De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Rembrandt van Rijn]

Dit jaar 1606 byzonder vrugtbaar in 't voortbrengen van brave Konstenaars deed ook op den 15 van Wiedemaand aan den Ryn buiten Leiden REMBRANT te voorschyn komen.

Zyn Vader werd door de wandeling Herman Gerritzen van Ryn geheeten, zynde een mulder op de Korenmolen tusschen Leyerdorp en Koukerk aan den Ryn, en zyn moeder was Neeltje Willems van Zuitbroek genaamt, welke door dat beroep eerlyk aan den kost konden geraken.

Onze Rembrant van Ryn een eenige Zoon zynde, wierden zyne Ouders voornemens van hem de Latynsche taal te laten leeren, en hem tot de geleerdheid op te voeden, tot welken einde zy hem te Leiden ter schoole deden. Maar de byzondere drift, die hy tot de Teekenkonst hadde, deed hen van besluit veranderen, gelyk zy ook gevolglyk hem bestelden om de fondamenten dier Konst te leren by Jakob Izakzen van Zwanenborg, by welken hy bleef omtrent den tyd van drie jaren, in welken tyd hy zodanig gevordert was, dat yder zig daar van verwondert hield, en besluit maakte dat uit hem wat groots te verwagten stond, des besloot zyn Vader (om dat hem geen gelegentheid zoude ontbreken van een vasten grond, tot opbouw van de Konst) hem by P. Lastman t' Amsterdam te brengen, by den welken hy zes Maanden bleef, en na dien tyd nog eenige maanden by Jak. Pinas tot hy besluit nam van voortaan by zig zelven de Konst te oeffenen, 't geen hem wonder wel van eerst af aan gelukte. Anderen willen dat Pinas zyn eerste

[p. 255]origineel

onderwyzer in de Konst zou geweest zyn. En Simon van Leewen, in zyn korte beschryving van Leiden, zeit: dat Joris van Schoten de leermeester van Rembrant en Jan Lievensz. geweest is.

Terwyl hy dan yverig en met grooten lust by zig zelven aan zyner Ouders huis, dagelyks de Konst voortzette, kreeg hy nu en dan bezoek van konstlievenden, welke hem eindelyk aanwyzing deden aan een Heer in den Haag, ten einde hy zeker stukje 't geen hy toen gemaakt had aan den zelven zoude vertoonen en aanbieden. Rembrant trok daar op met het zelve te voet naar den Haag, en verkogt het voor honderd gulden. Hy, wonderwel in zyn schik en niet gewoon zoo veel geld in zyn buidel te hebben, verlangde straks om op 't alderspoedigste t'huis te komen, op dat zyne Ouders deelgenooten wierden van de verheugenis die hy daar over hadde.

Te voet gaan was nu te gering, met de Jachtschuit te varen te gemeen, des ging hy op de wagen zitten, die naar Leiden reed.

Wanneer zy nu aan 't huis den Deil pleysteren zouden, en elk van den wagen afging om zig te ververschen, bleef onzen Rembrant alleen op den wagen zitten, by zynen buit, vertrouwende den zelven niet alleen. Wat gebeurt'er? de kreb naauw weg gezet, terwyl de wagenaar vast met de rest van 't volk aan kwam treden, raken de paerden op den hol, en rennen met hem voort, zonder zig aan 't keeren te steuren tot binnen de Poort van Leiden, en bleven voor hun gewoone Herreberg met den wagen stil staan daar elk zig over verwonderende, hem vraagde hoe zulks waar by gekomen; waar tegens hy niet veel praat hield, maar zig van den wagen en met den buit weg-

[p. 256]origineel

maakte naar zyne Ouders, wel vergenoegt dat hy dus voor niet en zonder eenige kosten spoediger als anders tot Leiden gebragt was.

Thans deed hem dit blinkend beginsel de hoop van geldwinning vooruit zien, en zyn konstdrift op die wyze gespoort nam zodanig toe in de Konst dat hy aan alle konstkenneren genoegen gaf. Dus kreeg hy (als het spreekwoord zeit) de handen vol werk. En dewyl hy naderhand zoo om 't schilderen van pourtretten als andere stukken, dikwils genootzaakt was tot Amsterdam te komen, vond hy goed (ziende dat die Stad inzonderheid hem gonstig scheen te wezen, en zyn opkomen daar in te voorspellen) zig met 'er woon daar na toe te begeven, 't geen was ontrent den jare 1630.

