Nederlandsche Historien


auteur: P.C. Hooft


editeur: W.Gs Hellinga en P. Tuynman


bron: P.C. Hooft, Nederlandsche Historien. In: W. Hellinga en P. Tuynman (eds.), Pieter Corneliszoon Hooft, Alle de gedrukte werken, 1611-1738. Deel 4 en 5. University Press Amsterdam, Amsterdam 1972.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 447]

P.C. Hoofts Nederlandsche Historien
Elfde Boek.

+DE Koning ('t zy uit armoê van stof tot eenen Landtvooghdt, in wien hy zich gerust moghte vinden, oft dat hy waande de Neederlanders te doen proeven, dat het hun aan de ziekte, ende niet aan den arts +lette) bevestighde, op goedtdunken van Heere Joachim Hopperus, die te dier tydt het zeeghel ter Neêrlandtsche zaaken in Spanje bewaarde, de Raadsluiden van Staate, by brieven van den vierentwintighsten van Lentemaant, in 't bewindt. Wel voeghd' hy daarby, in meening te zyn, van, met den eerste, eenen persoon van zynen bloede oover te stuuren, om hun den last af te neemen: doch liet hen niettemin, al dien zoomer, aan 't roer. Hun eerste werk +was 't beroep van Graaf Pieter Ernst van Mansveldt, tot de beleiding der oorlooghe. 'T welk, kunnende der Spaansche trotsheit niet smaaken, misschien oly in't smeulende vuur der muiterye geweest is, en den brandt thans opgegaan t'onlesschelyker gemaakt heeft. Een plakkaat, waarby de buitenlanders, neevens de bastaarden, van 't bedienen der ampten in Brabandt, versteeken werden, styfde dit onbenoeghen. Voorts verbooden zy, op nieuw, met die van Hollandt en Zeelandt te handelen: doch gaaven echter last aan Hierges, en den Hollandtschen Raadt tot Uitrecht, om de voorzeide gewesten, tot weederkeer ten Koning, te noodighen. Dit geschiedde by brieven aan elke stadt in't bezonder. 'T welk de Bondtgenooten voor een teeken hielden, dat men niet zocht dan scheuring te maaken. D'Engelsche Koningin, verwittight van 's Landtvooghdts aflyvigheit, en wat daarop gevolght was, schreef den Prinse en Staaten van Hollandt, aan; Hoe zy, naa rypen ooverleg, niet kon bevinden, +dat haar de eere en 't gewisse, die zy booven al in acht had, toelieten de Graaflyke maght t'aanveirden, voor naader blyk van d'onverzoenlykheit des Koninx met de landen. Zy was in wille geweest, Requesens, eer hy starf, om een schorsing van waapenen aan te maanen, tot voorbereiding des paishandels: ende dacht nu, ten zelven einde, de Raadsheeren van Staate te doen verspreeken: die, hunnen oorspronk uit den Lande, en zucht, daartoe hebbende, ongetwyfelt naa lichtenis der ellenden haakten, waarin zy hun deel droeghen. Daarnaa, zouw zy eenen gezant afveirdighen, om 't vreede besluit in Spanje, te vorderen, en den Koning te erinneren, dat hem tot behoudenis van 't gebiedt, oover Neêrlandt en smooring der beroerten, niets oorbaarlyker waar, dan een' inheemschen Stadthouder te stellen. Welken raadt hy, ziende dat zy zoo rondt en oopenhartelyk te werke ging, haars bedunkens, niet verwerpen zouw. Indien de Raadt van Staate naa geen bestandt luisterde, zoo wilde zy den zelve, 't geen men haar aangebooden had, kort af en onbewimpelt vertoonen: met dien toeverlaat, dat de Prins en zyne Bondtverwanten, in erkentenis haarder ge-

[p. 448]

neeghenheit +henwaarts, ende zoo lief als hun die was, (terwyl hun doch, mits de doodt van Don Louis, voor eerst geen groote aanstoot te vreezen stond) zich daarentussen zouden hoeden, van naa andre buitenhulp te trachten. Zyn' Doorluchtigheit, sterkelyk toerustende om die van Sierixzee te verlossen, oft ten minste te ververschen, werd grootelyx belet, door zeekre geschillen, ontstaan tussen Hollandt en Zeelandt, mits yeder zich dunken liet, zwaarder dan ander belast te weezen. Tot slissing deezer twist, gingen, endtlyk den vyventwintighsten van Grasmaant, +de twee Landtschappen een' dichter vereening aan: waar by, effenheit in 't heffen der schattingen geraamt werd, en de Prins in 't hoogh gezagh gestelt, vast ter maate toe, als hem 't zelve, door die van Hollandt in Hooimaant lestleeden was opgedraaghen. Men voeghde daar andre punten by, die op het handthaaven der burgherlyke orde sloeghen. Ende in elk gewest, te weeten Zuidthollandt, Noordthollandt, en Zeelandt, zouden drie persoonen, uit de twee andre, gezonden worden, om zitting te hebben neevens de gemaghtighden van't zelve, tot beschikking der gemeene zaaken, en onderhoudt van goedt verstandt tussen de Bondtgenooten. Ontrent den zelven tydt, deed Sonoy den Prinse vertoonen, wat voordeel op den Spanjaardt, by't beheeren van Muide, te haalen waar. Want men zoude, zoo doende, niet alleen beide de kaaken der Zuiderzee, maar ook de dyken in zyn geweldt hebben, om, ten Ooste van de Vecht een' breede plek vyandtschen boodems, ten Weste heel Aamsterlandt en een groot deel der Veenen onder te laaten loopen. 'T welk Amsterdam en Haarlem in d'uiterste verleeghenheit brengen moest. Zyn' Doorluchtigheit prees den toeleg; en dat men daar meê voortvoere. Sonoy dan, ten stilste toegerust, paste, met eenen Noordtlyken windt, van Edam af te steeken; en quam alzoo eens loefs tot de Vecht inzeilen. Den boom der haavene vond hy geslooten. Daar een boodtsman oft soldaat, de byl in der handt, en aan 't hakken. Die wort geschooten. Flux een ander in zyn' plaats, tot dat de paal aan einden was. Men vertelt'er van Jan Braadt, naamaals vermaarden Scheepshopman, dat hy, zich quytende in dit werk, door den arm geschooten werd, en echter met den zelven veertien oft vyftien vyanden velde. Voorts maakten zy zich meester: stuivende 't eenigh vendel +Hooghduitschen, dat'er lagh, neevens alle burghers ter stadt uit. Het Slot, bewaart by Pauwels van Loo Vooghdt aldaar (hoewel het alstoen noch geen' aarde wallen had, en slechts twintigh soldaaten in) zagh men zonder heel zwaar geschut niet ras genoegh te dwingen. Derhalven schreef Sonoy, om twee kartouwen naa Noordthollandt. Hy verzocht ook meer oorloghscheepen, om ze by Amsterdam, voor de wrakken te leggen; schansers, en lyftoght. Terwyl hy dit verwacht, en de schans tot Diemerdam inneemt, koomen d'Amsterdammers te waater, eenigh +volk van Hierges te lande, zoo schielyk aan, dat hy't in zynen zin, quaad genoegh had, om zyn geschut, volk, jaa eighen persoon t'scheepe te kryghen; en met verlies van tweehondert man', de gewonne plaatzen t'ontleedighen. Maar andren hielden't daar voor, dat de schrik veel grooter dan 't gevaar, en van Sonoy zelf onder de zynen gebraght was: gelyk hem, van eenen schuitvoerder, in't aanzight verweeten werd. Niet onverzelschapt quam dit ongeluk. Bartholt Entes van Mentheda, hebbende, by last van den Prinse, een deel volx in 't sticht van Breeme geworven, en op 't eylandt +van der Schelling gebraght, viel met duizent man'in Vrieslandt, bemaghtighde Oostmaarhorn, en sterkte zich aldaar. Billy, gruwende voor dien buurman, pooghde met alle geweldt hem te doen verhuizen: maar werd, tot meermaalen, strengelyk afgeslaaghen; en ooverzulx te raade, hem, met

[p. 449]

+eenighe schansen te beklemmen. Waardoor Entes nochtans niet zoo zeer +van daar gedreeven werd, als om dat de Noordthollanders in gebreeke bleeven, van hem behoorlyk in te volghen. Want de verloore Muider reize, en d'ooverhandighe vyandt, deeden hen voor zich zelve zorghen. behalven dat het haghlyk viel, yet wightighs voor te neemen, met eenen hoop, die de vreez noch in't lyf had. Wat beeter ging't den beleegherden +tot Woerde. Dewelke(al waaren ze met zeeven blokhuizen omringt) in spyt der Spaanschen, met toevoer van nooddrust, verquikt werden. Wel is waar, dat de beleggers als men 't zelfste noch eens quam bezoeken, de schuiten, en ontrent tachtentigh soldaaten daarop, onderschepten en verooverden. Doch de moedt ontzonk daaromme dien van binnen niet; dewyl 't 'er als noch op geen gebreklyden aanquam. Van kraft hadden z' ook weenigh noodts: mits dat de landouw, meest blank leggende; den vyandt verbood, hen met zyn geschut te naaderen. Om Sierixzee viel meer te doen: daar men etlyke reizen, te vergeefs, en met af brek trachtte, volk en voorraadt in te brengen. De Prins, dien dit stuk diep ter harte ging, was nu zelf in Zeelandt gekoomen. Dies maakt men, onder andre, twee weldigh zwaare scheepen veirdigh, 't een van zeshondert last', genaamt Job Janszoons Hulk, 't ander de Roode Leeuw: en verstendight de steedelingen, door een' duif hoe de meening was, met het grootste, dat den persoon +van den Ammiraal Boisot in had, ten hooghen waatere, den dyk van Borndam te bestooken, om de Spaanschen daaraf, en uit hunne schans te dryven. In der daadt, zy braghten't met de Hulk zeer naa aan den dyk; drie busschieters des vyandts om 't leeven; en wonnen hem twee groove stukken af. Maar Mondragon, verwittight, door een' ontrouwen schipper, van 't geen 'er op handen was, had het midde van den dyk, een groot eindt weeghs, doen uithoolen, en met moskettiers gevult: die den vlootelingen zoo veel werx gaaven, dat hen ondertussen de ebbe beviel, en dwong zeewaarts te zakken. Doch de Hulk, verlaaden met geschut, volk, en haar' eighe zwaarte, bleef zitten by den dyk. De vyandt daar naa toe; herwindt de verloore stukken, wendt ze teeghen dit schip, en schiet het te gronde. Bet dan driehondert man' verdronk'er: zelf de Ammiraal Boizot. De rest ontquam 't meest met zwemmen. Drie andre scheepen werden aan brandt gesteeken, en verlaaten. D'uitgevalle beleegherden, ziende den aanslagh verdorven, keerden tydtlyk weêr naa stadt. Dit gebeurde den vyventwintighsten in Bloeymaandt: en drukte den Prins dapper; die 't zyner gemalinne ooverschreef; doch verzachtte met de tyding der vreede, +getroffen in Vrankryk, tussen dien Koning en d'Onroomschen: waaruit, indien zy duurde, yet heilzaams te verwachten stonde. By 't zelve verdragh, werden zyner Doorluchtigheit haar Prinsdoom van Oranje, en andre goedren daar te lande, weeder ingeruimt. Kranke hoope had men seedert, van Sierixzee t'ontzetten. 'T werd echter noch bestaan, wel tot vyfmaalen toe; t'elken met groote schaade: en eindtlyk voorgenoomen, d'uiterste proeve te doen. Eighentlyk hiertoe, en booven de gewoonlyke schattingen, waaren by de Staaten hondertduizent gulden ingewillight, op te brengen binnen acht daaghen. De Kornellen Stuart en Balfour hadden tweeduizent Schotten, braaf volk, geworven; en gereedt tot deezen toght. Maar een' duif, die de boodtschap aan die van binnen zouw draaghen, werd van den vyandt gevangen. Derhalven, geen' uitkoomst speurende, beslooten zy t'onderstaan, oft'er noch yet draghlyx te bedingen waar: ende schikten, by nacht en laagh waater, eenen soldaat uit, met een' brief, dien hy op een' paal bond, neevens de schans, bewaart by den Portugeeschen Hopman Emanuel Doria. Dit schryven, 's nuchtents gevonden, en aan Mondragon behandight, loofde leevering der stadt: mits

[p. 450]

+dat men yeder, aan lyf en goedt, onverkort liete; de soldaaten, met hunne vendels en waapenen uittrekken. Mondragon, die 't aldaar dus lang ter nauwe noodt gehardt had, en kennis t'oover van 's Prinsen toeleg, vond deeze een' goede morghengroet; ende deed, op een' staak by de stadt, zyn antwoordt binden: 't welk luidde, dat hy, op den hunnen, 't goeddunken des Raadts van Staate, verzoeken zouw, en binnen drie daaghen, reedlyk bescheit laaten weeten. Maar, die van den Raadt (een vremdt ding) nu hun Sierixzee gebeuren mocht, daar men zich zoo zeer om afgeslooft had, wisten niet, oft zy't ontfangen wilden. En men dreef 'er, dat die winst met de staart zouw steeken: zynde de Spaansche benden veele maanden solds ten achtere, en zwanger van muiterye, die zy gemeinlyk naa 't verkryghen van eenighe zeeghe, ter wereldt braghten. Zelfs Don Louis had hun toegezeit, in geen' handeling met de stadt te treeden, eer zy zouden betaalt zyn. 'T zelfste had men den Koning vertoont; en wel op nieuw te vertoonen: midlertydt de zaak draaghende te houden, tot dat'er by zyn' Majesteit, orde gestelt waare. Anders zouw ze te spaade koomen. Voorneemelyk verstond het dus de Heer van Champaigney. 'T aanhouden nochtans van Mondragon, uit zorgh dat deeze gloory hem ontslippen moghte, trok de meeste stemmen zoo verre, dat hy volmaght kreegh, om ten besten dienste des Koninx te daadighen. Men quam dan tot instellen van voorwaarden; en trof ze, den naastlesten van Zoomermaant: +Dat de stadt haare vrydoomen, en gerechtigheeden behouden zoude: vyftighduizent gulden uitkeeren binnen acht oft tien daaghen; andere vyftigh in een' maant oft zes weeken; noch hondertduizent daarnaa; 't en waare zyn' Majesteit, uit meêdooghen oover den verloopen staat der burgheren, hen daaraf verschoonde. Tot zeekerheit voor 't ransoen, moghte Mondragon drie welgestelde persoonen uitkippen. De Hooghbaljuw Vosberghen zouw niet begreepen zyn in dit verdragh. Een bezonder werd met het krysvolk gemaakt: Dat zy alle scheepen, geschut, en voorraadt van oorlogh, zouden afstaan; vertrekkende met hun geweer, pakkaadje, en opgewonde vendelen; zonder vuur, zonder tromslagh, tot dat zy verby't hooft quaamen. Daartoe had men hun scheepen te beschikken, die, geregeert by's Koninx bootsvolk, daarnaa te rug moesten keeren. Ook zouden, met hun, uittrekken, Willem de la Grave, en Gerart van Kuilenburgh, Predikanten, en veertien vremdelingen van den hervormden Godsdienst, met vyf zoetelaars. De rest der uitheemschen van de zelfste gezintheit, had in der stadt te toeven, verzeekert van lyf en goedt, by 't woordt van Mondragon: die, zoo hy bevond der steede aan hun verblyf oft vertrek niet geleeghen te zyn, hen veilighlyk gaan zouw laaten, werwaarts het hun geliefde. Als de vertrekkenden zeil maakten, zouden een, twee, oft drie Hopluiden, met hondert soldaaten, koomen tot binnen den muur, zonder dieper in te treeden, voor dat de Nassauschen buiten den boom waaren. D'ooverste Dorp had, binnen een' maant, de verlossing des Heeren van Haamsteede aan den Prins te verwerven; oft zich zelf gevangen te stellen, in handen van Mondragon. Op gelyke verpeening, zouden Dorp en zyn' Hopluiden gehouden zyn, zeeven Burghers van Sierixzee, die men in Wynmaant lestleeden, van daar naa Walcheren gevoert had, aan vryheit van weederkeer te helpen. Wyders stond hun te bearbeiden, dat Hopman Paulo een Italiaan, Diego de Salamanca dienaar van Baldes, met noch andre elf, zoo Walsche soldaaten, als Biscaische maatroozen ont slaakt wierden; teeghens twaalf persoonen gevangen in den tydt des belegs. Ende zouden zy verlooven 't heelen zoo wel als 't meedeleiden van De la Mouillye en Lambrecht den Tromslaagher; zonder weetends te gedooghen, dat yemandt anders hen weghholpe, verborghe, oft verzweeghe. Allen krysluiden, onderzaaten des

[p. 451]

+Koninx, zouw vry staan, dienst onder zyn' Majesteit, oft hunnen wegh huiswaarts, te neemen. Tot zeekerheit van 't vorbrengen des verdraghs, zouw men gyzelaars geeven; van elke zyde drie. Hierop ging de stadt, den tweeden van Hooimaant, oover. D'uitvaarende soldaaten waaren veertienhondert, noch al wel in 't vleesch; als dien zonderlings niet, dan booter, en geneezwaaren voor de kranken, ontbrooken had. Mondragon beleidde de zaak zulx, dat hy Walsche bezetting in stadt kreegh: wes hem de Spanjaardts bittren ondank wisten. Voorts deed men daar al 't zilverwerk, en de kleinnoodje der burgherye op 't stadthuis brengen, en munten, +om de beloofde hondertduizent gulden uit te maaken. De drie mannen, geëischt tot borghen voor 't ransoen, waaren t'zoek: desgelyx de Heer Vosberghen, hebbende zich versteeken in 't huisken van eenen visscher, vaader zyner dienstmeit. Thans verbood men op den hals, hem, oft yemandt der andre drie, gehuist oft verhoolen te houden. De anxt, hieroover, dreef den armen visscher tot kermen en misbaar; dit Vosberghen tot besluit van zich op straat te begeeven: van waar hy in 't huis de Mossel voor Mondragon gebraght werd. Die sprak hem scherpelyk toe, vraaghende, Oft niet hy, gegaan door 't leegher, met zyn verlof, quansuis om de scheepshopluiden tot verding te beweeghen, in plaats van dien, krysnooddruft en drie vendelen soldaaten binnen der stadt had doen koomen, en d'ooverleevring, daardoor, zes maanden verwylt: ende oft hy wel wist, wat met zyn' opstending teeghens den Koning, en met zoo eenen handel verdient was. De gevange pooghde zich t'ontschuldighen, ten glimpighste des hy kon; afbiddende niettemin zoo een bedrogh, geoorloft teeghens vyandt. Waarop Mondragon zich zeer eedelmoedighlyk hooren liet, dat hy 't geen andren zouden doodt strafbaar achten, loofde; en waar digh kende eener vergiffenis' en vergeetenisse van al zyn misdryf teeghens den Koning. Ende zoo hy den dienst zyner Majesteit aanveirden wilde, hy verzeekerd' hem grooter verheffing, dan emmermeer, voor hem, aan d'andre zyde te hoopen viel. Voorts gaf hy hem, voor eerst, genoeghzaame wacht, en de stadt tot zyn' vankenis. Vosberghen antwoordde, met eerbiedighe dankzegging, dat hy, door eedt aan den Prins en de Staaten, door 't gewisse aan den gezuiverden Godsdienst verknocht was. Alzoo van daar gescheiden, vond hy, mits de moeylykheit van de bygevoeghde bewaarders, yeder onwilligh om hem te herberghen, uitgezondert de Taafelhouder van leeninge. By den zelven lagh een Spaansch bevelhebber van grooten aanziene t'huis. Deez, vervallen in een' mymering, was van niemant te bereeden oft te stillen, dan van Vosberghen, die zyn' taal verstond, en de zelve taamelyk spreeken kon. Waardoor hy de gunst der soldaaten trok, en zoo gemeenzaam met zyn' wachters werd, dat de opzight merkelyk slapte. Eindtlyk deed hy zich, by zeekren burgher, die zelf niet wist waar toe, op eenen aavondt te gaste noodighen; gaf daar, met voorwenden van in een bekent huis te weezen, zynen wachtren een' goeden drinkpenning; en paste ter sluik wegh te raaken; hebbende te vooren beschikt, dat, onder de steêveste, daar de schildtwachten, ten opmerke van 't verdronke landt aan dien oord, veerst van elkandre stonden, een visschers schuitken quaame leggen. In 't zelve daald' hy, lanx een touw, al gereedt te dien einde. 'T welk zoo stil niet toeging, oft de naaste schildwacht riep; wie daar? Hebbende afgesteeken, en een' bekende handtschoen laaten vallen, moest hy noch te rug vaaren om die te raapen, op dat ze den wegh t'zyner vervolging niet aanweeze. Alzoo braght hy 't tot aan de Staatsche scheepen, leggende toen daar ontrent om Sierixzee te benaauwen; en toogh voort by den Graaf van Hohenlo, dien hy zulke oopening deed van de geleeghenheit der zaaken in stadt, dat men ze des te eer weederkreegh. Wy-

[p. 452]

ders. +ter zelve tydt als Sierixzee ooverging, dreighde een ander misquaam, +met oevel onheil, die van Hollandt en Zeelandt. Te weeten, zy waaren wys geworden, hoe, van de Brabandtsche zyde, verscheide koopmanschappen te lande naa Vrankryk, ende aldaar gescheept op Fransche oft Engelsche naamen, voort naa Spanje gingen: dat ook gelyke dubbelheit, by zeekere Engelsche laakenscheepen, vaarende met 's Prinsen verlof op Antwerpen gepleeght werd, in 't vervoeren van goederen, die buiten dat Ryk t'huis behoorden. Dies hadden zy zich onderwonden, en thans een gewoonte gemaakt, alles te neemen, wat hun, in zee te zwak voorquam. Wel is waar, dat men den buit niet eighende, voor dat hy, door de Raaden ter Ammiraliteit, oft, by hoogher betrek, door 't Hof, wettigh gekent was: in welken gevalle 't landt den vyfden penning genoot. Maar, oft schoon der vrienden goedren ontslaaghen werden; men paste hun niet oft luttel toe, voor schaade oft naadeel, geleeden by 't verachtren der reize. Hierdoor was tussen hen en d'Engelschen, heftigh krakkeel ontsteeken; 't welk uitgebrooken op aantasten van scheepen, en vangen van volk, nu tot vreedebreuk en oopenbaar oorlogh terghde. Niettemin, door Oranjes +lankmoedigheit, en eerbiedenis aan de Koninginne beweezen, werd eindtlyk, in 't laast van den jaare, deeze twist, daar de Spaanschen zich groot voordeel uit beloofden, voeghlyk ter neêr geleit. Maar de zelve, althans op 't heetste, en 't verlies van Sierixzee daar toe geslaaghen weezende, beanxtighden, der maate 't manhaftigh hart des Prinsen, dat dat spitsvindigh vernuft schier ten einde van raadt scheen, en naauwlyx wist, werwaarts +zich heen te keeren. Het docht hem zoo naa omgekoomen, dat hy voorsloegh, van, mannen, wyven, kinderen, die de vryheit eenighlyk lief hadden, met al 't best der tilbaare haave, in scheepen te laaden: alle dyken en dammen, deur, moolens aan brandt te steeken; en 't gansche landt met waater te verwoesten: om, gelyk by verscheide volken ouwlinx gepleeght is, erghens eenen andren hoek werelds in te neemen, daar men, buiten slavernye van lichaam en gemoedt, zaaghe te leeven. In het dobbren op de waaghe dus eener zee van zorghen, ziet hy (zoo te zeggen) den Heemel oopen gaan, en de hoope van 't heil verschynen, dat de dingen der bondtgenooten uit het voetzandt heeft opgebeurt, en gezweept +met de binten, die hen tot noch toe staande houden. Dit is geweest het muiten der Koningsche soldaatye, en 't aanspannen des gemeinen Nederlands, teeghens hunnen ooverlast. D'eerste beweeghenis ving aan, op het eilandt van Schouwen; daar de Spanjaardts, den twaalfden van Hooymaant, met een' bystre verbolghenheit, zich alomme te waapen hitsten. Des andren daaghs berooven ze 't dorp van Nieuwkerk, en leggen 't aan koolen. Zy zweeren elkandren getrouwigheit, verwerpen hunne Hopluiden, stellen de Steêhouders, Vendrighs en Serjanten in de plaats, en roepen om betaaling van tweeëntwintigh maanden. Gelyke raazery komt den Waalen, tot Sierixzee oover. Deeze, hoewel zy in eisch met hun eens waaren, moghten geen Spanjaardts in de stadt luchten, die zy scheenen voor hun pandt te houden: braghten'er, des aavondts twee om den hals, en 's nachts noch acht oft tien, die hun op straat bejeeghenden. Etlyke buyen deed Mondragon verdwynen, door bewys van braaven moed en onverwriklyke standtvastigheit, met klem van woorden en een achtbaar gelaat, die den oorloghsman voor taalkonst strekten: daar hy, zeeker, eer af hebben wilde, ontbiedende dan, by zich, tot aanschouwer en getuigh, den Heer Vosberghen, die toen noch daar was, en hem geäardt docht, om zulke deughden, en dapperheeden van geest, op haar' waare waarde te schatten. 'T ongedult en de oproer klommen eens zoo hoogh, dat de knechten, jaa, zyn' herbergh omringden, dreighende hem by den halze te vatten.

