|
|
|
| |
| | | |
VVare-nar
Dat is:
Aulularia van Plautus, nae 'slandts
gheleghentheyt
+ verduytschet: en ghespeelt in de eenighe en eerste
Nederdvytsche Academi.
(Vignet)
t'Amsterdam, Voor Cornelis Lodowijcksen vander Plassen/
aende Beurs/ inde Italiaensche Bybel. 1617. | | | |
| |
Voor-reden.
Miltheydt. Giericheydt.
+
Ghy Amsterdammer Burgers en ingheboren,
1
En die boven al hebt tot woonplaets verkoren
d'Edele Stadt, die deurboren gaet de wolcken met heur kroon,
3
Van Keyserlijcke handt ontfanghen te loon,
5
Zijt niet verwondert of schoon mijn gewaed wat wilt,,
weyt,
5
Ick ben u mee Poortres, de ruymschottelde Miltheyt,
6
Die niet als een vilt,,leyt,,arm leven van groot goedt;
7
Maer vrolijck haer selven, en den behoeftighen voet
Van den overvloet. Ick sal u niet swyghen
| | | |
10
De reden waerom ick dus herwaerts koom styghen,
10
Het is om te kryghen dit Huys in mijn ghewout,
11
'tWelck mijn doodt Vyandin beseten hout,
12
En sit te broen op het gout, 'twelck daer in een Pot leyt
begraven,
13
Dwinghende den eyghenaer te leven als de Slaven,
15
Daer hy wel met graven mocht maken goe cier.
15
Des Huys-heers Bestevaer begroef het eerst hier
16
Inden haert by't vyer, op dat het niemant sou kippen.
17
Iae doen hem de doodt quam op de lippen,
18
Wt vrees dat het soud slippen, en seyd' hy noyt woort
19
20
Teghen zijn eyghen Seun: daer nae sloech hem de moort,
20
En zijn Seun die moest hem voort op zijn renten gheneeren,
21
Die'er niet nae waren om wel op te smeeren,
22
| | | |
Maer kost en kleeren had hy sober ghenoech,
23
En moest sich soo behelpen, tot dat hem de doodt oock
sloech.
25
Over den selven boech,,zeylt nu dees zijn zoon mede,
25
Hoe wel't hem nu langh geenen noodt en dede.
26
Want verleggende de stede,,van den Ouden haert,
27
Heeft hy de Pot gevonden,,met het gout daer in vergaert.
De welcke hy bewaert,,oft hy nar waer te deghen,
29
30
Daerom heeft hy Warnar tot zijn rechte naem gekregen.
30
Op verscheyde weghen,,heeft dees dese schadt
31
Hier in huys tot meer mael begraven gehadt
En de penninghen glat,,heeft noch de vloer te bewaren,
Maer sijn Dochter heet Claertje die selse wel claren.
34
35
Soo s'er openbaren,,nae dat ick kan bevroen.
35
| | | |
Dees is swanger (en weet niet by wien) te vermoen,
36
Dats immers een seltsaem doen,,doch sult ghyt bevynen,
37
Hoe leughenachtich oock dat het soud' moghen schynen.
De Iongman en de zyne,,zyn wel vermoghen Lien,
39
40
Van dit Paer soud' ick gaern een huwelijck zien.
'tWelck comende te schien,,salmen my beter eeren,
41
En ick in plaets des giericheyts, dit huys beheeren.
42
Alle kanssen keeren,,en alle tydt heeft zyn besteck.
43
Her uyt Oude toveres met jou mag're beck
44
45
Die u eygen Dreck,,wel van begeerlyckheyt soud eeten.
45
Ghy hebt dit huys langh genoech beseten,
Ghy moet het weten,, u tydt is verby.
Vaert wel schoone gelt dat ick soo vierich vry,
48
Al schey ick van dy,,met droevich schreyen,
50
Mijn hart en can daerom van u niet scheyen,
50
Och laetme wat beyen,,dat ick haer noch eens kus.
51
| | | |
Ick sal noch flus,,beswymen door 't benouwen.
53
Ghy hebt hier lang genoech mag're koocken gehouwen.
54
55
Och laet my den Ouwen,,noch leeren een Les.
55
't Heeft veel te langh gheduert. Ich wacht my des.
56
Soo sal ick hem het sles toe roepen van veere,
57
O Waernar,,Waernar,,onthout mijn Leere.
Siet datmen niet weere,,my heel uyt u gemoet,
60
Gelijckmen my uyt u wooninghe doet.
Syts altijdt vroet,,al moet ick spoen mijn ganghen,
61
Ick weet hy heeft zijn hart soo vast aen mijn gehanghen
62
Dat hy sal blyven ghevangen,,met liefde tot my.
Al ist dat ick door dwang van synent ty.
64
65
Dit spel sal Pottery,,heeten soo ghy 't meucht veelen,
65
Spraeckmakende gemeent Plautus heeft het doen speelen.
66
| | | |
Voor Burgers en eelen,,vant Roomsche bloet.
67
'tIs een huys-Godt die by hem de voor reden doet.
68
Maer om dat ghy van sulck goet,,niet veel hebt hooren segghen,
69
70
Soo heeft de Oversetter diens rol my Miltheydt toe
gaen leggen
Plautus stelt de gheschienis alhadmense t' Athenen
bespeurt,
71
Maer wat isser oock dat t' Amsterdam niet en beurt.