Daar zynde vloeide hem het werk van alle kanten toe; gelyk ook menigte van Leerlingen, tot welken einde hy een Pakhuis huurde op de Bloemgraft, daar zyne Leerlingen elk voor zig een vertrek (of van papier of zeildoek afschoten) om zonder elkander te storen naar 't leven te konnen schilderen. En gelyk'er onder de Jeugt, inzonderheid als'er veel by een zyn, wel somtyts iets klugtig voorvalt; zoo gebeurde 't hier ook. Want een van dezelve een vrouweleven tot model noodig hebbende, bragt het zelve in zyn afgeschoten vertrek. Dit lokte de anderen tot nieuwsgierigheid, zoo dat zy op hunne kousen (om niet gehoord te worden) by beurten door eene kleine scheur, met voordagt daar toe gemaakt, het spel betuurden. Nu was het op een warmen zomersen dag wanneer dit voorviel; des de teekenaar of schilder zig zoo wel als het model moedernaakt ontkleeden. Wat dertele behandelingen en re-

[p. 257]origineel

denwisseling tusschen die twee voorvielen, konden de aanschouwers van dit blyspel melden. En gebeurde 't op den zelven tyd dat Rembrant kwam om te zien wat zyne Leerlingen deden, gaande om hen te onderwyzen naar gewoonte by den eenen voor en den anderen naa, tot dat hy ook eindelyk by het vertrek daar deze naakte gelieven by een zaten kwam, dat hy wel digt gesloten vond, en van de zaak verwittigt eenigen tyd stil dit spel door de gemaakte splete beschoude, tot dat hy onder meer woordenwisselingen hen hoorde zeggen: Zeker nu is 't even of wy Adam en Eva waren in 't Paradys, want wy zyn beide naakt. Waar op hy met zyn schilderstok op de deur klopte, en met een luide stem tot beider verbaastheid hun dus toeriep: Om dat gy naakt zyt, daarom moet gy het Paradys uit, noodzaakende door bedreigingen zyn Leerling van binnen de deur te openen; zoo dat hy binnen kwam, het spel van Adam en Eva stoorde, 't blyspel in een treurspel deed verwisselen, en den gewaanden Adam en zyn Eva met slagen uitdreef, zoo dat zy ter naauwernood in 't afloopen van de trappen nog een gedeelte van hunne kleederen om 't lyf kregen, om niet naakt op de straat te komen.

Hy was in opzigt van de Konst ryk van gedagten, waar om men van hem niet zelden een menigte van verschillige schetzen over een zelve voorwerp ziet verbeeld, ook vol van veranderingen zoo ten opzigt van de wezens, en wyze van staan, als in den toestel der kleedingen; waar in hy boven anderen (inzonderheid zulken, die dezelve wezens en kleedingen, even of het al tweelingen waren, in hunne werken te pas brengen) is te pryzen. Ja hy munte daar in boven allen

[p. 258]origineel

uit: en niemant weet ik dat zoo menige verandering in afschetzingen van een en 'tzelve voorwerp gemaakt heeft; 't welk ontspruit uit aandagtige bedenkingen der menigerhande Hartstochten, die op zulk een zaak noodzakelyk bewogen, en gaande gemaakt in der menschen wezens inzonderheid door vaste kentrekken zig doen zien, en ook uit de onderscheidentlyke beweginge der lichamen zig vertoonen. Om een voorbeeld te stellen: daar Christus zig door de brekinge des broods aan zyne Discipelen die met hem naar Emaus gegaan waren, doet kennen, zyn'er verscheiden schetsen (behalven de twee die 'er in druk uitgaan) by de beminnaars van de teekenkonst bekend. En geen minder getal afschetzingen zyn'er van de gestalte der twee Discipelen als Christus uit hunne oogen verdwenen was, waardoor zy verzet, verbaast en verwondert stonden. Wy hebben een der zelve die ons best beviel, om den Hartstocht van verwonderinge die daar in waar genomen is, en het verbaast staaren met het gezigt op den ledigen stoel, waar in Christus een oogenblik te voren gezeeten, nu daar uit verdwenen was, tot leidinge voor de nog onbedreve schilderjeugt in plaat gebragt, en hier nevens vertoont.

De bedrevenen moeten myn yver niet ten kwade duiden; 't is om de jeugt aanleiding tot opmerken te geven, en die niet ondankbaar zyn, zullen myn moeite met dank loonen; want zulke voorbeelden, zyn (gelyk de Spaansche zinspreuk zeit) als de hand die de Ossen met den muil by 't water leid.

