De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Kornelis Bisschop]

KORNELIS BISSCHOP of* BISKOP, geboren in 't jaar 1630 den 12 van Sprokkelmaand, had tot onderwyzer in de Konst Ferd. Bol. Waar na hy door vlytig en stadig zig te oeffenen in de Konst grooten voortgang maakte.

Hy is wel de eerste, zoo niet de beste, geweest, welke allerhande soort van Beelden, op hout geschildert met levende koleuren, en uitgehakt, dienende om ergens in een hoek, of poortaal te plaatsen, wel het natuurlykst gemaakt, en 't geestigst verzonnen heeft. Ik heb 'er van gezien die op hunne stantplaats gestelt het oog misleit, en de zelve voor levende beelden zouden doen groeten hebben. Hy schilderde ook sommige der zelve gedaagt en gekleurt op de wyze van kaarslichten: welke by donker een blaker met een brandende kaars in de hand hebbende een natuurlyke vertooning deeden. Ja men verhaald dat zoodanig een beeld om de klucht van zeker Heer, wanneer hy gasten onthaald had, geplaatst zynde aan de deur of den uitgang van de kamer, sommige der zelven die het voor de huismeit aanzagen, voor die gerieflykheid haar met een drinkpenning beschenken wilden, dog hun hand daar tegens aanstieten, en zig bedrogen, en dit dus stof tot lachen gegeven heeft. Dusdanige verleidingen door Konst noemt Filos-

[p. 221]origineel

tratus de jonge, een genoechelyk en onschandelyk Bedrog. Maar die tyd is voorby geloopen, en men ziet thans van dien aart niet als vodden, door krukken en brekebeenen verzonnen, of naar de voorgemelde fraaije beeldschilderyen gebrekkig nageaapt.

Niemant moet denken dat ik met dit verhaal de brave Konst van myn Stadgenoot tragt te ontluisteren; want ik ben gedrongen van hem te zeggen, als F. Junius van den ouden Pyrcicus: Dat hy bekwaamheid genoeg had om de grootste zaken in de Konst ter hand te slaan, maar dat hy zulks deed om de voordeelen die daar van kwamen. Ja Plinius, vermyd niet te zeggen van den grooten Konstenaar Protogenes. Dat hy tot zyn vyftigste Jaar Schepen geschildert heeft.

Onze Bisschop hield zig ook met zulk doen niet te vrede; maar oeffende zig ondertusschen tot groote ondernemingen. Een Edelmoedige geest (zeit zeker Spaans Schryver) wil liever middelmatig wezen in verheven bezigheid, dan uitmuntende in een middelmatige; want die zig vergenoegt met middelmatig te wezen in een geringe bezigheid, 't is een bewys dat die geen Edelmoedigheid kent. Men moet Konst en Geest hebben, en daar na legt het behartigen daar de laatste hand aan. Gelyk ook zulks met hem gebeurt is, als aan menig konstig pourtret in Holland, Zeeland, Braband en elders te zien is. Daar benevens heeft hy ook verscheiden Historiestukken gemaakt, die zyn roem in eeuwigduurent cement voor het vergaan behouden zullen. Een der zelve (bestaande in twee of drie beelden by Kaarslicht en voor een groote som geld in Vrankryk verkogt) pronkt nu nog in 't Kabinet van Koning Lodewyk. Hy werd door den

[p. 222]origineel

Koning van Denemarken tot Hofschilder aangezogt; dog de dood daar tusschen komende, is hy in de kragt van zyn leven en Konst gestorven in 't jaar 1674, oud zynde 44 jaren, en liet elf kinderen na. Dus wy met reden de fraaije spreuk van Gratiaan, welke zeit: Alle de geenen die men wel noodig had dat zy leefden, zullen veeltyds vroeg sterven; en de genen die nergens goed toe zyn, leven lang. Daar op toepassen.

Onder deze waren drie Zoonen van welke 'er zig twee, als ook drie Dochters, tot de oeffeninge der Konst begeven hebben.