De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Paulus Potter]

Wy hebben uit bevindingen opgemerkt, dat verscheiden van de grootste Lichten in de Konst door toevallen en anderzins, ontydig zyn uitgeblust. Voorbeelden tot bestempeling van myn gezegde zal de Lezer, om hier geen lyst daar van op te maken, op hunne plaats ontmoeten, waar onder Paulus Potter, geboren te Enkhuizen, in 't jaar 1625 geen van de minste te agten is.

Hy is gesproten van overgrootmoeders kant uit het oud Adelyk geslagt en Huis van Egmont, als my by geschriften gebleken is.

Zyn Grootvader Pieter Simonsz Potter, Pen-

[p. 126]origineel

ningmeester of Geheimschryver van de Hooge en Lage Swaluwe, was getrouwt met de Dochter van Paulus Bertius, Pensionaris of Loontrekkent Raadsheer van Enkhuizen, die ten vrouw had Freektgen Semeins, wier moeder van Katarina van Egmont, egte Dochter van dat Stamhuis.

Pieter Simonze Potter, heeft by zyn Huisvrouw geteelt een Zoon Pieter Potter genaamt, die tot Enkhuizen de schilderkonst oeffende. Deze kwam te trouwen tot Enkhuizen, en uit dat huwelyk ontsprooten twee Zoonen, Pieter en Paulus, als mede een Dochter Maria Potter.

Pieter Potter, vader van gemelde kinderen, veranderende van plaats, kwam tot Amsterdam wonen, daar hy zyn Borgerregt kogt op den 14 van Wynmaand 1631. die daar ook gestorven is, in 't jaar 1692.

Paulus Potter, daar onze pen op doelt, van natuur geneigt tot de Konst, en van zyn vader (schoon maar een gemeen schilder) daar in onderwezen, liet al vroeg sprenkelen van verborgen konstvuur, door zyn vernuftige penceeloeffening uitblinken. Hy trok van Amsterdam naar den Haag, en ging wonen op de Bierkaai, in 't huis thans bewoont van den Procureur Staal. Waar nevens aan woonde Klaas Dirkze Balkenende, die gezegent was met tien kinderen, waar van op de oudste Dochter zyn oog viel, zoo dat hy dezelve ten huwelyk verzogt. Dog dit ging ten eersten zoo vlot niet: want de oude man zeide: dat Paulus nog menschen schilderde, maar beesten, dat stond hem niet aan. Hy raadpleegde daar over met luiden van aanzien, en zyne vrienden, die hem alle daar in tegen vielen, verklaarde yder in 't byzonder, zoo hy een van hunne Dochters begeert

[p. t.o. 126]origineel



illustratie

[p. 127]origineel

hadde, zy zulks niet zouden geweigert hebben, maar dezelve gelukkig geagt. Zoo bemint had hy zig reeds door zyn hups gedrag by elk gemaakt. Hier op ging het huwelyk met Adriana van Balkenende aan, op 't jaar 1650.

Balkenende die meester Timmerman en Bouwmeester was, en uit dien hoofde veel omgang had met de grootste luiden in den Haag, maakte zyn nieuwen Zoon voort by elk bekent. Zyn Hoogheid Prins Maurits en meer andere grooten kwamen onzen Paulus Potter dikwerf op zyn schildervertrek bezoeken, om zyn brave Konst te zien. In dien tyd maakte hy een redelyk groot stuk, woelig en vol van werk, voor de oude Princes Emilia van Solms, 't geen geplaatst zoude worden voor een schoorsteen, op 't oude Hof: maar een die 't oor van de Princes had, zeide: Dat het een al te vuil voorwerp was voor hare Hoogheid, om dagelyks te bespiegelen. Dit zeggen doelde op de pissende Koe, die daar in verbeeld staat, waar by 't stuk bekent is. Dus werd het afgewezen en raakte in andere handen.

