De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Nikolaas Berchem]

NIKOLAAS BERCHEM. Deze gestorven in 't jaar 1683, als ons aan zyn begraafnisbriefje gebleken is, toen ruim 60 jaren oud, wees ons het spoor tot zyn geboortejaar 1624.

Van velen word gezeit dat zyn bynaam Berchem by deze gelegentheid zynen oorspronk heeft genomen. Hy al lang de Konst geoeffent hebbende, en de Uchtentstralen van zyn Konstzon zig al verspreidende, wierd van zin een reis ter Zee te doen, tot welken einde hy zig niet alleen had aangegeven, maar was ook al aan boord gekomen. Wanneer nu de monstering van 't Scheepsvolk gedaan zou worden, werd hy van den Stuurman (die hem kende) gezien, welke tot hem zeide: Wat wilt gy gaan beginnen? 't waar jammer daar gy een Jongman zyt van goede hoop, en reeds

[p. 110]origineel

zoo veel Konst bezit, dat de zelve hier door in hare geboorte zoude smoren. Hy ried hem vorders zyn voornemen door veel reden af, en liet hem van 't Volk in de Sloep die aan boord lag, weg stappen, om van den Monstermeester niet gezien te worden, zeggende tegens het volk Berg hem Dit werd eerst van de genen, die zulks wisten, voor een spreekwoord gehouden, en naderhand in een toenaam verwisselt, dien hy tot het einde van zyn leven gehouden, en zig zelven daar meê benoemt heeft.

Anderen willen dat zulks by gelegentheid van Brant is ontsproten, ter oorzake dat 'er geroepen wierd, (hy toen nog een kind zynde) Berg-hem. Wat van beide nu de waarheid is, kan ik niet zeggen. De vertellingen hebben my alleen aanleiding gegeven, om den toevalligen oorspronk van zyn Naam te wyzen. Egter zou men uit het een en andere konnen besluiten, dat hy zyn Ouders vroeg verloren heeft, of dat op hem geen naauwe toezigt is gehouden, om zyn welwezen te bezorgen. Dog de Ridder en Konstschilder Karel de Moor heeft my verzekert dat die bynaam oorspronk genomen heeft, by gelegentheid dat hy het grof verkerft hebbende, zyn Vader die een haastig Man was, hem naliep tot in 't huis van zyn Leermeester J. van Goijen, dreigende hem den kop in te slaan, waar op van Goijen tegen zyne andere Leerlingen zeide: Berg-hem, terwyl hy den Vader tegen hield, en in zyn oploopentheid stuite.

Hy was de Zoon van Pieter Klaasze van Haarlem, die eerst Visschen, naderhand kleene stukjes schilderde, daar doorgaans een tafeltje in kwam met allerhande soort van suikerbanket, in

[p. 111]origineel

een zilvere schaal of porceleine schotel enz. Behalven zyn Vader die een gemeen Schilder was, heeft onze Berchem verscheiden brave Meesters tot zyn onderwyzers in de Konst gehad: als Jan van Goijen, Klaas Mojaart, Pieter Fransze Grebber, Jan Wils, en eindelyk zynen Neef Giov. Babtist Weeninx; welke alle zig vereert gehouden hebben, datze zulk een helder licht in de Konst hebben ontstoken: gelyk hy ook weer heeft konnen roemen op menigte van Leerlingen die door zyn onderwys tot groote meesters in de Konst opgegroeit zyn.

Hy werd inzonderheid in opzigt van zyne leerwyze geroemt, als ook dat hy de jeugt byzonder wist tot yver aan te sporen, waar toe hy in 't gemeen spreuken en vaerjes aan de hand had, als ook dit:

 
Nimmer moet g' u zelf, Gezellen!
 
(Schoon in 't leeren moeiten steekt,
 
En g'er veeltyds 't hoofd meê breekt;
 
'T wyl een ander leegloopt) kwellen,
 
Of het yv'ren laten staan:
 
Denk: ik zal weer loon ontfangen
 
Voor myn moeite, en roem erlangen,
 
Wanneer d'andere beed'len gaan.