[p. 453]

+Daar springt hy, ten huiz' uit, in 't midde der muitelingen; ende ontblootende zyn' borst, verklaart zich bereidt, om de soldy, (die hy nocht geeven kon, nocht schuldigh was, maar de Koning) met zyn bloedt te betaalen, en hunne gevelde spietsen en mosketkoeghels in zyn ingewant t'ontfangen, zoo 't hun lustte aan hunnen Ooverste, die hen altyds met zoo teeder een' liefde gequeekt had, hunne gramschap te koelen. Dit gold genoegh tot schaamte van zich aan hunnen Kornel te vergrypen; niet om hen anderszins te vreede te stellen. Men bood hun twee maanden folds. Maar 't was niet der pyne waardt, de handt daarom te oopenen. Zy wilden glad +af betaalt zyn, eeven als de Spanjaardts. Deeze, als 't platte landt van Schouwen kaal gegeeten was, en de zoetelaars achter bleeven, schudden den huisman voorts uit; en tyghen, met ontleedighing van alle sterkten en wachtoorden, op de beên, naa Brabandt; in meening, van Brussel, Antwerpen, oft Mechele te doen voorhouden. Zy lokken, onderweeghe, en lasschen zich de geenen aan, die dus lang noch naa bevel geluistert hadden. Tot Heerentals, quam Mansvelt, uit naam des Raadts van Staate, +hun, booven vergiffenis, aandeel in de hondertduizent gulden van Sierixzee belooven; voorts drie betaalingen uit d'eerste penningen, verwacht van den Koning, oft die de Raadt zoude weeten te verschaffen. Verre van aanneemen. Zy eischen al den achterstal, verbeetering van soldy, een' goede stadt in verzeekering, tot dat men met hun hadd' afgereekent: en meer andre punten van gelyke hooghdraaghentheit. De Graaf vertoonde, dat de Raadt geene maght had om hun voorshands te voldoen; ende min voortaan hebben zouw, zoo zy zich niet gezeggen lieten: zynde, in dien gevalle, het gansche landt geschaapen, zich teeghens hen te kanten, ende, viellicht, verlooren te gaan voor zyne Majesteit. Dies hadden zy zich te bezinnen, en voor zulk eenen laster te hoeden, die den luister, gehaalt uit den brandt der gevaarlykheeden, t'eenenmaale verdonkren zouw. Al 't geen hy verwerven kon, was toezeg, van hunne rust te houden, zoo men hun een' goede stadt inruimde: en dat zy, van den Raadt, bescheidt daarop verwachten wilden. Maar ondertussen veinsden zy niet, met allom hunnen hoomoedt te pleeghen. Zy schreeven terstondt, aan de Majestraat van Mechele, om doortoght en verblyf van eenen nacht, tot vordering hunner reize. Maar die van der stadt, dien 't noch heughde, wat hun ten tyde van Alva weedervaaren was, schikten ter yl een' bende knechten in te kryghen; en sloeghen 't hun af. Dies tooghen ze buiten om, met felle dreighementen, en gingen leeghren tot Grimberghen. Hier ontfingen zy, door Montesdoca, 't antwoort des Raads van Staate: ende, hoewel 't hun niet smaakte, gelieten zich nochtans in reede te willen staan, met belofte van daar te vertoeven, tot naader besluit van den Raadt. Dit +was alleen gedaan, om dien te verschalken. Want zy braaken daatlyk op, ende quaamen nestelen tot Assche, en elders, dicht by Brussel. Daar de burghers in 't geweer; dryven drie vendelen Spanjaardts ter poort uit; slaan der etlyken doodt, en bezetten hunne muuren. Montesdoka wort weeder, en Romero neevens hem, afgeveirdight. De muiters verjaaghen hen, met schieten en tieren. Koomende tot hun tweede gedacht, leggen zy 't anders oover, en weeder op mompen aan: schikken brieven naa stadt, dat men hun, ten volghenden daaghe, quaame spreeken, en hen rekkelyk vinden zouw. In plaats van hun woordt te houden, zetten zy, ziende zich tussen de twee- en drieduizent sterk, en geen' kans aan Brussel, +oover, naa Vlaandere, en munten 't op Aalst. Eenighe boeren, vergiftight met drank, schenkaadjen, oft beloften, wezen hun een' ondiepte der graft aan; waar lanx zy, des nachts naa den vyventwintighsten van Hooymaant, geduurende 't stormen aan andre oorden, oover, en voorts binnen

[p. 454]

+raakten. Zy verlooren ontrent dertigh mann'; de burghers twintigh. Een' kleene stadt, doch 't hooft van een' ryke landdouw is Aalst, hebbende wel hondert en tzeeventigh dorpen onder zich, die zy strax op schattinggeld stelden. Dit ontstak de gemeente van Brussel noch bet; zoo dat zy eenen voorspraak, genaamt Kornelis van Straaten, en zeekren Herbergier, tot +haare hoofden, opworp. Eenighe jongeluiden, verneemende, dat zeeker dienaar van Jeronimo Roda, oft (zoo Bentivoglio tuight) zyn zoon, die hun by geval op straat ontmoette, zich vermeeten had zyn' handen in 't bloedt der burgheren te wasschen, slaan'er de hunne aan, en maaken hem af. Aanwassende in getal, streeven zy naa 't Hof toe; schelden de Raadsluiden van Staate voor verraaders, dien men behoorde 't zelfste te doen. Maar, gemerkt dat de Roomsgezinden, die hun te maghtigh waaren, dit stuk verfoeiden, zoo druipen ze deur, een yeder zyns weeghs. Geen Spanjaardt echter zoo koen, dat hy 't hooft buiten de deur darde steeken. Romero, Vargas, Verdugo, en andre bevelhebbers, waanende binnen 's huis niet verzeekert te zyn, begaaven zich in 't Hof, en bleeven daar als gevangen. Den Graave van Mansveldt namp men de sleutels der poorten af. Die van den Raadt oft duchtende voor meer ongemax van binnen, oft noodigh achtende de muiters in te toomen, verklaaren hen, ten zelfsten +daaghe, zessentwintighsten der gemelde maant, voor weêrspannelingen des Koninx, vyanden des Landts, en vervolghbaar als zulke: met verbodt, van hun eenighe hulp oft gunst te bewyzen, op lyfstraf: alles by aanstemming van Roda zelf, die 't geschrift met zyn' eighen' handt ontworp. Den tweeden van Oestmaant bevestighden zy dit plakkaat; en bevaalen een' yeder, het krysvolk ongemoeit te laaten, dat van zyn' schuldighe gehoorzaamheit niet geweeken was. Thans gaaven zy den Staaten verlof, om soldaaten te lichten: doch quaamen niet, dan lundrende, dus verre. 'T welk, +en 't bedryf van de Brusselaars, zommighen der Staaten en Grooten des Landts gelooven deed, dat zoo wel dit besluit, als 't voorzeide plakkaat, uit dwang oft vreeze was voortgekoomen. In 't oordeel, van deeze, en van al de Spanjaardts, was 't hoogh bewindt zyn' klem quyt, en de staat zonder hooft. Andren hielden den Raadt voor vry, en zyn bevel van waarde. Een' wondre verwarrenis: de Roomsgezinde Landtzaaten onder zich vesdeelt; de muitelingen vyanden van beide die deelen, en den Prinse; de Prins in oorlogh met hun allen: elke parthy met driederley weêrparthyen, behalven dat de Spanjaardts van Aalst met de rest van hunnen Landtaardt noch niet eens waaren. 'T is wel zoo, dat de geenen, die, onder de Staaten, tot waapening spraaken, haaft meer gevolghs kreeghen, en booven dreeven. Want de geestelyke Heeren, die te vooren de traaghste waaren, merkende nu dat de hunnen niet meer dan de weirlyken gespaart werden, mits de muiters eenighe Monnikken van Afleghem zeer schandelyk en wreedelyk gepynight hadden, om hen den schat der Abdye +te doen melden; ook duchtende dat men hen doch anders ooverstemmen zouw, en zonder vrucht met den haat der gemeente belaaden laaten; vlydden zich by de meesten. Zoo begosten dan die van Brabandt ruiters en +knechten aan te neemen, maakende, tot opperste van 't voetvolk, den Heer van Heze; tot zynen Steêhouder, den Heer van Glimes, Grootbaljuw van Walsch Brabandt; tot opperste der ruiterye, den Heer van Bevre. 'T eerste gewest, in zich oover hunne zyde te verklaaren, was Henegouw. Thans +volghden die van Vlaandere, en worven een regement te voet, daar de Heer van Noyelles kornel af werd; ende zes vaanen paarden: doch alles onder den Graave van Reux, Jan van Croy, Landtvooghdt van dien oordt. Hoewel nu al 't zelve geschiedde, om de muiters tot reede te brengen, zoo lieten zich de Spanjaardts nochtans vastelyk voorstaan, dat het op hen, in 't gemeen, ge-

[p. 455]

munt +was. Dies groeyden die van Aalst daaghelyx aan, en werden met +toevoer geryst van d'andre: die wyd en zyd verspreit leggende, verscheide vastigheeden verlieten, om zich, op 't naast, des oorbaar scheen, te vereenighen. Hopman Damian de Morales ging zich by de muiters vervoeghen, ruimende de schans van Lillo, zulx de Heer van Champaigney andre bezetting, uit Antwerpen daarin moest zeinden. Don Fernando de Toledo werd van Sançio d'Avila, met de Spaansche en Italiaansche ruitery, uit Hollandt ontbooden; en spoeide zich naa Brabandt, eer hem de wegh geslooten wierd. Alconeta, Ritmeester van een' kornet Spaansche roers, quam door Vlaandre aanzetten; veeghd' het al kaal, waar hy door toogh; en raakte, by onderstandt van Avila, oover de Schelde: hoewel hem drieduizent boeren op de hakken hingen. Die werden, ten deele, geslaaghen; een Baljuw, hun Hooftman, gevangen; de rest verstrooit, zonder eenigh verlies der Spanjaarden. De Raadt van Staate schreef aan Avila, wat hem oover ging, dat hy, tot 's Koninx ondienst, de ruiters uit hunne bezettingen trok, en zich droegh, in 't gebieden, als oft hy niemandt booven hem kende. Hy antwoordde; dat zyn' voorighe werken uitweezen, hoe getrouw hy den Koning was; wilde daarin volharden: deed niets op eighen' handt, maar by goedtvinden van d'andre Ooversten: ende zouw daar 't behoorde, des, als 't noodt deed, reekenschap geeven. Hy dreighde ook de Regeerders van Brussel, zoo zy geen' orde, nochte den Raadt op vrye voeten stelden, dat hy en d'andre kryshoofden, daarin voorzien zouden. Tot rust der steede Woerde, gedeegh dit schudden van Brabandt; werwaarts de beleggers ontbooden werden, om teeghens de muiters te dienen. +Ontsteekende hunne hutten en schansen, op den vierentwintighsten in Oestmaant, Sant Bartolomeus dagh, gingen ze deur; hebbende vyftigh weeken, voor die stadt, t'zoeke gemaakt. Eenighe daaghen te vooren, +was de Markgraaf van Havrech uit Spanje gekeert, met den tytel van Eedelman van 's Koninx kamer, en schoone beloften, noopende 't bevreedighen des Landts. Die vertooghd' hy, nevens brieven, den Raade van Staate; ende dat Don Johan van Oostenryk, natuurlyk broeder zyner Majesteit, binnen Herfstmaant zouw ooverkoomen, om 't opperste +bewindt t'aanveirden. Die van den zelfsten Raadt schikten den Heer van Rassenghem hunnen stoelbroeder, naa Spanje, om den jeeghenwoordighen standt der zaaken t'ontfouwen. Ter andre zyde, had Oranje, in plaatse van den ooverleeden Heere Boisot, tot Ammiraal van Zeelandt, +beroepen Willem van Bloys van Treslong, die 't zelfste ampt in Holland, nevens de steêvooghdy van den Briel, bediende. Des zoud' hy niet alleen den Prins, als Opperammiraal, maar ook zynen Steedehouder, den Graaf van Hohenlo, moeten kennen. Zyn' Doorluchtigheit stelde naader orde op 't stuk der Ammiraliteyt; en gaf een plakkaat uit, teeghens de misbruiken by de vrybuyters gepleeght. Zy beslechtte tot goedt genoeghen der Noordhollandtsche steeden, een' nieuwe tweespalt, ontstaan uit Sonoys heerscheit; die zeeker zoo verre liep, dat hy den Prinse scheen, zich hoogher aldaar te willen draaghen, dan zyne Doorluchtigheit elders deed. Wyders, men sliep'er niet, op de geleeghenheit van zyn voordeel te doen, met het vuur aan ginszyde ontsteeken. De Staaten van Hollandt noodighden de Majestraat van Uitrecht, ende tot meermaalen de schutters en burgherhopluiden aldaar, tot afval van den Spanjaardt, en verbondt met hunne gebuuren. Tot het bestellen van eenighe deezer brieven, en om het dubbeldt van die, onder den duim, aan de burghers te vertoonen, lieten zich gebruiken Jonker Jan van Loenersloot, en Dirk van Zypestein; met maghtigh gevaar des lyfs, en luttel verrichtens, mits dat het Slot met Spanjaarden, de stadt met veele Hooghduitschen, bezet was. 'T geviel te

[p. 456]

+deezer tydt, dat zeekere gezanten, afgeschikt uit het Prinsdoom van Oranje, tot Niemeeghen vast gehouden, en door den Heere van Hierges, ontslaaghen werden. Waar uit de Prins oorzaak nam, om Hierges te bedanken, en hem voorts te vermaanen tot betrachting van 's Lands oorbaar, in dit gewricht der dingen. Hy schreef ook aan de Staaten der Roomsgezinde Landtschappen, in 't lange; trachtte hun, de onverzoenlykheit met de Spanjaardts in te scherpen: loofde vrundschap en bystandt; geen' verandring, in hunnen Godsdienst, oft yemands gerechtigheit te maaken, buiten besluit der breede Staaten: aan 't welke hy met de zynen, gereedt was, zich t'onderwerpen. Korter doch bondighe brieven zond zyn Doorluchtigheit, aan den Graaf van Lalain, en andre Heeren; ende kitteld' hen daar zy gevoelykst waaren; den eenen met eere, den andren met schande, deezen met dank, dien met ondank, by de gemeente in te leggen; eenen yeghelyken met de vryheit en bevreedighing des vaaderlands. Met geen' minder zorghvuldigheit pooghden de Spanjaardts, zich +t'schrap te zetten, teeghens de schok, die zy verwachtten; en sterkten zich t'allen oorden, die 't hun geraaden docht in te houden. Ontrent zesduizent man' moghten zy, te dier tydt, uitmaaken. Lier was bezet met eenighe vendels van Romero. Montesdoca gebood binnen Maastricht, en zocht de Duitsche knechten aldaar aan zyn' koorde te kryghen: behalven, dat in Wyk, aan d'andre zyde der stroome, een vendel Spanjaarden lagh, onder Martin de Ayala. Zy hadden, in hun geweldt, de Slooten van Valençhien, Kuilenburgh, Vyane, Uitrecht; Gent, en Antwerpen. Teeghen oover het welke, Don Sançio een' schans, op den Vlaamschen oever, deed stichten, en met vierhondert man' beslaan, onder den ooverste Baldes. Zelfs binnen deezer stadt stondt het vremdt. Van voor d'aflyvigheit van Requesens, had Graaf Annibal van Aaltaamps daar geleeghen, met vyftien vendelen Hooghduitschen; en zich niet anders aangestelt, dan oft hy Steêvooghdt, in plaats van Champaigney geweest waar. Naar gelang gingen zyn' knechten toe; voorneemelyk seedert de doodt van Don Louis, ende lieten zich verluiden, dat hy hun de stadt in handen gegeeven had, tot onderpandt voor hunnen achterstal; nietteeghenstaande men hun onder al de Hooghduitschen, het minste schuldigh was. De Raadsheeren van Staate, zoekende dit pak van den halze te lossen, zeiden den Graave, en neeghen zynen vendelen, den dienst op, en voldeeden hun, met penningen verschaft by die van Vlaandere, om Graaf Otto van Ooverstein af te danken: waartoe 't zelve geldt niet genoegh was. Van d'ooverschietende zes benden, werd Kornelis van Endt Kornel gemaakt, en met hun elders heen gezonden. Deez was gebooren in zeeker dorp by Brussel, maar een Hooghduitsch van af koomst, en Steêhouder van Aaltaamps geweest. Tot verlichting der Vlaamingen, had men vier Ooversteinsche benden naa Maastricht geschikt. Acht van 't zelfste regement quaamen tot Antwerpen in bezetting. Des beloofde de Graaf geenerley krysvolk, buiten bevel des Raadts van Staate, in der stadt t'ontfangen; en het woordt, van Champaigney; samt hem t'ontzien als ooverste. Ooverstein, reizende thans naa Brussel, liet tot Antwerpen zynen Steêhouder Hans Moessenham. Maar Champaigney, niet weetende wat hy aan deeze nieuwingekoome, ook quaalyk betaalde knechten had; en belaaden met de ruste der stadt, die hem bevoolen was; beleidde 't werk daarnaar, dat zy als onpartydigh scheene te blyven. Derhalven liet hy 't af kundighen van 't plakkaat teeghen de muiters niet toe; voorgeevende, dat zy, gelyk ook de Spaansche koopluiden en de bezettelingen der burgh, niet verbittert dienden. Vast gink hy echter, voor den regeerenden Raadt, hoe wel 't aan geen aanvechting ontbrak,

[p. *50-*51]



illustratie

[p. 457]

+om hem parthy te doen wisselen. Booven dat de gemelde plaatsen, en de stadt van Aalst, in de maght der Spanjaarden waaren, zoo vonden zich de Waalen en Hooghduitschen meesters van verscheide steeden, ende vielen meest alle der Spaansche zyde toe. Te weeten; 't volk van waapenen, dat zyn' neering van 't oorlogh maakt, ziende de Landtzaaten, die by 't teeghendeel bedyghen; handt aan de zaaken slaan, waande dat het om zyn, welvaart gewed was, indien de Staaten booven stonden. En de benden van Mondragon tot Sierixzee, bleeven eeven oproerigh: der wyze dat de Staaten zeer luttel heuls aan 's Koninx eighe troepen vonden. Karel Fokker, Hooghduitsch Kornel, die, in plaats van acht op zyn regement te slaan, zich tot Antwerpen onthield, pooghde, door ingeeven van Avila, in 't heimelyk, Moessenham van Champaigney te verwyderen. Als dit niet lukken wilde riepen zy derwaarts de Kornellen, Fronsbergh eerst, daarnaa ook Polwyler, en Kornelis van Endt; ende handelden nu niet langer ter smuigh, maar hielden, binnen der stadt, oopenbaare zaameningen met die van de Burgh, in spyt van Champaigney, en tot spot des Raads van Staate, dien zy zeiden gevangen te weezen. +Waaroover de Heeren van dien Raadt, tot bewys dier onwaarheit, te Willebroek en voorts t'Antwerpen, met hun, in mondtgemeenschap quaamen. By deeze geleeghenheit, raakten Romero, Vargas, Verdugo, en andre Spaansche hoofden, uit Brussel. Zelf Jeronimo de Roda scheidde van zyn' amptgenooten, en vervoeghde zich by Avila. Sint gingen die van 't Slot, en de Duitsche Kornellen noch stoutlyker hunnen gang, en zochten zelf den Graaf van Ooverstein t'henwaarts te troonen. Dit, ende dat'er niet ernstighs teeghen gedaan werd, schiep een oevel bedenken, als oft de Raadsluiden van Staate, zich met Roda verstaan hadden: 't welk, in 't oordeel van zommighen, tot een welmanhaftigh stuk; van andren, tot een' oovergeeve baldaadigheit, gedeegh. De Hooghbaljuw Glimes, diep t' zee met de Staatsche parthye, hield, dat hy daarmeê deur, ende wie tot tien komt, geen' zwaarigheit maaken moest, van tot twaalf te koomen. Hebbende +twee vendels Waalen, binnen Brussel, onder zich, rukt hy, op den vierden in Herfstmaant, het eene te hoop, en daarmeê, naa 't Hof toe: slaat de deur der Raadkaamer oopen, en de handt aan die Heeren, zamt eenighe van minder soort. Mansveldt, Barlemont, Viglius, Assonville, Del Rio, werden, met de geheimschryvers Berty en Schaarenbergh, in gyzeling; d'andre terstondt in vryheit gestelt. Eenighen meenden, dat de Raadt van Brabandt den Hooghbaljuw dit hart onder den riem gesteeken had; andren, hielden 't op de Heeren van Heze en Berzelles, de Abten van Sante Geertruids en Perch. Want de Brabandtsche Staaten, van den naam en onthiet der welke hy zich een schildt maakte, deeden 't werk nooit gestand. En men wil, dat daarom de aanstichters, bezinnende te laat hunne reukeloosheit, thans naa de vlucht omzaaghen: jaa Perch van anxte starf. Hoe 't weezen moght, men vond'er, die hun riedden, vertrouwen op hun recht te toonen, en ten tanden uit te spreeken. Zy stellen dan, op enkelen naam van eenighe liefhebbers des vaaderlandts, een verdaadighschrift in, en doen het drukken, van den Printer der Staaten. By 't zelve, werd het gebrouw der Spanjaarden, van begin af, oovergehaalt: voorts gezeit, dat de Raadt van Staate, oft zommighen van dien, gezocht hadden met de Spanjaardts van Aalst 't ooverkoomen, en hun vergiffenis aangebooden. Daar liepen geruchten, niet zonder schyn van waarheit, dat, by hun welweeten en last, de muiters Brussel genaadert hadden, met toelegh om 't zelve te plonderen, oft tot een zwaar ransoen te persen: dat by hen getracht was, de kryswerving, verwillight aan de Staaten, door heimelyk dwersdryven, en anderszins met ooverreeding, te ver-

[p. 458]

hinderen: +jaa dat zy zelf volk worven tot onderstandt der oproerighen. Om welken slagh te breeken, men benoodight geweest was, in deezer maniere, daar teeghens te voorzien ende dat 't hunnen beste; eer 't graauw, op de hol geraakt, bestonde rompslomps 't Hof op te schikken. Wyders, de meening was, in den Roomschen Godsdienst, en 's Koninx gehoorzaamheit te volharden; en eenen yeghelyke naader te dienen van reedenen, zoo deeze niet voldeeden. Hiermeede won men tydt: en inmiddels wies de wildernis, en 't werk met de Spanjaardts, der maate, dat des Raadts aantasten, als gemengelt in een' groote t'zaamenvloedt van vuiligheeden, vergeeten bleef. Voorts, dit bedryf, als men denken kan, stelde de wettigheit der regeeringe in te meerder onzeekerheit. Waarop, Roda, bezeeten van paapsche en schaamtelooze hoovaardy, voet nam, om een byster veer, en van ongelooflyke vermeetelheit, te voeren. Hy gaf de wyte van 't stuk aan den Hartogh van Aarschot en zynen aanhang; die 't (zeid' hy) zoo besteeken hadden, om, zonder yemandts weederzeggen, 't spel op hunnen duim te draayen: en krytende dat de vroomen gevangen, al de rest verraaders waaren, onderwond zich, als 't eenigh vry en getrouw lidt des +Raadts, alleen 't hoogh gezagh, jaa den tytel van Oppervooghdt te eighenen. Hy geeft bestelling uit, zeeghelt met 's Koninx zeeghel, dat voor naagebootst werd aangezien, sluit daarmeede eenen brief, aan Steêvooghdt, Markgraaf, en Majestraat van Antwerpen, samt aan den Amman, dien men in zoodaane stoffe niet plagh te kennen, belast hun, alle zaaken, behoorende tot kennis des regeerenden Raadts van Staate, aan hem voor te draaghen, en zyne gebooden t' achtervolghen. De Staaten van Vlaandren, ziende de bezettelingen der burgh van Gent hoe langer hoe meer verdartelen, speldden daaruit een argher, en dat zy wellicht ingang ter +steede, aan de muiters van Aalst verleenen moghten. Om dit te verhoeden, deeden zy den Graaf van Reux, met zyn regement, en met dat van Noyelles, een' kreis van schanswerk om 't Slot slaan. Booven, mits de Burghvooghdt Mondragon noch uit Sierixzee niet wist te raaken, had zyn Steedehouder Antonio Alamos de Maldonado 't gebiedt. Deez stak de voorstadt aan brandt, en blixemde vreesselyk, op inwoonders en beleggers, die van grof geschut onvoorzien waaren. Hiermeê sprong alles los; houdende 't gansch lichaam des Spaanschen landtaarts zich ten oorlogh ontzeit: ende trok voorts d'eene daatlykheit d'andre. Alonzo de Vargas, Ooverste der lichte paarden, daaghd' al de ruitery te hoop; in meening, met het meeste deel naa Aalst te gaan, en de muitelingen, te beweeghen, om hem de handt te bieden, tot ontzet van Maldonado. Hebbende nu zeeventien kornetten by een, die twaalfhondert man' moghten uitbrengen, verneemt hy, dat Glimes en Beevre, om zes vendels Spanjaarden ontrent Looven te verlakken, op de beên waaren, met tweeduizent knechten, en styf achthondert paarden, nieuwgeworven volk; uitgezeit een' bende van ordening, ontbooden uit Vlaandre, om den jongen ruiter te styven, en in de kryskonst t'onderwyzen. Hy waarschuwt de zes vendels, en slaat zelf op wegh, met de kornetten van Don Fernando de Toledo, Bernardin de Mendoza, Jan Babtista del Monte, Antonio d'Avolos, Giorgio Basti Steêhouder van Nicolo, Pedro de Taslis, en andre, altzaamen puik van paarden. Kryghende 't volk van Glimes in 't oogh, by 't dorp van Visnak, zeindt hy eenen trompetter uit; die quansuis vereischen zouw, oft men yet vyandlyx voor hadde: in der daad, om de weêrparty draalende te houden, en ondertussen haar eenigh voordeel af te zien. De Staatschen deeden hem met roerscheuten afstaan, ende gingen in 't eerst niet wanhebbelyk te werk: berghende, tot toeverlaat, een deel knechten, in zeeker kleen, maar dicht en duister bosken, ter slinke hand. Het gros huns voetvolx, gewiekt met de ruitery, hield het midde eener

[p. 459]

+plaatse, die met eenighe akkerwallen belendt was; daar men etlyke roers achter leide, om den aankoomenden vyandt, van ter zyde, te groeten. De Spaansche Ooversten, ziende geen' kans te paarde om deeze schuiten te doen vernesten, verghen 't den Borgoenschen Karbyneren; en tot dien einde af te zitten. De Borgonjers toonden zich willigh, maar eischten eenen Hopman, mits de Heer van Moisey, hun Ritmeester, niet daar was. Toen scheidt Jan Babtista del Monte van 't ros, ende neemt een bus in de vuist om hen aan te voeren, neevens den Steêhouder van Moisey. Midlerwyle stelt de rest zich in orde, en een' laaghe toe, achter eenen heuvel, t'hunner rechte handt. Ter zelve stonde verscheen daar Juliaan Romero, met een vyventwintigh paarden alleenlyk, maar wel te pas, om zich te voet by Monte te voeghen. Zoo quamp men tot handtgemeenschap. De Spaansche krysman, afgerecht door langduurighe oeffening, speelt den vervaarden, aarzelende om beeter sprong te doen, en de Staatschen in 't oopen veldt te lokken. Deeze, waanende dat het ernst was, als die zich zoo veel talsterker kenden, zetten stoutelyk toe, en laaten zich verrukken, tot neevens den heuvel. Daar spatten de laaghelingen te voorschyn, en rennen hun in de zyde. Teffens bieden de deyzers weêr 't hooft, en maaken d'andre staaf +der nyptang. Dit kneust de borst en lenden der Staatschen. De geleeden worden schaardigh; de ryen ontsnoeren: en geen middel om te boeten, zoo stoot'er de ruiter op in. De knechten, zich voorts doende uit het Bos, om de hunnen te schooren, worden van hun' eighe vliedende ruiters ooverrompelt. Elk maakt zich zyner waapenen quyt, om te lichter in 't loopen te weezen. De Spaanschen daar achter, met doorryghen, vertrappen; tot heinde by aan Looven. Bet, dan tweeduizent man' wil men dat'er het leeven liet: daaronder veele burghers, studenten, en andre jongeluiden, meêgetrokken uit nieusgierigheit, oft hoope van aan den buit te deelen, in meening dat de zeeghe den Staatschen niet ontstaan kon. Dit geluk hadden de Spanjaardts, zonder booven twee man' te verliezen, op kruisverheffings, veertienden in Herfstmaandt, die hun een hooghe dagh is. Vargas, in de naaste dorpen vernacht hebbende, nam 's anderendaaghs 't spoor naa Aalst, om de muiters, tot vereenighing met zyne troepen, te beleezen. Hy vertoond'hun de verooverde standers, en de noodt der burgh van Gent, met bybrengen dat'er slechts hondert veertigh Spanjaardts en vyftien Waalen, niet alle weerbaar, op waaren: maar vond geen verzetten aan hen, zonder volle betaaling. Dies keerd' hy, met de zynen, naa Brabandt, den geleeghensten oordt (zoo zy 't verstonden) tot richting van 't verloop hunner zaaken. Te weeten; de hooftstof alles toeleghs, ter weederzyden, draaydde, dat pas, daarop, dat men zich van Maastricht en Antwerpen verzeekren moghte. En de Spaanschen hadden nu aan den Koning geschreeven, hoe zy dachten deeze plaatzen wis te neemen, zich sterk maakende dezelve, in allen gevalle, zes maanden te houden: d'eene een' landt-, d'ander' een' waaterpoort, om versche kraften in te brengen, en 't verlooren te herwinnen. De neêrlaagh van Visnak versloegh niet zoo zeer de Staaten, als zy den yver der toerusting deed wakkeren. D'ontslaakte Raadsluiden van Staate versterkten hunne vergaadering met den Markgraaf van +Havrech, samt Indevelde en Fonk; leeden (de twee laatste) van den heimelyken Raadt, die, neevens andre Heeren van aanzien, daar, in 't geheel oft deel, plagh geroepen te worden, als'er yet kommerlyks te verhandelen viel. Zy verweezen op nieuw, den tweeëntwintighsten van Herfstmaant, de muiters, en hunnen aanhank, voor vyanden; niet alleen met verlof van hun allen afbrek te doen, maar ook met uitgedrukt onthiet van teeghens hen te waapenen, op peene van een' gouden Reaal, by yeder te verbeuren, die des in gebreeke zouw blyven. Zy bevaalen allen luiden,

