De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Mathias Withoos]

MATHIAS WITHOOS, van wien wy nu gaan spreken, is geboren t' Amesfoort in 't jaar 1627, de uitwerkzelen van zyne geneigtheid gaven al vroeg blyken dat hy tot een Schilder geboren was. Jakob van Kampen, Bouwmeester van het Stadhuis van Amsterdam, die vriendschap en ommegang met zyn Vader hield, ging hem dikwils bezoeken, wanneer hy op zyn woning op Ranbroek by Amesfoort was, en by die gelegentheid de uitwerkzelen van zyn vernuft zag. Hy bood zyn diensl uit geneigtheid tot de Konst den Jongeling aan, onderwees hem in de gronden der Konst, en bragt hem in den tyd van zes jaren zoo veer door zyn onderrigt, dat hy op eigen wieken konde dryven. Sommige jonge knapen die de reisluft in 't hoofd kreegen, waar van Otto Marceus een was, spoorden ook anderen, ook onzen Mathias en Hendrik Graauw

[p. 187]origineel

zyn medeleerling by van Kampen aan, om een reis naar Romen te doen. Het stuk ging aan onder hun zessen, waar van 'er een op de reis stierf, sommige in Italien bleven, en Otto en Mathias wederkwamen, na dat zy daar twee jaren waren geweest, in 't jaar 1650.

Mathias Withoos, wiens wyze van schilderen by die, welke een gelyke verkiezing omtrent de voorwerpen der Konst hadden, merkelyk in zuiverheid van penceel doorstak, raakte hier door in de gunst van den Kardinaal de Medicis, voor wien hy wel 't meest, zoo lang hy te Rome was, schilderde. Dog niet tegenstaande hy het 'er wonder wel hadde, dreef hem de zugt tot zyn Vaderland weder te rug, zoo dat hy tot zyn verblysplaats Amesfoort verkoos in ste van die waereldstad, waar hy bleef tot den jare 1672, wanneer hy met 'er woon (om de Francen die toenmaals in Utrecht en daar omstreeks indrongen, en hunnen moetwil t'ontgaan) vertrok naar Hoorn in Noordholland: te meer nog om dat hy vier Dochters hadde, en geen gevaar daar omtrent wilde afwagten. Hy was een man bezadigt van drift, goedaardig, en zyn Dochter, die my dit verhaal gedaan heeft, verklaarde dat zy dikwils zyn koud gebeente had beschreid, als zy bedagt met wat een teedere liefde hy zyne kinderen plag te beminnen. Hy ging zelden in herbergen of gezelschappen, maar was dag aan dag, wanneer hy gezont was, vlytig en yverig aan zyn beroep: want de Jicht plaagde hem zoo geweldig dat hy dikwils twee, drie, en meer maanden op een jaar niet iets in de Konst verrigten konde; het geen ook Jan Pieterzen Zomer, Makelaar in de Konst tot Amsterdam, die hem tot het laatst van zyn leven ge-

[p. 188]origineel

kent heeft, my heeft verhaald, dat hem de vingers door de Jigt zoo krom als Arentsklauwen aan de handen stonden. Hy bedong in de fleur van zyn leven drie, vier, vyf, en ook wel zes hondert gulden voor een groot stuk, maar het was 'er ook na geschildert. Ik heb 'er gezien by de erven van den Heer de Moor Borgermeester van Hoorn, waar in op het aller uitvoerigste stonden afgebeeld Distelen, Lakebladen, en diergelyk soort van kruiden, tusschen beide gevult met lies, graanhalmen, korebloemen, papavers; den grond geciert met veil, paddestoelen, breweegbladen, en ander smal kruid: hier een Kikvors, daar een bontkleurige Hagedis, ginder een Slang die onder de schaduw van 't loof schuilt, of ook wel een Muis, die aan 't een of ander kruid zit te knagen, zoo uitvoerig dat men de haartjes zoude hebben konnen tellen; vorder de kruiden doorzaait, met allerhande soort van Rupzen, Slakken, Flintertjes, of ook wel een Spin in haar web; tot Mieren in 't kluis, alles even natuurlyk en met grooten vlyt en gedult uitgewerkt.

Hy heeft drie Zonen gehad, welke meê de Konst hanteerden, en vier Dochters, waar van Alida de tweede ook Bloemen, Fruit, en Diertjes in oly en waterverf schilderde, en nog in leven is.

Johannes de oudste had een langen tyd te Rome geweest, schilderde landschappen in waterverf en bragt een voorraat van schetsen, en teekeningen met zig uit Italien, van de vermakelykste gezigten, zoo Landschappen als Lusthoven, met voornemen van in Holland zyn leven te slyten; maar zeker voorval lokte hem aan 't Hof van den Vorst van Saxen Lauwenborg, daar hy ook gestorven is, in 't jaar 1685.

[p. 189]origineel

Pieter de tweede Zoon, is tot Amsterdam gestorven in den jare 1693. hy schilderde Bloemen, en alle soort van kleine Diertjes, met waterverf, gelyk zyn Vader in zyn tyd ook wel gedaan heeft, die ieder byzonder op een blad, tot een Boek vergaderd werden, welke nog in handen van de beminnaars van Papierkonst bewaart worden en geagt zyn.

Frans de jongste, schilderde mede Bloempjes en Diertjes met waterverf, maar niet zoo goed als Pieter, en voer naar Indiën, daar het hem egter grooten dienst deed: want hy raakte daar door in gunst van zyn Edelheid den Generaal Kamphuizen, die hem van 't werken ontsloeg, zyn gagie verhoogde, en hem voor zig liet teekenen. Wederom t'huis gekomen is hy gestorven tot Hoorn in 't jaar 1705. 2 jaren na zyn Vaders dood: want die is, na dat hy ses agter een volgende jaren met groote pyn geplaagt is geworden, gestorven in den jare 1703, oud 76 jaren.