De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan Torrentius]

Wy hebben in ons eerste Deel pag. 137 van JOHAN TORRENTIUS, volgens de beschryving van Du Pilé gezeit: Dat hy door last van 't gerecht tot Amsterdam wierd in hegtenis gebragt, daar men Haarlem voorlezen moet. Gelyk ook Sandrart doet. En op pag. 138. Hy stierf onder 't pynigen, dat Flor. le Comte schynt te bevestigen met te zeggen: dat hy door schrikkelyke pynen gestorven is, 't geen my des te meer gerustheid gaf, dat die zaak naar waarheid geboekt was. Maar als my de beschryving der Stad Haarlem door

[p. 118]origineel

Theod. Schrevelius in de hand kwam, en ik die doorbladerde ontdekte ik haast den beganen misslag. De meeste omstandigheden lopen op eenen weg uit, maar in twee der zelver heb ik door naarvolging misgetast, dat de Lezer haast ontdekken zal, als hy dit onderstaande leeft. Dit zyn des Schryvers eigen woorden:

Joh. Torrenttius is onder de Konstschilders geen van de minste geweest, maar was in 't schilderen van naakte Vrouwtjes, op allerhande geile wyze, als openbare Hoeren gewoon zyn, de tweede Apelles. Hy kwam van Amsterdam tot Haarlem wonen in een huis van den ouden Coltermans, wist zig byzonder door zyn fluweele tong in de gunst der braafste Borgers in te dringen, was allemans vrient, maar inzonderheid wist hy de Vrouwtjes zoo wonderbaarlyk te vleyen en te believen, dat hy 'er vele aan zyn huis lokte, zelf in weerwil van hare Mannen. Hy hield zig op straat gaande heel statelyk, altyd in zwart Fulp gekleed, en groette yder een met een minlyk en zedig wezen, zulks yder het oog op hem had: maar binnenshuis maakte hy dagelyks goedsier als een Epicurist met drinken, eeten, en andere wellusten, en geloofde aan Hemel nog Hel, met een woord, hy was onder schyn van een vroomaart een verleider van de jeugt, een bederf voor de Vrouwen; een bedrieger van 't Volk, en een verkwister van zyn eigen en anderer luiden geld.
Dit brak eindelyk uit, zoo dat vele Borgers, daar de vreeze Gods by huisveste, zig daar aan ergerden, die godvergete wyze van leven verfoeiden, en uitkreten hem niet waardig te wezen dat hy een bewoonder hunner Stad was.
Dit ter ooren gekomen van de Magistraat dier
[p. 119]origineel
Stad hebben zy amptshalven, op dat het gemeene best geen schade daar door leed, dit monster in de gevangenis doen brengen, en naa ernstig nazoek van zyn verfoeilyke wyze van schilderen, gedrag en redenvoeringen, hem daar op ondervraagt, en wanneer hy niets van 't geen waar mede hy betigt werd, wilde bekennen, hem op de pynbank gebragt, dog hy stond de pyn styfkoppig door zonder eenige bekentenis, wanneer zy hem in 't Tugthuis banden voor 20 jaren. Dit was in 't jaar 1630 op den 25 van Hooimaand.
Als hy daar een geruimen tyd gezeten had, is hy daar uit verlost door voorspraak van groote luiden, onder welke ook was de Ambassadeur van Engeland met welken hy overscheepten, en zig een tyd lang in Engeland onthield, tot dat hy tot Amsterdam kwam woonen, daar hy ook gestorven is.

Zoo dan de Schilderjeugt naar goeden raad luisteren wil, zoo moet zy in steê van dusdanige walgelyke voorwerpen te verbeelden tot hare schande, veel liever tot roem door haren konstpenceel zedespiegels vertoonen.

Deze leerles is niet nieuw, maar een grage maag lust ook wel verwarmde spyze, inzonderheid als die door een versche saus verfrist word.

'T is niet voegelyk dat men geheime schandelykheid, geile, walghelyke en vuile bedryven, die in den duister, of uit eigen schaamte agter de gordynen gepleegt worden, bloot vertoond.

De Schilderkonst, en Digtkonst zyn gezusters, en beide door de kuische Parnasnimsen opgekweekt, welker eer door zulks te doen te kort gedaan word. Wat meenje is de rede dat het spel van Joseph van velen van den Schouburgh word afgeweert?

[p. 120]origineel
 
*A. Pels zal het zeggen:
 
........... Zoo gy wilt weten, hoe men 't kwaad
 
Van eene geilen gloed, verdartelt, en verwildert,
 
Met wulpsche woorden, en verbeeld omhelzen schildert;
 
Hoor Jempsars redenen tot Jozeph eens, en let
 
Op haar' gebaarden, en den toestel by het bed.
 
Die ritse tokkeling moog' Jozephs hette dooven;
 
Maar 'k durf dat wonder van den kyker niet gelooven.

