Het vlot


auteur: Wim Hofman


bron: Wim Hofman, Het vlot. Van Holkema en Warendorf, Houten 1989 (tweede druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Ontvoering 2

We hadden onze gezichten zwart gemaakt en we droegen donkere kleren. Het was avond en donker, maar je kon alles nog goed zien en we hadden dus geen kaars nodig. Ik hielp daarom maar de ladder dragen.

In het huis van de familie Koppejan waren de gordijnen dicht en dat kwam goed uit. Alles was rustig. Sicilia liep wat door het achtertuintje heen en weer en wapperde wat met een lapje spek. Er gebeurde niets. Geen hond te bekennen.

‘Wat nou?’ fluisterde Sicilia.

‘Stop maar in je zak en help maar met de ladder.’ Dat was Luitwieler. Hij gaf aanwijzingen.

De ladder was al over het hek. Luitwieler beduidde ons dat we even stil moesten zijn. We hoorden alleen ons gehijg, niet dat van een hond. Die hond van Koppejan sliep misschien binnen. We hoorden ook Jopie niet, die stond een eind verder met haar fiets en zou bellen en la-

[p. 86]

waai maken als er iets niet in de haak was. We keken goed rond of er toch niet stiekem opeens een gele hond te voorschijn zou springen om zijn tanden in een van ons te slaan. Maar er kwam geen hond.

We plaatsten de ladder zachtjes tegen de achtergevel van het huis. Arie Luitwieler had alles blijkbaar goed uitgekiend. De ladder stond stevig in de tuinaarde en wij moesten hem goed vasthouden, terwijl Luitwieler naar boven klom. Kootje volgde om hem op het juiste moment spullen aan te geven.

Luitwieler smeerde flink wat groene zeep op de ruit van Jantjes slaapkamer, plakte daar dan wat stukken krant op. Hij haalde een hamer van onder zijn riem en gaf daarmee een flinke slag op dat raam. Er klonk geen gerinkel van glas, wel hoorden we Luitwieler zachtjes vloeken en mompelen, maar dat deed hij wel vaker.

En nu blafte er in de verte een hond. We luisterden, maar we hoorden geen fietsbel en de familie Koppejan was blijkbaar nog steeds in diepe rust.

Luitwieler had het raam al open en verdween met het touw naar binnen. En wij wachtten. Het was een vreemd moment en het leek wel weet ik hoe lang te duren. We hoorden wat gestommel daarboven en wat gemompel, maar dat was alleen de stem van Luitwieler. De hoge stem van Jantje Koppejan hoorden we niet. Misschien was Jantje tevreden met de rode snoepjes die we meegenomen hadden.

We schrokken ons het apezuur toen het licht in de kamer van Jantje aanfloepte en we keken elkaar aan en dachten: daar is de vader van Jantje Koppejan, of die moeder met die bijl... en is hij erbij...

Maar we hoorden geen vuistslagen of klappen en geen gehak van een bijl in vlees.

Luitwieler verscheen even later voor het raam.

‘Hij is er niet,’ zei hij, tamelijk luid. En hij kwam

[p. 87]

de ladder al af. ‘Ze zijn niet thuis,’ zei hij, toen hij eenmaal beneden stond. ‘Stom gedoe.’

‘Ze hebben die hond natuurlijk ook meegenomen,’ zei Sicilia die het plakje spek ergens naar de buren van Koppejan smeet.

‘Ik denk er het mijne van,’ zei Luitwieler. Dat klonk kwaad. ‘Kom op, ladder inschuiven en wegwezen!’

Nou, we wilden wel weg. We lieten het licht branden en we lieten ook een kapot raam achter.

We zochten Jopie op en brachten de ladder weg. Luitwieler was stil. Hij zoog wat aan zijn vingers. Misschien had hij zich aan het glas gesneden.

‘Voorlopig komen we niet meer bij elkaar,’ zei hij. ‘En kom ook niet in de buurt van dat huis.’

Daarna stapte hij weg, het donker in.