tratus de jonge, een genoechelyk en onschandelyk Bedrog. Maar die tyd is voorby geloopen, en men ziet thans van dien aart niet als vodden, door krukken en brekebeenen verzonnen, of naar de voorgemelde fraaije beeldschilderyen gebrekkig nageaapt.
Niemant moet denken dat ik met dit verhaal de brave Konst van myn Stadgenoot tragt te ontluisteren; want ik ben gedrongen van hem te zeggen, als F. Junius van den ouden Pyrcicus: Dat hy bekwaamheid genoeg had om de grootste zaken in de Konst ter hand te slaan, maar dat hy zulks deed om de voordeelen die daar van kwamen. Ja Plinius, vermyd niet te zeggen van den grooten Konstenaar Protogenes. Dat hy tot zyn vyftigste Jaar Schepen geschildert heeft.
Onze Bisschop hield zig ook met zulk doen niet te vrede; maar oeffende zig ondertusschen tot groote ondernemingen. Een Edelmoedige geest (zeit zeker Spaans Schryver) wil liever middelmatig wezen in verheven bezigheid, dan uitmuntende in een middelmatige; want die zig vergenoegt met middelmatig te wezen in een geringe bezigheid, 't is een bewys dat die geen Edelmoedigheid kent. Men moet Konst en Geest hebben, en daar na legt het behartigen daar de laatste hand aan. Gelyk ook zulks met hem gebeurt is, als aan menig konstig pourtret in Holland, Zeeland, Braband en elders te zien is. Daar benevens heeft hy ook verscheiden Historiestukken gemaakt, die zyn roem in eeuwigduurent cement voor het vergaan behouden zullen. Een der zelve (bestaande in twee of drie beelden by Kaarslicht en voor een groote som geld in Vrankryk verkogt) pronkt nu nog in 't Kabinet van Koning Lodewyk. Hy werd door den