Daar benevens was hy minzaam, beleeft, en van een onbesproken wandel: Ja een Man van uitstekende naarstigheid: dit niettegenstaande kon zyn lieve Huisvrouw de Dochter van den braven Landschapschilder Jan Wils, (wanneer hy in grooten yver aan zyn werk stil zat te arbeiden, en zy geen geritsel van hem hoorde) somtyds wel met den stok van een raagbol van onder tegen de zoldering

[p. 112]origineel

aan bonzen, om hem, zoo hy voor zyn Ezel mogt in slaap gevallen wezen te wekken, ja zy hield hem doorgaans zoodanig ontbloot van geld, dat hy ziende somtyds fraaije printen te koop, waar toe hy geneigt was, als zyn Vrouw geen goeden wil had om 't hem te schieten, het geld van zyne Discipelen daar toe leende; en wanneer hy een stuk schilderye verkogt, daar zy de neus niet over had, dan zoo veel van de som af kneep, om die schult buiten haar weten te betalen, om dus alle onlusten voor te komen. Ik denk schier dat die goeje Man het boekje wel mogt gelezen hebben, daar Doudeins in zyn Haagsche Merkurius van den 1 Nov. 1698 van meld, dat voor de tweedemaal onder de pers was; te weten: De Weer-Wyzer der Vrouwen, zeer dienstig voor de getrouwde Mans die haar Engelen naar de oogen zien, om te weten hoe 't hoofd staat.

Hy was zoodanig geneigt tot konstige teekeningen van Italiaansche en andere Meesters, dat hy niet rusten kon, voor en al eer hy bezitter daar van was. Niet minder lust had hy tot printkonst, want Jan Pieterze Somer heeft my verhaald, dat hy voor een print van Rafael Orbyn, 60 Gulden dorst besteden. Dit was de Kindermoord met den Sparreboom. Waar door ook van zyn naargelaten papierkonst, (welke kort na zyn overlyden in 't jaar 1683 tot Amsterdam verkogt werd), een brave som Geld gekomen is.

Hy was byzonder naarstig, gelyk wy gezeit hebben, daar by vaardig in 't schilderen, en al 't geen hy maakte was meestentyd verkogt, eer hy 't gemaakt had. Justus van Huisum, die in den jare 1665 by hem de Konst leerde, heeft my gezegt, dat hy in dien tyd een lange wyl voor een Heer

[p. 113]origineel

schilderde die hem 10 gulden daags gaf, en dat hy van 's morgens vroeg tot 4 uuren naa den middag gemeenlyk voor den Ezel zat, en 't zelve met zoo veel genoegen en vermaak deed, dat hy 'er somwyl een deuntje onder zong. Ook getuigen die hem hebben zien schilderen, dat hy schilderde of hy 'er meê speelde, 't geen ook aan de dartele penceeltoetsen overal in zyne werken te zien is.

Daar en boven is te verwonderen, dat, daar hy zig byna alles te schilderen heeft ingelaten, egter elk ding op zig zelve zoo goed in zyn soort is dat het t' zamengevoegt zynde, bezwaarelyk is te zeggen tot welk van 't zelve zyn penceel bekwaamst was. Alleen heb ik opgemerkt dat hy in zeker groot stuk (daar Mattheus van den tol geroepen word tot het Apostels ampt) tot de doode Jachtdieren en Vogelen zig van Gio. Babtista Weeninx penceel heeft bedient. Dit stuk is jegenwoordig in handen der erfgenamen van den Konstlievenden Heer Lamb. van Hairen te Dordrecht, en is vol beelden woelig, en groots van ordonnantie en gebouwen, als ook cierlyk door het bywerk en verschiet.

Maar boven al is te verwonderen, dat een Man die zoo veele stukken geschildert heeft, zoo menigvuldige veranderinge van schikkingen en voorwerpen (zoo dat geene naar elkander gelyken) heeft weten te bedenken. De Borgermeester vander Hulk te Dordrecht liet hem een groot stuk schilderen, verbeeldende een bergagtig Landschap met Ossen, Koeyen, Schapen, Beelden enz. 't geen als nog by deszelfs Erfgenamen hangt, en voor een van zyn beste penceelwerken geschat word. Te gelyk bestelde hy 'er een aan van Jan Both, belovende aan elk 800 gulden, en een present daar boven voor die zig

[p. 114]origineel

best gekweten had. Wanneer zy nu, die stukken gedaan zynde, dezelve nevens malkander vertoonden: zeide hy, Elk van u heeft zyn vleit getoont, en gaf aan elk een geschenk. Dit is het regte middel om den yver in de Konstenaars op te wekken: maar raakt thans buiten gebruik.

Hy is in 't jaar 1683 op den 18 van Sprokkelmaand gestorven, en op den 23 begraven in de Wester Kerk te Haarlem.