[p. 460]

+dienende zoo te waater als te lande den Koning, zich te scheiden van de weêrspannelingen: beloofden den geenen, die 't deeden, en de stemme des Raads, oft der Staaten, quaamen volghen, volle betaaling huns achterweezens, booven 't loon, waarop men hen aanneemen zoude. 'S daaghs +daar aan, verklaarden zy 't gezagh onwettigh, dat Roda zich toeschreef; en verbooden eenen yeghelyke, hem daar in te gehoorzaamen. Der Staaten gemaghtighden, te Brussel vergaadert, kooren tot hooft, om de +zaaken, zonderling der oorlooghe, te beleiden, den Hartogh van Aarschot; ende tot zynen Stedehouder, in 't stuk des kryshandels, den Graaf van Lalain; den Heer van Gognyes tot Veldtmaarschalk. Zy noemden den Markgraaf van Havrech, de Heeren Ognyes, Willerval, Gognyes, Sweeveghem, de Heever, Steenbeek, Duntyn, en Mericourt; uit de welke, Aarschot keur van raadsluiden zouw mooghen neemen. Voorts beslooten zy hunne krachten by een te brengen, tot oprechting van een heir; de wanne benden van ordening, die aan de handt gaan wilden, te vullen, en met betaaling te vernoeghen: noch zes vendelen te voete, en ontrent duizent paarden te lichten; en twee oft drieduizent ruiters, in wartgeldt, aan te houden. Gemerkt ook, dat Vargas eenen misgang by de muiters van Aalst gehad had, zoo werd voor tydigh aangezien, hun volle betaaling te bieden, ten deele gereedt, ten deel' op dagh en goede verzeekering; indien zy tot veirdigh vertrek, uit den Lande, verstaan wilden: ook te verzoeken, oft men de Hooghduitsche kornellen, oft de knechten in 't bezonder, ter plaatse daar zy de sterkste waaren, door hecht verbandt voor 't geen hun deughdelyk toequam, bekooren konde om teeghens de Spanjaardts te dienen. Al 't welk de Raadt van Staate voor goedt en oorbaar kende. Dan die van Aalst hadden wat anders in den zin. Den Duitschen soldaat smaakte de voorslagh zoo quaalyk niet; indien slechts hunne Ooversten eeven booghzaam geweest waaren. Immers, drie vendelen van Polwylers regement begosten, teeghens zynen dank, met die van Vlaandere te handelen; en lieten zich uit Denremonde koopen: hoewel 't noch lang aanliep, eer dat zy deeze plaats van groot belang ontruimden. De algemeine Staaten (want zy gebruikten dien naam, onaangezien dat verscheide gewesten zich noch niet met hun verklaart hadden) gingen voorts, tot rechtveirdighing hunnes voorhebbens, den Koning, den Paus, en de gebuurvorsten, met beweeghlyke brieven, aan. Zy schreeven ook, wel smeekende, aan den Kayzar en Ryxstende; gelyk die van Brabandt aan deeze Majesteit in 't bezonder; ten einde den Duitschen verbooden wierde, den Spanjaarden ten dienste te staan, oft te trekken. Maar, eer hem dit schryven ter handt quam, starf Maximiliaan, den twaalfden van Wynmaandt, tot Reegensburgh: een Vorst die met voortreflyke deughden begaaft was; wys, goedertieren, van zeldzaame bescheidenheit in 't stuk van den Godsdienst: gelyk Duytslandt wel, en dapperlyk t'zyner vroome, bevonden heeft. Ende komt, daar voor, zyner gedachtenisse zoo veel meer lofs en danx toe, hoe hy zich min ontzien heeft, den ondank der heetstgestookte harsenen van beide, 't Roomsch en Onroomsch gevoelen, op zich te laaden. Ik heb van goeden kant, dat als de tyding zyns ooverlydens den Prinse van Oranje gebracht werd, zeeker Burghermeester van Alkmaar, anders een deftigh man, maar heftigh in zyne gezintheit, en jong in de kennis der weereldsche zaaken, uitviel: Zoo is'er een weyfelaar doodt. Welke oneerbiedenis, van den Prinse, ingedaan werd, met zeggen, ik heb'er eenen vaader aan verlooren. Rudolf Roomsch Koning, en naazaat zyns vaaders, verleende, eer lang, een meêdooghend antwoordt op de gemelde brieven; en troostte de Staaten met de hoope der vruchtbaarheit van een' staatlyke bezending, die hy wel haast dacht af te veir-

[p. 461]

dighen; +raadende hun, midlerwyl vreede te houden, zonder den toom te staaken aan eenighe nieuwigheit. Die van Vlaandre, zich vindende te zwak tot bedwang der burgh van Gent, zaaghen vast om her, en naa de reedste hulp uit. De Heer van Auchy was onlanx, met bewilghing des Raadts van Staate, by den Prinse geweest, om van de verlossing zyns broeders, des Graaven van Bossu, te spreeken. En zyne Doorluchtigheit had haaren bystandt den ooverheerden gewesten mildelyk aangebooden. Dies vellen de Graaf van Reux, en zeekere Eedelen van den krysraadt, het oogh op Oranje; en veirdighen Auchy naa Zeelandt af, om volk en +geschut te leen. Hy verworf twaalf metaale stukken, zes vendels knechten, beloften dat'er noch tweeëntwintigh, ter eerste mooghelykheit, volghen zouden; alle zonder yets te bestaan tot naadeel van 't Roomsch geloof, oft tot bemeestering eenigher plaatse, die onder de Landtvooghdy des Graaven van Reux geleeghen waar: uitgezeidt dat zy moghten Psalmen zingen, en gebeeden doen, binnen 's herberghs, en in hunne wachthuizen; ende dat men den Prinse, t'hunner verzeekering en wyk, in handen te stellen hadde de stadt en 't Slot van Sluys. Maar voor 't scheiden van Auchy uit Zeelandt, werd hun geschreeven, dat de hulp noodeloos was, mits 't aankoomen van twee benden paarden tot Gent. Thans begost men ook te dryven, dat hy, noopende 't punt van Sluis, zynen last oovertreeden had. Deeze onbestendigheit zeurd' hem: en zich sterk maakende voor de welkoomst der hulpelingen by 't meeste deel der Heeren, die hy dacht op zyn zyde te hebben, vertoond' hy 't den Prinse; die hem derhalven de reize, gelyk bestemt was, liet vorderen, en zich seedert beweeghen, om noch neeghen vendels, onder den Heer van den Tempel, naa Gent te stuuren. Des ruimde men zyner Doorluchtigheit, in plaatse van Sluis, de +stadt Nieupoort, en 't Sas van Gent in. De Staaten, niettemin, van Brabandt, Vlaandre, en Henegouw, schikten den Heer van Oetingen aan den Prins, met verzoek, dat hy zyn krysvolk te rug uit Gent riepe: doch waaren ooverboodigh, tot schorsing van waapenen te verstaan, en voorts den vreedehandel van Bredaa te hervatten: die eevenwel niet beklyven zouw, zonder verzeekering van den ouwden Godsdienst en 's Koninx gehoorzaamheit onverkort te laaten. Dan, twee daaghen hiernaa, keerde Auchy Prinsewaarts, met brieven uit Brussel en den naame der gemaghtighden van de Nederlandtsche Staaten. Deeze hielden in, hoe de voorwaarden, van hem Sluis te leeveren, en zynen soldaaten oeffening van hunnen Godsdienst toe te staan, ingewillight waaren by misverstandt. Waaroover men eenigh +misquaam erducht had, en goedt gevonden, tot verhoeding van dien, te verzoeken dat het gemelde krysvolk herroepen wierde. Dat zyner Doorluchtigheit zich doch daaraan niet keeren wilde. Zy bedankten haar, van de beweezene hulpe, als gelast niets voor te neemen, teeghens 't Roomsche geloof, oft de Hoogheit des Koninx. Haar zoude gelieven op 't spoedighste gemaghtighden te zeinden, om aanvank van paishandel te maaken. Met dusdaanigh vallen en opstaan, horten en voortslaan, quaamen de Brabanders, en die hun dat pas aanhingen, tot het waaghen van den sprong, om met den Prinse t'ooverkoomen, zonder naa verlof uit Spanje te wachten. De schoorvoetende gewesten werden nu, door vertoogh van hoope, van vreeze, geprikkelt, zich tot het zelfste besluit te vlyen. De Staaten van Hollandt verzoeken weederom de Burgherhopluiden t'Uitrecht, met brieven, en toezeg van hulp teeghens 't blokhuis, en wie hun oover de handt waaren. Om die van Gelderlandt te trekken, schryven zy aan de Wet der stadt Niemeeghen; en de Prins aan de Staaten aldaar vergaadert: dien hy zeidt, den zynen alle vyandtlykheit verbooden te hebben, ende dat hy zich 't zelfste van hunner zyde belooft. Den elfden van Wynmaandt, verleende

[p. 462]

+de Raadt van Staate brieven van vrygeleide, aan de gemaghtighden des Prinsen en der Staaten van Hollandt en Zeelandt. Waarop, van Middelburgh naa Gent reisden de Heeren Philips van Marnix, Heer van Sant' Aldegonde; Arnout van Dorp, Heer van Teemsche; Willem van Zuilen van Nieveldt, Heer van Heeraartsbergh, Schildtknaapen: Adriaan van der Myle Doctoor in de Rechten, Raadsman des Hoofs van Hollandt; Meester Kornelis de Koning Licentiaat in de Rechten; beide Raadsluiden des Prinsen: Meester Pauwels Buis, * Voorspraak van Hollandt; Meester Pieter de Ryke, Baljuw van Vlissinge; Antonis van Zikkele, Raadsman van Zeelandt, en Andries de Jonge, Burghermeester van Middelburgh. Zy werden, met vreughde, tot Gent, ontfangen; en vonden aldaar der Algemeine Staaten gemaghtighden: naamelyk, Heeren, Jan van der Linde, Abt van Sante Geertruids tot Looven; Gislain, Abt van Sant Pieters tot Gent; Mattheus, Abt van Sant Gislain, gekooren Bisschop van Atrecht: Jan de Mol, Heer van Oetingen; Françhois van Halewyn, Heer van Zweveghem, Ooverste tot Audenaarde; Karel van Gavre, Heer van Fresin; Ridders: Elbertus Leoninus, der Rechten Doctoor, en *Voorleezer in de hooghe Schoole tot Looven; Meester Pieter de Bever, Raadsman van Vlaandre; Quintyn du Pré, eerste Scheepen tot Berghen in Henegouw; ende Jan de Pennants Raadsman en Meester van 's Koninx reekening in Brabandt, die hun tot * Geheimschryver diende. Den neeghentienden der gemelde maant, traaden zy in 't werk. Elkanderen voldaan hebbende, noopende de deughd hunner lastbrieven, verstonden zy zich in +kort zoo verre, dat'er bestandt getroffen werd, om te duuren tot weederzeggens. Nu was het meeste deel der Landtschappen aan 't glyen; en zy vielen van tydt tot tydt, den Algemeinen Staaten toe. Die van Mechele +hadden aan den Regeerenden Raadt verzocht, te mooghen zonder zich te verklaaren, tussen tween blyven zitten. 'T welk hun plat afgeslaaghen weezende; zoo koozen zy, naa lang beraadt, de parthy die 't best met +den Lande meende. Die van Uitrecht, gedreight van de Hollanders, met herroeping der veilighe hoedenissen ten platten lande, en met afbranden hunner voorsteeden, quaamen endtlyk tot antwoorden, hoe de Staaten van dat gewest hunnen gemaghtighden, die te Brussel waaren, belast hadden, d'Algemeine Staaten te volghen. Doornik, Ryssel, Douay, vlydden zich ook op die zyde. Gelderlandt en Zutven toonde gelyke geneeghenheit; indien men maar middel schafte, om hen t'ontlasten van de meenighte des krysvolx, dat hun op den halze lagh. By die van Vrieslandt en Groeninge, was de wille niet argher; hadd' hen Billy, met de kneep der burghen, niet in dwang gehouden. De Mechelaars gunden deurtoght aan vier vendelen Waalen van Mondragon, die, den dienst der Staaten aanveirt hebbende, uitgeschikt waaren, naa 't dorp Waalem, drie mylen van Antwerpen, om zich aldaar te sterken aan de brug van 't waaterken Aade, en de gemeenschap tussen de bezettelingen van 't Slot der zelve stadt, ende die van Lier te steuren. Juliaan Romero, des verwittight, ontbiedt uit Heerentals de Kornet van Mendoza, neemt daartoe vyfhondert schutten, met een vendel knechten van Martin Orsaaz, en rukt alzoo naa Waalem. Daar ontrent gekoomen, doet hy de ruiters halten +op den wegh naa Mechele, om de hulp van daar, en de vlucht derwaarts te beletten. Toen streeft het voetvolk toe, eerder dan de Waalen, onverdacht op zoo schielyk een' ooverval, vereischte orde konden stellen. Daar bleef 'er doodt, aan den kant van vyfhondert. Eenighen, die de kerk tot een' wyk koozen, werden, naa een' wyl weerens gedwongen zich op te geeven. Andren (waaronder hun Ooverste) op den tooren geklommen, ziende de trappen aan brandt, riepen om genaade, en werden, met een' koord, afge-

[p. 463]

laaten. +Gelyke weederspoedt beliep etlyke daaghen daarnaa, den Heer van Floyon, die, een zoon van Barlemont zynde, zich echter aan de +Staatsche zyde begeeven had. Hem, als hy, met drie vendelen van zyn regement, naa Mechele trok, tussen Lier en Herentals deur, 't welk, geduurende 't afweezen van Mendozaas ruiteren, by de Staatschen was ingenoomen, achterhaalde Romero, met het zelfste paardevolk, en vyf hondert busdraghers. Zyn' knechten stonden een' lange schermutsing uit; dan werden endtlyk gesplitst, voort verstrooit, oft geslaaghen; hy zelf gevangen, en naa Lier gevoert. Juliaan liet booven twee oft drie ruiters niet achter, en weenigh van 't voetvolk. Maar Hopman Orsaaz kreegh'er een' mosketscheut in 't been, die hem naaderhandt het leeven kostte. Montesdoca, hierentussen, bond tot Maastricht ernstigh den handel aan, om zich den Hooghduitschen van Ooverstein te verplichten. De Majestraat, daaraf lucht hebbende, arbeidd' 'er teeghen aan; en kreegh hen in 't laast zoo +verre, dat ze den Staaten hulde loofden. Zy en de burghery, dan, begeeven zich eendraghtelyk in 't geweer, en doen den Steêvooghdt, met de zynen, oover de brug der Maaze vertrekken, naa Wyk; daar Hopman Martin de Ayala, en zyn vendel, hunnen oordt hadden. Zommighe Spaansche moskettiers, echter, hielden zich styf, en zeekere toorens der veste, by de Brusselsche poort, in. Thans ontbieden die van der Wet Montesdoca op 't stadthuis, om van verdragh te spreeken, met toezeg van hem geen leedt te doen. Hy gaat'er, by raadt van Ayala, en hoort hunne voorslaaghen, die daar toe strekten, dat hy en al de Spanjaardts de stadt zouden ontleedighen. Hierop hadd' hy wel kunnen uitstel zoeken, om midlerwyl met hulp, die reed ontbooden was, versterkt te worden. Maar de Spaansche trotsheit was zoo taay van gedult niet. Hy bestaat ten heevighste uit te vaaren; scheldt hen voor ketters, en weêrspannelingen des Koninx. Dit maakt der Majestraat meede 't hooft warm; zulx dat zy hun woordt in vergeetelheit, hem in hechtenis, stellen. Ayala des verkundschapt, stuift ook op, en komt met vyftigh moskettiers, den gevangen vry eischen. Daar de burghers en Duitschen weederom in de waapenen, en dwingen, hem, te rug, oover de brug, te keeren. Zy beginnen den toegang der zelve te beschansen; schikken naa Brussel om bystandt. Maar Don Alonso de Vargas, en Don Fernando de Toledo, waaren nu al in aantoght, met eenighe troepen, zoo te voet als te paarde; en vernamen onderweeghe, by boode van Ayala afgeveirdight, hoe de zaaken in der stadt stonden: 't welk hen te meer deed spoeyen. Don Fernando zet, met een deel volx, te schuit', oover Maaz, om zich neevens Ayala te voeghen, en langx de brug in te booren, eer de schans voltooghen wierd. De rest streeft naa de Brusselsche poort toe. De steedelingen braghten eenighe stukskens geschut op den wal, om den aanloop te doen horten. Dan, mits den dichten haaghel van mosketkoeghels uit de toorens, konden de busschieters niet te werk raaken. Jaa de verweerders werden gedwongen, der maate te ruimen, dat het den stormer leedigh stond, het vuur in de poorte te steeken; en eerst de buitenste, vervolghends de binnenste, deur te bernen. Toen berst het al ter stadt in, beide ruiters en knechten; ende werd hunne stoutheit voort van 't geluk begunstight. Want een kloot van een grof stuk, geplant om de straat te veegen, trof juist de ketting, die daar dwars oover gespannen was, en smeet ze aan einden. Zoo quam 't op eenighe straatschansen, en vechten, handt voor handt, aan. Daar deeden de Duitschen gansch niet toe, zich stellende in slaghorde, op de plaats van Sant Servaas. Dies zwicht de burghery, en begeeft zich tot deizen. Toledo, nu, en Ayala, hadden, met kraft van schieten, en vuurwerpelen, de bewaarders der brugge verdree-

[p. 464]

ven, +en drongen steêwaarts in. De burghers, zich ziende van voore en achtre bestreeden, neemen de vlucht ter zyden uit, elk, waar heen hem +de vreez joegh. Een groot deel verdronk in de Maaze. Andren verslon de brandt, dien de vyandt in de huizen gesticht had. De kerker werd opgeslaaghen; Montesdoca daar uit gehaalt. De Duitsche knechten, zonder eenighe weere te bieden, leidden 't met praaten af, en de schuldt hunner waapening op de Hopluiden; als hebbende hen, met de achtbaarheit der regeerenden Raads, misleidt. En zy werden, op nieuwen eedt, in genaade ontfangen: maar moesten ter poort uit, en op de dorpen gaan leegheren. Luttel volx verlooren de Spanjaardts, en niemandt van naame, uitgezeit Hopman Antonio de Toledo. Voorts ging 't 'er op een plonderen, vrouweschenden, en pleeghen van allerley boosheit. Dit onheil quamp Maastricht oover, den twintighsten van Wynmaant. Twee daaghen hiernaa, werd het rampzaaligh Haarlem, met een' versche ellende verzocht. Etlyke Duitsche soldaaten, hebbende zich vol gezoopen, stookten zoo +onvoorzightelyk ('t en zy daar moedwil onder speelde) dat hun wachthuis, by 't Spaaren, in lichte vlam raakte; die, voort geblaazen van eenen styven windt uit den Noordtweste, wel vyf hondert wooningen afweidde: zulx de schaade, op meer dan vierhondertduizent gulden, geschat werd. Nu staat ons t'ontfouwen, door wat teeken en zydtgangen, den Spanjaarden gelust heeft, naa zoo veel plaaghens en verwoestens van luiden en landen, endlyk tot het bederf van die perle der steeden Antwerpen, +voorts te vaaren. Zy dan, ziende Champaigney der Staatsche zyde gansch toegedaan, en Moessenham niet te verleiden, hadden (als booven geroert is) begost den Graaf van Ooverstein te lokken. 'T was een flaauwe geest deeze Heer, dien eerst had, die hem lest sprak. Ook vreezd' hy, in der daadt voor de ongunst der, Spanjaarden, en der Hooghduitsche Kornellen, die van hunne handt vlooghen. Derhalven, vlottende tussen 't betrachten van zynen plight, en de zucht om hunne vriendtschap te raade te houden, luisterd' hy by wylen naa den Steêvooghdt; by wylen naa 't geen hem die van de Burgh te voore leiden. Ende, gemaghtight wordende door Roda tot het uitgeeven der leuze in de stadt, had hy de kraght niet om de bekooring van dat gezagh te verwinnen, nocht om de faal, begaan met het aanneemen van 't zelve, deur te laaten staan, zonder zich daaroover by Champaigney t'ontschuldighen. Wel lafselyk ook had hy de orde des Raadts van Staate, en de vermaaninghen van Champaigney behartight, noopende 't aanslaan van zeeker geschut, dat, door Fokker, uit Berghen op Zoom, op 't Slot van Antwerpen gevoert werd, teeghens plat bevel van den Raadt, 't verstant des welken was, dat men 't aan den Steêvooghdt, die des behoefde, zouw leeveren. Bezeffende eevenwel somtydts, waar de Spanjaards heene wilden, besloot hy zyn' bezetting te versterken; ende deed het, voor eerst, met eene zyner benden van Maastricht. Aangeport, daarnaa, door den regeerenden Raadt en de Staaten, om ook de zyne t'ontbieden, die tot 's Hartooghenbos laaghen, liet hy zich, in steede van dien, door de voorzeide Kornellen bekouten, om Kornelis van Endt, met vyf vaanen des zelven, in te neemen; nietteeghenstaande dat Champaigney hem t'oover gewaarschuwt had, dat men zich op Kornelis niet verlaaten moght. Sint weederom won Champaigney op hem, dat hy bewillighde in 't waaken der gilden, neevens zyne soldaaten: waaroover de Spaanschen groot onbenoeghen toonden. Thans quam de maare van 't verdryven der Hooghduitschen uit Maastricht. Toen slaan zyn' knechten, opgeruit door die van de Burgh en hunne meedepleeghers, aan 't muiten; willende weeten, wat van der zaake waar, wien zy dienden, en hoe men hun betaalen zouw: dewyl twee ven-

[p. 465]

dels +van Fronsbergh, die daaghelyx met den Graave verkeerde, zich tot Maastricht hadden laaten gebruiken teeghens hunn' eighe landsluiden. Van Ends vendels, (ook door aanhitsen van 't Slot) rotten t'zaam, op de koorenmarkt, niet verre van Champaigneys huizinge; in meening hem op 't lyf te loopen, zoo ras als d'Ooversteinsche hunnen Kornel by den hals zouden hebben. Want van de Spaanschen was uitgestrooyt, dat hy en de Steêvooghdt geldt, van de Staaten, tot betaaling der Duitschen, ontfangen hadden; en dat zy, hen aangrypende, tot goede reekening raaken zouden. Niettemin, naardien 't den Spaanschen ontschoot, met het vergistighen van zoo veel getals der Ooversteinschen, als zy wel gewenscht hadden; zoo werd de buy gestilt, by vlyt van Champaigney, die, onder de handt, de bevelhebbers tot reede, en de Majestraat tot verschaffing van eenighe penningen beweeghde. De Spaanschen, versteeken van deeze hoope, en duchtende dat der Staaten volk, 't welk zich, ter oorzaak van dit ongemak, toerustte, hun een voordeel zouw afzien, maakten den Graave dietsch, dat d'oproerighen van Aalst, met hun, ooverkoomen, jaa reeds op de beên, waaren. Hy verklaart aan Champaigney, dat zyn' soldaaten, als te verre bedorven, zich niet zouden willen verzetten teeghens de muitelingen; die men (zoo hem verzeekert werd) geschaapen was, des andren daaghs voor de poorte te hebben. Ende dit kon men hem uit den hoofde niet steeken. Geperst, by Fokker en Polwyler, onderschryft hy, neevens Kornelis van Endt, in der nacht naa den neeghenentwintighsten van Wynmaant, het naavolghende verdragh. Dat 's Koninx Raadsluiden van Staat en oorlooghe, zich vindende op 't Slot van Antwerpen, voor zich zelve, ende van weeghe der andre, samt aller bevelhebberen en soldaaten, zoo jeeghenwoordigh als afweezigh, ter eene; Ooverstein en van Endt, voor zich zelve, ende van weeghe aller zoo jeeghenwoordighe als afweezighe bevelhebberen en soldaaten van hunne regementen, ter andre zyde; zwoeren vrunden te zyn, in alles wat den dienst zyner Majesteit betrof: ende dat elke zyde de vyanden der andre, ook voor de haare zouw houden. De twee voornoemde Kornellen zouden den burgheren de waapenen afneemen, en de zelve op 't Slot brengen, om hun, ter bequaame tydt, weeder behandight te worden. Nocht Ooverstein en van Endt zouden buiten verlof van die van 't Slot; nochte die van 't Slot buiten 't hunne, meer krysvolx, dan toen t' Antwerpen lagh, daarin laaten koomen. Kornelis, met zyne vier benden, zouw de Nieuwestadt; Ooverstein, met de zyne, de rest bewachten; ende elk van hun uitweeren alle weêrspanlingen des Koninx; ook, zoo men reeds eenighe der zelve binnen vond', die doen aantasten. Zy hadden Sançio d' Avila, als Burghvooghdt, en opperste (meent der vloote) te laaten begaan met zyn' ampten, en hem de handt daar toe te bieden: gelyk Avila zich jeeghens hen draaghen zouw, in 't geen dat hun beroep raakte. Al 't welke t' achtervolghen stonde, tot naader orde toe van zyne Majesteit, zonder eenigh weederzeggen, oft verdraayen van den zin; en zonder dat men zich te keeren hadde, aan eenighen last, die daarteeghens, by de Heeren tot Brussel, zich noemende Raad van Staate, oft by d'Algemeine, oft by de Brabandsche Staaten, moghte weezen, oft worden gegeeven. Een slordigh instellen van Roda, die de pen voerde: want ongemaghtight, stond hy in, voor de geenen, die niet daar waaren. Een reukeloos en onbondigh belooven ook van den Graave: gemerkt nocht Moessenham, nocht eenigh Hopman zyns regements daaroover geroepen werd, en dat hy zaaken oovergaf, die puurlyk aan de maght van den Steêvooghdt stonden. Hy zocht het, by Champaigney te verschoonen, zeggende, dat men hem gedwongen had te teekenen zeekere punten nauwlyx gezien, ende die in Spaansch, daar hy luttel af verstond. Wy-

