De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Dirk en Wouter Crabeth]

DIRK en WOUTER CRABETH.

Men is verwondert, dat Karel van Mander in zyn Schildersboek geen een woord van dezelve meld.

Doch des te meer (zeit de Stads geschiedenisschryver) dient hunne heugenisse vernieuwt. Eenigen hebben gemeent dat zy van afkomst Duitschers waren; anderen dat zy uit Vrankryk waren gesproten; doch hunne nazaten getuigen dat zy uit Holland afkomstig zyn.

Van Mander melt op pag. 148, a, van eenen Adriaan Pietersz. Crabeth, wiens Vader door de wandeling Krepel Pieter wierd genoemt. Deeze was een Leerling van Zwart Jan, of Jan Zwart, Schilder van Groeningen, welke hy door vlyt te boven geleert hebbende naar Vrankryk vertrok, daar hy ook gestorven is.

[p. t.o. 26]origineel


illustratie

[p. 27]origineel

De Heer Almeloveen is van gedachte dat Claudius, anders Krepel Pieter, niet alleen Vader van gemelden Adriaan, maar ook van Dirk, en Wouter geweest is, en gevolgelyk Adriaan, Dirk, en Wouter broeders. Hy styft zyn gevoelen daar mee, dat de twee laatste zoo wel Pieterszoonen als de eerste genoemt worden; behalven dat ook de tydrekeninge van alle drie te gelyk uitkomt.

Willem Tomberg, zoon van Daniël Tomberg, Glasschilder van Gouda, is van gedachten dat zy by eenige Kloosterlingen hunne eerste grondbeginzelen geleert hebben.

Van Wouter word verhaald, dat hy Vrankryk en Italien heeft bezocht, en voor gewoonte had, op alle plaatzen, daar hy doorreisde, een glas alleen ten staal van zyn Konst agter te laten. Deze is by alle Konstkenneren geoordeelt boven zyn broeder uit te steken, voornamentlyk in het welteekenen, ook stak zyn werk uit in helderheid, en dat van Dirk in tegendeel was krachtiger in zyn koleuren, zoo dat men van ouds zeide; 't geen Dirk doet door zyn diepzels, werkt Wouter uit door zyn hoogzels. Beide waren zy brave meesters, zoo wel in groot als klein werk, en dat met zulke vaardigheid dat het byna niet te geloven is; 't geen egter uit de Jaarmerken blykt. Wouter zyn eerste Glas, waar de Koninginne van Sába in afgebeelt staat in 't Jaar 1561, afgemaakt hebbende, leverde 's jaars daar aan het groote glas, dat Hertogin Margariet bekostigt had, en aan de Kerk schonk. In 't jaar 1564, dat van Christus geboorte, en 1566 dat, daar de Tempelroof van Heliodorus in vertoont word, alles binnen den tyd van zes jaren: en noch was Dirk vaardiger in 't wer-

[p. 28]origineel

ken, want hy maakte zes glazen in drie jaren af, die immers zoo groot waren. Want in 't jaar 1555, maakte hy 't glas daar Christus gedoopt word. 's Jaars daar aan de twee volgende, en in 't jaar 1557 maakte hy drie glazen af, dat van den Koning van Spanje, Johannes den Boeteprediker, en den Doop van den Moorman, zynde die alle zes van de grootste maat.

In den jare 1567 maakte Dirk het Glas daar Christus de Wisselaars uit den Tempel dryft. En 1571 daar Judith Holofernes het hoofd afslaat, 't welk zyn laatste werk is geweest, dat hy in de Kerk van Gouda gemaakt heeft.

Zy waren, schoon broeders, zoo konstnayverende, en hielden zich ontrent de Konst zoo bedekt voor elkander, dat wanneer de een diesaangaande iets vraagde, den ander hem tot antwoort gaf: Ik heb het door vlyt gezocht, doe ook zoo. Dit ging zoo ver, dat wanneer zy by geval eens op elkanders winkel kwaamen (dat niet veel gebeurde) het werk dat zy onder handen hadden, voor dien tyd overdekt wierd, overzulks wanneer zy elkanderen iets te zeggen hadden; lieten zy het over en weêr schriftelyk weeten. Ook word getuigt dat zy voor hun Kerkwerk geen grooten loon bedongen hebben, waarom zy ook daar benevens het Glazemaken aan de hand hielden, zoo lang zy leefden.

Dirk bleef ongetrouwt en woonde op de westzyde van de Gouwe, over de turfbrugge, daar nu het Amsterdamse Veer is, en leefde noch in 't Jaar 1600.