Maar een ding is te beklagen dat hy zoo schigtig tot veranderingen, of tot wat anders gedreven, vele dingen maar ten halven op gemaakt heeft,

[p. t.o. 258]origineel



illustratie

[p. 259]origineel

zoo in zyne schilderyen als nog meer in zyn geëtste printkonst, daar het opgemaakte ons een denkbeeld geeft van al 't fraais dat wy van zyne hand gehad zouden hebben, ingevallen ny yder ding naar mate van het beginsel voltooit hadde, als inzonderheid aan de zoo genaamde honderd guldens print en andere te zien is, waar omtrent wy over de wyze van behandelinge moeten verbaast staan; om dat wy niet konnen begrypen hoe hy het dus heeft weten uit te voeren op een eerst gemaakte ruwe schets, gelyk blykt dat hy gedaan heeft aan het pourtretje van Lutma dat men eerst in ruwe schets, daar na met een agtergrond en eindelyk uitvoerig in print ziet. En dus ging het ook met zyne schilderyen, waar van ik 'er gezien heb, daar dingen ten uitersten in uitgevoert waren, en de rest als met een ruwe teerkwast zonder agt op teekenen te geven was aangesmeert. En in zulk doen was hy niet te verzetten, nemende tot verantwoording dat een stuk voldaan is als de meester zyn voornemen daar in bereikt heeft, zoo ver dat hy om eene enkele parel kragt te doen hebben, een schoone Kleopatra zou hebben overtaant. Een staal van zyne koppigheid omtrent diergelyke wyze van behandelingen schiet my te binnen. 'T gebeurde dat hy een groot pourtretstuk onder handen had, waar in Man Vrouw en Kinderen stonden; dit stuk ten deelen afgemaakt, komt onverwagt een aap dien hy had te sterven. Hy geen anderen doek gereed aan de hand hebbende, schildert dien dooden aap in 't gemelde stuk, daar die luiden veel tegen hadden, niet willende dat hunne pourtretten by dat van een afschuwelyken stervenden aap zouden te pronk staan. Maar neen: hy had zoo veel liefde voor dat model van den dooden aap dat hy

[p. 260]origineel

liever dat stuk onvoldaan wilde aan zig houden, dan hun ten gevallen de kwast 'er op zetten, gelyk ook geschiedde; waarom het gemelde stuk ook naderhand, tot een afschutting gedient heeft voor zyne Leerlingen.

Egter zyn 'er nog vele van zyne konststukken, welke in 't geheel doorschildert en uitgevoert zyn, in de voornaamste Konstkabinetten te zien, alschoon 'er eenige jaren verleden vele tot hoogen prys opgekogt naar Italien en Vrankryk zyn gevoerd.

En ik heb opgemerkt dat hy in zyn vroegen tyd wel meer gedult gehad heeft om zyne konststukken uitvoerig te bewerken dan daarna. Onder verscheide bewys-stalen is dit inzonderheid aan dat stuk te zien dat by den naam van St. Pieters scheepje bekend is, 't geen veel jaren in 't kabinet van den Heere Jan Jakobzen Hinloopen, voorheen Schout en Borgermeester tot Amsterdam, gehangen heeft. Want de werking der beelden, en wezens trekken zyn daar zoo natuurlyk naar de gesteltheid van het geval uitgedrukt als te bedenken is, daar benevens veel uitvoeriger geschildert als men gewoon is van hem te zien. Ook is ter zelver plaats een stuk daar Haman Hester en Assweer vergast, door Rembrant geschildert, waar van de Dichter Jan Vos, als een verstandig konstkenner, den inhoud des zelfs, nevens de kragt der byzondere gemoedsdriften, daar in te bespeuren, dus uitdrukt:

 
Hier zietmen Haman by Assweer en Hester eeten.
 
Maar 't is vergeefs, zyn borst is vol van spyt en smart.
 
Hy hyt in Hesters spys: maar dieper in haar hart.
 
De Koning is van wraak en raazerny bezeeten.
[p. 261]origineel
 
De gramschap van een Vorst is schrik'lyk alsze raast.
 
Die alle mannen dreigt, word door een vrouw verbaast.
 
Zoo stort men van den top in 't dal der tegenspoeden.
 
De wraak die langzaam komt gebruikt de strengste roeden.