[p. 466]

ders, +des Graaven soldaaten, als dit in 't licht quam, stelden'er zich oopentlyk teeghens; ende wilden vooral niet gehengen, dat men aan Kornelis de Nieuwestadt inruimde, daar de vloot en 't geschut lagh; ofte de poorters ontwaapende, van de welke zy geen' ontrouw, maar bystandt verbeidden. Zeeker deeze knechten oovertroffen al d'andre Hooghduitsche, in zeedigheit en krystught, ende teffens in vroomigheit; gelyk dan die deughden gemeinlyk te zaamen gaan. De Spaanschen, daarentussen, en zelfs zommighen der Majestraat, die by hen uitgemaakt waaren, zochten alle listen te gaader, om Ooverstein een quaadt vermoeden op de burghery in te prenten: voortsdryvende teffens den handel met de muiters van Aalst; dien zy hoope gaaven, van, naa 't schuppen des Graaven, t' Antwerpen te verwinteren; en smaak van een' plondering. Staande de dingen aldus; kreegh men kundschap van 't genaaken der Staatsche troepen; en vertoonde zich de Markgraaf van Havrech, als ooverste der zelve, den tweeden van Slaghtmaant, 's naamiddaaghs, onder de stadt, met eenentwintigh vendelen voetvolx; naamelyk, acht van den Heer van Berseele, zeeven onder Graaf Philips van Egmont, drie van den Heere van Heze, drie die tot Naamen geleeghen hadden; meest alle nieuw geworven. De ruitery bestond in de Kornetten, van Aarschot, van den Markgraaf zelf, van Bossu, van den Burghgraave van Gent, alle vier benden van ordening; en in zes vaanen lichte paarden, onder den Heere van Beevre. Zy waaren verzelschapt met de Heeren, Kapres, en Gognyes Veltmaarschalk; maar onvoorzien van grof geschut, en delvers, jaa 't meeste deel van kruidt. De tyding huns aankoomens verbaasde Champaigney, door wien 't altydts was afgeraaden, uit zorghe dat het Ooversteins knechten, die d'onlanx aangerechte muitery noch onder de leeden hadden, ontstellen moghte. Ook oordeeld' hy dienstigher, en begeerde met belofte van allen toevoer aan der Staaten volk, dat het zich buiten der stadt ginge leegheren, om den toegank ter burgh, den Spanjaarden van Aalst, Lier, en Maastricht, af te snyden; en de vloot des Prinsen te baat te neemen; gemerkt men den pais voor klaar hield. Want de stadt, zyns bedunkens, was genoegh verzeekert, met d'Ooversteinschen en de burghers: jaa met de burghers alleen, ruim zoo wel als Amsterdam en andre plaatsen. Voorts vervoeghd' hy zich by Ooverstein, en ried hem naa de muuren te gaan, om de zynen in ruste te houden, die niet wisten, wat zy uit deezen aantoght verstaan zouden, duchtende dat men hen verraaden wilde. Daar koomen, Fokker, Fronsbergh, en Polwyler, alle drie op den wal, en bestaan, een stuk weeghs van den Graave, zyn volk tot een' nieuwe opstending te verwekken. Vermaant zynde door Champaigney, die des eerst gewaar werd, loopt hy derwaarts; als reeds de dienaars van Fokker begost hadden eenighe burghers aan te ranzen, om hen en de Hooghduitschen t'zaamen oover hoop te helpen. Ten laaste onderwint zich Polwyler zelf, in jeeghenwoordigheit van Ooverstein de soldaaten te beleezen, en teeghens hem op te stutsen; der wyze, dat deeze twee Kornellen tot harde woorden, en by naa tot daatlykheit quaamen. Want de Graaf verweet hem; Hy moghte gaan Nivelle bewaaren, en handthaaven zyn eighen volk, schandelyk daar uit gejaaght, sonder slagh oft stoot. Wat komt ghy u (zeid' hy) met de mynen, oft myne wachten bemoeyen; ghy, die, in Antwerpen, nocht te zien, nocht te zeggen, hebt? Endtlyk 't verging zoo wel, dat eenighen zyner knechten van zelf begosten 't geweer teeghens Polwyler te vellen: die, neevens zyn' twee makkers, zich, van vreeze, naar 't Slot begaf. Echter, hoewel zy den Graave dus eenen trek gespeelt hadden, deeden zy hem thans aanmaanen, tot achtervolgh van 't verdragh tussen hem en die van de Burgh: dan kreeghen het antwoordt, des zy waardigh waaren. Havrech

[p. 467]

+braght met zich onderschepte brieven, jonger dan 't gemelde verding, en gezonden aan d'oproerighen tot Aalst, door Avila en Roda, hun aanwyzende driederley wegh, om Antwerpen te naaderen: ende zoo zy hunnen toght oover Denremonde naamen, dat de zoon van den Baroen Polwyler hen aldaar wel te rechte zouw helpen. Champaigney kreegh ook in handen, schryven van Jan Navarre, Keurooverste der muitelingen; die aan Don Sançio ontbood, hoe hy volghends zyne begheerte, zouw optrekken. Ter zulke trouwe had men 't met den Graave gemeent. De regeerende Raadt verdubbelde 't bevel van 't krysvolk der Staaten in te neemen, op dat men niet voere, gelyk men tot Maastricht gevaaren was. Ten zelven einde stonden de Staaten hard aan. En Champaigney vreesde, zoo den hunnen in 't veldt yets misquaame, dat men 't, zonder eenighe ontschulding aan te neemen, zyner weederhoorigheit wyten zouw. Derhalven +werden, op verzoek van Capres ten tweedenmaale, en daarnaa van Havrech in persoon, de Staatschen, des andren morghens, ontrent tien uuren, ter stadt ingelaaten. Havrech koos, voor zyn voetvolk, de bewaarnis der toegangen van de zyde der burgh: zulx de Waalen zich naa d'Abdy van Sant Michiel vervoeghden. Den ruiteren gaf Champaigney, hunnen oordt ontrent de paardemarkt, en deed hen beleiden, by Kornelis Sterk, des Ammans zoon, die zich daartoe erbood. Een groot deel Italiaansche en Spaansche koopluiden vlooden, in der yl, met hunne goedren, naa 't Slot, en braghten daar de kundschap van 't inkomen der Staatschen. Waaroover de Waalen in roere raakten, willende dat men hunne huizen, als van verklaarde vyanden, ginge doorzoeken. Die van booven, zonder eens te zeinden aan den Steêvooghdt oft Ooverstein, strax aan 't schieten op de stadt, zoo fel als zy moghten. Daarnaa doen zy eenen uitval met vuurtuigh, en raaken aan 't schermutsen, teeghens een vendel van Egmont, onder den Heer van Fontaine: die hen stuytte, en met groote dapperheit te rug dreef. Toen doet Havrech, zich draaghende als Opperste, krysraadt houden: daar verstaan werd, dewyl die van 't Slot zoo te werke gingen, dat m' 'er zich teeghens begraaven moest. Ende, mits niemandt der nieuwgekoomen' Heeren de strekking der straaten en toegangen in dien hoek kende, zoo toond' hun Champaigney een' teekening, en deed terstond eenen * vernufteling zynen vriendt koomen: want Havrech hadder niet eenen daar. Beslooten zynde wat te doen stond; besteld' hy hem, in min dan een' uure, tussen tien en elfduizendt luiden, om te arbeiden, met allerley gereedschap tot schansen vereischt: voorts wolbaalen, hoppezakken, en diergelyke, genoegh om zich op een sprong te beheinen, al hadde men niet anders gehadt. Wyders wees hy, op 't voorzeide ontwerp, de dienstighste wachtplaatsen den Veltmaarschalke Gognyes aan: die, de zelve bezightighde, en met goedt oordeel geraamt vond. Daarnaa vertrokken zich de Duitschen dieper steêwaarts in. De Waalen, by orde van Havrech, besloeghen de toegangen, van Sant Joris af, tot aan Sant Michiels klooster. Champaigney verschafte hun rykelyk spyz en drank: en stelde luiden om ze uit te deelen; alzoo men hun, op deezen aanslagh, niet eenen bewintsman van lyftoght had bygevoeght. Want, geen' reekening maakende, hen in stadt te houden, wilde hy, de wyl 't doch schoon weeder was, dat zy ongeherberght in de beschansingen bleeven; ende dat de Hopluiden daar zorgh voor droeghen, tot dat men de werken weerbaar hadde. Maar 't meeste deel der bevelhebberen, en de voorneemlyksten der Waalen, droopen deur, om de beste huizen te zoeken. De soldaaten, onbeheert, volghden vast het zelfste spoor, en plonderden'er andre. Daar was nocht Provoost, nocht ander Amptman van rechte; 't welk Champaigney benoodighde, zelf in verscheide huizen te

[p. 468]

+treeden, en handt aan 't rappier te slaan, om de roovers te verdryven, met groot gevaar zyns lyfs. Dit deed hem etlyke uuren spillen, zonder straf oover eenen misdaader te verwerven. Moeite had hy noch, met het behoeden van zommighe Spanjaardts, krank leggende in 't gasthuis van Sant Michiel, om hen te wisselen teeghens eenighe Hooghduitschen van Ooverstein, die op 't Slot waaren. Zelf de Markgraaf van Havrech wilde, dat men den Burghermeester van der Meere, en noch etlyken van der Wet, by den hals greepe; ook den Amman, dien hy, op heete daadt, meinde naa 's Prinsen vloote te zeinden. Dan Champaigney berghde, t'zynent zelf, den Amman, en weigherde verlof te draaghen in 't aantasten der andren. Want, hoewel hy wist, dat eenighen der zelve weenigh dochten; zoo was 't hem nochtans teeghen de borst, zyn' steêvooghdy met eenighe onwettighe oft haatlyke manier van handelen te zien bekladden: behalven dat men, dat pas, anders genoegh te doen had. Teeghens den aavondt, en 't bezetten der wachten, werd, onder de Waalen, gebrek van bevelhebbers gevonden, zulx dat men 'er eenighe, op staande voet, moest maaken. Havrech, als opperste, gekooren by den regeerenden Raadt, tot dit beleidt, gaf 't woord. Des nachts, speurde Champaigney groote anxtvalligheit onder de Waalen, en niet een hooft van aanzien in de beschansing. Dies leidd' hy den Heer van Gognyes derwaarts, om orde te stellen, en naa te zien de faalen daar alomme begaan, door achteloosheit van de waakers, dien 't vorderen der werken bevoolen was. Men had'er tot verscheide plaatsen, 't bestek des vernuftelings niet willen volghen; eensdeels uit vreeze, eensdeels uit hardnekkigheit van zommighe Hopluiden. En hier uit rees 't verwaarloozen van een' strykweer teeghens oover de Bagynestraat; 't welk naaderhandt dier bekocht werd. Champaigney, hebbende de bewalling, van steê tot steê; bezightight, op genaade van 't geschut der burgh, dat niet afliet van speelen, stelde, als 't nu spaade werd, eenighen van der Wet, die goedtwillighst scheenen, aan elken toegang; om den arbeidsvolke moedt te geeven. Maar, nietteeghenstaande dat de plaatsen, hun aangeweezen, veiligh genoegh waaren, het lustte den Scheepenen, ziende de soldaaten zoo quaalyk voorgaan, niet lang daar te verblyven. Om de gebreeken te boeten, (gemerkt het, den meesten nacht, klaare maaneschyn, en 't volk zoo schuw van de koeghels was) werd, by Steêvooghdt en Veltmaarschalk verstaan, eenighe duistere uuren der naastvolghende nacht te verbeiden. De aarde, nochtans, werd zulx gehooght, dat ze, op haar schaarste, vyf oft zes voeten, tot zommighe plaatsen het dubbelt dekte: dan de buitegraft, daar 't heetst was, niet gedolven naar behooren. Champaigney had, des naamiddaaghs, in de vergaadring der kryshoofden, voorgestelt, en zich daar toe verlaaten, dat Havrech, dien nacht zouw doen kennis neemen, van zeekre geleeghenheit, ontrent 's Markgraaven Leye, in de tuinen van Hinxthoove, en andre oorden by der stadt, die besloot waaren, en lichtelyk t'omwallen, tot leeghering van een deel voet-en paardevolx: waarmeê men de Burgh zulx benarren kon, dat'er niemandt in oft uit moghte. Deeze raadt werd ook in den windt geslaaghen. Al de rest dier nacht besteedde Champaigney in den Schermershof, aan 't planten van 't weenigh geschuts dat hy had; om het tot een' weêrbeukery teeghens die van 't Slot, te doen dienen. Waartoe hem niemandt de handt bood, dan alleenlyk znmmighe burghers, neevens zyn' eighen' huisgenooten. Dit, hoewel een hachlyk bestaan, dat etlyken van hun 't leeven kostte, werd zeer wel volbraght. Als 't begon te daaghen, stelde men eenighe orde op 't stuk des gerechts, en teeghens 't rooven der soldaaten. Thans verzaamde de krysraadt in de huizing des Graaven van Ooverstein, ende kreegh aldaar kundschap, door

[p. 469]

+die van der stadt, hoe, men heel heinde by de zelve, eenigh volk gezien had, met vermoeden dat het van den vyand was. Dat men hunner niet eer gewaar wierd, quam by een dikken mist toe, en by verzuim van oyt, sint de Staatschen binnen quaamen, eenighe paarden uit te zeinden, om 't veldt te ontdekken. Zoo veel wanordes behoefd' 'er om Antwerpen ten val te brengen: en zoodaanigh zyn de misgreepen der geenen, die, lange ooverheert geleeft hebbende, zich onderwinden 't juk van den halze te schudden, en d'onervaaren' handt aan't roer der zaaken te slaan: voorneemelyk, daar 't hun mangelt aan zoo achtbaar een' beleider, dat zich yder gewaardighe hem alleene naa den mondt te zien. Wyders, het bleek wel haast, dat de verscheene troep vyandsch was. Want de Spanjaardts van Lier, die van Maastricht, met d'Ooversteinsche vendelen daarin geleeghen hebbende, en al hunne maght, van rondom te hoop gerukt, quaamen, dien morghen ('t was de vierde van Slaghtmaant en Zondagh) door de buitenpoort, op het Slot. Terstondt besprong Hopman Gaspar Ortis, met hondert knechten, de beschansing der Waalen; sloegh een van hunne wachthuizen op, en ontrent vyftigh man' doodt. Dit was maar om kennis, en voorts weêr de hertredt te neemen; op de welke hy eenighe huizen en moolens aan brandt stak, zonder zelf eenighen afbrek te lyden. Champaigney, te paarde geklommen, beval, van straat tot straat, de burghers te doen waapenen, en vergaadren op de Ossemarkt, en by de Engelsche burze. Koomende in den Schermershof, daar die van de Burgh zoo heftigh op schooten, dat het eene stuk 't andre niet vertoefde, gaf hy, toen eerst, last om af te bernen: waardoor 't geschut van 't Slot niet weenigh beschaadight werd. Hebbende aldaar orde gestelt, reed hy naa de bewalling by Sant Joris, die wel verzorght was. In 't keeren van hier, bejeeghend'hem Kornelis van Endt, die vast plenken liep, zeggende kruidt te zoeken. Dit gaf eenigh achterdenken aan Champaigney: doch ziende dat het ooghluikens tydt was, bad hy hem zoetelyk, zich by zyn volk te vervoeghen, en deed hem helpen aan 't geen hy eischte. Kornelis, seedert, zonder des van noode te hebben, als naamaals wel bevonden werd, zond zoo dikwyls, reiz op reiz, om kruidt, dat hy scheen de kas berooit te willen maaken. Maar de voorraadt was beeter dan hy waande. Champaigney reed voorts naa de Bagynestraat, daar een' lange beschansing voor lagh, niet hebbende dan een' enge uitgank, die met een waaghen geslooten werd, en eenighszins tot strykweer diende. Hier zat hy af, en trad op't vlak voor't Slot, om te beeter te zien, wat gelaat de vyandt toonde, ende hoe't met den wal van buiten stond', die zeeker gebreklyk was, gelyk hy wel geducht had. Daar zagh hy etlyke burghers schermutsen teeghens een deel Spanjaarden, en zich treffelyk quyten. De Spanjaards gelieten zich, af te trekken: maar Champaigney, alzoo hy hen, te voore, dicht onder de beschansing gehoort had, oordeelde, dat zy, naa bezightighing, om versterking te haal gingen. De muiters van Aalst, die's nuchtends te drie uuren van daar, en by Sant Bernaarts oover de Schelde getooghen waaren, quaamen gekranst met groene blaadren, ontrent den middagh, op het Slot. Sançio d'Avila bood hun eenighe verversching, om zich te verquikken van de loofheit, en moedt te maaken tot den aanval. Maar hun antwoordt was (een' zeldtzaame fierheit) zy wilden 't laaten deurstaan, op een goedt aavondmaal, te houden in d'andre werelt, oft binnen Antwerpen. Zy moghten uitmaaken ontrent tweeduizent knechten. Romero en Baldes hadden er elk vyfhondert. De Hooghduitsche vendels waaren zes, twee van Fronsbergh, een van Fokker, drie van Ooverstein; aan den kant van duizent man'. Ten zelven getaale beliep de Spaansche, Italiaansche, Borgoensche ruitery, be-

[p. 470]

leidt +by Alonso de Vargas. Al t'zaamen gereedt zynde, schooyen zy ter poort uit; en gekoomen aan den bedekten wegh oft teeghenschoeying der burghwal, knielen daar, en spreeken hun gebedt naar gewoonte. De hoeren en jongens by den werke, met de armen vol stroois en takken, om brandt te stichten. De muitelingen, onder hunnen Keurooverste, die een' standart droegh, waarin, aan d'een zyde Christus gekruist, aan d'andre de maaght Maria stond, zetten naa Sant Michiels; Romero naa Sant Joris straat; andren naa andre toe: met ongelooflyke vuurigheit. De Waalen daarenteeghen, schroomende 't hooft booven de borstweer te steeken, schooten op de wilde bof, en spilden 't loodt in de lucht. Champaigney, nu weeder binnen gekeert, en te voet lanx de beschansing gaande, sprak hun't hart in, dat hy moght: maar alzoo hun zyn persoon, zy hem onbekent waaren; viel al zyn zeggen krachteloos. Aan 't eindt der beschansinge, vond hy den Heer van Berseele, den eenighen gezaghhebber vernoomen in deezen oordt. Hy bad hem, zyn volk aldaar niet behoeftigh van kruidt te laaten, 't welk zy in Sant Michiels klooster, en den Schermershof, bekoomen konden. Nauwlyx was hy eenighe treeden voorder gegaan, als de Waalen, op een bot, de vlucht naamen, ruimende den wal aan de Spanjaards, eer hy die booven zagh. D'eerst, die den voet op de borstweer zette, was de standerdrigh der muitelingen, en liet daar het leeven. Dies te traagher niet, vlieght de rest aan, en maakt zich meester der schanse. Champaigney paste, door een' oopenstaanden tuin, en 't huis daaraan behoorende, in een' dwersgas uit te koomen, om een schaar Hooghduitschen, die in den Blydenhoek stond, den Waalen te hulp te schikken Maar nooit kon men hen 't aanzight weeder ten vyandt doen wenden. Die van den Blydenhoek, om 't geschut der burgh t'ontschuilen, begaaven zich in een' dwersstraat. By hen vervoeghde zich noch een deel knechten van Ooverstein, die den Waalen te baat geschikt waaren, en deeden dappre weere, zoo dat ze meest all' op de plaats bleeven. Het ooverschot, zich ziende verlaaten van de Waalen, en verneemende, dat de vyandt, reeds, by Sant Michiels, en elders, in stadt was, ging deur. Don Alonso de Vargas, met zyn paardevolk, reed naa Sant Joris poort, en vond daar Kornelis van Endt, met zyn' benden, in slaghorde. Deeze vielen daadtlyk den Spanjaarden toe, en joeghen met hun steêwaarts in. Dit versloegh noch bet de Waalen van dien oordt; mits dat zy al de Duitschen naar deeze maaten. Onder de poorters desgelyx, baard' het niet weinigh omziens. De Spaanschen spreyen zich door de straaten. Etlyke Duitschen kanten'er zich teeghens: verscheide burghers ook; voor de vuist; uit de vensters: meenigherley gevecht. Zeeker 't onbrak hun nocht aan kraft; nocht aan koenheit: maar de last om zich te weer te stellen, zoo spaade, en schielyk ontfangen, voorts het mistrouwen op hun eighe bezettelingen, maakte gebrooke stokken van alles. Champaigney deed d'uiterste naarstigheit, om de Waalen tot betrachting van hunnen plicht te brengen. Dan daar was nocht houden, nocht herzaamelen aan. Hy greep, by den arm, eenen van hunne vendrighs, die neevens andren van die soorte, vlood. Deez keerde't hooft; maar terstondt weêr op 't eerste spoor. Ziende hier zyn' moeite verlooren, trad de Steêvooghdt naa den oever; en vond die Waalen al meede op der loop. Toen spoeyt hy, hoopende zich op 't Oostershuis te sterken, naa de Nieuwestadt; dan kon geen gevolgh kryghen. Thans werd hy gewaar, dat de Staatsche ruytery, +die hy gewaant had, volghends gegeeven' orde, naa buiten gezonden te zyn, naa de poort van Eekere toe stiet. Maar zy vond' ze geslooten. Dies pooght hy, hen, ten minste door wanhoop, koen te maaken, en den toom te doen wenden, om den vyandt in de straaten t'ooverromplen.

[p. 471]

+Dan zy, doof in dat oor, sloeghen om, naa de Roode poort toe, die geöopent was, als men hen dacht uit te laaten: doch quaamen te kort, mits't genaaken van Tassis, met een deel Spaansche paarden. Als Champaigney deez' in 't gezight kreegh, hield hy dat het omgekoomen was, en vertrok zich naa de vloote des Prinsen. Op de zelve berghden zich de Markgraaf van Havrech, en andren. Ooverstein, meenende zich van een' brug in een' schuit te werpen, miste, en zonk terstondt, mits 't gewight zyner waapenen. Een der geenen, die verdronken, was ook de Heer van Beevre. Gelyk 't volk hier in de boots, zoo viel 't elders oover de veste; en een groot deel ruiteren waaghde dien sprong te paarde: maarsmoorde meest in de grast. Veele menschen vergingen in den gloedt, oft werden ooverstelpt van de stortende muuren der huizen. Want de Spanjaardts hadden, om 't vereenighen hunner weederparthye te beletten, 't vuur in verscheide wooningen gesteekeren; der maate, dat'er wel vyfhondert, meest al de rykste winkels, afbernden. Een' schaade quaalyk te waardeeren, dan, naa gissing, begroot op meer dan tzestigh tonnen gouds. Zy spaarden zelfs het Raadthuis niet, een gebouw, dat tweehondertduizent kroonen gekost had. Die daar op waaren, moesten ter venstren uit: en't werd tot een' ydele romp: blyvende niet staan, dan 't metselwerk. Dit kostte der stadt all' haare boeken, schriften, en bescheiden. Egmont, Capres, en Gognyes, raakten in der Spanjaarden handen. Capres, op't Slot gebraght, vond, in de galerye, Jeronimo Roda wel parmantigh op eenen stoel zitten; ende neegh zich, met een' diepe eerbiedenis hem waarts. De dank, voor zyn' ootmoedt, was een' voet op de borst, en 't snaauwen, schud, verraader, ik wil uw groeten niet. Egmont, gedachtigh zyns eedeldoms, gewaardighde zich niet hem t'erkennen. Die van heusheit walghde, droegh ontzigh aan de sierheit. Graaf, zeide Roda, uw ongeluk is my leedt. De Heer van Berseele, gevangen by eenen Borgonjer, in Sant Michiels Abdy, had het geluk, dat hy, onbekent, voor een gering ransoen vry quam. Geduurende de weederstandt, die niet voor donkren aavondt ophield, stelden 't de Spanjaardts niet anders aan, dan baare booze geesten, ter helle uitgebrooken. Nocht achtbaarheit van staat, nocht eerwaardy van ouderdoom, nocht weerloosheit van sexe, nocht onmondigheit van jeughd, nocht teederheit van jaaren, waaren in den wegh, oft aanzienlyke regeerders, afgeleefde gryzen, zwakke vrouwen, schreumighe maaghden, baardelooze jongens, onnoozele kinderen, bezuurden den gemeenen oovergang der moordaadigheit. Met naare zuchten, deerlyk kermen, bittere traanen, erbarmelyk smeeken, was niet te verwerven, dan kouwde klingen, en heete koeghels; vlieghende door huizen, straaten, en kerken. Booven veele deftighe poorters, raakten om hals, de Markgraaf Schout der stadt; Gosuin Verreyke; Jan van der Meere, Burghermeester, hoewel men hem heel Spaansch hield; Jan van der Werve; Landslot van Ursele; Françhois d'Espommereaux; Niklaas van Boekholt; Françhois van der Willighe; en andre Wethouders. Nietteeghenstaande d'eenstemmigheit van etlyke schryvers, in 't looven der kloekheit beweezen by de trouwgebleeve Duitschen; ben ik nochtans bericht van goede handt, dat etlyken der zelve liever hadden, zich vuidighlyk, met de armen voor 't aanzight, teeghens eenen muur te planten, en van achtre te laaten doorsteeken; dan (dewyl het doch weezen most) hunne huidt ten dierste te verkoopen, en in 't naatrachten huns beroeps, door eerlyke wonden van voore, gevelt te worden. Van inwoonders en Staatsche krysluiden, vond men, by de weeghen, ontrent derdhalfduizent lyken. 'T getal der drenkelingen hield men niet minder: behalven die door 't vuur verteert, en ten volghenden daaghen, in koelen bloede werden omgebraght.