Veel jaren agter een heeft dit Konststuk in de Familie van den Heer Schepen Muçart geweest, van waar het in handen van den Konsthandelaar van Biesum kwam. De Konstlievende Jakob van Hoek heeft dit in zyn leven voor 2000 guld. van gemelden van Biesum gekogt, en geplaatst in zyn Konstkabinet, tegen over het berugte Konststuk van Gerard Dou, waar in 't verschiet zig een Barbiers winkel doet zien, zynde het voornaamste Konststuk dat thans van G. Dou in Holland bekent is.

Nevens deze twee Konstjuweelen, konnen de konstlievende hun oog daar vermaken in de be-

[p. 128]origineel

schouwing van twee konsttafereelen, beschildert door den uitmuntenden Adr. van den Velde, nevens meer andere, zoo van Wouwerman, Ostade, J. Steen, enz.

My komt klaar voor uit verscheide gevallen die my verhaald zyn, dat onze Potter al vroeg zyn verborge benyders gehad heeft, die hem onder 't masker van vriendschap hebben gedwarsboomt. Dunkt iemant vremd hoe dit heeft konnen geschieden; daar zyn Konst lof verdiende, en waard was duur betaald te worden? en daar zyn gedrag de deugd en vroomheid zelf verbeelde? Ik antwoord om deze rede, voorspoed, roem, deugt en vroomheid, zyn de voorwerpen daar de Nyt haar tanden op wet. Schynt het geluk iemant om zyn verdiensten te willen begunstigen, straks is de Nyd daar in voor. Horatius heeft al in zyn tyd gezongen:

 
De voorspoed word steets van ter zeiden,
 
Met een benydend oog begluurt.

En een ander Dichter.

 
d' Ondankbare Afgonst volgt den voorspoed óp de hielen,
 
Gelyk de schaduw 't beeld, waar heen 't zig keert en wend.

En wat het deugtsaam en vroom leven aanbelangt, men geeve maar agt op de spreuk van C: Manlius: die zeit: De Nyd is blint; en daarom spreekt zy kwaat van de Deugt, en P: Rabus:

 
Dit Noodlot volgt, altyd de vromen agter aan.
[p. 129]origineel

Maar ik zal dit schadelyk monster, tot loon, ook een printje in wyen in myn Boekje van de Zinnebeelden, om het te doen kennen. Dog dit overgeslagen. De Heer Borgermeester Tulp, die dikwils in den Haag zynde kennis aan onzen Paulus Potter gekregen had, wiens loflyk gedrag en Konst hem zonderling behaagde, ziende dat hy niet naar waarde van de zelve beloont wierd, lokte hem tot Amsterdam om voor hem te schilderen, met toezegging van zyn gunst: gelyk hy zig dan ook op den eersten van Bloeimaand 1652 t' Amsterdam met 'er woon begas, en schilderde verscheiden, zoo groote als kleine konststukjes, voor gemelden Borgermeester Tulp, zoo dat die in zyn tyd wel 't meest van zyn Konst bezat. Dit bevestigt Nicolaas van Reenen wonende in 's Gravenhage welke voortgesproten is uit de Weduwe van Paulus Potter, in een brief aan my geschreven in Wintermaand 1716. Die vorder getuigt: Dat hy zyn Moeder dikwerf heeft h\ooren zeggen: Dat zy haar Man nooit ledig heeft gezien; dat hy zelf wanneer hy een uur voor haar over had om een wandeling te doen na buiten, altyd een tafelboekje in zyn zak by zig droeg; om als hy iets zag dat geestig was, en in zyn kraam konde dienen, straks dat voorwerp af te schetsen. Zyn kopere platen (waar van de printen onder de printlievenden bekent zyn, en in waarde worden gehouden) etste hy 's avonds by de kaars; om van zyn schildertyd niet te verletten. Men geloost (ik niet) dat hy door te naarstig schideren in een Teeringziekte verviel, en daar aan stierf in Loumaand 1654 pas 29 jaren oud. Hy is begraven in de groote Kapel tot Amsterdam, nalatende nevens zyn konstroem een Weduw, en een Dochtertje dat 3½ jaar oud zyn-

[p. 130]origineel

de in 's Gravenhagen mede aan een Teringziekte gestorven is. Zyn Beeltenis staat in de Plaat F. 1.

