Het vlot


auteur: Wim Hofman


bron: Wim Hofman, Het vlot. Van Holkema en Warendorf, Houten 1989 (tweede druk).  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Knak, knak

Een tijd later zag ik Arie Luitwieler op het strandje bij de Oranjemolen. Je kon daar alleen maar komen door bij laag water met een ijzeren ladder langs een oude vestingmuur af te dalen. Het strand bestond uit grijs, modderig zand en verder vooral uit puin, stukken van bunkers die ze hadden opgeblazen, gele en rode bakstenen, sommige ervan mooi rond of eivormig afgesleten door het onder water over elkaar heen rollen, stukken zwartblauw basalt en verder rommel: glas, botten, potscherven, stukken tegel. Half in het water lagen bossen prikkeldraad, totaal in de war en door de roest waren ze oranje als geraspte wortels.

Luitwieler zat op een grote steen en peuterde met

[p. 88]

een stokje in een kwal. Er lagen die dag veel paarsblauwe kwalletjes en de zon zorgde dat ze blonken, maar het was toch een treurig gezicht, van die slappe dieren die eigenlijk in het water thuis horen...

Toen ik vlakbij hem was hield hij het stokje omhoog en wees naar me en schudde het even heen en weer. Hij was weer eens kwaad en ik bleef dus staan.

‘Luitwieler is ontevreden,’ zei hij.

Hij gooide het stokje in de richting van het water.

Wat daarop te zeggen? Eigenlijk vertelde hij niet veel nieuws. Ik zei dus waarschijnlijk niets, of niets bijzonders. Ik keek waar het stokje gebleven was. Lamlendige golfjes sloegen slapjes tegen de stenen. Van de stenen en uit de modder kwamen kleine smekkende geluidjes, tikjes, misschien afkeurend geklik van tongetjes van

illustratie

[p. 89]

zeepokjes die zich sloten, van wier en zeegras dat uitdroogde, wormen, krabbetjes en ander schorriemorrie die zich tegen iets schurkten.

‘Ik ben vooral heel, heel, heel erg ontevreden over jou,’ zei hij. Hij lichtte een platte steen op en vond een armzalig krabbetje. Hij zette zijn wijsvinger op de rug van het diertje dat amper tegensputterde en pakte het daarna op. Het bewoog zijn puntige pootjes door de lucht, maar schoot daar natuurlijk niets mee op. Zijn tengels stonden open, klaar om in te grijpen, al was er niets om te pakken. Het was een bleek groengeelachtig diertje dat kwaad bellen blies.

‘Stom beest,’ zei Luitwieler.

Van buiten lijkt zo'n krab stevig, maar van binnen is het maar een week boeltje en een pootje gaat er vlug af.

Knak, daar was er al een pootje af! Waarom deed hij dat? Knak, weer ging er een pootje af.

Hij kon zo nog wel een tijdje doorgaan, want het beestje had er nog acht.

Zeven.

Hij bekeek elk pootje, rook eraan en ik dacht steeds: ‘Nu gaat hij het opeten,’ maar hij gooide de pootjes weg.

‘Volgens mij,’ zei Luitwieler, ‘volgens mij ben jij een vuile verrader. Volgens mij heb jij hen gewaarschuwd.’

Hij bekeek de bleke onderkant van de krab en probeerde met zijn wijsvinger de puntige staart die onder het lijfje gekromd zat open te buigen.

Het duurde een tijdje voordat ik snapte waar hij het over had. Ik kreeg het warm en koud.

‘Wat een onzin,’ zei ik.

‘Wel heel toevallig dat ze weg waren!’

Hij gooide het krabbelijf een eind weg. Een paar vogels gingen er meteen om vechten.

[p. 90]

‘Misschien waren ze naar een verjaardagsfeest,’ probeerde ik. ‘Of wandelen.’

‘Ga toch weg,’ zei Luitwieler. ‘Het was doorgestoken kaart. Iemand moet het verteld hebben.’

‘Dat kan natuurlijk wel...’ zei ik.

‘En vraag je je dan niet af wie dat dan geweest is?’ zei hij. ‘Ik dacht dat jij altijd achten en negens op je rapport had.’

‘Nou ja, je zou het je kunnen afvragen,’ zei ik.

‘Ik heb wel zo'n vermoeden,’ zei Luitwieler.

‘Ik zou niet weten wie,’ zei ik.

‘Je doet alsof je niets weet,’ zei Luitwieler.

‘Wie, ik?’

‘Ja wie anders!’

‘Je bedoelt dat ik tegen Jantje Koppejan gezegd heb dat wij hem gingen ontvoeren?’ Dat was natuurlijk echt een lachertje.

‘Je hoeft het zelf niet gedaan te hebben,’ zei Luitwieler toen.

‘Ja, dat zou ik ook zeggen,’ zei ik. Maar dat was onvoorzichtig en dom.

‘Een ander heeft het doorgebriefd aan de ouders van Jantje.’

‘Zoiets begin ik nou ook te vermoeden,’ zei ik.

‘Zie je wel!’ riep Luitwieler. ‘Je weet er meer van! Volgens mij heb jij te veel met die Pia Dinges zitten smoezen!’

Ik was sprakeloos.

‘Ja, jij,’ zei hij. ‘Wat was dat dan voor stom gedoe met dat kaarsje en dat plankje! En: zie je dit?’

Hij haalde daar nota bene mijn rode rubberen balletje uit zijn zak te voorschijn! Hij gooide het een paar maal op.

‘Hoe kom je daaraan?’ riep ik. Dat was een stupide vraag.

[p. 91]

Ik wilde hem de bal ontfutselen, maar dat lukte niet. Hij lachte, pakte me bij mijn arm en griste mijn bril van mijn hoofd.

‘Wat zullen we met die Pia gaan doen?’ vroeg hij.

Hij brak een pootje van mijn bril, alsof hij weer een krabbepootje afbrak. Het ging niet zo gemakkelijk. Het pootje boog wel krom, maar het duurde even voordat hij het opgaf en knakte. Daarna vouwde Luitwieler de bril bij de neus dubbel.

‘Smeerlap,’ zei ik, ‘moet je zien, helemaal naar zijn mallemoer.’ Zoiets zei ik, of misschien nog lelijker dingen, want ik was erg kwaad geworden en dan weet je niet meer precies wat je zegt.

Hij gooide de twee stukken bril naar me toe. Ik bekeek ze en paste ze nog een beetje aan elkaar, alsof die stukken nog aan elkaar zouden plakken of groeien! Ik stak het boeltje in mijn jaszak.

‘En geef hier die bal!’ riep ik en ik wilde mijn rode balletje afpakken. Maar hij was vlugger dan ik en gooide het op en ik pakte mis.

Daarna hield hij het tussen duim en wijsvinger omhoog en zei: ‘Wil je het hebben? Lopen dan!’ Hij gooide het balletje zo ver hij kon de zee in.

Omdat het afgaand water was en de wind aflandig, kon ik er niet meer bij. Ik liep nog een eind het water in, maar het ding verwijderde zich doodleuk en zachtjes dansend van de kust. Ik weet niet waar het gebleven is.