[p. 472]

+Want, wat Waalen, zich verborghen hebbende, naamaals betrapt werden; men reegh ze aan dagh oft deeghen. De Spanjaardts verlooren, booven den Keurooverste, gelyk verhaalt is, drie bevelsluiden; Emanuel Cabeca Vacca, geschooten in 't genaaken der beschansinge; Juan de Robles, neef van Billy; Damiaan de Morales: voorts niet dan slechte soldaaten, aan den kant van tweehondert. Ruim dubbelt getal werd'er gewondt. Als de bloedtdorst meest haar zat had, gink 't 'er op een ruiten en rooven. Men stort'er in de huizen; elk daar hy waande de beste kans te zien; smyt inboêl, pakken, koopwaaren, 't onderste booven, en den zieltooghenden menschen, die 't scherp niet heel afgemaakt had, op 't lyf, oft vertreedt hen met voeten. Zommighen, om achter 't geldt, kleinoodjen, en heelbaare haave, te raaken, pynighden de eighenaars, met koorden, trechter, roeden, en vlamme. Stokouwde mannen, aankoomende dochters, zwangere buiken, haalde men ysselyk oover; en hing'er de vrouwen, by den hair op. Geen genaadigher lot hadden de kleene kindren, moetende de felheit der foltering uitstaan, in't aanschyn der ouwderen, om de styfte hunner lydzaamheit te weiken in meedelyden. Dan noch dikwyls geen eindt van martelen. De gaapende gierigheit, zoo de brokken niet heel grof waaren hapte aanendaan naa meer; oft zy schoon alles nu op had. Dies werden minst gequelt, die 't meeste te geeven hadden. Want by zoo ruighe schatters, werd het veel voor 't geheel aangenoomen. Waardoor 't aan koopluiden, die hun ruimelyk de zak vulden, gelukte, een' tonne goudts, en daaroover, achter te houden. Christina de Bitter, grootmoeder myner huisvrouwe, die haaren voornaam gevoert heeft, en eertyds weeduwe van Andries van Erp, maar alstoen herhuwt aan Arnout Fabri, was, neevens haare hooghbejaarde moeder Agneete Ooms, en zommighen van 't gezin, vertooghen in een' kelder. Haar' moeder, hoorende eenigh geweldt op de deure doen, begaf zich derwaarts, om te zien wat het was, en wat raadt daarteeghens. Juist als zy daar komt, slaat een vaatjen ontsteeken bussekruids de deur, en teffens haar, te berste. Christina, mooghende, dat pas, tussen de veertigh en vyftigh jaaren zyn, loopt toe op den slagh, en vindt haar' moeder verdaan op de vloer leggen. D'ingespatte stormers grypen haar aan, willen haaren man, en geldt, geoopenbaart hebben. Zy duwt hun yetwes toe, dat zy by zich gesteeken had, in hoope van hen daarmeê te loozen. Maar als zy ontkende, de rest en haaren bedtgenoot te kunnen melden, knoopen zy haar, met een eindt lonts, by den halz op, tot dat ze scheen den geest te geeven. Toen maakt men ze los, verght haar 't zelfste op nieuw; daarnaa weeder, en weederom; t'elken maal met gelyke beanxtighing. Keurende, ten laatste, haar bestendigheit onverwinlyk, stuiven de rabauwen, om niet meer tydts te verliezen, ten huiz' uit, met al't beste, dat zy draaghen konden, en laaten haar in de strop. Een van 't gezin, hoorende 't gerucht aflaaten, vertrout zich voor den dagh te koomen; ziet ze daar aan een' ladder hangen, luttel min dan verwurght. Flux snydt hy de koordt aan stukken, en helpt haar aan aadem. Zy bequam, van de zwyming; maar nooit haar' voorighe blygeestigheit, van zoo een' doodneep, daar't vernuft door gezwakt was, en 't gemoedt eeuwlyk de streem af droegh. Zy verkloekte zich echter, geduurende de plondering, alles voor te wenden, wat dienen moght tot behoudenis van de welvaart der haaren: en paste t'elke aankoomst van versche roovers, eenigh geldt uit den hoek te haalen, om hen te paayen, met klaaghen, oft dat het leste geweest waar. Dit geluk sloegh'er toe. Zeekere te vooren haare dienstmaaghdt, getrouwt met eenen Spanjaardt, aanteekenaar der herberghen voor't krysvolk, had hem gebeeden, zorgh te draaghen voor't huis haarder geweezene vrouwe. Hy,

[p. *54-*55]



illustratie

[p. 473]

+hebbende, neevens d'andre stroopers, de gantsche stadt deur gerotst, komt endtlyk vereischen, oft zulk een' vrouw daar woonde. Bericht zynde met jaa, geeft hy reede zyns vraaghens, ende biedt zyn' bescherming aan. Daarop werd hy, met wyf, kindren, en dienstbooden, danklyk ontfangen, en zette, seedert, den aanstoot der andren af, met bybrengen, dat hy 't ingenoomen huis voor zynen buit hield. Zy bleeven daar, wel onthaalt, oover de zeeven maandem. 'T wyf lagh'er een kinderbed. Op zyn vertrek schonk men hun ontrent zestienhondert gulden, tot een' vereeringe. Maar, om niet al de ellenden, zoo plotselyk oovergekoomen, aan deeze bloeyende stadt, van stuk tot stuk te vertellen, 't welk nemmer gedaan werk waare; zoo diene dit eene naaste, tot staal der gruwelen daar gepleeght, en men kenne, by't zelve, d'onmeukbaare wrangheit dier zuure gemoeden. Een jonk paar gebuuren, te zaamen getrouwt, hadden gedacht, dien aavondt, hunne bruiloft te houden. Daar zy, neevens eenighe vrunden, vergaadert waaren, af beidende 't geen hen naaken moght, met de gadaante der doodt, en argher voor ooghen; komt de zwaarigheit aan, droever veel dan 't verwachten. Een vervaarlyk getier, en 't bonzen op de deur, voorhooden van 't uitterste quaadt, doen pooplen van schrik, die reeds verbaasde borsten. De haairen gaan te bergh staan, de handen in het hair. Men laat de geweldenaars in, en oopent hun gedweeghlyk kaamers, kisten, kassen, en wat'er geslooten was, om al hunn' gaading uit te leezen. 'T magh niet baaten; zy doorstooten, onder andren, den bruidegoom, voor de voeten der bruidt. Deeze weeduw, eer zy vrouw was, slaat een jammerlyk geluit; slingert om, als vertwyfelt, en werpt zich in den schoot haarder moeder, die zelve de ziel tussen de lippen had. Men scheurt haar van daar, door bevel eens Spaanschen Hopmans, en sleeptse naa 't Slot. De vaader, die alleen van al de manspersoonen te lyf gebleeven was, haar ziende in die gestaltenis, dacht, neevens 't geduldt, zyn' zinnen te missen. Raazery maakt hem handen, en stoffeert ze van waapenen. Hy vlieght eenen van deeze beuls aan; en geeft dien zoo veel, dat hy daar nooit af op stond. Maar daadtlyk kreegh d'ouwde man d'andre op den hals, en meer dan twintigh steeken naa zyn doodt. Die de dochter booven gebraght hadden, slooten haar op, en keerden weeder naa stadt, om hunnen oest niet te verzuimen. De eenzaamheit der plaatse, 't bemymeren haars ongevals, baarde de jongste mistroostigheit. Haar staatsysieraadt, toegestelt om liefs ooghe te behaaghen, was, docht haar, dewyl 't hem dien dienst schuldigh bleef, verplight tot den naasten, en een bequaam gereedschap, om haar den wegh t'hemwaarts te oopenen. Zy maakt haar' goude keeten erghens om hooghe vast, en vlydde nu de strik om de keele, als de Hopman ter kaamer in komt. Hy, vindende haar ten uiterste ontstelt, en bysterlyk bekreeten; zonder aanschouw, knaaghing, oft eenigh meêgevoelen van 't leedt, daar hy oorzaak af was; zonder beweeghenis met haar' uitneemende schoonheit, die door de droef heit en wolken der traanen heene blonk; in steede van zulk een' mismoedigheit met den alderminsten troost van aanspraak te verzachten; stroopt haar, keeten, kleynoodje, en alle kleedren af, en dat zuiverlyk lichaam, van booven tot onder, met ooverstrenge roêslaaghen. Noch liet d'onmenschelyke wreedtheit het hierby niet. Met de versche smart, jaaght hy haar moedernaakt en leekende van bloedt door ontallyke quetzuuren, die niet dan eene scheenen, naa de stadt toe, die in lighte loogh stond. Nochtans, naar dat het voor haar beschooren gestaan had, hield zy, zynde behoudener eere daar afgekoomen, dit voor een wenschlyk ontslippen. Ende was nu haar geest oovergezwaait, uit de wanhoop, tot gedachten van 't leeven te berghen.

[p. 474]

+ Maar een ander stuk schelms, ziende haar naa eenighen schuilhoek traghten, voltooide 't snoode werk, vergoot de rest haars bloeds, en smakte 't lyk op straat. Gelyk d'onnoozelheit een terghzel ter doodt, zoo was 't een voordeel, dat pas, deeze verdient te hebben. Hopman Gaspar Ortis kreegh den Steen, een kerker zoo genaamt, tot zyn deel: en stellende, op ransoen, alles, wat daar, zoo om grof misdryf, weêrdoopery, oft andre gezintheit in 't stuk des geloofs, op den hals, als om geldtschuldt gevangen lagh, smeedd' 'er een' rykdoom uit. Geenerley Landtaardt, Spaansche, Italiaansche, Portugeesche, Hooghduitsche, nocht Engelsche koopluiden, werden verschoont, oft men dwong hen, lyf en goedt, by uitkoop, te lossen. Het Oostersch en Engelsch huis, berooft van allen inboedel en zilverwerk, moesten daarenbooven groot gelt, tot brandtschatting; het Engelsch wel twaalfduizendt kroonen, betaalen. Het eenigh tilbaar goedt, dat men den eighenaaren vry liet volghen, was 't gevluchte op de Burgh. De Geestlykheit, Paapen, Monnikken, Jesuyten, werden zoo weinigh geviert, in dit deel, als de weirlyken. Niet alleen het gemunte, maar de gewyde vaaten, al de kerklyke kostlykheit, en pronk der altaaren, werden hun afhandigh, en de Heilighen berooit gemaakt, door een volk, dat hunne waardigheit, voor en naa, in den mondt heeft. Arme Priesters, daar 't minste niet af moght, werden geperst, den prys huns leevens, in d'omleggende plaatsen te doen beedelen. Die werelt onlanx van een stadt, was nu een naar toonneel van afgryslykheit. Van treê tot treê, verslaaghe menschen en paarden. De straaten geverwt, en plas, van hun vermengde bloedt. De rookende puinhoopen; een' aakelyke woestheit. Een groot deel der Hooghduitschen lagh verbrandt in de harnassen, op de markt; den eene arm oft been, den andre hooft oft schouder af. De menschlyke gemeenzaamheit had'er t'eenemaal' uit. 'T moght den vrundt niet gebeuren, zynen vrundt; den gebuur zyn' gebuur aan te spreeken: houdende de Spanjaardts een bitter oogh op yeder, die zich by eenen andren voeghde. Waar der slechts twee oft drie te gaader quaamen, die deeden zy daatlyk scheiden, met slaan oft dreighementen. Oover vrouwekraft werd, immers den eersten nacht, niet zeer geroepen: 't zy dat honger en vermoeyenis hun de gailheit gekneust hadden, oft dat de lydsters haar leed verkropten, daar 't klaaghen niet dan quaadt in doen kon. Tot het bekostighen van de begraafenis der dooden, dwong Roda de verzorghers der armen, in plaats van hun eenigh handtreiken te bewyzen, 't welk zy, om Gods wil, baaden. Die de som der plondering maakten, wilden, dat zy in baaren gelde, goudt, zilver, en kleinoodje, oover de veertigh tonnen schats beliep: zonder de lyne, wolle, zyde, zilvere, goude laakenen, en gewaaden. Verscheide Koningen, Vorsten, vrye Staaten, en verregezeete volken, hebbende alhier hunne bewindtsluiden, met waaren en penningen, droeghen hun aandeel in dit verlies; en naauwlyx oordt van Europa, dien 't niet, den eene min, den andre meer, gesmart heeft. Te weeten, als'er meer niet te schrobben was, sloot men wissel van geld om lyf; ende drieschende zoo vreemdelingen als burghers, met het zwaardt op de strot, deed hen Bondtschriften verlyden, tot betaaling buiten's Lands. En 't was vergeefs, zich te beroepen op gerechtigheeden oft vrydoomen, aan den uitheemschen handelaar verleent, en bezwooren by den Koning. Die waaren, riep men, oover lang, verbeurt, en 't leeven daarenbooven; zulx, dien 't gelaaten werd, moest denken, dat hy 't te geef kreegh, en des der Spaansche goedertierenheit dank weeten. Dus schendigh en onwaardelyk, werd, tot loon haars volhardens in 't Roomsche geloof en lydzaame onderdaanigheit, de treflykste Koopstadt der Christenheit vertreeden, onder voorwending dat zy den Raadt van

[p. 475]

+Staat gevolght had, wiens parthy doch altoos de wettighste was, ten aanzien van 't hoogh gezagh, dien gegeeven by den Koning, en niet herroepen tot noch toe. Dit oovergruwelyk bedryf, nemmer uit hunne heughenis te wisschen, wort, by d'inwoonders, met den naam der Spaansche Furie oft Woede, gedacht. Het buitgoedt, wyders, zoo 't quam, zoo voer 't; ende werd gespilt aan slooren, aan slempen; met tommelen, met tuissen, en allerley ooverdaadt, en ongereegheltheit. Onder andre plaatsen diende de Burze tot dobbelschool. Daar waaren slechte soldaaten, die tienduizent kroonen, op eenen dagh, verspeelden. Een' vernieuwing van hartenwee voor de steedelingen, die den arbeidt hunner handen en harsenen, het steunsel des leevens van wyf en kinderen, zoo lichtveirdelyk en schandelyk zaaghen verquisten. Andren deed eenighzins lief, dat de roovers met der haast zoo kaal waaren als de beroofden. Etlyke Spanjaardts, om stilzwyghens ryk te blyven, en 't gestoolen goudt behendelyk wegh te kryghen, lieten 't verwerken tot gevesten van dolken en rappieren, jaa tot heele rustingen; en buiten zwart vernissen. 'T welk den goudtsmeeden een' slaghboegh strekte, om hun verlies te boeten: gemerkt zy den besteeder somwerfs d'ontfange stof, wel ten halve met kooper vervalscht, voor louter aansmeerden. Eenighe burghers, tot verhaal hunner schaade, en weêrwraak teffens, maakten, daar z' een' Spanjaardt om een' hoek kreeghen, hen wakkerlyk af, en worpen 't uitgeschudde lichaam onder d'andre dooden. Terwyl de soldaat in 't heftighst van 't hollen was, quaamen Avila, Romero, en andre kryshoofden hen vermaanen tot zacht gaan. Naa 't uitlaaten en aanhitsen der oovergeevenste moedtwille, zocht men, genoegh verzeekert van geen gehoor te vinden, den lof der tuchtliefde. Deezen vervloekten handel, geblanket, zoo veel als'er blankettens aan was, schreef Jeronimo Roda, voor een pryslyk en verdienstigh werk, oover naa Spanje, en wenschte den Koning geluk met de zeeghe. De zelfste Roda, niet verzaadt met zulk een' vloedt van allerley jammer, trachtte noch, plaagh op plaagh, en ellend op ellende te klampen. Hy gebood, den * wondtheeleren der stadt, de naamen van al die zy geneezen oft onder handen hadden, schriftelyk te melden aan den Provoost Camargo, om hunne goedren verbeurt te maaken, quansuis uit blyk van weederstandt aan de Spanjaardts gedaan: hoewel 't meeste deel, binnen 's huis, en oovermeestert, aan zyne quetsuuren geraakt was. Het onheil tot Antwerpen deed, tot Gent, den handel der vreede, die doch op goede maate stond, ernstelyker aanbinden: zulx dat ze in kort getroffen werd, +op den volghenden voet. Alle leedt, en misdaadt, gebeurt ter zaake +van de beroerten, zy vergeeven en vergeeten. De Staaten van Brabandt, +Vlaandre, Arthois, Henegouw, Valenchyn, Ryssel, Douay, Orchiers, Naamen, Doornik, Uitrecht, en Mechele, van weeghe der steeden en landen onverheert door de Spanjaardts, ter eene; de Prins van Oranje, samt de Staaten van Hollandt en Zeelandt met hunne gevoeghden, ter andre zyde; zullen, voortaan, vaste en onverbreeklyke vrundschap houden, onder plicht van elkandren by te staan, met raadt en daadt, goet en bloedt, teeghens alle vyanden deezes Bondtgenoodtschaps; inzonderheit, om uit de Landen te verdryven, en daar buiten te houden de Spaansche, en andre uitheemsche soldaaten, gepooght hebbende, buiten weeghe van recht, den Heeren en Eedelen 't leeven te beneemen, den rykdoom des landts in te slokken, en de gemeente in eeuwighe slaaverny te brengen: ende zich, tot dien einde, volveirdigh toonen, in 't op-en toebrengen aller schattingen, naa reede +van de noodt. Terstondt naa 't vertrek der Spanjaarden, zal elke parthy bevordren de vergaadring der breede Staaten, in der forme, als ten tyde van

[p. 476]

+de ooverdraght der Heerschappye, door Kaizar Karel, aan Koning Philips zynen zoone; om orde te stellen op de gemeine en bezondre zaaken des Landts, ende zoo wel, noopende de oeffening van den Godsdienst in Hollandt, Zeelandt, Bommel, en de plaatsen hun aankleevende, samt belangende 't herleeveren van sterkten, geschut, scheepen, en alles, wat, den Koning toebehoorende, by hen, geduurende de beroerten, genoomen is, als anderszins: zonder dat d'eene oft d'andre parthy daarteeghen zegge, oft eenighe verhindering oft uitstel zoeke, ten aanzien van de uitspraaken, keuren, en raadslooten, by de gemelde zaamening, te doen en te maaken, ofte van +'t uitvoeren der zelve. Den Landtzaaten, van weederzyden, staa vry, oover al te mooghen gaan, keeren, hanteeren, en woonen: des zullen de Hollanders, Zeeuwen, oft andren, wie zy zyn, zich, buiten de gewesten van Hollandt, Zeelandt, ende die hun aanhangen, niet vervorderen yets te bestaan tot naadeel der vreede, en zonderling teeghens den Roomschen Godsdienst, en de oeffening des zelven; nochte yemandt, ter zaake van dien, te hoonen, terghen, oft argheren, met woorden oft werken, op straffe van +versteurders der gemeene ruste. Op dat nochtans, midlerwyle, niemandt geringelyk behaalt, oft listelyk verstrikt, en in gevaar gebraght warde, zoo zal men de plakkaaten, eertydts uitgegeeven op 't stuk der ketterye, samt de lyfzaaklyke keuren, gemaakt by den Hartogh van Alva, staaken, tot +dat daarinne anders voorzien zy by d'Algemeine Staaten. De Prins van Oranje blyve Ammiraal der zee, ende Stadthouder oover Hollandt, Zeelandt, Bommel, en de oorden met hun gevoeght, om in alles te gebieden, gelyk hy jeeghenwoordelyk doet; met de zelfste Amptmannen, Rechtsluiden, en Majestraaten, zonder eenighe vernieuwing oft verandring, dan by zynen wille en verlof; ende dat, oover de steeden en plaatsen, nu ter tydt, gehouden by zyne Doorluchtigheit; tot dat, by de breede Staaten, naa 't vertrek +der Spanjaarden, anders geordent zy. Maar, belangende de steeden en plaatsen, begreepen onder den lastbrief, ontfangen by hem van zyne Majesteit, die jeeghenwoordelyk niet onder 't gebiedt en gehoorzaamheit zyner Doorluchtigheit staan, blyve dit punt geschorst, ter tydt toe, dat de zelve steeden en plaatsen, zich tot deeze vereenighing gevoeght hebbende met d'andre Staaten, door den Prinse vernoeght zyn zullen, oover de punten, +waarby zy zich, onder zyne regeeringe, bezwaart vinden; zoo ten opzien van de oeffening van Godsdienst, als anderszins; om d'ontleeding der Landtschappen, en alle tweedraght te verhoeden. Geene plakkaaten, * bevelbrieven, voorzieningen, oft * te werkleggingen, zullen plaats grypen in de voorzeide Landen en steeden geregeert door den Prinse, dan by goedtvinden, en besluit van zyne Doorluchtigheit, ende van de Raaden, Majestraaten, en Amptmannen aldaar: zonder dat hier door, in toekoomenden +tyde, verkort warde 't hoogh gezagh van den Grooten Raadt zyner Majesteit. Alle gevangenen ter zaake der beroerten, met naame de Graaf van Bossu, zullen uitgaan zonder yets te betaalen, dan de kosten +der vankenisse, 't en waare zy hun ransoen voor deezen voldaan, oft, dienaangaande, verding gemaakt hadden. Den Prins voornoemt, samt alle andre Heeren, Ridders, Eedelluiden, aonbeampte persoonen, en onderzaaten van alderley soorte, mitsgaaders hunne weeduwen, blyftochtenaaressen, kinderen, en erfgenaamen, van d'een en d'andre zyde, herstelt men tot hunne middelen, naame en faame, zoo dat zy mooghen aanveirden alle hunne heerlykyen, goedren, cvoordeelen, dgerechtigheeden, en uitstaande schulden, noch onverkoft en onvervreemdt, in zulken staate als men ze, op dit pas bevindt: ende alle erechtverzuimenissen, fweederhoorigheeden, gbekommeringen, vonnissen, aantastingen, en huitvoeringen, begaan, gegeeven, en gedaan seedert den aanvank der beroerten

[p. 477]

+in den jaare vyftienhondert zessentsestigh, zoo wel om 't stuk van den Godsdienst, als om 't aanneemen der waapenen, en 't gevolgh van 't zelve, zyn, te dien einde, hier meede verbrooken, herroepen, doodt en te niet: ende zal men die, samt alle schriftelyke ibepleitingen, khandelingen en ooverhandelingen, te dier oorzaake geschiedt, vernielen, en in de lboeken uitschrabben; zender dat yemandt behoeve hiertoe eenighe andre mvoorziening te verwerven, dan dit jeeghenwoordigh verdragh; onaangezien eenighe ninlyvingen, rechten, gewoonten, ovrydoomen, plang bezit, zoo wel qgesprooten uit de wetten, ruit verding, suit gewoonte, als tplaatselyk, oft eenighe andre uweernissen daarteeghens: dewelke in deeze, ende in alle andre zaaken raakende de beroerten, moeten ophouden en geen' steede grypen, als, tot dien einde, xin 't bezonder (zoo verre als 't noodigh valt) hier yontkraftight geworden: gelyk ook de rechten, die meedebrengen, dat zgemeene ontkraftighing niet geldt zonder voorgaande auitdrukking van eighentlykheit. Hieronder zal begreepen zyn; om deeze weldaadt te genieten, +de Gemaalinne van den Keurvorst Palsgraave van den Ryn, eertydts weeduwe des Heeren van Brederoode, belangende de goedren van Vyane, en andre, waar toe haare Keurvorstlyke Genaade, oft een ander, beischstof van haar hebbende, zich gerechtight vinde. Desgelyx zal hieronder begreepen zyn de Graaf van Buure, voor zoo veel als aangaat de stadt, +Slot, en Landt van Buure, om de zelve, by vertrek der bezettelingen, te +gebruiken als zyn' eighene. De pylaaren, czeeghegestighten, opschriften, en andre teekenen, die de Hartogh van Alva, heeft doen oprechten, tot schande en laster zoo van de boovengenoemden als andren, zullen afgeworpen en vernielt worden. Aangaande de vruchten van de voorschreeve heerlykheeden +en goedren, 't verloop en de t'achterheeden van de dlyftoghten aan weduwen naagelaaten, toghten, pachten, çhynzen, en renten, zoo op den Koning, landen en steeden, als andere, die, voor de edaghteekening van deezen, verscheenen ende nochtans niet betaalt nocht ontfanghen zyn by zyne Majesteit, oft de geenen die feischstof van haar hebben: de zelve zal elk in 't zyne mooghen ontfangen en genieten. Welverstaan, dat al 't geene verscheenen is, zoo wel van de voorzeide erfgoedren, renten als van +andre, seedert Sant Jans Misse lestleeden, zal blyven tot genot der geenen, die daartoe gerechtight blyken, al waare schoon yets daaraf gëint by den ontfanger van de verbeurtgemaakte goedren, oft andren; ende heeft men 't zelve, in zulken gevalle, weeder uit te keeren. Maar, indien +eenighe jaarschaaren van de voorzeide pachten en renten, oft andre inkoomsten, van 's Koninxweeghe, by tytel van verbeurtmaaking, aangeslaaghen en geheeven zyn; zoo wort elk, oover gelyke jaarschaaren, vry, los, en quyt gehouden, van de gdinglyke lasten en opstal uit zyne goedren gaande: gelyk men ook yeder, t'aller stonde, vry, los, en quythouden zal, van de renten, staande op landen, en goedren, die hy, mits de voorleede beroerten, niet heeft konnen gebruiken; in alles, naa gelang des tyds van het zelve beletsel +en ongebruyk, uit oorzaake voorzeidt. Van huisraadt, en andre tilbaare haave, die, aan beide de zyden, vernietight, verkoft, oft anders +vervreemt is, zal niemandt eenigh verhaal hebben. Belangende de erfgoedren, huizen, en renten, verkoft oft vervreemdt, onder tytel van verbeurtmaaking; de Algemeine Staaten zullen in elk gewest, ende uit de Staaten van 't zelve, maghtighen zeekre bewindsluiden, om kennis te neemen van de zwaarigheeden, indien daar eenighe vallen, en om reedelyke voldoening te geeven, zoo wel aan d'ouwde eighenaars, als aan de koopers en verkryghers der zelfste goederen en renten, voor hun hverhaal, en iuitwinning, +kten aanmerke van d'eene en d'andren. Van gelyke zal geschieden, noopende 't verloop van persoonlyke renten en lbondtschriften, samt alle zulke

[p. 478]