En wat lager daar hy van andere spleen spreekt:

 
'T is wel te vreezen, dat zulk lieven, lonken, lachen,
 
Zoo lodderlyk, en los malkand're om lusjes prachen,
 
De jeugd in brand zet, en alzoo van 't Schouwtooneel
 
Den dwaalweg regelregt doet inslaan naar 't bordeel.

Met nog meerder reden hebben de Vaders van de eerste Christen Kerk de Schoutooneelen gedoemt;

 
Dewyl geen Schouspel ooit vertoond wierd, of 't was in
 
Gestelt ter eere van een dartele Godin;
 
Of dronken God op hunn' verdoemlyke offerfeesten;
 
Daar al die wilden, als onredelyke beesten,
 
In volle vryigheid hunn' wellust pleegden met
 
Gehuurde Vrouwen op het wullepsch feestbanket.
 
Tot welk een einde (ô schrik) die ligtekoojen zaten
 
In 't spel op 't voortooneel, om geil, en uitgelaten
 
Hunn' waar te veilen, en te venten na het spel.

'T was dan ook billik dat de Magistraat van Haarlem dat ergerlyk voorwerp, daar wy even

[p. 121]origineel

van gesproken hebben, dat door zyne levenswyze en Konst niet als ontugt werkte, als een onnut lit van de borgerlyke gemeenschap afsneed. Behalven dat ook de eedele Konst door zulke ergerlyke vertoonselen meer veragting word aangedaan.

Zeker niemant, by wien de rede huisvest, en de Godvrugt inwoont, is 'er of hy zal een af keer van zulks hebben. En zoo het beuren mogt dat het van sommigen geprezen word, zulk pryzen geeft niet anders als den bedorven aart van die het pryst te kennen. Van Parrasius was 'er te Rome een schandelyk Tafereel van Meleager en Atalanta, maar werd het daarom van elk geprezen? gewis niet Myn Meester Sam. van Hoogstraten zeit, ik schame my 't zelve te beschryven. Met een woord: zulke vertoonselen, 't zy die op 't Toneel, of in schildery verbeeld worden, zyn krabbers, daar de wortel van 't zondekruid meê boven geschoffelt word; waarom ook gemelde Hoogstraten in zyn vyfde Boek van d' Inleiding tot de Hooge Schole der Schilderkonst. p. 176. Thalia zeit: Wagt u dan ô eedele geesten, van de schandelyke onkuisheden van Tiberius in 't Eiland Kapreen in uwe Tafereelen te vertoonen. Laat ook den oudvader Noë niet schaamteloos naakt leggen, daar Sem en Japhet hunne aanzigten van afkeeren. Want die tot zulke schandelykheden geneigt zyn, verdienen den vloek zoo wel als Cham.

My gedenkt ook nog, als ik by hem woonde om de Konst te leeren, dat toen de Minnebrieven van Nazo door A. Valentyn vertaald, waren in druk gekomen, en ik uit leeslust, die ter leen verzogt, maar tot antwoord kreeg, Zulks is niet dienstig; den Dichter is 'er om gebannen geweest in Pontus, en de Vertaalder behoorde daarom voor

[p. 122]origineel

altyd in 't Rasphuis verbannen te worden, om dat 'er dingen in zyn die nutter waren verzwegen, of verduistert, dan ontdekt, en over zulks die nooit geweten, nooit ter proef zouden zyn gesteld geweest, tot bederf van de wulpse en losse jeugt.

Eindelyk mag de Schilderjeugt dusdanig ergerlyk wullustig leven als Joh. Torrentitus geleit heeft, zig ten spiegel van afschrik voorstellen; want zulks zyn Sireenenzangen die het jeugdig hart vleijen en streelen tot hun bederf: waarom ook de zedeschryver Seneka het oog op diergelyks hebbende zeit: Verdryf voornamelyk de wellusten, draag een doodelyken haat tegen de zelve; want zy zyn van dien aart, als die d' Egiptenaars Philetas, dat is, Kussers noemden, die omhelsden om te verworgen.

Theodoor Schrevelius gedenk in zyn Boek van Haarlems oorspronk aan verscheiden Konstschilders en Schilderessen, welke in zyn tyd in bloei waren; Als Pieter Grebber, de Zoon van Frans Pieterze Grebber, van wien van Mander meld in zyn boek op pag. 213. en Gerard Sprong de Zoon van Korn. Engelze, aan wien van Mander gedenkt op pag. 107. B. beide deze Zonen hebben hunne Vader in de Konst overtroffen.

Pieter Grebber, die behalven zyn Vader ook Hend. Goltzius tot onderwyzer gehad heeft, is een braaf beeld-, en pourtretschilder geweest. Tot Haarlem waren 'er in dien tyd nog verscheiden stukken van te zien, van welke wel 't voornaamste was Jubalinus, tot lof van de Muzyk, gemaakt voor den Borgermeester Guldewagen, die een beminnaar van de zang-, en speelkonst was.

Onze Pieter Grebber had ook een Suster Maria Grebber genaamt, die met veel

[p. 123]origineel

roem de Konst hanteerde; ook in de Bouw- en Doorzigtkunde bedreven was.

