‘Hij lag hier bij deze andere kogels.’
De suppoost legde de kogel weer bij de kleintjes, waarna het hele stel naar het midden van de vloer rolde.
‘Zie je wel,’ zei ik.
‘Je moet overal afblijven,’ zei de suppoost.
Als Edmond Dantes zo'n kogel aan zijn benen had gehad, moest hij onherroepelijk naar de bodem van de zee gesleurd zijn. Maar ergens in de zwarte diepte van dat water wist hij een gat in de zak te snijden en zo kon hij er nog net op tijd uitkomen. Daarna zwom hij nog zeker een mijl of meer naar een of ander rotseilandje.
Ook Robinson Crusoe* kon goed zwemmen. Anders was hij nooit op zijn eiland aangekomen en later kon hij naar het scheepswrak zwemmen dat op ongeveer een mijl voor de kust lag. Maar een van de eerste dingen die hij deed was het maken van een vlot.
Huck Finn kon ook goed zwemmen. Op een nacht voer een stoomboot over zijn vlot heen en Huck dook zo diep mogelijk, want er moest een rad van dertig voet over hem heengaan. Hij kon wel een minuut onder water blijven, zo stond in dat boek. En dat redde zijn leven.
Ik moest dus leren zwemmen.