Dus is ook het stukje 't Vrouwtje in overspel bevonden, genaamt, by den Heere en Meester Willem Six oud Scheepen der Stad Amsterdam. Als ook het stukje de predikinge van Johannes den Dooper, in 't graauw geschildert; verwonderlyk om de natuurlyke verbeeldingen der toeluisterende wezenstrekken, en veranderlyke bekleedingen by den Heere Postmeester Johan Six mede tot Amsterdam te zien. Waarom ik ook vast moet besluiten dat hy daar inzonderheid zyn werk van gemaakt, en op de rest zoo veel agt niet gegeven heeft. Hier in word ik te meer verzekert, om dat verscheiden van zyne Leerlingen my hebben verklaard, dat hy somtyds een wezen wel op tienderhande wyzen afschetste eer hy 't zelve op paneel bragt; ook wel een dag of twee konde doorbrengen om een Tulleband naar zyn zinlykheid op te tuigen. Maar wat het naakt belangt daar ontrent heeft hy zoo veel voorbereidselen niet gemaakt, maar daar meestentyd slordig over heen geloopen. Zietmen een goede hand van hem 't is zeldzaam, wyl hy dezelve, inzonderheid by zyn pourtretten, in de schaduw wegdommelt. Of het mogt een hand zyn van een oude berimpelde Bes. En wat zyn naakte vrouwtjes aanbelangt, de heerlykste voorwerpen voor 't konstpenceel, en daar alle berugte meesters van ouds af, al hun vlyt op hebben gelegt; die zyn (als het spreekwoord

[p. 262]origineel

zeit) te droevig om 'er van te zingen, of te spelen. Want het doorgaans vertoonzelen zyn daar men van walgen moet, en zig verwonderen dat een man van zoo veel vernust en geest zoo eigenzinnig in zyne verkiezingen geweest is.

'T zal den Lezeren niet vervelen, inzonderheid den genen welke geneigtheid hebben om de behandelingen der Konst volgens de rede en zekersten grond te kennen, 't zy om die tot gebruik te maken of daar van te konnen spreken, op dat zy weeten en verstaan de grondleidingen der onderscheiden begrypen die groote meesters in het behandelen dezer Konst hebben gehad, en die zy zig als een grondwet hebben voorgesteld; dat ik eens twee groote lichten in de Schilderkonst in opzigt van hunne wyze van doen in vergelyking breng, en dan myn oordeel, met dat van K. v. Mander gepaart, vryborstig uitzeg. Deze verhaalt dat Michael Angelo plag te zeggen: Dat alle schilderwerk, 't zy wat, of van wien gemaakt, maar kinder- en beuzelwerk is, zoo niet alles naar 't leven geschildert is, en datter niet goet of beter kan wezen, dan de natuur te volgen; over zulks hy niet eenen enkelen streek deed, of hy zette het leven voor zig &c. Van deze meening was ook onze groote meester Rembrant, stellende zig ten grondwet, enkele naarvolging van de natuur, en alles wat daar buiten gedaan werd was by hem verdagt. Wat besluit nu van Mander op dit gestelde? Dit: Dat het geen kwade weg is om tot een goed einde te komen: want naar teikening (of zy schoon na 't leven komen) te schilderen, is zoo gewis niet als het leven voor zig te hebben, en de natuur met al haar verscheiden verwen na te volgen; dog behoeftmen eerst zoo veer gekomen te wezen in ver-

[p. 263]origineel

stant, dat men 't schoonste leven uit het schoon onderscheiden kan, en weet uit te kiezen. Hier leit de knoop: Het schoonste uit het schoone te kunnen verkiezen, dien wy nog wat vaster zullen tragten te leggen.

Wy willen graag toestemmen dat naar 't leven te schilderen nootzakelyk en goed is, maar dat dit niet tot zoo een algemeenen grondregel kan gebragt worden, dat het leven enkel te volgen de eenige weg zoude wezen om volmaakt in de Konst te worden; want dan zoude nootzakelyk moeten volgen, dat de genen die zig meest gewenden naar 't leven te schilderen de beste meesters in de Konst waren, dat niet algemeen doorgaat, maar in tegendeel ontrent velen onwaar bevonden word. Want my zyn schilderyen voorgekomen, waar in alles met grooten arbeid, en met de uiterste uitvoerigheid naar 't leven was geschildert, en nogtans was 'er in dezelve nog houding, nog wyking, nog schikking, nog teekening. En weder andere die zoo stip niet naar 't leven gevolgt waren, maar daar de geest des schilders meer in doorstak, die in allen deelen van de Konst welstandig waren, en voor goede en deugtzame schilderyen konden doorgaan.

