De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Frans Hals]

Een diergelyk geval ontmoet ons in 't leven van FRANS HALS, wiens Beeltenis zig aan den overkant met een hoed op't hoofd doet zien. Anthony van Dyk, de Fenix van zyn tyd, als hy in dienst van Karel den eersten, naar Engeland zoude overschepen, was verlangende om hem voor af te zien, kwam te Haarlem, en ging aan zyn Huis. Maar 't had zyn

[p. 91]origineel

werk in, hem in de bierkroegen op te zoeken, daar hy niet eer uit kwam, voor hy zyn pintje geleegd had. Inmiddels stont van Dyk met veel gedult te wagten, die zig voor hem bedekt hield, zeggende alleen tegen hem, dat hy een vremdeling was, die geen anderen tyd had, als den tegenwoordigen, en egter begeerte had van zyn Pourtret door hem te laten schilderen, 't geen F. Hals zonder verder navragen hem inwilligde. Hy nam een doek, zoo goed en zoo kwaad, als hy toen maar aan de hand had, en begon aan 't werk te vallen. Van Dyk maakte weinig tusschenspraak met hem, onder 't zitten, om niet bekent of ontdekt te worden. 't Was in korten tyd gedaan, en Frans verzocht hem op te staan, om te zien of het dus van zyn behagen was. Van Dyk prees het, en maakte toen met hem eenige zamenspraak, dog zoo, dat hy niets merken konde. Onder andere reden zeide hy: gaat het schilderen zoo in zyn werk? Zou ik het ook niet konnen doen? vatte voort een ledigen doek, dien hy daar zag staan, zette dien op den Ezel, en verzocht hem neer te zitten. Frans zag haast aan 't aanvatten van 't palet, en penceelen, dat dit de eerstemaal niet was, en dat de vermomde Ulysses zig van zelf wel ontdekken zou, dog had geen bedenken op van Dyk, maar besloot dat het de een of de ander potzige Schilder moest wezen, die zig door een staal van zyn Konst te toonen, wilde doen kennen. 't Leed niet lang of van Dyk belastte hem op te staan, om 't werk te zien. Zoo haast als hy 't bezag, zeide hy: Gy zyt van Dyk, want geen mensch anders kan zulks doen, viel hem om den hals, en kuste hem.

Van Dyk nam zyn Pourtret nat voor zich meê, bedankte hem, en stopte zyn kinderen daar ryke-

[p. 92]origineel

lyk wat voor in de hand, daar zy niet lang kassiers van bleven; want Frans die buitekans voort op de lippen nam.

Men zegt dat van Dyk veel moeite deed, om hem meê te troonen naar Engeland, maar hy wilde daar niet naar luisteren, door dien hy zoodanig op die slegte wyze van leven verslingert was. Egter behield hy groote achting voor deszelfs Konst, gelyk hy ook naderhand dikmaals gezegt heeft: Dat, indien hy in zyne vermenginge wat meer van het teere, of dunne gehad had, hy een der grootste meesters zoude hebben geweest; want dat hy zyn weerga niet kende, die 't penceel zoo tot zyn wilhad, dat hy, na hy een Pourtret had aangeleid, de vaste wezenstrekken, hoogsels, en diepsels met een penceelzet, zonder verzagtinge of verandering zoo hun behoorlyke plaats wist te geven.

Men zegt, dat hy voor een gewoonte had, zyn Pourtretten vet, en zachtsmeltende aan te leggen, en naderhand de penceeltoetsen daar in te brengen, zeggende: Nu moet 'er het kennelyke van den meester noch in.

Hoe krachtig en levendig hy, door zyn penceel den natuurlyken zweem des menschelyken wezens heeft weten na te bootsen, getuigen de menigvuldige Pourtretten, die men nu noch van hem ziet. Te Delf in de Oude of Kolveniers Doelen is een groot stuk van hem, waar in eenige Hoofden of Bevelhebbers der Schuttery, levens groot in staan afgebeeld, en zoo kragtig en natuurlyk geschildert zyn, dat zy de aanschouwers schynen te willen aanspreken.

Hy had ook een Broeder, Dirk genaamt, die een fraai Schilder was, en zig oeffende in Gezelschapjes, en kleine Beeltjes. Samuel Ampzing

[p. t.o. 92]origineel



illustratie

[p. 93]origineel

gedenkt aan hun beide in de beschryving van Haarlem, met dit volgende rym:

 
Hoe wakker schildert Frans de luiden naar het leven?
 
Wat zuiv're beeldekens weet Dirk ons niet te geven?

Zyn brave Konst en stoute wyze van penceelbehandelinge, maar niet zyne levenswyze moet de schilderjeugt zig ten voorbeeld, en tot naarvolging stellen, aangezien hy geen goed bestierder van zyn levenskar was, als die niet zelden van 't middelspoor afholde, wyl hy zyne driften te ruimen toom vierde.

