eindje daarvandaan lag een kleiner en ordentelijker stapeltje met min of meer rechte, afgewerkte spijkers.
‘Ben je spijkers aan het krom slaan?’ vroeg ze.
‘Zoiets zou jij doen,’ zei ik.
Ik werkte een tijdje door zodat ze goed kon zien waar ik mee bezig was.
‘Je slaat ze recht,’ merkte Pia op. ‘Waar heb je ze voor nodig?’
‘Tja,’ zei ik. ‘Spijkers kunnen altijd van pas komen.’
‘Ga je iets timmeren?’ vroeg Pia.
‘Misschien,’ zei ik.
‘Mag ik het niet weten?’ vroeg Pia.
‘Misschien,’ zei ik.
Ze ging naast me zitten op het paadje van koolas en stukgetrapte mosselschelpen en deed de slippen van haar lange jas onder haar achterste.
‘Misschien,’ zei ze. ‘Hoezo misschien?’
‘Ik heb nog niet echt een plan,’ zei ik. ‘Daarom.’
‘Wat ga je dan doen?’ vroeg ze. ‘Ga je een kist timmeren?’
‘Nee, geen kist,’ zei ik.
‘Ga je een hut maken?’ vroeg Pia. ‘Mag ik er dan ook in?’
‘Ik maak geen hut,’ zei ik.
‘Je wilt het mij niet vertellen,’ zei Pia.
‘Misschien niet,’ zei ik.
‘Dat is gemeen,’ zei Pia. ‘Ik vertel jou ook altijd alles.’
Dat was waar. Ze vertelde mij van alles en nog wat.
Dat ze in de winter sokken aan had in bed.
Dat ze het liefst boterhammen met stroop at.
Dat ze een poëziealbum had waar geen enkel versje in stond.
Dat ze een ei had willen koken, maar de pan te lang