72
Dus nemen wy best bekende plaetsen en straetjens,
Niemant treck hem yet aen,,'t sijn maer hoofdelose praetjens.
74
|
+gheleghentheyt: staat,
toestand.
+Miltheyt staat voor Warenars huis en richt
zich tot de toeschouwers, wat trouwens in de 17de eeuw gewoon was en in het
blijspel nog meer voorkomt.
1ingheboren: inwoners, wel te
Amsterdam geboren, maar niet in het bezit van het poortersrecht; in vss. 1-3
noemt de dichter 3 groepen Amsterdammers: burgers (met poorterrecht),
ingeborenen zonder poorterrecht en inwijkelingen.
3die deurboren gaet…: dit
heeft betrekking op een besluit van begin 1615 om de Westerkerk te bouwen; de
toren zou pronken met de keizerskroon. De eerste steen van deze kerk werd
echter pas op 9 september 1620 gelegd.
kroon: Keizer Maximiliaan I
had bij privilege van 11 februari 1489 de stad Amsterdam toegestaan een
keizerskroon boven haar wapen te voeren (cfr. vs. 4).
5weyt: weidt = gaat;
wat
wilt weyt: wat buiten de perken gaat, wat te kostbaar is.
6ruymschottelde: milde,
royale.
10dus: zo.
styghen:
gaan, op het toneel verschijnen.
11dit Huys: nl. het huis van
Warenar.
ghewout: macht.
12beseten: in haar
bezit.
13En: en zij… (Weglating
van onderw. komt vaak voor in de 17de eeuw; cfr. Weijnen, Dr. A.:
Zeventiende-eeuwse Taal3, Zutphen, 1960, § 79, blz.
72).
15Daer: terwijl.
graven: grote heren.
maken goe cier: zich rijkelijk te
goed doen, feestvieren.
19slippen: wegraken, ontglippen.
en: deel van ontkenning noyt.
noyt: volstrekt
niet, geen enkel.
20sloech hem de moort: trof hem de
dood, stierf hij.
21hem gheneeren op: leven van (hem
= zich).
22nae: naar.
smeeren:
smullen, rijkelijk leven.
23sober ghenoegh: zeer
sober.
26langh geenen noodt en dede:
volstrekt niet noodzakelijk zou zijn.
27stede: onderstel, waarop de
haardplaat rust. Leendertz Jr. stipt hierbij aan: ‘Een verplaatsing van
den haard, waarmede het bouwen van een nieuwen schoorsteen gepaard moest gaan,
zou natuurlijk voor Warenar te kostbaar geweest zijn’.
29te deghen: terdeeg, echt.
Stoett merkt hierbij aan: ‘De woordspeling ontleende Hooft aan
Coornhert, Wercken (ed. 1630), III, blz. 492’, doch de verklaring
van Leendertz Jr. komt me meer aannemelijk voor: ‘Zoo is het voorkomen
der woordspeling Waernar-Warenar of Warnar-Warrenar een gevolg van de
dialectische uitspraak van dien naam en kan nooit als bewijs gelden, dat de
eene schrijver van den ander heeft overgenomen’.
30rechte: juiste,
gepaste.
31Op verscheyde weghen: op
verschillende plaatsen.
34claren: er weg mee weten (met
woordspeling op de naam Claertje).
35Soo s'er openbaren: als ze te
voorschijn komen.
nae dat: naar.
36(en weet niet by wien) te
vermoen: en ze kan niet denken door wie.
37immers: in alle geval,
alleszins.
doen: feit, gebeurtenis, geval.
doch: toch.
bevynen: bevinden (dat het zo is).
39wel vermoghen: zeer vermogend,
welgestelde.
42des giericheyts: dergelijke
genitieven komen in de 17de eeuw vaak voor bij vrouwelijke
substantieven.
44Her uyt: eruit -
Giericheyt is dus nog in het huis; zij verschijnt pas met vs.
48.
45begeerlyckheyt:
gierigheid.
50daerom: in weerwil daarvan,
nochtans.
51beyen: beiden, toeven.
haer: de pot (meestal vr. in dit stuk).
54genoech: Tekst: genoecb.
mag're koocken gehouwen: gierig huisgehouden - Wellicht is de
uitdrukking ontleend aan de tekeningen van de vette en de magere
keuken.
55den Ouwen: ‘de
baas’, d.i. Warenar.
57sles: slechts, maar.
veere: verre.
61Syts vroet: wees des (= daarvan)
overtuigd.
64van synent: van te zijnent, uit
zijn huis.
ty: ga, vertrek.
65Pottery: vertaling van
Aulularia = spel van de pot; eigenlijk is potterij
‘schelmerij’, vandaar de volgende verontschuldiging.
veelen: gedogen.
66Spraeckmakende gemeent: volk,
dat de taal maakt.
68huys-Godt: Plautus: Lar
familiaris, beschermgod van de huisbewoners.
69sulck goet: zo iets, nl.
huisgoden.
71stelt: Tekst: stel.
alhadmense f'Athenen bespeurt: alsof men ze te Athenen had
zien gebeuren.
72oock: toch, immers.
beurt: gebeurt.
74hoofdelose: losse en dwaze, niet
slecht bedoelde (met woordspeling op de naam van de ‘oversetter’
Hooft).
|
|