+andere meischreedenen, en klaghten, als denschaêlyders ter oorzaake van de beroerten, naamaals, aan weederzyden, zullen willen oaanheffen, en voorstellen, in wat maniere dat het zy. Alle Prelaaten, en andre geestelyke +persoonen, hebbende Abdyen, stiften en woonsteeden, die buiten Hollandt, en Zeelandt, geleeghen zyn, ende nochtans gegoedt binnen de zelve Landen, zullen weederom koomen in den eighendoom en 't gebruik der zelve goedren, als voore, ten opzien van de weirlyke. Maar, wat belangt de kloosterluiden +en andre geestelyken, die, binnen de voorzeide twee ende hun aankleevende Landtschappen, zyn pingewydt oft qbeonderhoudselt, en daar uit gebleeven oft vertrokken; den zelven (gemerkt de reeds geschiede vervreemding van 't meeste deel hunner goedren) zal men, voortaan, reedelyk onderhoudt verstrekken, gelyk den gebleevenen: oft anders hun 't gebruik hunner goedren toelaaten; ter keure van de Staaten nochtans; alles by maniere van rvoorraadt, ende tot dat, op hun svoorwenden, de breede Staaten anders +geordent hebben. Alle giften, ontervingen, ende andre tmaakingen, geschiedt uonder de leevenden oft ter zaake van de doodt, by xenkele ende onbeampte persoonen, waardoor de gerechtighe erfgenaamen, ter zaake van de beroerten oft den Godsdienst, van hunne ygoedtbeuringe versteeken, vermindert, oft onterft zyn, zullen, uit krafte van deezen, gehouden worden, als zverbrooken, en van geene waarde. Ende, dewyl die van Hollandt +en Zeelandt, om de kosten der oorlooghe te beeter te vervallen, alle penningen van goudt en zilver, zulx hebben gereezen, dat zy de zelve, in andre Landschappen, niet kunnen uitgeeven zonder groot verlies; zoo zullen de gemaghtighden der breede Staaten, ter eerste mooghelykheit ooverleg maaken, om, daarop, eenen gemeinen voet te raamen, op dat de gank der voorzeide munte eenpaarlyk ingestelt warde, zoo naa als doenlyk zy, tot onderhoudenis van de vereenighing, en van den koophandel ter weederzyden. +Voorts, op 't vertoogh der gemaghtighden van Hollandt en Zeelandt, ten einde dat het gemein lichaam der Neederlanden t'zynen laste neeme al de schulden, gemaakt by den Prinse, om te doen zyne twee weldighe heirtoghten; waartoe zoo wel die van Hollandt en Zeelandt, als de Landtschappen en steeden, die zich in den lesten toght oovergaaven, zich (zoo zy zeiden) hebben verbonden gehadt, is 't zelve punt gestelt en gelaaten ter bescheidenheit en uitspraake der Algemeine Staaten, dien, naa 't bevreedighen aller zaaken, des averslagh oft vertooning gedaan zal worden, op dat zy +daarop letten naar behooren. In dit verdragh en vreedebesluit zullen niet begreepen zyn, om de weldaadt van 't zelve te genieten; de Landen, heerlykheeden, en steeden, volghende de teeghenparthy, voor dat zy zich, met der daadt, gevoeght hebben tot dit verbondt; 't welk hun vrystaa te doen +wen 't hun gelieft. Zynde, naa voorgaande baankunding, dit verding en paishandel, cbeaangenaamt en toegestemt, zoo wel by de Heeren gelast tot de regeeringe der Landen, als by de Stadten der zelve, samt by den Heer Prins, de Staaten van Hollandt en Zeelandt, en hunne metverwanten, in al de voorschreeve punten, ook in alles wat de breede Staaten, noopende 't voorgemelde en anders, duitspreeken en ordenen zullen; zoo hebben de gemaghtighden, uit krachte hunner lastbrieven, belooft en gezwooren, belooven en zweeren by deezen, 't zelve onverbreeklyk t'onderhouden, ganschlyk naa te koomen, ende, oover d'eene en d'andre zyde, evoor vol te doen aanneemen, bezweeren en vestighen, met handt en zeeghel, by de prelaaten, eedelen, steeden, en andere leeden der Landen; naamentlyk by den voorzeiden Prins, zoo wel in 't gemein als in 't bezonder; binnen een' maant eerstkoomende, tot yders genoeghen. Ende in kennis van 't geen voorschreeven is, hebben de gemaghtighden deezen jeeghenwoordighen onderteikent, in 't scheepenhuis der stadt Gent, op den achtsten dagh van Slaght-

[p. 479]

maant +des jaars vyftienhondert zessentzeeventigh. Ten zelven daaghe +werd de Burgh van Gent, tot twee plaatsen, te brugge, bestormt: zynde de borstweeren nu ter needer geworpen, en reedelyke breuk geschooten in 't bolwerk van Sant Joris. De Huisvrouw van Mondragon moedighde de bezettelinghen, met hoope van ontzet: gemerkt haar man, verlaatende Sierixzee en de Zeeuwsche eilanden, neevens een deel van zyn volk, reeds in Brabandt gekoomen was: 't welk ook de Staaten veroorzaakt had d'aanvechting voorts te dryven Die van booven echter (hoewel zy dien torn mannelyk afstonden) geen' zeekerheit van hulpe, en zich merklyk gezwakt ziende, traaden thans in onderhandeling met den Graave van Lalain, als Steedehouder des Hartooghen van Aarschot. Ende +bevoorwaardt hebbende, dat men hen, onverkort aan lyf en goedt, deede geleiden tot in Vrankryk, tooghen zy, den elfden der gemelde maant, van 't Slot; en weederom twee vendels, 't een van den Graave van Reux, het ander van den Prinse, daarop. Voor het treffen der vreede, deed de Prins onderstaan, oft Bossu, door toezeg van vryheit, te beweeghen waan om alle plaatsen, bezet in Hollandt by soldaaten van zynen regemente, oover te leeveren. De Graaf antwoordde, Dat, gelyk 't geen hy voor heene gedaan had, in krachte van 't bevel des Landtvooghdts te dier tydt, was uitgevoert; alzoo meede het jeeghenwoordelyk geverghde by kennis en goedtvinden des regeerenden Raadts behoorde te geschieden. Hy scheen eevenwel te luisteren, beloovende nemmermeer de Spanjaardts te begunstighen, en schryvende aan eenighen zyner Hopluiden, om hunne geneeghenheit te peilen. Vorders verzocht hy, tot Middelburgh en in mondtgemeenschap met den Prinse te mooghen koomen. Zyn' Doorluchtigheit ontbood hem derwaarts. Maar die van Noordthollandt, duchtende daar door versteeken te worden van zyn ransoen, oft eenigh ander voordeel t'hunner verlichtinge, hielden hem binnen Hooren, en deeden des hunn' onschuldt by den Prinse; die, daaroover, groot onbenoeghen toonde. En hy beval andermaals, den Graaf, onder behoorlyke wacht, naa Middelburgh te zeinden, in allen schyne, oft het op zyn voorighe schryven geschiedt waar. Dit diende om te bezoeken oft Bossu, als wiens verlossing voor 't besluit der vreede begonnen waar, yets zoude willen afstaan, van 't naauwste recht hem immiddels gebooren uit het neeghende der paispunten, en zich beweeghen laaten tot het ontleedighen van Muide en Weesp. Niettemin, zynde in Zeelandt gebraght, +werd hy eerlyk onthaalt van den Prinse; en volkoomelyk ontslaaghen, op enkele beloften van 's vaaderlandts best te helpen vorderen. Als ook de Prins vernam, dat Mondragon, op den derden van Slaghtmaant, Sierixzee en al de sterkten in dien oordt geruimt had, gaf hy last aan den Graave van Hohenlo, zich daar van te verzeekeren. Die van Sierixzee zetten den voet dwars, braghten de bussen op de wallen, en zonden aan zyn' Doorluchtigheit, om odgemoeit tussen beide te mooghen blyven zitten. Dit nam de Prins voor zulken hoon, dat hy dreighde de stadt t'eenen +roof te geeven. Dies lieten zy 't vallen, en den Graaf, met de zynen, inkoomen. Dus kreegh men, met kleene kosten, in acht daaghen, weederom, neevens eenen schat yan geschut en krysgereedschap, al 't geen de Spaanschen, met zoo veel spillens van geldt, bloedt, en tydt, in dien hoek, veroovert hadden. In Oudewaater, dat pas, laaghen ontrent tzeeventigh soldaaten, meer begaan om ongestroopt daaruit te raaken, dan om de plaats in te houden; mits hun de toevoer der lyftoght was afgesneeden, door den Heer van Swieten. Deez' hier af lucht hebbende, deed hun aanbieden, dat zy, ook de burghers des gezint, met hunne pakkaadje, veiligh zouden mooghen uitgaan. Daarop tooghen zy deur, naa 't platte land van

[p. 480]

+Uitrecht. In Oudewaater werd Hopman Baak, met zyn' knechten, geleit. +Al eenighe daaghen te voore, verlieten de Spaanschen ook Beeverwyk en 't huis Assenburgh. 'T welk die van Beeverwyk aan Sonoy deeden weeten, om verschoont te worden van plondering, aan 't geen hun +noch was oovergebleeven. Sonoy schikte terstondt een deel volx derwaarts, met verbodt van den ingezeetenen oft huisluiden eenighen ooverlast te doen. De schans van Spaarendam werd meede ontleedight, en thans bezet by Kornel Harman Helling, tot groote benauwing van Haarlem. Margelle, gebiedende daar binnen, als Stadthouder van Verdugo, dreighde die van den Haaghe en 't Westlandt, met brandt, oft ander leedt, +'t en waar zy gemaghtighden zonden, om met hem t'ooverkoomen. Maar de Staaten van Hollandt hielden dit zwaardt in de scheede, met inleeghering van een goede troepe tot Noordtwyk. De zelve Staaten, beducht voor eenighe lorshandelingen teeghens de staande regeeringe, keurden, +naa 't verkundigen der Gentsche vreede, dat geene weederkeerende uitwykelingen zouden mooghen eenighe hooftamptmanschappen van rechte bedienen, die ter begeevinge van bezondre Heeren stonden; maar, dat, de jeeghenwoordighe amptluiden hadden aan te blyven, tot dat op dit stuk, anders voorzien waare by d'Algemeine Staaten. Doch, indien men eenighe Amptluiden onbequaam vonde; in de plaatzen der zelve, stonden andre te verkiezen, by den Prins oft de Staaten, ter benoeminge van de voorzeide Heeren. Alle inkoomende vluchtelingen zouden voor 't aanveirden hunner goederen, den Prinse als wettighen Stadthouder des Koninx, en den Staaten moeten hulde zweeren; ook hulpe tot het herwerven der ouwde vrydoomen, weederstandt aan 't quetsen der zelve; nocht goedt nocht bloedt te spaaren aan 't verjaaghen der Spanjaarden en hunnes aanhangs, ende zich nemmer te begeeven in eenighe plaats van Nederlandt die onder hun geweldt stonde; geene ordeningen van den Prinse, van de breede, oft Hollandtsche Staaten, te weederstreeven met woorden oft werken, tydtlyk en getrouwelyk t'ondekken al 't geene zy vernaamen, tot naadeel des lands, oft der ooverheit, gebrouwen te worden; by raadt nochte daddt yets te bestaan teeghens den gezuiverden Godsdienst oft diens oeffening, althans gestaadight in Hollandt en Zeelandt; in geene maniere te trachten naa oeffening oft invoer van andren Godsdienst, dan dien de Staaten der zelve Landen, op dat pas, oopenbaarlyk hadden toegelaaten, ende dit, tot dat, naa 't verdryven der Spanjaarden, by een' wettighe vergaadering der Algemeine Staaten, anders geoordeelt waare: wyders, naa te koomen de voorwaarden van paize, laast geraamt tot Gent; ende voorts, in alles, den plight van getrouwe onderzaaten, burghers, en inwoonders. Noode zagh de Prins, naar zyne bescheidenheit, dat men de luiden, booven den eedt van 't achtervolghen der vreedepunten, bezwaarde. Niettemin, 't besluit der Staaten greep stadt. Terwyl met dus een' keer, de staat des Nederlandts van forme wisselt, en de lankzaamheeden des Hoofs van Spanje dringt uit haar' tredt te gaan; beval Koning Philips, zynen bastaartbroeder Don Johan van Oostenryk, die zich toen te Milan bevond, herwaarts aan te +spoeyen. Zynen lastbrief en berightschriften zouw men hem tydtlyk naa stuuren. Maar Don Johan ('t zy dat hy te voore wilde weeten, op wat voet men hem de Landtvooghdy toevoeghde; oft zich verzeekert zien van niet met ydele handen gelaaten te worden; oft waar 't hem anders schortte; als wiens hoope niet gerings begaapte vervorderde zich, buiten orde, eerst een' reize, welgewaaght met alleenlyk twee galeyen, naa 't Hof te doen. Philips nochtans verbeet de weêrsmaak deezes wanontzighs, ende gaf hem, korts daarnaa, zyn' afveirding. Om te min bekent te zyn, verwd' hy zyn hair en baardt, ende nam, neevens vier anderen (daaronder

[p. 481]

+Octavio Ferdinand Gonzaga, als meester van 't gezelschap) te poste den wegh door Vrankryk. Tot Parys gink hy aan een' herbergh aftreeden; maar 's aavonts ten huize van den Ambassadeur Diego de Zuniga, om verstendight te worden, hoe 't in Neederlandt geleeghen was. Van daar raakte hy voort, zonder ontdekt te weezen, 's daaghs voor den ooverval van Antwerpen, +tot Luxemburgh: alwaar hy, zich oopenbaarende, staatlyk bewelkoomt werd, by den Heere van Naves, Steêhouder des Graaven van Mansvelt. Thans verwittighd' hy, door brieven, de Staaten, hoe de Koning +hem gezonden had om 't bewindt der dingen t'aanveirden, alle twist en misverstandt te slissen, en de Landen weeder aan hunne ouwde welvaart te helpen. Dat hem wee in 't harte deed, te verstaan den bystren ooverlast, geleeden by hen van de Spaansche en andre uitheemsche soldaaten; dien hy, naa behoorlyk onderzoek en berichting, zulx dacht te straffen, dat men reede zouw hebben, zich daaraan te genoeghen. Zyne Majesteit eischte meer niet, dan volkoome gehoorzaamheit, ende dat men den Roomschen Godsdienst in zyn geheel hielde. Maar hy vorderde gyzelaars, en andre verzeekering, om veiligh dieper in 't Landt te mooghen koomen, tot gevoeghlyker onderhandeling. Welk bewys van mistrouwen terstondt omzien naa zyn' trouw baarde. De Staaten schikten luiden naa Luxemburgh, om naader bescheidt van zyn' meening: en pooghden, daarentussen, hun stuk al vaster en vaster te beleggen. Mits Antwerpen, en de vaart der Schelde aldaar, in bedwang der Spanjaarden was, zochten zy +eenen ommewegh; ende doorsteekende de dyken teeghens oover Oosterweel, lieten de stroom tot Vlaandre in. Joris van Lalain, Heer van Ville, naamaals Graaf van Rennenbergh, Steêhouder des Graaven van Lalain, verneemende hoe de Duitsche bezettelingen tot Valenchien met de Spanjaardts van 't Slot gesprek hielden, om de Staaten te versteeken van die stadt, paste, met acht vendelen Waalen van zynen regemente, dat te keeren; ende deed hun zoo lief, dat zy zich, met eenen daaler aan gelde, ter poort uit lieten zetten. Daarnaa, bygestaan van de burghers, beleegherd' +hy, en beschoot, anderhalven dagh, het Slot, daar hondertenveertigh Spanjaardts op waaren; die geen ontzet, en den storm voor handen ziende, de plaats ontruimden, mits dat men hun goedt geley, tot in Vrankryk, gunde. Boudewyn van Gavre, Baroen van Juchy, gekoomen tot Kamerik, met opzet, zich des meester te maaken, van weeghe der Staaten, schikte, onder den duim, een deel der bezettelingen op zyn' zyde te winnen. Daarnaa +ten eeten genoodt van den Heere van Liques, by wien hy zich anders veinsde, loonde, toen yeder wel by dranke was, zynen waardt met gevankenis, ende bleef Steê- en Burghvooghdt in zyn' plaats. Meer voeten in d'aarde had het omzetten van Vries- en Groeningerlandt; werwaarts de Staaten Françhois Martini Stella stuurden; eenen Brusselaar, welgeleerdt, hebbelyk, en behartst; met last, om te zien, oft het volk van oorlooghe, tot eendraght met hun, en tot aanneemen der Gentsche vreede, te beweegen waar. Caspar Robles, Heer van Billy, Ooverste van dat gewest, weetende der Staaten gezintheit, had geen ydele zorgh, dat men hem, als eenen vreemdeling en Portugees van geboorte, den houw in dien hoek, daar hy zeer wel gezeeten was, opzeggen zouw. Daarenbooven werd hy gedreeven door bezondren haat teeghens den Regeerenden Raadt, die hem, oover zyn scherp en hoogh vliegen, ernstigh beroepen had. Waaroover hy getracht had' zyn' soldaaten te verknoopen, door eenen eedt van hem drie maanden getrouw te blyven, om binnen wyle uit Spanje te verneemen, oft zyne Majesteit een pais van Gent toestonde; ook 't zelve reeds verworven van de Hopluiden Fernando Lopes, Monzeau, em Champy, samt hunne serjanten en rotmeesters. Verwittight, dat Stella binnen

[p. 482]

+Groeninge gekoomen was, deed hy hem by den hals grypen, en strengelyk +pynighen; waanende 't geheim van zynen last, en al 't voorhebben der Staaten, uit hem te trekken. Maar deez' beleed wyders niet, dan zyn' boodtschap te zyn, het noodighen der Majestraaten te Hoove, om, neevens d'andre leeden des gemeenen Landts, noopende den oorbaar des zelven, te raadtslaaghen. Bewaart wordende by zeeker getal soldaaten, die men van tydt tot tydt verwisselde, wist hy zich zulx t'hunner vrundtschap in te boezemen, dat hy, verstaande hoe veel zy ten achtere waaren, endtlyk waaghde hun volle betaaling aan te bieden, indien zy de stem der Staaten wilden volghen. Zoo bekoord' hy'er tzestigh oft tzeeventigh: en deeze een deel andren van handt tot handt. Den tweeëntwintighsten van Slaghtmaant, verzaamde Billy 't krysvolk in de kerk, en hield hun voor, hoe hem d'Algemeine Staaten, verzochten, hunne parthy t'omhelzen; 't welk hem geenszins te doen stond, zonder uitgedrukt bevel des Koninx. Dies begeerde hy vernieuwing van eedt, om te weeten wat hy aan hen hadde; zeggende, zoo yemandt geneeghen waar den Staaten te dienen, die zoude maar uit den mondt spreeken, en zyn afscheidt erlangen. Een der geenen, die door Stella waaren wendigh gemaakt, vraaghde; oft hy dan, zonder daaraan te verbeuren, zyn gemoedt ontblooten moghte. Als 't hem verzeekert werd, verklaard' hy, met de Staaten te willen leeven en sterven. 'T is wel, zeide Billy, men zal u uw afscheidt leeveren. D'andren naamen hun bedenken tot des andren daaghs. Die zich ontdekt had, werd 's morghens, by duister, zonder eenighen mensch te mooghen aanspreeken, met eenen daaler, naa buiten geweezen. Thans verghde Billy, den Hopman Lussy, het zweeren: die 't weigherde, tot dat hy zyn' serjanten en rotmeesters, daarop zouw gehoort hebben. Robles deed ze by hem koomen, en stelde hun 't zelfste voor. Maar zy verworpen 't als een' nieuwigheit, en zeiden te willen volstaan by den eedt, gedaan oover neeghen jaaren aan den Koning. Hier uit rees krakkeel, en 't eene woordt terghde 't ander. D'Ooverste, quaalyk gedachtigh dat het uitren des oevelmoeds den wegh ter wraake stopt, dreighd'hen, te zullen zien, wat hy met hun te schaffen hadde; en liet ze zoo van daar scheiden. Zy kennende hem voor eenen man die niet quydt schold, treeden in gesprek met de voorneemlyksten van 't vendel, en ontbieden de serjanten van Hopman Villers, wiens volk de wacht had. Tussen luiden van eenerley geleeghenheit, was 't verdragh haast getroffen. Zy besluiten, Billy in verzeekeringh, en dienst onder de Staaten, te neemen. Billy, daarentussen, geeft onthiet aan Lopes, om den vendele van Lussy onverziens op 't lyf te vallen, en 't zelve te vernielen; ende doet, te dien einde, eenighe groove stukken, waar verby het gewoonlyk ter wachte trok, met haaghel oft schroot laaden. D'anderen des gewaarschuwt door eenen serjant van Villers, tooghen een' andre straat om, en vertoonden zich op de markt, daar Robles t'huis, en uit de venster lagh. De Wachtmeester, Antonio Sarda, ziende, niemandt van hun, den Ooverste eenigh eerscheut oft ander bewys van erkentenis doen, roept hun toe, hoe nu? geeft vuur: en zy weederom; ghy eerst geldt om kruidt te koopen. Sarda, niet flinksch, tast van zich, en smyt'er eenen, dat hy ter aarde stort. Deeze stoutheit, wel 't raadzaamste middel om een' eerstaanvangende opstending te doen neederslaan, deed heel andre werking in de geene die nu ryp was. Zy schreeuwen en slaan waapen; leggen aan; baldren af; Billy naa zyn' ooren. De Wachtmeester aan 't loopen: zy ook; maar op de deur van 't huis: verkraften +die, en vatten den Ooverste by 't hooft. 'T volk van Villers verlaat de wacht; voeght zich by dat van Lussy: zy zweeren, het t'zaamen te houden. Hopman Lopes, verneemende 't gerucht op de markt, en dat zy

[p. 483]

+der laaghe ontgaan waaren, stoot derwaarts te paarde, en vraaght wat'er schort. Men antwoordt met bustrompen: zulx hem zuur genoegh viel, wegh te raaken, en zich te berghen in een bakkers huis. Zyn' soldaaten, zonder marren, spannen aan met de rest. Billy, neevens zynen Steedehouder, Heer van Ruisbroek, getrouwt aan zyn' dochter, wordt op 't Raadthuis, vast gezet. Toen wisselt hy van taal, zet'er een' zoeter wyz' op, en belooft hun te voldoen. De soldaaten, wel bezeffende wat den halsterken zoo reklyk maakte, schelden hem, schelm, verraader: roepen, Leeve de Prins, leeven moeten de Staaten. Voorts stellen zy de Hopluiden, Villers, Monceau, Champy, en etlyke andren, in hechtenis. Zelf Lussy moest'er ook aan. Daarenteeghens haalt men Stella, uit der vankenis, onder den hoop; slaat ring om hem, en vraaght, oft hy zins waar +'t uiterst neevens hen op te zetten. Hy belooft het; en zy, daarop, laaten zich, in den naam der Staaten, beëedighen. De naaste zorgh was 't maaken van nieuwe Hopluiden, en Bevelhebbers, die zy zelve kooren. Voorts, doen zy omroepen, dat geene burghers zich, die nacht, buiten der deure begeeven zouden, oft daar paste een koeghel op. Die van der stadt staaken in bystre anxte, dat het op een moorden en plonderen, als t'Antwerpen, zouw uitkoomen. Maar de nieuwe Gezaghhebbers, naa raadslaaghen, met Stella, wat wyders te doen stonde, begeerden, des aavondts, op de vier Burghermeesters, dat zy zich, neevens de bezettelingen, op de zyde der Staaten wilden vlyen. Burghermeesters eischten tydt, om 't gansch lichaam der stadt, dienaangaande, te spreeken. Dit geschiedde +ten naasten daaghe; en de voorstel der Hopluiden werd gepreezen. Dies veirdight men Stella naa Brussel af, om eenen andren Stadthouder oover 't gewest, een ander hooft des krysvolks, en de beloofde soldy te verzoeken. Ook deed men, tot meeder verzeekertheit, noch een sterk vendel knechten, op den zelven eedt, in stadt koomen. Noch was 't 'er niet uitgeholt. Zommighen, zich kitlende met d'ongebondenheit, streeven, als allen dwang ontsprongen zynde, naa de waagh toe, daar de wippaal stond; rukken'er de reep af, om zich daar aan te wreeken, en ver-branden ze op de markt. Andren, gerooken hebbende, dat Christoffel Vasques, Oudtsteêvooghdt van Zutven, in stadt, en by de Franciscaanen verborghen, was, draaven naa dat Klooster. Hy, in een' kap, en geschooren als een Monnik, met een' kaars in de handt, holp zich zelven zoeken; en zoud' hen zoo gemompt hebben. Dan zeeker Hooghduitsch Minrebroeder zeid'hun, dat die wel een Monnik van hunne orde, maar niet van hun klooster was. Ende als de soldaaten zyn' meening niet begreepen, duwd' hy hun toe, in Latyn; dat 's de man, vat hem. Dies werd hy aangetast, en in dat gewaadt op de markt gebraght; met roepen, onder andre schamperheeden, dat zy eenen nieuwen Bisschop hadden; om dat d'ooverleede Jan Knyf van die orde geweest was. Den Provoost van 't regement haalden zy, ten huize van den Pastoor, uit de schoorsteen. Den wachtmeester Sarda zochten zy in 't bordeel; daarnaa in 't Fraaterhuis. Eenen der Monnikken, die hem niet wist te wyzen, snoerden ze, met lonten, aan een' oopenbaare hoer vast, en sleepten dat paar alzoo achter straate. Ten leste werd Sarda betrapt in een' paapenrok. Hopman Lopes viel in handen van andren, die, met hem, naa 't Jakobynen klooster, daar de rest der gevangene Hopluiden zat, toe tooghen; roepende onderweeghe, dat zy daar, den beul van Groeninge, braghten. Noch vingen zy den doctoor Jeurien Westendorp, Raadsman des Koninx. Ende als hy hun ernstlyk erinnerde; zy zouden zien wat zy deeden; hy diende zyner Majesteit: antwoordden ze; dat jaa; indien Billy Koning is; indien niet, zoo zyt ghy eens landtverraaders dienaar: en braghten hem op het wynhuis. Den Steêhouder van rechte, Jan

[p. 484]

+Mepske, deeden zy, in zyn eighen huis, by vyftien der hunnen, bewaaren. Een' * vryehoedebrief en troony van den Hartooghe van Alva, gehaalt uit de wooning van eenen door Spaansten burgher, spykerden z'aan de kaak, neevens d'afschilderyen van Robles en Sarda. De vendels, die tot Delfzyl en Dam laaghen, volghden vast het zelfste spoor; ransden hunnen Hopluiden, Barnicourt en Sterk aan, en voerden ze naa Groeninge. Die van Leeuwaarde en Staavere leeverden daar ook de hunne. Naa dat de poorten, etlyke daaghen, door de soldaaten, waaren toegehouden, +quaamen de zaaken allenskens tot bedaaring. D'Algemeine Staaten, wel verblydt met deeze tyding, zonden derwaarts den Baroen van Ville, tot Ooverste, by form van voorraadt. Deez werd'er, naa eenighe haapering met het krysvolk, in 't laast van Wintermaandt, feestelyk ingehaalt. De Staaten van Hollandt en Zeelandt, hierenbinnen, ziende die van Amsterdam, naa geen' ontfank van voldoening, volghends de Gentsche vreede, luisteren, zochten hun 't vuur naader te leggen; ende deeden, den achtentwintighsten van Slaghtmaant, al de goedren der stadt en inwoonderen, by geplakte brieven, aanslaan; om openbaarlyk verkoft te worden, 't en waar zy zich, voor den twintighsten van Wintermaant, met hun en den Prinse vereenighden. Doch de Prins schorste dit voortvaaren, en verbood daarenbooven eenighe vyantlykheit teeghens hen te pleeghen. Maar zyne Doorluchtigheit, nu verstaan hebbende, wat'er tussen Don Johan en d'Algemeine Staaten omging, schreef hun, naa twee voorgange brieven, den lesten van Slaghtmaant, +uit Middelburgh, op deezen zin. Hoewel het uitren zyns bedenkens, nu ten derdenmaale, hun misschien zouw doen gevoelen, dat het voortsquaam uit inzight zyner eighene geleegenheit, en om 't Landt in roere te houden; zoo kon hy nochtans, in zuiveren gewisse, Godt tot getuighe roepen, hoe zyn ooghmerk nooit anders geweest was, dan de Landen, gelyk van ouds bestiert te zien by d'Algemeine Staaten, onder wettighe gehoorzaamheit t'hunnen aangebooren Vorste. Welke gestalte van regeering allenskens onderkroopen en gevelt bleek, door de staat- en baatzucht der geenem, die, om alles te dryven en draaghen naa hunnen zin, den Landtsheere dietsch gemaakt hadden, dat het aanzien der Staaten niet dan teeghens het zyne was opgewossen. Zyn vast vertrouwen was geweest, zy zouden, keerende op het padt hunner loflyke voorouderen, zich verzaamt en hunne rechtmaatighe maght gevestigt hebben, om 's Lands quaalen te geneezen: waaraan men reeds hunne handen zoo gelukkelyk geslaaghen zagh, dat zyne Majesteit (indien zy zich de ooghen, van geen' valsche vertooningen en schynraadt, liete beguighelen) nu klaarlyk der breede Staaten byeenkoomst, lang gewenscht, en smeekends verzocht, voor 't plechtanker der gemeine welvaart erkennen kon. Maar, ziende hen de ooren nyghen naa de voorslaghen van Don Johan, zorgd' hy, dat zy in punte stonden, van bygebraght, en vervoert te worden, daar de Spanjaardts hen heen wilden hebben. Want, die altydts gearbeidt hadden, de heilige vergaadring der Staaten te beletten, zouden ongetwyfelt zich ten uiterste pynen, hen te misleiden en te bekooren tot het trekken van eene lyn met hun. Men speurde, hoe de eer-en geldtzuchtighe bewindsluiden, bevroedende oft vermoedende op wat wit de Staaten mikten, de koomst van Don Johan, als 't eenigh verzet daarteeghens, verylt hadden; om hen, met zyn' jegenwoordigheit, in slaap te wieghen: waardoor alreeds veele schoone geleegentheeden verwaarloost waaren. Men smeerde hun nu dien hoonigh om den mondt, dat Don Johan gelast was, eenighe Heeren landtzaaten in raade te beezighen. Maar die zouden niet dan voor schaduw dienen; en 't besluit, te vooren gesmeedt onder zyn' gunstelingen, alleenlyk stadt grypen; min nocht meer dan ten tyde