Wat tuimelgeest heeft d' oogen der konstkenners zoo weten te betooveren datze de penceelkonst van P. Potter voorheen als gemeene konst aanzagen? of waren zy in dien tyd ziende, en wy nu blint, die zoo veel agting daar voor betoonen te hebben? Wat zegt gy Lezer?

 

'T schynt dat alle ondermaansche dingen de veranderingen onderhorig zyn. Het aartryk van hoe vast gekneden grond opgeleid, neemt af en aan. Landen die voortyds bevolkt waren zyn tot een Woesteny geworden, andere weer van een niet op gekomen, tot verwonderingen op gegroeit. Dus is 't ook gelegen met de Konst, en wetenschap. Griekenland was oulinx de hoogeschool der geleertheid en konsten: Daar ontdekte zy zig, als den aangenamen dagenraat, wanneer zy blozende door de kimmen haar luisterryk wezen doet zien. Daar rees zy, op de vleugelen van ryke, en milde belooningen op, als de Son, tot het toppunt van de middaglyn. Van daar plaatste de Konstgodes de Schilderkonst eerst in Italien, naderhand (om geen nayver te verwekken) meê in andere Landen en Koningryken, ook de Nederlanden: daar dezelve den eenen tyd meer den anderen tyd min, altyd met luister heeft gebloeit; maar nooit schooner als in den tusschentyd, van 't jaar 1560, tot 1660.

'T lust my een lyst van wakkere Mannen die gebloeit hebben binnen den Levenstyd van een dier Konstenaars op te maaken, en hier onder te stellen.

[p. 131]origineel
Abrah. Bloemaart.
Tobias Verhaegt.
Mich. Mierevelt.
Paulus Moreelze.
Roelant Savry.
Pet. Paul Rubbens.
Hendr. van Balen.
Jaques Jordaans.
Franc. Snyders.
Daniel Segers.
Jan Breugel.
Frans Hals.
Korn. Poelenburgh.
Ant. van Dyk.
Jan Davidz de Heem.
Gerard Honthorst.
Job. Parcelles.
Palam. Palamedesz.
Rembr. van Ryn.
Emanuel de Wit.
Erasm. Quellinus.
Jan Lievensz.
Ferdinand Bol.
Adr. Brouwer.
Jak. Bakker.
Herm. Zaftleven.
David Teniers.
Adr. van Ostade.
Korn. Bega.
Ger. Dou.
Gabriel Metzu.
Bartol. vander Helst.
Nicol. de Helt, Stokade.
Bartol. Breenberg.
Ludolf Bakhuizen.
Pieter van Laar.
Gerard Terburg.
Hans Jordaans.
Nicolaas Berchem.
Tomas Wyk.
Abraham Genoels.
Govert Flink.
Pieter Lely.
Hendr. Verschuuring.
Otto Marceus.
Guilh. van Aalst.
Phil. de Koning.
Willem Doudyns.
Phil. Wouwerman.
Jan Both.
Adam Pynaker.
Melch. de Hondekoeter.
Jan Babt. Weeninx.
Frans Mieris.
David Beck.
Gaspar Netscher.
Jak. vander Does.
Jan Steen.
Johannes Lingelbag.
Willem van de Velde.
Paulus Potter.
en meer andere.
[p. 132]origineel

Alle deze heeft de Son (den eenen vroeger den anderen later in levenstyd) op eenen dag beschenen; want Abrah. Bloemaart welke d' eerste op de Rol staat, geboren 1564. heeft nog geleeft na Paul. Potter die gestorven is in 't jaar 1654. En de konstlievenden hebben zig t' effens door 't zien van zoo menigerhande konsttafereelen konnen vermaken.