Daar beneffens is 'er een onnoemelyk getal van dingen, en voorwerpen, die yder op hun beurt in het schilderen te pas gebragt worden daar het leven niet toe gebruikt kan worden; als by voorbeeld vliegende, buitelende, springende, of loopende beelden, welker beweging en werking alle oogenblikken veranderen, waar door de schilder zig op die wyze daar van niet kan bedienen. Egter zyn'er ten allen tyden meesters geweest die tot hun grooten roem diergelyke voorwerpen wonderlyk

[p. 264]origineel

naar de Konst hebben weten te schilderen, buiten behulp van 't leven. Ja hoe zouden zulke die groote vaste stukken schilderen 20 of 30 voeten van den grond, op steigeringen en schragen, het leven hebben konnen gebruiken? by gevolge hebben zy hun vaste denkbeelden, en modellen ten voorwerp moeten gebruiken om daar na te schilderen. Nog eens.

Stel eens, men moet vreugd, blydschap, droefheid, schrik, toorn, verwondering, veragting enz. dat is, de menigerhande leidingen van de ziel, door vaste en kennelyke wezenstrekken vertoonen. Hoe zal men 't daar meê maken? gy zult ligt antwoorden: men kan het levend model gebieden te lachen, te schreijen &c. en op dusdanige wyze 't leven gebruiken. Ja, maar dan is 't ook wel schreijen dat m'er om lachen zou, en treurig zien of m'er meê spotte, om dat het lichaam de vereischte aandoening niet hebben kan zonder drift der ziele; en over zulks de wezenstrekken niet natuurlyk zyn; dewyl zy niet door aandrift der geesten, maar gedwongen het wezen plooijen. By gevolge kan door navolging van 't leven in dit opzigt onmogelyk voldaan worden aan de Konst, maar het werk moet noodwendig gebrekkig blyven; om dat in het voorwerp vermist word, 't geen in 't konstwerk word vereischt.

Ook blyven vele gemoedsdriften zoo lang niet in stant; want de wezenstrekken straks op de minste veranderlyke aandoening van gedaanten verwisselen, zoo dat'er naauw tyd is van naschetsen, ik laat staan van te schilderen, en by gevolge kan'er geen andere wyze bedagt worden waar door een konstoeffenaar in dezen opzigt zig bedienen kan, dan door een enkele bevatting en vast denkbeeld:

[p. 265]origineel

of men moet zig bedienen van het vernuft van zulken, welke door vaste regelen en konsttrekken elke byzondere gemoedsdrift tot leiding voor de leerbegerigen in de plaatdruk de waereld hebben meegedeelt. Gelyk daar is dat pryslyk Boek: Discours Academiques, 't geen door de meesters der Koninglyke Academie te Parys aan Monsr. de Colbert opgedragen is, naar welks voorbeeld wy ook een proefje van dien aart, door andere ontleende voorwerpen hebben opgesteld, en in het tweede Deel van Philaléthes Brieven te pas gebragt.

Ymant zal ligt zeggen, Rembrant heeft zig op het verbeelden der byzondere wezenstrekken wel verstaan, en word daar in geprezen; heeft hy dit niet op vasten grond gedaan? Ik antwoord ja: maar op een grond welken ik niet tot een algemeene leiding kan stellen; naardien hy door een wonderbaar vast denkbeeld, de gemoedsdriften in dien oogenblik, wanneer dezelve zig in het wezen der voorwerpen vertoonden, heeft weten in te drukken, en zig daar van te bedienen: 't welk alleen een zeldsame natuurlyke hoedanigheid is; waar voor onze leerlessen niet noodig zyn: dienende onze leiding alleen om zulken die dat geluk niet bezitten, door beproefde weegen op te leiden; om daar toe bekwaam te worden.

Om deze zaak aangaande 't gebruik van 't leven, nu nog wat klaarder aan te duiden, zoo zeg ik I. Daar moet voorafgaan een vast denkbeeld over het gantsche bewerp van 't geen men maken wil, waar van men geen volmaakt denkbeeld vormen kan, ten zy men weet en kend wat tot het maken van zulk een konstwerk als men zig voorsteld vereischt word: te weten de schikkinge der Beelden,

