De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Joan Dac]

Maar eer dat wy daar aan beginnen, diend by de voorige (waar aan van Mander niet gedenkt) noch gevoegt te worden, JOAN DAC. Deze was een Keulenaar, en leerde de Konst by Bartholomeus Spranger, in den jaare 1556. die hy naderhand voortzette in Italien; daar na ook in Duitsland; waar door 't gebeurde dat Rudolf de Tweede, de Zoon

[p. 35]origineel

van Maximiliaan daar een welgevallen in kreeg, hem in zyn dienst nam, en naar Italien zond, om de geagtste Antique voor hem af te teekenen. Wedergekeert, maakte hy veele roemwaardige werken voor den Keizer. Hy stierf aan 't Hof, en had eer en goed vergaderd.

De geenen welker levensbedryf Karel van Mander maar ten deele heeft beschreven, hebben wy als maar gedoodverfd aangemerkt, en zullen nu, na voorgaande overleg, de hand daar aan leggen, om zyn tafereel daar 't gebrekkig is; op te maken. Onze pen zal tot penceel verstrekken, om 't geen ingeschoten, en duister is, door een vernis op te helderen, op dat elk in het byzonder, duidelyk en klaar gezien mag worden. De eerste die na orde van jaren in de hand komt, is