[p. 485]

+der Hartoghinne van Parma. Die zyn' berichtschriften en eisch aandaghtelyk woegh, kon gewaar worden, oft alles op andre moer laaghe, dan om 't hoogh gezagh onder te kryghen, en d'achtbaarheit der Staaten te vertreeden. Niet gerings was, 't geen zich voordroegh; maar gold ontallyken Eedelen, burgheren, en goeden luiden, die hals en haave hun in handen gestelt hadden, op vasten toeverlaat, dat zy de vryheit des vaaderlands trouwlyk voorstaan zouden, en 't zelve beschutten voor den ooverlast der meer dan barbarische tierannye tot noch toe geleeden. Dies hadden zy zorgh te draaghen; en zich zulx te quyten, dat het, voor Godt en de menschen, te verantwoorden waare; om den vloek der naakoomelingen t'ontgaan, die anders hunner gedachtenisse nemmer vergeeven zouden het inlaaten van zoo snood een' dienstbaarheit, als, op dat pas, eenen yeghelyke, booven lyfsgevaar, beschooren stond. Hen naakte maghtighe aanvechting: maar, indien zy volstonden by hun loflyk voorneemen, zoo veel bet zouw de gloory blaaken, en de naakoomeling hun verplight weezen. Hy, dan, ried, allen handel met Don Johan te staaken, zoo lang als de Spanjaardts, en andre vreemdt volk van oorlogh in 't Landt bleeven: hem ook rondelyk te verklaaren, dat zy niet laaten zouden, zich meer en meer te sterken, tot weederstandt der voorighe regeeringe; veel min zich verzwakken in krysmaght: 't welk hem 't knyf in de vuist geduwt waar, om hun thans in de strot te vaaren; en de rechte slagh, tot splitsing hunner soldaatye. En men behoorde deeze zyn' meening niet te duiden, als oft zy uit eenighe zucht tot hem zelven sproote; gemerkt zy, met d'ouwde vrydoomen, eenstemmigh was. Men moght, daarop, het vyfde punt der blyde inkoomste naazien; ook de handtvesten van Kortenbergh, verleeden in den jaare twaalfhondert eenentzestigh, en dertienhondert twintigh, en daarnaa bekraftight by Hartogh Jan in den jaare dertienhondert eenentwintigh, desgelyx, die tot Loven gegeeven waaren in Lentemaant des jaars dertienhondert vierenvyftigh; ook die van Brussel, der jaaren dertienhondert eenentzeeventigh ende drieentzeeventigh: en meer andre, hun zeer wel bekent. Stips, zeeker, moest men staan op dit stuk, in allerley handel; oft wel schandelyk veraardt zyn van de grootmoedigheit der voorouderen. D'onderhandeling lang te sleepen, waar bederflyk: en daarom oorbaarlyxt, de bezwaarnissen, al te byster doch en der gantsche weerelt bekent, hem toe te schikken, neevens * bewaaricht afschrift der gemelde handtvesten; met beede, dat hem geliefde zich daarnaa te voeghen. Ende indien hy schoorvoette; zoo had men hem *aan te tuighen, dat het voor geen' weederspannigheit te reekenen waar, zoo zy hunne gerechtigheeden, ten uitersten aadem toe, beschermden. Dus een' rondigheit kon hen veirdighst aan klaar antwoordt helpen: ende was daarom ongelyk nutter, dan hem tydt, tot schikking zyner zaaken en groeijing in kracht, te geeven, terwyl zy in twyfel gehouden, sloffen en slappen zouden. Ook moest men deeze vryheit van spreeken niet vreemdt vinden. 'T was zoo de wyze van ouds geweest: en, zonder dat, zouw de Koning tot Gent noyt in 't vertrek der Spanjaarden bewillight hebben. Dat Don Johan volk van hun vorderde, 't welk hy gewisselyk zoude willen beeedighen, was te zeggen, dat hy hun mistrouwde, en der vergaadringe van Staaten meinde de wet te stellen. Want, wie den mondt teeghens hem opdeede, dien wild' het zulx bekoomen, dat niemandt daarnaa bestaan zouw eens te kikken. Dat hy trachtte zich te waapenen, hen t'ontwaapenen, was teikens genoegh, van den averechtschen wegh in te willen. Billyker immers zoud' hy hun, dan zy hem vertrouwen: zy, die de beschaadighden, en van de Spaansche regeering zoo snoodelyk mishandelt waaren. Wat nieuws ook, dat een Landtvooghdt op gewaapende intreê en verzeekering van de Staaten drong: daar zyne voorzaaten met een vreedigh gelaat

[p. 486]

+plaghten te koomen, ende hun eerst, zy hem daarnaa te zweeren. Teffens diende ryplyk naagedaght, wat naam het hun by alle volken maaken zouw, zoo zy meer gehoors voor Don Johan hadden, dan gevoelens voor 's vaaderlandts liefhebbers, en de jammeren oovergekoomen aan de goede stadt Maastricht, en aan die van Antwerpen, eertyds zoo hoogh verheeven, heeden d'ellendighste en bedruktste der Christenheit, en dat door luiden, die zich, met d'onderzaaten van herwaarts oover, in eenen graadt stelden; waarin ook zommighe onbedachten, op 't vreedegesprek tot Breda, hen hadden willen houden, hoewel nooit by menschen geheughenis, onder de Barbaaren en wanzeedighste geslaghten des aardtboodems, diergelyke woedigheit gepleeght was. Traade men daar zoo licht oover heen: hoe zuur wild' het 'er uit zien, voor de reste der steeden, en wat staat konden ze maaken, dan op de zelfste onheilen, schier oft morghen, uit de zelfste handen, te verwachten? Waaren zy in opspraak gevallen, oover 't gehengen van 't blokhuis bouwen in den beginne, 't welk de meeste zwaarigheeden veroorzaakt had; wat waanden zy voor verwyt te begaan, met de zelve ongeslecht te laaten, nu menz' in hun geweldt zagh? om de burghers te vernoeghen, en 't beproefde quaadt voortaan te weeren, kon men met reede niet leedigh staan, die dwangnesten neêr te werpen, ten minste aan de zyde der steeden. D'oorspronk van Antwerpens ramp was 't Slot. Ende niemandt moest zich inbeelden, dat het voor een' kleenen hoon der Koninklyke achtbaarheit gereekent werd, zich daarteeghens gekant te hebben. Eeuwelyk (hoewel t'onrecht) zoud' hy des gedenken, die 't inleeveren van een onnoozel smeekschrift zoo hoogh genoomen had. D'eerste plaats, op 't banket, dat zyn oevelmoedt bereidde, moghten zy zich vrylyk toeleggen: al propte men hun nu de ooren met oovermaat van vergeetenis. Zulke dingen uit het hart te vaaghen, was de wyze nocht aardt der Vorsten Wel wisten zy die op te steeken, tot dat het t' slaagh quaam, om ze met woeker met al te vergelden. 'T bloedt van Egmondt en Hoorne, van zoo veel Aadels en burgheren, ruischte noch en riep; vergaapt u aan geen' galm, en windt van schoone woorde. Die, door een' spleet maar, in de zaaken der weereldt gekeeken had, kon des niet onweetend zyn; nochte derhalven anders oordeelen, dan dat het gevaar hun altzaamen booven 't hooft hing. Daar kraft te kort quam, was list altyds haar noodthulp. De kindren beflooten de vooghelen: het stom gedierte wist zyn aas te verschalken; ende zooghen deeze konst uit de borsten der natuure. Hy gaf allen verstandighen af te meeten, wat spyt het eenen Landtsheere waar, die zyn' wenk voor een' wet wilde gehouden hebben; slip te haalen aan zyn' onderzaaten, en beneust te moeten heenen gaan; zyn' onvermooghen op een toonneel gestelt te zien, ter spot der gantsche wereldt; en van zyn' lust versteeken te blyven. 'T was gedoolt, zoo men giste dat zyn geest, nacht oft dagh, yet anders deed', dan maalen op weêrwraak, vorsen naa vonden, zich spitzen op treeken, om tot zyn vermeeten te koomen. Want de hooghste maght had dit eighens, dat ze geen weederspreeken lyden kon. 'T zouw, derhalven aan geen liefkoozen oft eenigherley siertaal gebreeken, om hen te beleezen en om te zetten. Beloften zouden'er oovervloeyen, van 't uitheemsch krysvolk te doen ruimen, en diergelyke; maar 't volbrengen lankzaam by koomen. De Koning had ook den Staaten tot Gent verzeekert, dat de Spanjaardts, binnen drie maanden, van hier zouden scheiden, maar dezelve hier gelaaten, noch ontrent anderhalf jaar: ende, zonder de neêrlaagh van Zerby, zy waaren nooit vertooghen. 'T spel hiette dan ziet toe: en hun stond t'ooverzinnen, hoe maghtigh eenen vyandt, en hoe heftelyk zy hem geterght hadden. Daar was geen derde; buiten t'ondergaan, oft zich manlyk te verdaadighen. 'T welk hun (Godt ten

[p. 487]

+voorste) licht vallen zouw, wen zy maar, eendraght hielden. Quaam Don Johan, door noodt, zoo verre, dat hy 't vertrek der Spanjaarden toestonde; daarin hoefde men vast te gaan; en booven dien in 't herstellen en onderhouden der vrydoomen: tot verzeekering van 't welke, de volghende voorwaarden bedongen dienden. Dat de Staaten hun zeggen neevens hem zouden hebben, zoo wel in 't stuk der regeeringe, als in geldtzaaken. Dat hun vry stonde, twee oft driemaals in 't jaar te vergaaderen, oft zoo dikwyls 't hun goedt dochte, om te zien; oft de dingen wel en wettelyk beleidt wierden, en alle verloop te richten, zulx zy vonden te behooren. Alle Burghen af te breeken. Geen volk te werven, dan by bewillighing der Algemeine Staaten. Nerghens bezetting te leggen, dan by hun toestemmen. Zoo doende, docht hem, zouden zy bewaart weezen; anders lichtlyk zich zelve bedrieghen, en waanende door 't vernoeghen van Don Johan, 't Landt in vreede te brengen, grooter twist, dan ooit, verwekken. Want (des moghten zy zich verzeekert houden) hoopen luiden waaren'er, die zich, nocht op des Koninx, nocht op Don Johans woordt verlaaten zouden, ziende 't gezagh der Staaten verstooten en verstikt, op de grootachtbaarheit en vroomheit der welke zy hun betrouwen gestelt hadden. Al had hy hun voorheen bykans het zelfste geschreeven; zy zouden, bad hy, deeze naader errinnering ten goede houden, aan de zorghe ontstaan uit het gewight der stoffe; en aan den yver des geenen, wiens laaste druppel bloeds voor 't vaaderlandt, en voor hun in 't bezonder, ten beste was. Deeze reedenen, aangeleit om teffens achterdocht, eerliefd, en vryheits lust t'ontfonken, wrochten zoo veel, dat de voorstel der geenen, die Don Johan, zonder eenighe bepaaling, tot Landtvooghdt wilden aangenoomen hebben, verworpen werd. Derhalven, naa eenigh oover en weeder gaan, en onderling gesprek +tot voorbereiding des handels, leeverden de gemaghtighden der Staaten, schriftelyk, aan Don Johan, deeze punten. Dat zyn' Hoogheit het Landt, van de Spanjaardts en andre vreemde soldaaten, doe ontleedighen, en hen daaruit blyven: en hun verreyzen ter zee, gelyk zyn' Hoogheit heeft voorgestelt, vindt men goedt. Alle gevangenen, zonder losgeld, t'ontslaan. De ransoenen, brandtschattingen, en diergelyke verdingen te verklaaren voor nietigh en van onwaarde: de koopluiden, en andren, weeder te helpen aan hunne goedren; daaronder vervaat de reeds betaalde brandtschattingen. Den Gentschen pais t'onderhouden; alzoo daarin niets begreepen is, oft het strekt tot vordering der Roomsche Kerke. Al't bedryf der Staaten, tot noch toe, te beaangenaamen en bezweeren, uit eighen en's Koninx naam; en de voorleede ongeneughten in vergeetenis te stellen. Daarnaa, de breede Staaten te beroepen, in der forme, als laast onder Kaizar Karel geschiedt is, en zich te houden aan 't besluit by hen te neemen, ten dienste van Godt, tot steedighing des Roomschen geloofs en der behoorlyke gehoorzaamheit aan zyne Majesteit, en tot de welvaart der Neederlanden. D'ouwde vrydoomen en gewoonten te handthaaven; en zich, zoo in raade als anders, tot de regeering, alleenlyk te behelpen met inboorlingen, gelyk ten tyde des Kaizars. Belangende de veiligheit van 't koomen, blyven, en keeren hunner gemaghtighden, vertrouwen zich de Staaten op de bescheidenheit zyner Hoogheit. Indien de zelve al dit, van haare zyde, met der daadt volbrengt; zoo onderwerpen zich de Staaten, aan de naavolghende gehoudenissen. Zyn' Hoogheit tot Landtvooghdt t' ontfangen en haar, als zulken alle eere, ontzagh, en behoorlyke gehoorzaamheit toe te draaghen. Den Roomschen Godsdienst, en de behoorlyke gehoorzaamheit ten Koning, in alles, en oover al, voor te staan. Te vertyen van alle verbonden, die zy, t'hunner verzeekeringe, met eenighe uitheemschen mooghen aangegaan hebben. Af te danken en ten Land' uit te schikken, zonder

[p. 488]

+hen weeder daarin te laaten keeren, alle uitheemsche soldaaten by hen aangenoomen. Te geeven hunne oopene brieven, gezeeghelt en geteekent, samt alle andre dienlyke en reedelyke verzeekering, voor d'onderhoudenis der gemelde punten. De waapenen, geduurende 't handelen, te schorsen, voor den tydt van vyftien daaghen, te beginnen van den dagh af, dat de Spanjaardts't zelfste doen zullen; zonder yets te bestaan tot naadeel des Lands; zonder ook eenighen roof, oft brandtschatting by hen gehaalt te vervoeren oft te doen vervoeren, ende mits dat alle afdrang en uitperssing ophoude: ten welken einde, zyner Hoogheit gelieve andermaals behoorlyke brieven, zoo wel aan de Staaten, als aan de Spanjaardts, af te veirdighen. Midlerwyle te staaken den aantoght der Fransche troepen, mits dat zyn' Hoogheit de Spanjaardts en hunnen aanhang, zonder uitstel, doe ruimen. Wyders, indien zyn' Hoogheit goedt vindt, om t'zaamenspraax wil, naader by, 't zy tot Brussel, oft Berghen in Henegouw, te koomen, ende te dien einde, lyfwacht zoude begeeren; zoo bidt men haar, op 't needrighste, zich te genoegen met zulken geleide, als zyne Majesteit, t'haarder blyde inkoomste gehadt heeft; te weeten, vier oft vyf benden van ordening: om't groeyen des mistrouwens te verhoeden. Niettemin, naardien zy aanstaat, om ook eenigh voetvolk te hebben; dat haar dan immers gelieve, niet dan ingeboorne Neêrlanders te neemen, die gehouden zullen zyn tot eedt van haar te dienen als getrouwe lyfschutten. Want, behalven dat het gebruiken van Hooghduitschen t'haarder bescherming meer omziens zouw baaren, en den Lande kleene eer zyn, zoo hebben de Staaten vastlyk bestemt, zich t'ontslaan van alle uitheemsche krysluiden: houden ook den persoon zyner Hoogheit te waardt, om vertrouwt te worden aan een volk, dat zich, tot Maastricht, Antwerpen, en elders, zoo trouwloozelyk gedraaghen heeft. Voorts verzoeken de Staaten ootmoedelyk, dat zyn Hoogheit gedient zy met spoedigh besluit te maaken; ten minste, noopende't vertrek der Spanjaarden: oft zouden't uitstellen van dien niet anders kunnen duiden, dan voor een plat verwerpen van hunne Christelyke, reedelyke, en rechtmaatighe eischen. Don Johan antwoordde, by * kantteekening; dat hy des Koninx vreemdt krysvolk zoude wegh schikken, mits dat de Staaten, met een het hunne verzonden: en't zelve uit den Lande doen blyven, zoo lange als de noodt, oft eenigh uitheemsch oorlogh niet anders quaam te vereischen. Belangende den pais van Gent; hy was bereidt te verstaan tot een' gemeenen vreedehandel, mits dat men den Roomschen geloove, en der Koninklyke gehoorzaamheit niet te naa ginge. Was ook te vreede de breede Staaten te vergaadren op den verzochten voet; indien men hem verzeekerde, 't geloof en gehoorzaamheit, voorgemeldt, buiten hinder te houden. Op't meeste deel der andre punten gaf hy ook oft onzuiver oft quaalyk sluitendt bescheidt. 'T welk, bemerkt by den Prinse, uit den naam van Hollandt en Zeelandt den algemeinen Staaten vertoondt werd. Voorts deeden zy daar by voeghen, dat de meening van den krygh te vernieuwen, uit het werven van ruiters en knechten, uit d'afgeworpe brieven van den Koning, van Don Johan, van Roda, en andren, genoeg te scheppen was. Zoo men echter eenigh +verdragh, tot naadeel der vreede en vrydoomen, aanging; dat zy zich daarmeê niet mengen wilden; nocht zich bezoedelen met schuldt aan't onheil, geschaapen, daardoor, den Lande oover te koomen. Terwyl men, tot Luxemburgh de zaaken naader zoekt te ziften, schikte Don Johan zynen * geheimschryver Johan de Escovedo, neevens Octavio Gonzaga, naa Antwerpen, om de Spaansche Ooversten tot de reize te beweeghen: doch deed hun ter sluik ingeeven, dat zy niet, dan in vertrek ter zee, moesten bewillighen. De oorzaak van dit aldus

[p. 489]

+besteeken, was een verborghe toeleg. Want, gelyk hem't hart ooverhoogh lagh, zoo had hy, een' wyl verleeden, 't oogh op de kroon van Tunis gehadt, ende oover dat stuk, met Paus Pius den vyfden doen handelen, buiten weeten van zynen broeder; die, des verkundschapt, daar kleene genught in nam. Derhalven, ziende dien aangaande niet op te doen, wendd' hy 't oover een' andre boegh, en de zinnen naa Engelandt: ende had nu het recht tot dat Ryk, ('t welk de stoel van Rome voor een leen van haar reekent) van Gregorius den dertienden verworven, by toestandt des Koninx: hoewel dit den zelve al meede teeghens de borst stiet: 't zy Philips zynen bastaartbroeder die grootheit benydde, oft al van toen af dacht, dat die schepter in zyn' eighen handt wel zouw passen. Ook was die aanslagh niet zoo ongerymt als onreedelyk: gemerkt Elizabeth niet een hair op den hoofde had, dat, van dien kant, voor eenighen ondersteek zorghde. De Ooversten, dan, zingende gelyk men hen gebekt had, antwoordden, dat zy te zynen gebiede stonden. Maar't was te spaade in 't jaar, om te lande te gaan, mits de vorst en sneeuwval in 't geberghte, 't gebrek van lyftoght in Savoye; behalven dat'er de pest fel ging weiden, en de weeghen had doen stuiten. Dies best te scheepe vertooghen: +mits dat men afreekende en betaalde. De Hoogduitsche Kornellen waaren ook ooverboodigh zich op reiz te begeeven, zoo haast men hun (waarnaa zy haakten) voldaan zoude hebben. Maar de Staaten, daarentussen, waaren tot hun' tweede bezinning gekoomen, en hoe langer hoe zwaarhoofdigher in het vertrek ter zee. Want de Spanjaardts, met omslagh, en sleep van knechts en jongens, beliepen wel ten getaale van tienduizent +koppen. Aan 't bezorghen der scheepen had men drie maanden werx. Van waar de kosten daartoe? van waar de soldy der Spanjaarden, in der krysluiden daarteeghens te houden, die midlertydt byster klimmen moest? Van waar endtlyk bootsvolk, dien 't lusten zouw onder de Spanjaardts en +t'hunner genaade te staan? En zeeker, de gansche vloot en toerusting, eenmaals in hunne klaauwen geraakt, moght men genoeghzaam deur schryven. De reize te waater, dan, scheen hun zoo veel als onmooghelyk, en slechts voorgeworpen, om den handel te rekken, tot dat men zich van Don Johans zyde, volwaapent hadde. Hy, daarenteeghen, schreef den Staaten wel driemaals, dat de Spanjaardts tot geen ander vertrek te brengen waaren. Zy, weederom, weigherden hem tot Landtvooghdt aan te neemen, voor den uittoght der vreemde krysluiden. En elk bleef by zyn opzet. 'T voorgewende bestandt, echter ingewillight, nam zynen aanvank, den vyftienden van Wintermaant. En de Staaten, gissende waar 't hem schorten moghte, dat hy tot den Gentschen pais niet verstaan kon, vorderden verklaaring, en kreeghen ze, van de Godgeleerden te Looven, dat zy dien, naa 't ooverweeghen van alle punten des zelven, en den staat der zaaken alstoen, nut vonden voor den Roomschen Godsdienst. Ten gelyke verzoeke, oordeelden de Voorleezers der rechten, in 't gemelde verdragh niets begreepen te weezen, oft het ging den zelven geloove bet meê dan teeghen. Meest alle Abten, Deekens, en Zielzorghers +van Neederlandt, verleeden ook schriftelyke kennis, dat zy hierin met d'andren oover een stemden. De Raadt van Staate getuighde, ter aanmaaninge van de Staaten, dat, by de vreede, veraangenaamt en gesteedight, by hen als gemaghtight tot de regeering van's Koninx weeghe, de gehoorzaamheit te zyner Majesteit, ten aanzien van de noodt des tydts, geenszins verkort, maar, ten teeghendeele, van merkelyken afbrek behoedt was. Deeze bescheiden, plechtelyk gevestight, werden, ter geleeghene tydt, aan Don Johan, vertoont. De Algemeine Staaten, en regeerende Raadt, hierentussen, verleeghen om geldt, lieten een bevel uitgaan, op's Koninx

[p. 490]

+naam, dat Majestraaten, kerken, kapittelen, gilden, en gemeenschappen +al hun goudt en zilverwerk, uitgezeit het gewyde, binnen acht daaghen, hadden oover te brengen, om gemunt te worden: mits genietende, voor de onse zilvers, achtentwintigh stuivers; voor de onse kroonengouds, tweeëntwintigh gulden; te voldoen by brieven van los- en lyfrenten. Ook zonden zy naa Engelandt, daar de Baroen van Aubigny ten zelven einde geweest was, den Heer van Sweeveghem; die van de +Koninginne verkreegh, aan ongemunt zilver, de waarde van veertighduizent Angelotten te leen, en voorts toezeg ter somme van hondertduizent pond' sterlinx. De Raadt van Staate veroorlofde, by plakkaat, den beschaadighden t'Antwerpen, hunne verloore goederen weeder aan te spreeken; en stelde orde teeghens 't vervoeren van den roof. Roda, merkende dat de stadt, van dagh tot dagh, meer ontvolkt werd, gebood den oovergebleevenen stal te houden, den vertooghenen weeder te keeren, binnen zeekren korten tydt, op verbeurte van burgherschap, booven tweeduizendt gulden, en zulke straffe, als naar recht en reede zouw bevonden +worden te behooren. De Staaten van Hollandt, om Amsterdam te trekken, schreeven wel beweeghlyk aan de Burghermeesters; en onder ander, dat men noyt om 't stuk des geloofs geoorloght had. Het dubbelt van den brief, beslooten in eenen andren, schikten zy aan de schuttery. Maar de schutters, geen hart hebbende dien te oopenen, leeverden hem ook der Majestraat. Zulx geen van beide beantwoordt werd. De Spanjaardts +van de burgh t'Uitrecht, voedende van ouds eenen haat teeghens de poorters, en lucht hebbende van hun aanstaan by d'Algemeine Staaten, om van dien dwang ontslaaghen te zyn, staaken, den eenentwintighsten van Wintermaant ter stadt in, en verscheide huizen aan brandt. De burghery was zeer versleeghen, mistrouwende den Duitschen, die, drie vendelen sterk, elk van driehondert hoofden, daar, in bezetting laaghen: +doch ziende hen hunnen plight betrachten, greepen weeder eenen moedt. Men groef op, en beschanste de straaten teeghens 't uitvallen; sloegh de binnenwanten der wooningen deur, die by't Slot stonden, zoo dat ze tot een' beheinde galery dienden; maakte blinden van zeilen, oover de straaten; plantte 't geschut, dat daar in voorraadt was; en schikte des meer, neevens kruidt en koeghels, uit Hollandt te bekoomen. Derhalven, eer acht daaghen omliepen, was't blokhuis beleeghert, en't uitvallen genoeghzaam gestuit; hoewel 't schieten van booven zwaare schaade in stadt deed. Op den eersten dagh des jaars vyftienhondert zeevenentzeeventigh, +ooverquaamen de Burghvooghdt Paulus van Loo, Burghermeesters, Scheepenen, Vroedschap, en gemeente van Muide, met den Prinse; die hen, by goedtvinden der Staaten van Hollandt, met deeze punten vernoeghde. Den Godsdienst, gepleeght tot dien tydt toe, voortaan vrylyk te mooghen oeffenen: doch zonder yemandt te dwingen, ofte daarom te moeyen. Zoo men verstonde, daar eenighe bezetting te houden, die zouw, tot 's gemeinen +Landts koste, moeten leggen op 't Slot, oft in de schanse daar by: uitgezeit

