's Zaterdags moest ik in een teiltje en dan schuierde ze met een borstel mijn rug. Ik zou ervan langs krijgen en dat was nog pijnlijker dan de zevenentwintig, achtentwintig kwetsuren die ik nu door Luitwieler opliep.
Negenentwintig. Je zou haast zeggen dat Luitwieler een kachel oppookte.
‘Dit mannetje gaat er wel mooi in.’
Ik wist natuurlijk best dat hij mij bedoelde, maar om tijd te winnen vroeg ik: ‘Welk mannetje?’
Toen was hij zijn geduld ook meteen kwijt. Hij dwong me te bukken.
‘Ga op je buik liggen,’ zei hij. ‘Met je benen in dat gat.’
En ik deed wat hij zei.
‘Voel je iets?’
‘Wat moet ik voelen?’
Met mijn voeten voelde ik een stok of een buis. Ik probeerde uit te vissen of ik erop staan kon.
‘Ik weet niet of dat mij wel houdt...’ zei ik.
‘Naar beneden jij,’ zei Luitwieler. Hij trapte op mijn vingers.
Er zat niets anders op, en langs de stangen van de voor- of achterkant van een oud bed dat als een laddertje schuin tegen een muur stond, kwam ik in een kelderruimte met een stenen vloer. Een eind verder was een vlek licht dat door een getralied venstergat binnenviel.
‘Ben je er?’ vroeg Luitwieler, die op zijn knieën was gaan zitten en een arm naar binnen stak.
Hij begon het stuk van het ijzeren bed op te hijsen.
‘Tillen!’ riep hij.
Waarom ik hem hielp weet ik niet. Ik deed het met tegenzin, want het was dom. Het was duidelijk dat hij me gevangen wilde zetten. Maar ik was ook opgelucht dat hij niet zelf naar beneden kwam om me nog verder met de stang te bewerken tot ik groen en geel zou zien.