[p. 266]origineel

en voeglyke werking onder malkander; om het model voor of daar na te schikken eer men tot het na 't leeven schilderen komt. Zonder dit staat al het werk op losse schroeven. Ik zal eens een voorbeeld van een minder beslag voorstellen. Om daar nu de proef op te maken, zeg ik: 'T is nootsakelyk datmen in de Academie naar 't leven teekent; dit zal ieder met my toestemmen, en ligt daar byvoegen: datmen uit het leven, het leven leert kennen. 'T schynt fraai gezeit, Lezer, maar oordeelt niet te voorbarig; want de meeste van de jeugt die hier in Holland naar 't naakte leven teekenen, teekenen zonder dat het hun hut doet; om dat zy een zeker oordeel en kundigheid missen, dat voor af moet gaan, zoo zy de vrugt van het naar 't leven teekenen willen genieten: Hier in bestaande, I. Dat zy zig niet genoeg gewennen het naateekenen van fraaije Italiaansche en andere Printen en teekeningen. II. Dat zy zig niet genoeg bevlytigen in het naateekenen van pleister, gevormt naar de fraaiste antique, als ook boetseerzels van de geagtste meesters, zoo veer, dat zy hier door het schoone van het gemeene leeren onderscheiden. III. Dat zy de Menskunde in den grond niet verstaan, dat is al de spieren in het menschelyke lichaam niet kennen; om te weten hoe deze en gene spieren door beweging en rekking der armen of beenen van vorm veranderen, daar een pranging is opzwellen, daar een rekking is weder in een langwerpige of hoekige gedaante verkeeren. Het spreekwoord: men moet beslagen ten ys komen, komt hier te pas. Want zonder deze voorbereidselen kan 'er niet een voetstap in de Konst gevordert, nog het oogmerk dat men voor heeft met naar 't naakte leven te teekenen bereikt worden. Wilje nu de rede weten waarom? de men-

[p. 267]origineel

schelyke lichamen verschelen van malkander hier in, dat de Musculen of spieren zig in 't eene lichchaam veel duidelyke vertoonen dan in 't ander. Wat zal nu iemant onbedreven in de Menskunde (wanneer de spieren zig door een flaauwe en twyffelagtige tint vertoonen) daar van maken? zulk een zal niet wetende wat hy ziet, ook op het papier brengen 't geen hy niet en weet wat het is, of waarom dat het zoo is, en by gevolge zoo onzeker of 't gedroomt ware. Daarentegen die zig des verstaat, en de spieren in hare beweginge plaats, en gedaante kent, weet van de twyffelagtigste ontdekkinge zig te bedienen. Dusdanige leidingen tot de Konst heeft C. le Brun, opziender van de Academie des Konings van Vrankryk, in gebruik gebragt, en veel fraaije geesten en berugte schilders daar uit voortgeteeld.

Vondel zegt zeer wel in de Aanleidinge der Nederduitsche Dichtkunste: Die van zynen geest naar den Parnas gedreven, in den schoot der Zanggoddinnen nedergezet, en Apollo toegeheiligt word, dient zyne genegenheid en yver door hulp van de Konst, en leeringe te laten breidelen; anders zal zulk een vernuft, hoe gelukkig het ook zy, gelyk een ongetoomt paert, in het wild rennen; terwyl een ander door Konst en onderwys getoomt, den hengst slagt, die, onder eenen goeden roskammer en beryder, met roede en sporen getemt en afgeregt zynde, overal by kenners prys behaald.

Rembrant (om een einde van dit pleit te maken) wilde zig aan geene regelen van anderen binden, en nog min de doorluchtigste voorbeelden volgen van die, welke met het schoone te verkiezen zig zelven eenen eeuwigen roem gemaakt hebben; maar vernoegde zig met het leven te volgen, zoo als het hem voorkwam, zonder eenige

[p. 268]origineel

keur daar ontrent te maken. Waarom ook de brave Dichter Andries Pels, heel geestig van hem zeit in zyn Gebruik en Misbruik des Toneels. p. 36 dat hy,

 
Als hy een naakte vrouw, gelyk somtyds gebeurde,
 
Zou schild'ren, tot model geen Griekse Venus keurde,
 
Maar eer een' Waster, of Turftreedster uit een schuur;
 
Zyn' dwaling noemende naarvolging van natuur,
 
Al 't ander ydele verziering. Slappe borsten,
 
Verwrongen handen, ja de nepen van de worsten
 
Des ryglyfs in den buik, des kousebands om 't been,
 
'T moest al gevolgt zyn, of natuur was niet te vreên,
 
Ten minsten zyne, die geen regels, nog geen reden
 
Van evenmatigheid gedoogde in 's menschen leden.

Ik prys deze vryborstigheid in Pels, en verzoek dat de lezer myn openhartig oordeel ook zal ten besten duiden, als niet geschiet uit haat tegen des mans werk, maar om de verschillige begrypen, en onderscheiden behandelingen der Konst met elkander te vergelyken, en den leerbegerigen tot naarvolging van het prysselykste aan te sporen. Want buiten dit moet ik zeggen met den voorgemelden Dichter:

 
Wat was 't een schade voor de Konst, dat zig zoo braaf
 
Een hand, niet beter van haare ingestorte gaaf
 
Bedient heeft! Wie had hem voorby gestreeft in 't schilderen?
 
