was en dat vond ik al langer een prachtig idee. Het idee was niet nieuw. Ik kende immers het verhaal van De Graaf van Monte-Cristo.
Huckleberry Finn ontsnapte uit de blokhut waarin zijn vader hem opgesloten had door met een oude zaag een stuk hout weg te zagen. Daarna schoot hij met een geweer een wild varken en maakte een bloedspoor naar de rivier. Hij smeerde ook flink wat bloed aan een bijl waarmee hij eerst de deur van de hut in elkaar sloeg. Hij trok een bosje haar uit zijn hoofd en plakte dat aan het bloed op de bijl. Het varken stopte hij in een zak, deed er stenen bij en gooide het in de Mississippi. Hij maakte ook nog een spoor met meel. Ze moesten denken dat iemand meel gestolen had en hij vermoord en in de rivier gegooid was. En het kwam mooi uit: iedereen dacht ook dat hij dood was en op den duur zochten ze hem niet meer.
Later dreef hij op een vlot de rivier af, samen met Jim, een weggelopen slaaf. Ze hadden een tentje van hout en een kookplaats van platgestampte klei op het vlot gebouwd. En daar dreven ze dan met de stroom mee langs zandbanken en eilandjes en zwarte bossen onder het licht van de maan.
Ik had nog nooit zo'n mooi boek gelezen.
En het kwam op een zeker ogenblik goed van pas.
Mijn broer en ik lagen eens een keer in bed lawaai te maken en we hoorden onze moeder de trap opstormen. We wisten dat ze woedend was, dat kon je horen en aanvoelen en ze had vast en zeker het kachelpookje bij zich waar ze gemeen mee kon meppen, zodat we flink zouden gillen tot groot vermaak van de buurt.
Toen het gemep begon, gilden mijn broer en ik het uit zoals gewoonlijk. Ik voelde het echter veel minder dan anders, omdat ik Huck Finn in mijn pyjamabroek