Bedenk nu eens hoe groot een getal van mindere lichten zig in dien ruimen tusschentyd aan den Nederlandschen Konsthemel hebben doen zien, en in hoe kleen getal thans de zelve bevonden worden; Ja hoe schaars die zyn welke als de volle Maan by de Starren afsteken. Zoo moet men zig over de ledige plaatsen die men in de oeffenschool van Pictura meer en meer bevint bedroeven. En met reden, daar men ziet, dat verscheiden deelen van de Konst afgescheurt, met hun loffelyke bewerkers ten grave gedaalt zyn, buiten hoop dat de zelve schooner verryzen zullen. Wie is 'er in 't Zee- en Scheepschilderen naa de dood van Parcelles, Bakhuizen, W. vanden Velde en Everdingen op gestaan? wie in 't schilderen van tam Vee naa de Dood van Berchem, Potter, A. van den Velde, en vander Does? Wie in 't schilderen van Paerden naa de Dood van Wouwerman en van Lint? Wie in 't malen van Boere en Soldateleven naa de Dood van Brouwer, Ostade, Bega en Teniers? Wie in 't schilderen van Kerken en Gebouwen naa de Dood van Em. de Wit, vander Heyden en de Berkheydens. Die hun gelyk is of hen overtreft? Brave Schilderjeugt, dit moet u een spoor zyn waar door gy geprikkelt de konstschool van Pictura met meerder yver helpt opbouwen. Missen veel deelen van de konst hun bewerkers, en is het getal der Konstoeffenaars

[p. 133]origineel

zoo talryk niet als wel voor heen; wat raad? gy hebt 'er thans weer die op den hoogsten trap van de Konst gestegen, de vorigen overtreffen, zoo ver als die de eerste uitvinders der Konst, in kragt en schoonheid hebben overstreeft, daar dit vaers van Arn: Nachtegaal op ziet:

 
Thans bloeit de Schilderkonst veel schooner als voorheen:
 
Dan toen een slegte *Maagt door de ommetrck alleen,
 
Haar deed den titel der onsterflykheid verwerven;
 
Nu ze ondersteunt word door een' ryken schat van verven,
 
Haar door Natuur verleent; die zy zelf agterhaald;
 
Zoo verre dat ze ons haest met zyn, voorschyn betaald.

Wy hebben gezien wat een groot getal van Konstfakkels de Nederlanden hebben bescheenen, in een bestek van min als 100 jaren, en dat het getal thans zoo kleen is, dat tot verscheiden deelen van de Konst geen oeffenaars gevonden worden. Zoo my ymand vraagde wat de reden was, 'k

[p. 134]origineel

zou 't hem vragen, om dat ik 't my schaam te zeggen.

'T schynt my toe dat het ten tyde van Petronius even als thans met de Konst gelegen was; want na dat hy te kennen heeft gegeven, dat de Schilderkonst heeft toegenomen, zoo lang de mildheid en de ryke belooning der grooten, de naarstigheid der eergierigen aankweekte om eenen onsterflyken naam te verkrygen, (wetende, dat indien zy die konden bereiken, het hun aan geen winst ontbreken zou;) alzoo heeft zy in tegendeel wederom begonnen af te nemen, zoo dra de geldliefde de overhand kreeg, en daar byna niemant was die de Konst de hand boven 't hoofd hield, zoo voert hy door een aardige wyze van schryven een verstandig man in, dien hy vraagt, naar de oorzaak van het verval. Deze zal 't beantwoorden. De geldgierigheid (zeit hy) heeft deze verandering ingebragt. De vrye konsten bloeiden eertyds, zoo lang de ware deugt in waarde gehouden wierd; dies zogten ook de menschen alderhande konsten om stryd aan den dag te brengen, niet willende dat iets 't welk den nakomelingen voordeelig wezen mogt, verholen bleef. En wat lager. Wy daar en tegen in Wyn en andere wellusten verzopen leggende, hebben 't hart niet om naar kennis van voltrokken Konsten te staan: en vermits het ons ligter valt de oudheid te berispen, dan na te volgen, gebeurt 'et dat wy de ydelheid maar alleen zoeken te leeren, en anderen in te planten. Laat u dan niet vreemt voorkomen dat wy de Schilderkonst kwyt geworden zyn; aangezien thans een klomp gouts in 't oog van alle de goden en menschen veel schooner schynt, dan 't gene Apelles en Phidias ooit gemaakt hebben.

