Sonnetten. Reden vande waerdicheit der poesie (ed. P. Tuynman)


auteur: P.C. Hooft


editeur: P. Tuynman


bron: P.C. Hooft, Sonnetten. Reden vande waerdicheit der poesie (ed. P. Tuynman). Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1971.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 98]

Register sonnetten

Als Ariadne sat en deed' haer droeve clachten 6
Beroemde Vischerin, die de verborgen hockels 20
Cond jck v 't binnenst van mijn hart, Charife, toogen 12
D'aelouwde dichters kloeck in wijsheit nae te spooren 38
De stralen mijns gesichts die 'r mengden inde stralen 3
Doen 't eerste mael verscheen, in mijner ooghen zin 47
Doorluchtigh paer, wiens lof jck in den boesem queek 48
En was den Leeuw sijn hart niet groter als sijn nest 21
Genen poëet te recht ijets vrolijx, oft bedaerts 2
Geswinde Grijsart die op wackre wiecken staech 26
Ghentiel goddin alleen besitster van mijn hert 4
Ghij minnaers, dien, door brandt, het waetrend' ooghe ziet 41
Het hoge wonder nieu dat binnen swerelts palen 1
Het menschelijk geslacht, 't welk lichtlijk zich vermeet 42
Hoe dat de Roomsche maght verspuwt der wetten tóóm 32
Jck morden op de Min en op sijn heerschen smaelde 19
Jn d' ouwde' eenvouwde tijdt voor duisend jaer verleden 23
Jndien mijn leven sich soo lange can verweren 11
Leitsterren van mijn hoop, planeten van mijn jeucht 8
Madrilsche Geryon, die met getal van handen 53
Men voede' Achilles op, met mergh wtleeuweschoncken 34
Met smalle kiele spóuwt mijn Vrouw de vochte wegen 15
Minerv' en Iuno korts gedenkend' ouwden spijt 45
Mijn lief, mijn lief, mijn lief; soo sprack mijn lief mij toe 25
Mijn Sorch, wanneer jck peins dat v soo seer behaeghe 29
Mijn Vrouw, de Min, en Jck, hebben een harde strijt 9

[p. 99]

Mijns Aventuirs voorspoock, fatael rappier 7
Niet bij; maer boven selfs Achilles groove schoncken 35
Nijdige tijt waerom ist dat ghij v versnelt 10
O geestighe Natujr vol jujster zinlijkheit 49
O Jongen, versse vrucht, die wt het slaeprigh leven 33
Octaviaen, als hy verhit door susters spijt 52
Om in te voeren in mijn hart sijn straffe wetten 14
Ontzachelijke Min, de zuchten mijn' gezanten 51
Pooght ghij, met vliet van rouw, gods toornevliet te stóppen 40
Schoon oogen die vermeucht te nemen en te geven 13
Selfwasse rancken van het alderfijnste goudt 39
Sint dat melijdelooz' en overbolghe ramp 43
Soo 't v, met diamant, lust op een glas te stippen 37
Sijdij van Minnaers smart een onversaedlijck vraetjen 18
Terwijl Petrarchaes geest omreist des aerdtrijks kimmen 55
Trompetter van Neptuin, heb jck op v een beê 36
Van purper en van goudt het heerelijk gewaedt 46
Vive image d'honneur, pourtrajt sans aultr' exemple 44
Vonckende God, of Geest van Godes naeste neven 27
Voor 't droevighe gemoedt gesmoort in hooploos leidt 22
Waer 't dat Juppijn ten hoof mij in sijn Hemel baede 24
Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden tóómen 28
Wanneer, door's wereltslicht, de blindtgebooren jongen 16
Wanneer Juppijn om 't hart de Minne was geslaeghen 30
Wat storrem heeft v vlam (mijn Leven) wtgeblasen 17
Wech soete sotternij, flux segg' ick wilt verreijsen 5
Weldighe Ziel, die met vw scherp gesicht 31
Welwijse Witz, die met een minnelijcken moedt 54
Zoo 't ujterlijke schoon mijn' zinnen annerandt 50