Maar ag! hoe grooter geest, hoe meer hy zal verwildren,
 
Zoo hy zig aan geen grond, en snoer van regels bind.
 
Maar alles uit zig zelf te weten onderwind!
[p. 269]origineel

Dog dit alles overgeslagen; zyn Konst werd zoodanig in zyn tyd geagt en gezogt, dat men hem (als het spreekwoord zeit) moest bidden en geld toegeven. Vele jaren agter den anderen heeft hy het met schilderen zoo druk gehad dat de menschen lang naar hunne stukken moesten wagten, niettegenstaande dat hy met zyn werk vaardig voortging, inzonderheid in zyn laatsten tyd, toen het 'er, van na by bezien, uitzag of het met een Metzelaars truffel was aangesmeert. Waarom hy de menschen, als zy op zyn schilderkamer kwamen, en zyn werk van digteby wilden bekyken, te rug trok, zeggende: de reuk van de verf zou u verveelen. Ook word 'er getuigt dat hy eens een pourtret geschildert heeft daar de verw zoodanig dik op lag, datmen de schildery by de neus van de grond konde opligten. Dus zietmen ook gesteente en paerlen, op Borstcieraden en Tulbanden door hem zoo verheven geschildert al even of ze geboetseerd waren, door welke wyze van behandelen zyne stukken, zelf in wyden afstand, kragtig uitkomen.

Onder een menigte van roemwaardige pourtretten die hy gemaakt heeft, is 'er een geweest by den Heere Jan van Beuningen, dat hy naar zyn eigen wezen had geschildert, 't geen zoo konstig en kragtig uitgewerkt was, dat het kragtigste penceelwerk van van Dyk, en Rubbens daar by niet kon halen, ja het hoofd scheen uit het stuk te steken, en de aanschouwers aan te spreken. Niet min word ook, 't geen in de Galery van den Groothertog van Florencen nevens de pourtretten, van F. Koning, F. Mieris, G. Dou, B. vander Helst, Ferdinandus Voet

[p. 270]origineel

van Antwerpen, M. Musscher, G. Schalken, G. Laires, A. vander Werf, K. de Moor, en vander Neer, hangt, om de kragt van 't schilderen gepreezen.

Dus veel oordeelen wy genoeg gezeit te wezen aangaande zyn penceelwerk. 'T lust ons (schoon zyn levensrol zig al vry wyd en breed heeft uitgestrekt) nog van zyn natuurlyke en onnavolgelyke etskonst wat te zeggen, 't geen alleen genoeg zoude geweest hebben om zyn roem op te houden. Van deze zyner ettelyke honderden onder de printkonstlievenden bekend, gelyk ook geen minder getal van schersen met de pen op papier, waar in de driften van 't gemoed ontrent allerhande voorvallen zoo konstig en duidelyk zig in de wezenstrekken vertoonen dat het te verwonderen is. Toren, haat, droefheid, blydschap, en zoo voort, alles staat zoo natuurlyk afgebeeld dat men uit de pentrekken lezen kan wat elk zeggen wil. Onder vele die onder die menigte uitsteken is de verbeeldinge van Christus laatste Avondmaal 't geen ik by den konstminnenden vander Schelling heb gezien, thans in handen van meergemelden Heere Will. Six, het geen meer als twintig Ducatons waard geschat word, schoon het maar een enkele schets met de pen op papier is. Waar uit men besluiten moet: dat hy magtig is geweest op de beschouwinge der menigerhande gemoetsdriften, zig een vast denkbeeld in te drukken.

Veel geestige Historien, Beeldjes, Pourtretjes, en een menigte van Manne-en Vrouwe - Kopstukjes zyn door hem met de naald ten eersten, en vele onder die heel uitvoerig in koper geërst, die tot genoegen der liefhebbers door den druk verspreit zyn.

[p. 271]origineel

Hy had ook een eige wyze van zyne geëtste platen naderhand te bewerken en op te maken: 't geen hy zyne Leerlingen nooit liet zien; 't is ook niet te bedenken op wat wyze 't zelve gedaan is; dus is die vinding (even als de wetenschap van het Glas te koleuren, gelyk het Dirk en Wouter Crabet van Gouda hebben gedaan) met den uitvinder ten grave gedaalt.