[1577]

+by noodt oft beleeghering, in welken gevalle zy zich te richten hadden +naa den wil zyner Doorluchtigheit, oft der Staaten. In't draaghen van lasten oover wyn en bier, tot onderstandt der gemeine zaake, en in't heffen van tollen t'hunnen eighen behoeve, zouden zy der andre Hollandtsche steeden, staande onder's Prinsen bevel, gelyk zyn. In alle ongewoonlyke beeden, hadden zy eeven veel verlightings te genieten, als alle andre steeden binnen Hollandt: ook op't betaalen der los-en lyfrenten, waarmeê zich hunne steede bezwaart vond, gelyke schorsing, als aan de voorzeide andre steeden gegunt was, en voorder aan de zelve van Muide zouw mooghen verleent worden. Hun zouw vry staan, t'ontfangen en te genieten den afslagh van de zee-

[p. 491]

visch, +vaarende ter Vecht op, naa Uitrecht en elders, gelyk t'Amsterdam geschiedde onder zulke punten en bepaaling, als men bevonde te behooren, ten meesten gerieve van den koopman, tot behoef en herbouwing hunner steede; alzoo de voornoemde Staaten de vestwerken der zelve, en 't onderhouden der Burgh t'hunnen laste genoomen hadden. Den Burghvooghde Paulus van Loo vergunde men, ten verzoeke der ingezeetenen, te mooghen, als Baljuw van Goeilandt, blyven in 't zelve ampt, op 't huis te Muide, zonder dat eenigh ander aldaar in zyn' plaatze zoude worden gestelt; mits dat hy den behoorlyken eedt van getrouwigheit deede. Weenigh daaghen hiernaa, ooverquaamen ook die van Weesp en Weesperkerspel met zyn' Doorluchtigheit, bykans op gelyken voet. Maar tot Brussel, (gelyk doorgaands elk geirne oover hoogherboordt helt, en't ontzagh der maghtighen gewoon is, de vrymoedigheit huns minders te kreuken) begost men nu te speuren, dat verscheide persoonen, zoo van de Staaten, als van den regeerenden Raadt, zich niet onthielden van t'oover naa Don Johan te luisteren. Tot richting van dit, en weernis van scheuring, ontworpen etlyke Heeren een' form van verbondt, om by d'Algemeine Staaten, en andren, behantvest te worden. D'eersten, die't onderschreeven, +waaren de Abt van Sante Geertruids, de Graaven van Lalain en Bossu, Heer Pieter van Worchum, de Heeren van Champaigney en Oignyes, Heer Willem van Hoorne, en die van Berseele. Thans, op den neeghenden van Louwmaant, stonden 't de Staaten toe, de regeerende Raad bekraftighd' het: ende teekenden, naa hen, de Stadthouders der gewesten, de Prelaaten, Vicarizen, Raaden, Ooverheeden, Wethouders, en andre Heeren. 'T begrip was, dat de vereenighing geschiedde, om den Roomschen Godsdienst, en de vreede van Gent voor te staan; de Spanjaardts, en hunnen aanhang te verdryven, onder de behoorlyke gehoorzaamheit ten Koning; tot de rust en welvaart des Landts, bewaarnis der vrydoomen, gerechtigheeden, en ouwde gewoonten. Ontrent den zelven tydt, werd de Graaf van Bossu afgeveirdight van de Algemeine Staaten, om Haarlem, Amsterdam, en Schoonhoove, tot de gemeene vereenighing te verspreeken; +ook dien van Uitrecht raadt en handtreiken te verstrekken, tot veroovering van 't blokhuis. De knechten, in stadt, waaren van zyn regement. Die steld'hy, voor eerst, te vreede, hun toeleggende twee maanden solds, half aan geldt, half aan laaken; voorts leening van duizent kroonen ter maant voor elk vendel. 'T achterweezen der Hopluiden zoud' hun, op drie halve jaaren, betaalt worden, en 't volk ongehouden zyn oover eenighe waatren te trekken, tot dat men afgereekent hadde, en verzeekering gedaan voor 't ooverschot. Thans verzocht hy twintighduizent gulden, van die van Noordthollandt, te leen op zyn handtschrift, om de bezettelingen uit Haarlem, Schoonhove, en Nieupoort, te lichten. Die van Zuidthollandt zouden daartoe noch twaalfduizendt gulden verschaffen, onder verding van die te korten aan den eersten omslagh by d'Algemeine Staaten te doen. De Noordthollanders waaren ooverboodigh; dan wilden eerst, niet alleen die plaatsen, maar ook Muide, Weesp, en andre, van't krysvolk geleedight hebben. Endtlyk, 't geldt werd tot Monnikkendam bestelt, en gyzelaars onder den Graave, tot borghen voor het tellen, zoo ras 't ontruimen geschiedt waar. 'T leedt echter oover de maant aan tot Haarlem en Schoonhove: en midlerwyl verdroeghen de Haarlemmers, op den tweeëntwintighsten van Louwmaandt, met den Prinse. De +hooftvoorwaarden waaren; de veilighe oeffening van den Roomschen Godsdienst: een' kerk ten verdoen van den gezuiverden, 't aanblyven der Majestraaten, tot den tydt der verkiezinge, als dan te geschieden naar oude gewoonte; de behoudenis der vrydoomen en gerechtigheeden. Don Johan, om eenighen goe-

[p. 492]

den +schyn van geneeghenheit tot ontlasting der Landen te geeven, had, weenigh daaghen te vooren, den Heere van Hierges belast, dat hy, in plaats van Francisco Fernandes d'Avila, Burghvooghdt tot Uitrecht, eenen andren bequaamen persoon zoude stellen. Eenen brief, gericht aan Don Francisco op dat stuk, zond hy te gelyk aan Hierges: die den zelven aan Bossu; en Bossu aan den Burghvooghdt. Maar deez' nam' er dagh aan, zeggende 't handtteikken van Don Johan niet te kennen; waaroover hem noodigh waar, yemandt aan zyn' Hoogheit te schikken, om zeeker te gaan in haar bevel: inmiddels zoude men alle vyandtlykheit schorsen. Dit smaakte, nocht den Staaten dies Landts, nocht den Graave; duchtende voor eenighe dwarsdrift, ondertussen te brouwen. Dies viel men aan 't beuken, en aan't vullen der graften. Dit werk ging traaghlyk voort, by gebrek van kruidt en koeghels, daar men echter om uit zien moest. Die van't Slot, nochtans, slechts ontrent hondert man', zich ziende versteeken van de hoope, dat de bezettelingen der stadt met hun zouden aanspannen, +en geen ontzet voor handen, verlooren hunnen moedt; gaaven 't op, by verdragh: ende tooghen daaraf, den elfden van Sprokkelmaant. Zy bleeven eenighe daaghen, in't Karthuizers klooster, buiten der stadt, en werden thans, onder geleide, oover Krimpen en Bredaa, naa Antwerpen, gebraght. By hen vervoeghden zich, Hopman Tordezillas, die op 't huis te Vyane, Alonso Lopes Gallo, die op dat van Kuilenburgh geleeghen had; ontruimende die plaatsen, door bevel van Don Johan, zoo gelooft werd. Bossu, op ernstigh verzoek der steedelingen, en aanbodt eenergoede +somme van penningen, stelde't Slot in handen van de burghers, onder gebiedt van Schout, Burghermeesters, en zeekren hunnen Hopman: mits zweerende, 't zelve te houden, voor den regeerenden Raadt en d'Algemeine Staaten, in 's Koninx naam. Kaizar Rudolf nu, volghends zyn schryven booven geroert, had, tot vordering der zaake, tussen Don Johan en de Staaten uitstaande, gemaghtight Heer Geeraardt van Groesbeek, Bisschop van Luik, en Hartogh Willem van Guilik en Kleef, oft de geenen, +die zy goedt vonden, in hunne plaats, daartoe te gebruiken. Ten zelven einde had hy ook afgezonden, Heeren, Philips de Alde, Baroen van Wynenbergh, en Andries Gail der Rechten Doctoor. Don Johan was, van Luxemburgh, gekoomen tot Marche in Famine. Derwaarts, schikten de Staaten hunne gemaghtighden: dan't geen deeze met hem daadingden, +werd van geene waarde gehouden by hunne meesters. De zelve zonden, daarnaa, Heeren, Matheus Abt van Sant Geleins, gekooren Bisschop van Atrecht; Bucho Aita, Eirtsdiaken van Ypre: Fredrik Perenot, Baroen van Ronse, Heer van Champaigney, Steêvooghdt van Antwerpen: Jan van Sant Omer, Heer van Moerbeeke, Ooverste der burgh en steede van Aire; Fransois van Halewyn, Heer van Sweeveghem, Hooghbaljuw en Hopman oover Slot en stadt van Audenaarde; Ridders; ende Adolf van Meetkerke, Raadtsman en Ontfanger, des Lands van Vrye in Vlaandre. Hun last was, zich, neevens die van den regeerenden Raadt, tot Hoy in 't Landt van Luyk, by Don Johan te vervoegen, om tot slot van handel te arbeiden; zonder meer, daaraan, dan vier daaghen, te besteeden. Veel stribbelinx viel alhier: en, oft schoon Don Johan dit had, dat hy zyn eindt wist te houden, soo ontsnapten hem nochtans verscheide streeken die na lompe onervaarenheit rooken, en wel te kennen gaaven, hoe lichtlyk de raddigheit van eenen geest, als de zyne scheen, zich verstuikt en op lossigheit uitkomt. Onder 't styf staan op 't verzenden der Spanjaarden te waater, en andre dingen van geen gering bedenken, verghd' hy den Staaten, hunne gansche soldaaty zynen gebiede t'onderwerpen. De groofste leek in stoffe van staat (laat staan de schrandersten en geoeffensten van den Lande) hadde

[p. *58-*59]



illustratie

[p. 493]

+zoo een' verroeste loosheit niet voor glad laaten deur slippen. Naa lang twisten oover den pais van Gent, verklaard' hy, dien t'aanveirden, onder besprek van oopen en onvereffent te houden, de punten, waarop hy zich naader bedenken moghte; als waaren, die den Godsdienst, en gehoorzaamheit ten Koning raakten, en andre diergelyke. Ende, hoewel d'ongerymde strydigheit deezes blaazens van heet en koudt uit eenen mondt, hem, zelfs door de Kaizarlyke gezanten, werd aangeweezen; hy bleef daarby, zonder plaats te geeven aan eenighe reedenen, om de welke hem in te stampen, men, tot tien uuren des aavonds toe, bezigh was. De gemaghtighden dan, ten einde aller hoope, tuighden, volghends hun onthiet in dien gevalle, hem schriftelyk aan, ter jeeghenwoordigheit van de Raadsheeren van Staate, en d'Ambassadeurs; Hoe 't aan hen niet geschort had, nocht schortte, dat'er niet vruchtbaars uitgeright wierd; ende dat zy zich vry kenden van alle schuldt aan 't naadeel, dat den dienste Gods en des Koninx, aan 't verderf dat den Lande, beschooren was. Dit docht Don Johan eenen donderslagh in de ooren. D'oploopende moed berst uit: Die gewaapent quaamen met * aantuighenissen, hadden geenen zin zich tot vergelyking te vlyen. 'T zeurd' hem van hunnen 't weeghe. Nu; zy moghten toezien. 'T had wat in, zich teeghens hunnen Landsheer te verzetten, met eenen krygh, die hun den vloek en verdoemenis der gansche weerelt op 't hooft moest haalen. Nemmer zouw zyn' Majesteit zoo een' weederspannigheit ongestraft lyden: maar daaraan besteeden haare heele maght, die niet klein was. Ende zoud' hy, in dit krakkeel, te werke stellen 't zwaardt, niet het zyne, maar des Koninx; en 't felste oorlogh voeren, daar men ooit af hoorde gewaaghen. Voorts weedertuighd' hy hun, mondelinx aan: dat alle onheil, hieruit ryzende, den Staaten zouw te wyten staan. Hierop stiet het werk: ende naamen de gemaghtighden hun afscheit van hem, om 's andren daaghs te verreizen. Dusdaanighe buitenslaaghen werden wonderlyk vremdt gevonden. De voorzienighen eighenden terstondt op zynen persoon; dat niemandt uiterlyk aan te zien waar wat'er in stak: ende noemden hem een' groote lantaarne zonder +licht. Andren vraaghden, oft hy waanen moghte den Neederlandren zoo gemaklyk 't net oover 't hooft te stryken, als eenen deele slaafsche mooren, die, versuft en verbluft, geen beeter raadt geweeten hadden, dan zich te betrouwen op zyn woordt; dat hun oevel bekoomen was. Ende, dewyl men begost had die snaar te roeren, werd'er by gemort; Dat, de volken, door bedrogh en meineedt, in plaats van voor de vuist, te verkloeken, nu de grootmoedigheit van eenen Kaizars zoon heeten moest: 't en waare zyn' moeder, hoe luchtigh ook, meer geloofs, dan hy, verdiende; die, zyns quaalyk te vreede, gedreight had hem eenen andren vaader te geeven. Zommighe andre zyner nukken werden, met een, opgehaalt, hoe hy, den Prinse Don Kaarel, de voet had helpen lichten; nooit met taal oft teeken, 't misdryf der Spanjaarden gelastert; en zich geheel in hunnen aardt verschaapen. Waarom hy zich ook niet schaamde; aan de Staaten te willen bedingen, dat zy niemandt van die geweldenaars ter straffe zouden vorderen, maar zyne Majesteit daarmeê begaan laaten. Dat Roda, vertrokken zonder hem te begroeten, zeeker berichtschrift, onder eenen Spaanschen koopman, tot Antwerpen, gelaaten had, en Don Johan last van den Koning, 't inhoudt van dien t'achtervolghen. 'T welk waare; de harten der gemeente, door meêwaarigheit, te winnen; thans, door hulp van d'andre gewesten, die van Hollandt en Zeelandt te dwingen; daarnaa de reekening met de weederstreevers te effenen; ondertussen konstigh te veinzen. Meer diergelyke geruchten zweefden om her, daar 's Prinsen toenygelingen niet afdeeden. Maar Don Johan, thans

[p. 494]

+wat bekoelt van zinnen, en duchtende met het hooft teegens den heekel te loopen, nam het een weinigh zaghter op. Ontrent middernacht, naa 't vallen der hooghe woorden hier voore geroert, zond hy, by Pater Fregozo, verzelschapt met den Bisschop van Luik, aan de regeerende Raadtsheeren, en de gemaghtighden der Staaten, een briefken van zyn' handt. 'T luide; dat hy bereit was, de Gentsche vreede t'omhelzen, zoo zy nochte den Roomschen Godsdienst, nochte der Koninklyke hoogheit te naa quaam: en zulx op de voorwaarden, in zyn laaste schrift uitgedrukt. Dit was noch wydt van vergelyking. Maar, ten volghenden daaghe, als de gemaghtighden, nu reisveirdigh, hunne gebiedenis aan de Raadsluiden van Staate waaren doende, verstonden zy, dat hy hun geirne noch eens spreeken wilde; en booven den pais van Gent, het vertrekken der Spanjaarden te Lande, had toegestaan. Dies vervoeghden zy zich by 's Kaizars gezanten, die hun meer niet, dan eenighe jonger reegelen van zyn' handt vertoonden: waarby hy verklaarde, in die vreede te bewillighen; dewyl hem, by de tuighenissen van de Bisschoppen, hooghe schoolen, en andren, bleek, dat zy niet streed teegens 't Heiligh Roomsch geloof; naardien ook de Bisschop van Luik, en d'andre Kaizarlyke Ambassadeurs hem voldaan hadden, belangende d'achtbaarheit des Koninx, die zy verstonden by den gemelden pais, bewaart te weezen. Echter, men ging Don Johan, voor tot zoo verre, bedanken, en bad hem wyders; de Spanjaardts te lande te willen weghzeinden. Loode voeten had hy, om hier oover te treeden; en liet het onbeantwoordt. Noopende den pais, gaf hy op, dat z'hem, gewisselyk, wel behoorden te bedanken, als van de hooghste weldaadt, die zy van zyn' Majesteit ontfangen moghten: te meer, om dat de vreede gemaakt was, naa zyn vertrek uit Spanje, ende hy, zonder orde van den Konink, 't beäangenaamen der zelve oover zich nam, ten aanzien van de noodt en geleeghenheit der dingen. 'T welk wel verdiende, dat zy zich erkentlyk neeghen tot de punten by hem geëischt. De gemaghtighden beloofden, alzoo de tydt van hunnen last om handelen verstreeken was, getrouw verslagh van alles aan hunne meesters te doen. Oorlof van hem genoomen; gingen zy opzitten, laatende berichtschrift aan d'Ambassadeurs, om 't ooverigh werk, naa hun vertrek, te vorderen. Deeze verzuimden geenerley plicht by Don Johan, die noch den windt zulx niet inhouden kon, oft men speurde meer dan te veel, dat hem d'aantuighenis der gemaghtighden in den krop stak. Ook klaaghd' hy, oover 't al te stips staan der Staaten, en dat sy geen gestant gedaan hadden, aan 't geen by hunne gemaghtighden, tot Marche, was ingeruimt. Zy sloeghen alles in de beste vouw, om hem needer te zetten: ende hebbende alhier de zaaken op taamelyken voet gebraght, vertooghen naa Brussel, +om te verstaan hoe naa men elkandren te gemoet zouw kunnen koomen, in d'onbeslechte punten. Thans keerden zy, met der Staaten gemaghtighden, weeder tot Don Johan. Die liet de reste glyen: maar 't +uitheemsch oorloghsvolk, anders dan ter zee, te verzeinden, docht hem, zyn eighen hart eeten; mits hy ganschlyk den mondt gemaakt had op 't inslokken van Engelandt. Dan hy moest daaronder deur: ziende, zonder dat, in 't bewindt niet te raaken, en zich eevenwel vervallen van de hooghte zyner inbeelding. Ook ooverstreeden de gezanten des Kaizars hem kraftigh zyn ongelyk, en d'onmooghelykheit van 't vertrek te scheepe. Men werd dan endtlyk eensch; 't verdragh vertoont aan de gemaghtighden der Staaten van yder gewest, te Brussel, op dat zy 't bekraftighden. Alleenlyk die van Hollandt en Zeelandt verklaarden, voor als noch daar toe geenen last te hebben. D'andre, dies onaangezien, voeren voorts met onderteekenen; zulx een plakkaat geraamt werd, op 's Koninx naam,

[p. 495]

+onder tytel van Eeuwigh gebodt: 't welk de naavolghende punten behelsde: +Vergeetenis van alle mishandelingen, geschiedt ter oorzaake van de beroerten. Toestandt van den Gentschen pais; zoo ten aanzien van de getuighenissen der Prelaaten, ende der Voorleezeren in de Godtheit en Rechten tot Looven, verklaarende, by den zelven niets beslooten te zyn, dan 't geene, naar tyds geleeghenheit, den Roomschen geloove meer meê dan teeghens gink; als om dat de Raadt van Staate bewaarighde, dat het gemelde verding niets inhield tot afbrek der Koninklyke achtbaarheit en onderdaanigheit; ende de Kaizarlyke gezanten 't gevoelen der Prelaaten, Voorleezeren, en Raadsluiden van Staate, noopende de voorzeide twee punten, in reede gegrondt vonden: in gevolgh van 't welke, de vergaadring der breede Staaten haaren voortgank zouw hebben, op den voet geraamt in 't derde punt deezes verdraghs. Het uitheemsch krysvolk zouw vertrekken uit de Neederlanden, zonder weeder daar in te keeren, 't zelve oft ander, 't en waar by buitenlandsch oorlogh, ende dat de breede Staaten des noodigh oordeelden. De Spanjaardts, Italiaanen, en Borgonjers, moesten binnen twintigh daaghen naa de aankunding, hun terstond te doen door Don Johan, uit die burgh en stadt van Antwerpen scheiden, samt uit alle Slooten, steeden, en sterkten van Neederlandt; voorts uit den ganschen Lande, en naamentlyk uit den geweste van Luxemburgh, binnen andre twintigh daaghen, viele 't doenlyk; 't welk Don Johan met alle maght zouw bevorderen: ende hadden zich midlerwyle t'onthouden van alle vyantlykheit en ooverlast, zoo wel ten opmerke van de buurgewesten, als van de Landen zyner Majesteit. Den Hooghduitschen stond op reize te slaan, zoo ras de Staaten met hun ooverkoomen waaren, belangende 't geen men, naa reekening en afkorting, bevonde hun toe te behoeren; in der maniere als 't vyftiende punt deezes briefs zouw uitwyzen. Al de zelfste soldaatye had lyftoght, geschut, en krystuigh, niets uitgezondert, te laaten in d' ontruimde Slooten en steeden, de welke met den voorraadt van mond' en oorlooghe, men stellen zoude, by goedtdunken des Raads van Staate, in handen van inboorlingen van der soorte als vereischt wierd by de vrydoomen des Landts, ende, voor ditmaal, van zulke die den Staaten waaren aangenaam. Aangaande 't brandtschatten, afdwingen, en gelyke verdrukkingen, gepleeght by de krysluyden, zouw zyne Majesteit laaten geschieden 't geen naa recht, reede, en billykheit, behoorlyk en uitvoerlyk weezen moghte: ook orde geeven, om t'onderzoeken, op alles, wat, zoo wel de hoofden als slechte soldaaten, in haare oft in d'aangegrensde Landtschappen, misdaan hadden, ende recht daaroover doen, in Neederlandt, Spanje, oft elders, daar 't best betaamde. Alle gevangenen, by zaake der beroerten, zouden uitgaan zonder betaaling van ransoen: doch t'ontslaan en weederzeinden des Graaven van Buure aandraaghen, tot dat de Prins van Oranje 't besluit; te neemen ter aanstaande daghvaart by de breede Staaten, met der daadt hadde naagekoomen; en langer niet. 'T geschil oover 't herstellen van eenige heeren en amptluiden, tot de vooghdyen en staaten, waaruit zy om de voorleeden' ontsteltenissen, gezet waaren, had men te staaken tot het scheiden toe van de boovengeroerde vergaadring der Staaten; en 't zelve alsdan te brengen voor de Raaden van Rechte, in elk gewest daar 't onder behoorde, om by de zelve, geoordeelt en geüit te worden. Dat zyne Majesteit, in Koninklyke en Vorstelyke woorden, beloofde te handthaaven, en doen handthaaven, by haaren broeder en alle andre haare Stadthouders, zoo oover 't gemeene Landt als oover elk eighen gewest van dien, al de ouwde vrydoomen en gewoonten der zelve; en alle vremdelingen uit de regeering te houden. Dat, daarenteeghens, de Staaten beloofden, in oprechten gewisse, by trouw en eere, den Roomschen Godsdienst, en de gehoorzaamheit ten Koning t'onder-

[p. 496]

houden +en voor te staan, in ende oover al. Zy zouden verthyen, en afgaan van alle verbonden, die zy, t'hunner verzeekering en beschermenis, met uitheemschen, ten tyde der beroerten, moghten gemaakt hebben. Zy zouden afdanken, en ten Lande uitschikken alle vreemde soldaaty by hen aangenoomen, en beletten dat'er geen' andre weeder in quaam. Volghends hunne beloften, zouden zy, uit goede geneeghenheit te zyner Majesteit, opbrengen zeshondertduizent ponden van veertigh grooten elk; te betaalen, d'eene helft gereedt, aan 's Kaizars Ambassadeur, en d'ondergezanten des Hartooghen van Guilik, die de zelve hadden te leeveren in handen van Don Johan, oft zyne gemaghtighden, t'hunner bescheidenheit, om uit alle steeden en sterkten te doen ruimen 't uitheemsch krysvolk, behalven de Hooghduitschen, tot dat met hun afgereekent waare, als onder te zeggen stond: d'andre helft, by wissel oover te zetten op Genua, om, binnen twee maanden naa 't vertrek van de Spanjaarden, Italiaanen, en Borgonjers uit het Slot en de stadt van Antwerpen, goedt gedaan te worden aan den geenen, dien Don Johan daartoe wilde maghtighen. Dat de Staaten t'hunnen laste naamen 't vernoeghen der Hooghduitschen, oover 't geen men bevonde hun, in billykheit, schuldigh te weezen: waarinne zyne Majesteit en Don Johan hunne behulpzaamheit den Staaten beloofden, zoo by de geenen, die de reekeningen en * blaffaarts onder zich hadden, om hen die te doen ooverleeveren, als by de zelfste krysluiden, om hen te verspreeken tot reedelykheit: waartoe zich ook de Heeren gezanten erbooden, aanneemende de Kaizarlyke Majesteit te bidden, dat haar geliefde haar' achtbaarheit, te dien einde, te werke te stellen, by de voorzeide Hooghduitschen: de in welke, t'hunner voldoeninge toe, vrylyk zouden mooghen verblyven binnen Neederlandt, in de plaatsen, hun, door den Konink, by goedtvinden des Raadts van Staate, aan te wyzen, tot beschermenis en verzeekertheit zyner Majesteit en der Staaten. Naa 't vertrek van de Spanjaardts, Italiaanen, en Borgonjers, zouden de Staaten gehouden zyn, den persoon van Don Johan, mits toonende zynen lastbrief, op den behoorlyken en gewoonlyken eedt, ook met pleeghen der staatlykheeden daartoe vereischt, t'ontfangen tot Stadthouder en Kryshooft oover de Neederlanden: ende hem, voor zulx, toe te draaghen 't ontzagh, de eere, en gehoorzaamheit, die 't betaamde: blyvende nochtans 't verdragh van Gent, met al zyn aankleeven, in volle kracht. 'S Koninx naakomelingen, t'hunner blyde inkoomste, Don Johan, en alle andre Stadthouders te maghtigen by zyne Majesteit oft haare naazaaten, zoo oover degemeine Landen, als oover elk gewest bezonder, mitsgaaders alle Raadshoofden, Raaden, Amptmannen, en Rechtsluiden, zouden ten aanvank hunner bedieningen, staaten, en ampten, plechtelyk moeten zweeren, t'onderhouden, ende, voor zoo veel in hun waare, te doen onderhouden de jeeghenwoordighe keure en verdragh. Dat de Koning beaangenaamde en van waarde hield, alle bezettingen van renten en jaargelden, samt andre verbintenissen en verzeekeringen, gemaakt en verleeden, oft voortaan te maaken en te verlyden by de Staaten, ten behoeve der geenen, die hen bygestaan hadden, en alsnoch bystaan zouden, met verschaffen en aantellen van eenighe penningen, tot behulp, vereischt uit zaake der beroerten; ende zonderling voor de hooghe en vermooghende Vorstinne, zyne zeer lieve zuster, de Koninginne van Engelandt. Dit werd gevestight, by Don Johan tot Marche in Famine, op den twaalfden; by den regeerenden Raadt en Algemeine Staaten, tot Brussel, den zeeventienden van Sprokkelmaant des jaars vyftienhondert zeevenentseeventigh: ook onderteikent van 's Kaizars gezanten; en ten zelven daaghe, plechtelyk afgekundight.