'T is wat grof gesponnen. Andries Pels in zyn

[p. 135]origineel

vertaling van Horatius heeft de oorzaak van het verval der Dichtkonst, 't geen wy op de Schilderkonst toepassen, met een zagter borstel gedoodverft; en 't komt hier op uit dat de beminnaars aankweekers en begunstigers der konsten, die volgens de spreekwyze van Gratiaan by den Wind, en de Schilders by Koorenmolens konnen vergeleken worden, die door de zelve aan 't malen geholpen worden, zoo weinig in getal zyn, van tyd tot tyd sterven, en geen nieuwe worden aangekweekt: Dat den Kinderen van vermogende menschen de oeffening der Konst en wetenschappen word onttrokken, de grond waar uit de liefde en zugt tot de zelve, en eindelyk de kundigheid geboren word, die nu in tegendeel daar geen weet af hebben, waarom dan gemelde Pels reden vind om te vragen:

 
Maar waar in word de jeugd in Holland onderweezen?
 
In plaats van boeken vol geleertheid door te leezen,
 
Leert zy 't verschillen van drie vyfde, en vyf oktaaf
 
Percento, en die dit kan reek' nen, dat gaat braaf,
 
Roept luidskeel man en maagt; 't is 't liefste van myn' Kind' ren,
 
Zegt Vader: want hy zal het zyne niet vermind' ren;
 
Hy weet de rekening van Intrest, en Rabat
 
Net op te maken; hy verstaat zig op 't Barat.
 
Maar meent men, als die roest, en zorg van geld te winnen
 
Eens ingevreeten, en doorkankert heeft de zinnen,
 
Dat iemant mooglyk, in zyn Konstwerk, menig jaar,
 
Of eeuw na zyne dood zou leeven? ver van daar.

Oudtyds ging het anders. Onder de Egypte-

[p. 136]origineel

naars was deze Konst in zoodanigen aanzien, dat zelf de magtigsten hunne Kinderen die geduurig lieten oeffenen. Van gelyken deden ook de Grieken. Zelf was 'er een wet, dat niemant zig tot het schilderen begeven mogt, dan die een vrygebooren en van een eerlyk geslagt was. De wyze Solon, ziende dat de inwoonders van Athenen, die toenmaals in vrede zaten, meer en meer tot ledigheid vervielen, stelde een wet in, dat zoodanigen Zoon niet en zoude gehouden wezen zyn Vader te onderhouden, die hem in een konstelooze onwetentheid had opgevoed.

Daar nu het tegendeel in gebruik komt, hoeft men zig niet te verwonderen dat het getal der genen zoo klein werd, welke de Konst en hunne bewerkers agting toedragen. Het schynt, zeit Sidonius Apollinaris, als door een natuurlyk gebrek in de harten der menschen ingeprent te zyn, dat die genen welke de konsten niet en verstaan, ook van de Konstenaars weinig werks maken. Waarom ook W. Goeree niet onaardig met dit opzigt gezeit heeft. Ten kan ook niet wel wezen, dat iemant, geen smaak in de vrugt hebbende, den boom zoude in eere houden. Hier meê willen wy eindigen en den Lezer tot de levensbedryven der volgende Konstschilders leiden.