Frans was gemeenlyk allen avond tot de keel toe vol met drank. Echter hadden zyne Leerlingen groote agtinge voor hem, en de oudste verstonden malkander daar in, dat zy by beurten agt op hem gaven, en hem des avonds, inzonderheid wanneer het duister of laat wierd, uit de kroeg haalden, op dat hy niet in 't water zoude loopen, of op een andere wys eenig ongeluk ontmoeten; die hem dan gevoegelyk t'huis bragten, koussen en schoenen uittrokken, en te bed hielpen.

Deze, die dan de een voor en de ander na, agt gegeven hadden, dat hy, hoe beschonken, egter eenig avondgebed, uit gewoonte, uitstamerde, en altyd besloot met dezen wensch: Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen Hemel, waren agterdenkende onder malkander, of dit wenschen van hunnen meester wel ernst was. Des bedachten zy te zamen een middel, om daar proef af te nemen. Een Adriaan Brouwer, die een Leerling van hem was, van de jeugt af aan op potseryen

[p. 94]origineel

afgericht, en Dirk van Delen, waar van wy op 't jaar 1650 zullen spreken, hadden hier deel in. Dit stuk ging onder beloste van elkander niet te bekrajen, onder hun vieren aan. Zy boorden vier gaten in den zolder, boven zyn bedsteê, waar door zy sterke koorden neerlieten, die zy aan de hoekeinden van 't bed vast knoopten. Wanneer zy hem dan den volgenden avond vol en zoet, als men gemeenlyk van de zulke zegt, te bed geholpen hadden, en het licht uit de kamer gedragen, gingen zy op hunne koussen de trappen op naar boven, om hunne rol uit te spelen, zonder dat hy daar af iets gewaar werd, en luisterden scherp toe naar het prevelen van zyn Avondgebed, dat hy dan naar gewoonte weer met dezelve wenschinge: Lieve Heer haal my vroeg in uwen hogen Hemel, besloot; waar op zy hem gelykerhand met het bed naar boven trokken. Hy die in den dommel van zyn dronkenschap dit egter gewaar werd, en vast besloot dat de Hemel zyn gebed verhoord hadde, terwyl hy zig voelde om hoog heffen, veranderde van toon, roepende veel luider als gewoonlyk: Zoo haastig niet, lieve Heer, zoo haastig niet, zoo haastig niet, enz. waar op zy hem weder zacht lieten dalen naar beneden, zonder dat hy bemerkte dat hem dit uit potsery gespeelt werd. Wanneer hy nu vast in slaap lag te ronken, maakten zy behendig de touwen weder los, en zy noch hy ontdekten niets, dan na verloop van jaren wat 'er geschied was: maar Frans gebruikte na dien tyd die wyze van bidden niet meer. 't Welk onder hen dikwils stoffe tot lachen gaf, wanneer zy hem niet meer om den Hemel hoorden wenschen.

Ik was met de beschryving van myn Boek al heel naar 't eind gevordert, wanneer onder de pa-

[p. 95]origineel

pieren van een oud Haarlemmer Konstschilder een begraafnisbriefje van hem gevonden werd, waar agter op aangeschreven stond: Frans is gestorven te Haarlem, in den ouderdom van 5 of 86 jaren, in 't jaar 1666, en is op den 29 van Oogstmaand, in 't Koor van de Groote Kerk begraven, naar dat zyn Broeder Dirk hem in 't jaar 1656 was voorgegaan. Zy waren Mechelaars van geboorte. En op de Lyst van St. Lucas Gildeboek te Haarlem staan verscheiden Zonen, en Zoonszonen van Frans Hals geboekt, die alle de Konst gehanteert hebben, als Frans Hals Franszoon, Herman Hals Fransz., Jan Hals Fransz., en Klaas en Jan Hals Janszonen, van welke 'er noch een leeft in Oostindien, die daar getrouwd is aan een Mestys, of halve Zwartinne. Zekerlyk om haar geld. Deze heeft daar een huis gebouwd, en 't zelve met Schilderyen behangen, op de Hollandse wyze, en is een groot beminnaar en konstig oeffenaar van de Speelkonst, door het welke hy zig meer als door zyn penceelkonst by de braafste luiden bemind heeft weten te maken. Het een en 't ander schynt hun aangeboren te wezen. J. Wieland, een oud Liefhebber, en die de meeste der zelve gekent heeft, getuigt: dat al de kinderen van F. Hals luchtig van geest, en beminnaars van Zang- en Speelkonst geweest hebben.

 

Het spreekwoord zegt: Armoede is de vindster der wetenschappen en konsten; doch dit gaat niet altyd zeker, want zoo dit een algemeene regel was, zoo zoude moeten volgen, en voor een waarheid doorgaan, dat de braafste Konstenaars, en veelweters, uit behoestigheid zyn voortgedreven, of door armoede zyn voortgekomen; daar menigte van voorbeelden ons het tegendeel heeft doen zien, hoe

[p. 96]origineel

buiten noodwendigheid van zig daar door te generen, veele door geldmiddelen gezegend, en van groote geboorten, echter door een aangeboren zucht tot wetenschappen en konsten, zoodanig wierden gedreven, dat zy die oeffeningen boven alle andere waereltsche vermaken verkozen, en zig daar geheel aan over gaven.