De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Bernard van Orley]

Onder deze (waar aan van Mander maar met wynig woorden gedenkt (was BERNARD van ORLEY, gebooren in Brabant, maar in wat Stad of jaar weet ik niet; aangezien een lange reeks van verloopen jaren de gedachtenisse daar van begraven heeft: maar het is klaar af te meten, dat hy een goeden ouderdom bereikt heeft, wyl hy is geweest een Leerling van dien grooten Rafael van Urbyn, die in 't jaar 1520 tot groot verlies van de Konst, pas 37 jaren oud gestorven, van onzen Orley in den jare 1550 op dat spoor gevolgt is.

[p. 25]origineel

Florent le Compte zeit: dat hy by Rafaëls leven zoo ver in de Konst gevordert was, dat hy hem aan zyn groote werken heeft helpen schilderen. Naderhand heeft hy zich ook tot het Schilderen van Beesten, Beestejachten en Lantschappen begeeven: zonder nochtans het Historie- en Beeldenschilderen af te laten, als onder blyken zal. Groote Geesten (zeit Gratiaan) hebben altyd getracht een nieuwen weg in te slaan, om roem te bejagen; dog op zoodanige wyze dat de voorzichtigheid hun altyd tot Leidsman gedient heeft. Of zy hebben liever getracht d'eerste te wezen in de tweede, als de tweede in d'eerste Bende. Of dit laatste, reden tot verandering in zyn verkiezinge, ontrent de voorwerpen zyner penceelkonst gegeven heeft, kan ik niet zeggen: maar wel dat hy roem in 't een en 't ander behaalt heeft.

In Brabant wedergekeert, geraakte hy berucht voor den beste in 't Schilderen van Jachteryen in dienst van Keizer Karel den V. voor wien hy heeft geschildert het Bosch van Soigne, met al de aangename gezichten, om en by dezelve. Diergelyke ook voor de Hertogin van Parma om de Tapitzeryen na te bootsen, voor welke hy (als ook voor de afbeelding van den Keizer, en voornaamste van 't Hof) rykelyk beloont werd.

t' Antwerpen heeft hy voor de Kanonniken, om een hunner Kloosterkapellen te sieren, de verbeeldinge van 't laatste Oordeel geschildert, op een vergulden gront. En voor de Gebroederschap te Mechelen een groot stuk, waar in St. Lucas zit, de beeltenis van de waardige Moedermaagt Maria af te malen.