Wouter woonde agter de Vismarkt, op de Noortzyde, en trouwde een vrouw uit het oud geslacht van Proyen, en liet een zoon na, Pieter ge-

[p. 29]origineel

noemt, die naderhand Borgermeester wierd. Hy werd in zyn ouderdom beroert, maar het jaar, waar in hy gestorven is, weet ik niet. De Plaatsnyder Reynier van Parzyn, met Wouters zoons Dochter getrouwt, liet hunne afbeeldzels in print uitgaan, die wy nagevolgt vertoonen in de Plaat B.: daar de vermaarde Dichter, Joost van den Vondel, dit volgende gedicht onder schreef:

 
Offert Wouter met Elias,
 
Doove verf schynt hemels vier.
 
Eet hy 't Paaslam met Messias,
 
Zyn penceel vol aart en zwier,
 
Draaft te moediger en stouter.
 
Stel het beeld op 't Schilders outer.
 
 
 
Diedriks uurglas is verloopen,
 
Noch volhard hy met Sint Jan,
 
'T volk te leeren en te doopen,
 
Daar het grimmeld om dien man,
 
Zoo vol yver als boetvaardig.
 
Is die helt geen konstkroon waardig?

Deze twee groote meesters in die Konst zyn gestorven, en ook de Konst met hun, zegt W. Tomberg. Hoewel de Heer Almeloveen wil, dat in de Boekzaal van den Heere Joachim Feller, een of twee boeken gevonden wierden, daar deze Konst in te leeren was. Hoe het daar mee is, weet ik niet, maar wel, dat men van de uitwerkzelen van dat geschrist niet meer gehoort heeft. Gemelde Willem Tomberg, geeft wel eenig beduid ontrent de stoffe, die zy daar toe gebruikt hebben, maar belyd zyne onkunde in de wyze Hoe, zy die

[p. 30]origineel

stoffe tot zulken gebruik gebracht hebben, en begromt de zulken, die zeggen, dat men thans zulke schoone verwe niet heeft, als ouling in de glazen gebruikt is, even als of het glas toen met zulke schoone koleuren beschildert wierd, daar in tegendeel de koleuren aan 't glas gegeven worden door zilver, yzer, koper, bloedsteen, Menie, enz. daar over te stryken en in glasovens te gloejen. Waar naderhand de diepzels door het penceel, op 't reeds gekleurde glas bewerkt wierden, en andermaal gegloeit, enz. Deze W. Tomberg was de zoon van Daniel, zoons zoon van den Predikant Herboldus Tombergius; die eerst zeven jaren die Konst had geoeffent, by Westerhoud van Uitrecht, die doenmaals tot Gouda woonde, en naderhand dezelve voort leerde by meergemelden Vader van Ant. van Dyk, waar door hy zo ver in die Konst kwam, dat hy voor den besten gehouden wierd; gelyk hy ook naderhand, over het onderhouden van de Kerkglazen tot Gouda gestelt is geweest, van welke hy 'er ook verscheide, voor een groot gedeelte vernieut heeft, wanneer die door het schrikkelyk onweer in den jare 1674 waren ingeslagen. Dog hebben de koleuren zoo in kracht, als helderheid, by de vorige niet konnen halen. Ook word gezegt, dat naderhand nooit de stof gevonden is van 't swart, waar mede 't kleed van d'Abdisse van Rynsborg, in 't glas van Koning Salomon geschilderd is. Hy stierf in 't jaar 1678. oud 75 jaren.

In en na den tyd van Dirk en Wouter Crabeth, waren ook in bloei Willem Tybout, en Kornelis Ysbrantse Kuffeus. Van deze maakt, behalve den Goudze Chronyk, ook Samuel Ampsing, in zyne beschryving van Haarlem gewach, en pryst

[p. 31]origineel

hun Konstwerk aldus in vaarzen:

 

Hoe dapper meesterlyk kon Tybout glazen schryven,

En wat heeft Kuffeus hand in deze konst gedaan?

 

W. Tybout stierf den 24 van Wiedemaand in 't jaar 1699. oud 73 jaren, en Kornelis Ysbrantse Kuffeus den 24 van Bloeimaand, in 't jaar 1618.

D. van Bleiswyk in zyne Beschryving van Delf, gedenkt op 't Jaar 1563. van gemelden Willem Tybout, en zeid: Dat hy, in 't Noordkruiswerk van de Nieuwe, of St. Ursels Kerk te Delf, een uitnemend konstig glas geschilderd heeft: waar in het afbeeeldzel van Philips den Tweeden, Koning van Spanjen, nevens dat van zyn derde vrouw Elizabeth de Valois, oudste Dochter van Hendrik den Tweeden, Koning van Vrankryk, beide knielende voor een tafel daar twee boeken op lagen, vertoond wierden. Zy waren in hun pragtig Koninklyk gewaad afgebeeld, ieder met een beschermheilig achter zich, en de geslachtwapenen boven hun hoofd. In de bovenhelft van 't glasraam stond afgebeeld de Oostersche Koningen, eerbied bewyzende aan Jesus, die op den schoot van Maria zat, met een groot gewoel van Beelden rondom haar heen: braaf geteekent en geschildert. Zulks de Konstkenners daar groote agtinge voor hadden. Gelyk ook voor 't konstig geschildert glas in de Kapel van de Hooge Heemraden van Delfland, die alle levensgroot ten voeten uit, in 't harnas natuurlyk geleeken, afgemaald waren, door den Konstigen Laurens van Kool.