Gerard Sprong, die met een lugtigen sprong (zeit de Schryver) in de Konst te doen, zyn Vader veer voor by is, heeft verscheiden Corporaalschappen van Schutters in zyn tyd geschildert, als nog in de Doelen te zien, die de Konst van hun maker pryzen.

De Schryver meld ook op pag. 383. van eenen Hendrik Pot, die by alle om zyn Konst en minzaamheid bemint was. Hy heeft in zyn tyd de eer gehad dat hy den Brittannischen Koning met zyne gemalin naar 't leven geschildert heeft, nevens verscheiden Grooten van dat Ryk. Op 't Princen Hof te Haarlem hangt van hem een groot konststuk, verbeeldende den Triumfwagen van Prins Willem van Oranje, en op de Schutters Doele een Korporaalschap: maar 't waardigste dat in dien tyd van zyn penceelkonst was te zien, was een Tafereel waar in Judith en Holofernes afgebeeld stonden, hier in had de Meester (zeit de Schryver) zyn uiterste vermogen getoont, en 't was in 't Kabinet van den Heer Hofman te zien.

Vorders word ook van eenen Kornelis Wieringen gesproken. Deze was een knaap die lang ter Zee gevaren had, dus kundig van al den toestel die tot een Schip behoort, ook van de wyze hoe de zeilen bestiert worden. Dit was hem een groot behulp, wanneer hy de Zeevaart vaar wel gezegt hebbende, stil zig in de aftekening van de zelve bezig hield. Gelyk hy ook door byzondere konstdrist zoo veer daar in gevordert was, dat hy in 't schilderen van Zee en Schepen Hendrik Vroom, in Konst heel na by kwam. In deze verkiezing van schilderen was 'er ook een Korn. Verbeek

[p. 124]origineel

en Joh. Goderis. En onder de Landschapschilders roemt onze Schryver Kornelis Vroom, den Zoon van Hendrik Vroom, Joh. Jakobsz. die lange jaren in Italie was geweest, Nicol. Zuyker, Ger. Bleyker, Salom. Rustdael, Reyer, enz.

Zoo gy een Schilder zoekt (zeit onze Schryver) van allerhande vrugten, hier hebt gy Floris van Dyk, die met zyn Konstpenceel de beluste vrouwen, ja 't gevogelt zou konnen lokken, en verschalken, en in die zelve konst Willem Heda.

Hy meld ook van eenen Roelant van Laar, den broeder van Pieter, die hy noemt Broeders van een bed, te Haarlem gewonnen en geboren, en van Kindsbeen af in de Schilderkonst geoeffent. Zy hadden beide eene wyze van Schilderen, en hebben eenige jaren te zamen in Italie gewoont. Roelant de oudste zynde, is in 't bloeijenst van zyn leven te Genua gestorven. Pieter is weder t' huis gekomen, en heeft zig een wyl tot Haarlem onthouden, maar konde Italie niet vergeten, dat altyd een voester is geweest van doorlugtige geesten; derhalven werd hy voornemens die reis op nieuws aan te vangen. Hy heeft dan van zyn vrienden afscheid genomen, dat zy nimmer zoude op zulk een wys weten waar hy vervaren was, dat ook Empedocles voor had, zeit onze Schryver, 't geen niet duister te kennen geeft dat de Schryver van zyn slegten uitgang wel geweten heeft, maar dit onder het zeldsaam koppig voornemen bedekt.

Onder de Glasschilders van dien tyd roemt hy Pet. Holstein, en Joh. Boechorst, die de Triumf van Damiaten in de glazen op de groote Zaal der Vroedschap van Haarlem geschildert heeft, daar S. Ampsing een langdradig rym op gemaakt heeft, 't geen dus begint:

[p. 125]origineel
 
Als Keizer Frederik voor eenig hondert jaren
 
Een groot en magtig heyr te zamen deed vergaren,
 
Op 't ongeloovig Volk, den Turk en Zaraceen,
 
Rukt Floris, Hollands Graaf ook al zyn magt by een,
 
Met Willem zynen Zoon, byzonder uitgelezen
 
Van onze Borgery, en wat hier puik mogt wezen,
 
De bloem van onze jeugt. Dus zyn zy 't zeil gegaan
 
En doen in Palestyne, eene open haven aan.
 
Zy zetten voet op 't land, en hebben steên met hoopen
 
En sterkten, met geweld en stormen afgeloopen.
 
Wat leit 'er menig Turk en Zaraceen in 't zant
 
Gevelt, en om gebragt, door Haarlems heldenhant?
 
En daar nu 't moedig heyr vast alles had verkregen
 
Naar wens in 't Heylig land, door Godes ryken zegen,
 
Begeeft het zig te scheep, en dryft met zyne vloot,
 
Daar Damiaten leit aan Zee in Nilus schoot.

Die meer van dit oud Haarlems heldenbedryf belust is te weten, vervolge dit rym 't geen geplaatst is, agter de beschryving van Haarlem door Schrevelius.