maar ze vertikten het hun werk te doen: ze vielen ogenblikkelijk naar beneden. Uiteindelijk borg ik ze op in mijn jaszak. De bril werd nooit goed hersteld en omdat het leven zonder bril wel zo gerieflijk is, zette ik hem nooit meer op.
Thuis kreeg ik een flinke uitbrander. Er zou niets van mij terechtkomen als ik zo doorging, enzovoort, wie kent dat niet. Ik was het daarmee ook niet helemaal oneens, naar mijn gevoel zat ik behoorlijk in de puree, al wist ik niet precies hoe.
Ik kreeg ook een bord havermout en ik at een gaatje in de pap. En nog een. Twee ogen werden dat die naar het plafond staarden.
Het plafond zei tegen de pap: ‘Wat is er?’
Ik spitte een mondje in de pap en dat zei: ‘O, niks.’
Maar er was wel wat. 's Avonds in mijn stikdonkere alkoof dacht ik aan het rode rubberen balletje dat zo, zonder één spatje spijt van mij weghuppelde over de golven. Wie weet waar het nu was, misschien wel bij de kust van Breskens of België, die je vanaf het strand nog kon zien liggen, of al in Engeland of in de Golf van Biskaje waar je, zoals ik gelezen had, verschrikkelijke stormen kon hebben...
Maar bij nader inzien was het niet dat balletje dat me dwarszat. Ik dacht na over mijn kapotte bril die waardeloos geworden was. Hoewel, zo bedacht ik opeens: de glaasjes konden mooi dienst doen als brandglas waarmee je schoenveters en elastiekjes in rook kon doen opgaan. Die glaasjes waren zo gek nog niet en ik besloot er tenminste één te bewaren.
Het was dus ook niet die bril die me dwarszat. Het was iets anders. Het was Luitwieler, nee, het was de beweging die Luitwieler gemaakt had toen hij in één keer het pootje van mijn bril wilde knakken. Het pootje leek