Van Willem Tybout, zietmen no noch, ten staal van zyn Konst, op de glazen van het groot vertrek van de voorste Doelen, binnen Leiden, alle de Hollandsche Graven, ten voeten uit geschil-

[p. 32]origineel

dert, welke hy gevolgt heeft (schryft Michael Vosmerus, in zyn Boek, dat hy noemt Principes Hollandiae.) naar de afteekeningen die hy gemaakt hadde, naar de oude muurschilderyen in 't Klooster van de Karmeliter Monniken, of de Lieve Vrouwe Broeders, gesticht in den jare 1249 binnen Haarlem, na dat de beschilderde paneelen, met de zelve Beeltenissen der Graven beschildert waren. Doch Kornelis van Alkemade (in zyn Voorbericht op de Hollandsche Rymkronyk van Melis Stoke) spreekt gemelden Schryver dies aangaande op pag. 8. tegen, en wil dat deze alleen voor egte namaakzels, gehouden moeten worden, welke de Kloosterlingen (wanneer de eerste en egte afbeeldzels met waterverw op den muur geschilderd, door afbryzelinge des muurs en onduurzaamheid der waterverwe verdonkert waren) op houte paneelen lieten schilderen, en die van de Magistraten van Haarlem, in 't laatst van de 15 Eeuw, uit de klaauwen der Beeldstormers gered, en geplaatst zyn op de voorzaal van hun Stadhuis, daar zy noch te zien zyn. Waarom gemelde Alkemade, de zelve ook heeft uitgekeurt, om 'er den laatsten druk van Melis Stokes Rymkronyk, mee op te sieren.

Ik laat deze tegenrede in hare volle waarde, maar moet omtrent de printverbeeldingen zeggen: dat, zoo de zelve in allen deelen naaukeurig gevolgt zyn, naar de oude afbeeldzels op de Klooster paneelen, ik my niet verbeelden kan de ware Beeltenissen der Hollandsche Graven te zien: Aangezien verscheide beelden noch gaan noch staan konnen, noch eenige maatschikkelykheid van deelen tot het geheel, daar in is waargenomen, 't geen my doet agterdenkende worden, dat de Teekenaar even zoo min achtgevingen, in 't navolgen der

[p. 33]origineel

onderscheiden wezenstrekken gebruikt hebben.

Deze zoo overheerlyke oude pronkstukken (gelyk Alkemade verder voortgaat) met veel arbeid geschildert en zorge bewaart, by de lief hebbers der oudheden in zoo groote agting, dat ze die Stad niet doorreizen, ten zy ze deze eerwaarde oudheid begroet, en met veel genoegen beschout hebben, enz. mogen wezen wat zy willen, ik wilde liever hebben die konsttafereelen van Kornelis Korneliszen daar 't Prinsen Hof te Haarlem mee pronkt: en die in zoo groote waarde gehouden werden, dat voortyds voor een geschilderde Voet (zoo die uit een der Tafereelen gesneeden mocht worden) 600 guldens geboden wierden; waar op de Dichter Jan Vos spreekt, en als met den vinger daar op wyzende, zegt:

 
Dit is de Voet daar Luit tot honderd pond voor biet:
 
Maar Utrecht heeft een Voet, dien gaf het graag voor niet.
 
Zyn honderd pond, daar niet, wat heeft het Sticht voor reden?
 
Haar Voet wil uit de Kerk, tot in het Raadhuis treden.

De meenigte Glasschilders die Gouda voortgebracht heeft, schynen my toe, genoeg geweest te hebben, om alle de Kerken van Holland, met hunne Konstwerken te vullen: want behalven die door anderen zyn voortgeteelt, zoo zyn uit de School van de Broeders Crabetten voortgesprooten Jakob Caan, Jan Dirksz Lonk, Govert Hendriksz, Jan Damesz, Aart Verhaast, Gysbert vander Kuil, Dirk de Vrye, Adriaan vander Spelt.

Aart Verhaast, en Gysbert vander Kuil, waren yverige Konstgezellen, en getrouwe reisbroeders, door Vrankryk tot Romen toe. Verhaast, op bedreiging dat hy, indien hy niet weder in

[p. 34]origineel

zyn vaderland keerde, versteken zou wezen van zyn erfgoederen, nam naa 't verloop van elf jaren de te rugreis aan; dog vander Kuil bleef volle twintig jaren uitlandig, waar naar hy wedergekeert tot Gouda stierf, in 't jaar 1673. wanneer Verhaast al in 't jaar 1666. overleden was; en zig scheen verhaast te hebben, om eer zyn reisgenoot weder kwam, voor uit te wezen, op de reis naar de eeuwigheid.