me plat.’

‘Welke netels?’ vroeg ik. Ik keek naar zaadpluizen die zich op geheimzinnige wijze zachtjes opeens van de planten losmaakten. En ik keek naar de stekeltjes aan de stengels.

‘Mijnheer ziet geen netels!’ zei Luitwieler en hij stuurde mij op een dichte bos distels af. De bos distels grijnsde naar mij.

Als de uitvinder van de korte broek ergens ooit een standbeeld had staan, moest het zonder mankeren van zijn sokkel gestoten worden, vond ik. Tenminste: een dergelijk soort gevoel had ik toen. Want ik droeg, zoals alle jongens in die dagen, een korte broek. Daardoor stonden knieën en kuiten bloot aan allerlei gevaren.

‘Nee, ik zie geen netels,’ zei ik.

‘Laat me niet lachen,’ zei Luitwieler. ‘Wat zijn dit dan?’

Hij begon met zijn stang op de bos distels te timmeren en de bos grijnsde meteen al wat minder. Er vlogen nu veel pluizen door de lucht.

‘Dat zijn kamillen,’ zei ik.

‘Kamillen, aan m'n reet,’ zei Luitwieler. ‘Trap die kamillen dan maar plat.’

Ik trapte al lopend tegen de stengels. Het was een voordeel dat ik toen hoge schoenen droeg. Ik noemde ze kistjes. Ze waren te ruim, op de groei, en goed voor mijn enkels, het waren ondingen met een paar gemene spij-

[p. 21]

kertjes van binnen en met veters die steeds weer losgingen. Soms kwamen ze wel van pas, nu dus, bij het plattrappen van kamilledoorns.