Men ziet van het Pourtretje van Lutma (om een voor alle ten voorbeeld te stellen) drie onderscheiden drukken: eene die ruuw geschetst is, een wat meer opgemaakt, met byvoeging van een glasraam, en eindelyk een uitvoerig en kragtig uitgevoert. Men ontdekt ook aan het pourtretje van Silvius, dat het op gelyke wyze eerst ruuw geëtst is, de teedere tintelschaduwe en kragt daar naderhand is ingebragt, en zoo eel en zagt gehandelt, als door de schraapkonst kan gedaan worden. Dit doen bragt hem grooten roem en niet min voordeel by: inzonderheid ook het kunsje van lichte verandering, of kleine en geringe byvoegzelen, die hy aan zyne printjes maakte, waar door dezelve andermaal op nieuw verkogt werden. Ja de drift was in dien tyd zoo groot dat zulke luiden voor geen regte lief hebbers gehouden wierden, die het Junootje met en zonder 't kroontje, 't Josephje met het wit en bruine troonitje en diergelyke meer, niet hadden. Ja het Vrouwtje by de kachel, schoon van zyn geringste, moest elk met, en zonder 't witte mutsje, met, en zonder het sleutelkacheltje hebben, 't geen hy door zyn zoon Titus (kwamsuis te gering voor hem) liet uitventen.

Daar benevens had hy zoo groot een menigte van Leerlingen die hem yder jaarlyks 100 Gulden opbragten: dat Sandrart die omgang met hem gehad

[p. 272]origineel

heeft, getuigt dat hy konde berckenen dat Rembrant, jaarlyks van zyne Leerlingen meer dan 2500 Gulden inkomen had. En nogtans was hy (geldgierig luid niet wel) zoo geldliefdig dat zyne Leerlingen dit bemerkende, by wylen uit potsery op den vloer of elders, daar 't hem in 't oog moest komen, stuivers, dubbeltjes, schellingen enz. schilderden, daar hy dikwerf de hand vergeefs naar uitstak, dog verlegen zynde, daar van nooit iets deed merken.

Geld stopt geen begeerten.

Doe hier by het geen hy met het penceel won, want hy zig voor zyn schilderen wel liet betalen. Zoo moest hy noodwendig een groote somme geld opgeleit hebben; te meer nog dewyl hy geen man was die veel in de kroeg of gezelschappen verteerde, en nog min binnens huis, daar hy maar borgerlyk leefde, en als hy aan zyn werk was, dikwils met een stuk kaas en brood, of met een pekelharing zyn maaltyd deed. Niettegenstaande dit alles, heeftmen van zyn groote nalatenschap niet hooren trompetten, na zy dood, welke voorviel in 't jaar 1674.

Hy had ten Huisvrouw een Boerinnetje van Raarep, of Ransdorp in Waterland, wat klein van persoon maar welgemaakt van wezen, en poezel van lichaam. Haar Pourtret zietmen nevens het zyne in een van zyne printjes, daar wy ons van bedient hebben, en zyn Beeltenis doen zien in de Plaat M. onder Ann. Mar. Schurmans.

Hy verkeerde in den herfst van zyn leven wel meest met gemeene luiden, en zulke die de Konst hanteerden. Misschien dat hy de wellevens wetten, door Gratiaan beschreven, gekent heeft; want

[p. t.o. 272]origineel



illustratie

[p. 273]origineel

die zeit elders: Het is goet met uitstekende Persoonen te verkeeren, om zoodanig te worden, maar wanneermen dat is, moetmen zig by middelmatige voegen. En hy gaf'er deze rede van: Als ik myn geest uitspanninge wil geven, dan is het niet eer die ik zoek, maar vryheid.

Zyne wyze van doen ontrent de Konst (schoon in vele deelen te mispryzen) doet my besluiten dat hy zulks voordagtig gedaan heeft; want indien hy zig een wyze van schilderen, die naar die van anderen geleek, had aangewent, of zyn penceel op den voet van eenige berugte Italiaanen, of andere hoogvliegers geschoeit, zoo zou de waereld, uit vergelyking van 't een met het ander, zyne verdienste hebben konnen opmaken, daar hy nu, met het tegendeel te doen, die proefneming heeft vooruit geloopen, en gedaan als Tacitus van Keizer Tiberius zeit: Dat hy alles vermyde waar uit het volk gelegentheid konde nemen van vergelykingen tusschen hem en Augustus te maken, wiens gedagtenis hy zag dat by yder aangenaam was.