ten bank stond, gaven wij elkaar duwtjes met de ellebogen en wezen wij met ons hoofd naar de bank. We wisten wat er gebeuren ging. Om beurten moesten een paar jongens op hun buik op de bank gaan liggen, met de armen aan de ene kant en de benen aan de andere kant. Op een teken van de meester begon het.
Hij riep dan: ‘Intrekken, spreiden en sluiten. Intrekken, spreiden en sluiten!’
Dat sloeg op de benen. Met de armen moesten een soort rondjes in de lucht gemaakt worden. Dit werd ‘droogzwemmen’ genoemd, omdat er in het geheel geen water aan te pas kwam. Je hoefde niet eens je kleren of schoenen uit te doen. Je kon gewoon met je jas aan zwemmen! Echt goed zwemmen leerde je er dan ook niet van. Hoe je ook bewoog en spartelde, je kwam geen millimeter vooruit.
Een enkele keer als we te hard bewogen, dan viel de bank wel eens om, met zwemmers en al. Dat kon pijn doen, maar we moesten ook lachen. Verdrinken deed je daar toch niet op die tegels.
Echt zwemmen kon je leren bij het zwemschip. Dat was een oude rood-wit geschilderde schuit die sterk leek op de ark van Noach in de kinderbijbel. De hokken waar eigenlijk de dieren in hoorden te zitten, waren de badhokjes.
De boot lag altijd stil aan de kant van het kanaal. Als je bij de reling stond kon je witte of paarse kwalletjes zachtjes zien dansen in het stille groene water. Dat water werd onrustig zo gauw als het slachtoffer aan een touw naar beneden werd getakeld.
Mijn oudste broer was een van deze slachtoffers. Hij was dan gehuld in een harnas van kurken blokken en touwen. Eerst zwom hij door de lucht en maakte een perfecte schoolslag, al schoot hij daar niets mee op. Eenmaal in het water, veroorzaakte hij een woest gespetter