De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Gerard Pieterze van Zyl]

In dezen tyd woonde ook de berugte Konstschilder GERARD PIETERZE van ZYL, (best by zyn gemeenen naam Gerards bekent,) te Londen.

My schynt toe dat hy tot leiding zyner konstdrift het spoor van Ant. van Dyk gevolgt heeft. Immers meent men dit de reden geweest te zyn waarom hy in Engeland, en zelf over zyn deur in Westmunster ging wonen. Hy hield groote vriendschap met van Dyk, en had de eer van hem dikwils te zien schilderen, waar door men gelooft dat hy hem de konstbehandeling (gelyk Graasbeek van Brouwer) heeft afgezien. Want als men den tyd narekent zal men bevinden dat hy toenmaals den grond zyner Konst gelegt heeft. En wel ter regter tyd, aangezien van Dyk 1641 kwam te sterven, als wanneer Gerards weder na zyn geboorteplaats Amsterdam overscheepte.

Van den jare 1655 tot 58 woonde hy in de Hartestraat op een agterkamer, oeffenende de Konst by zig zelf in der stilte. En die hem doen gekent hebben, zeggen my, dat hy op dien tyd een Jongman van omtrent veertig jaren was. Zyn konstige penceelhandeling heeft hem den bynaam van Van Dyk, in 't kleyn, doen hebben.

De meeste schilderyen die men van hem ziet zyn vrolyke Gezelschappen van Juffrouwen en Heeren naar dies tyds gewoonte gekleed, alles naar 't leven geschildert, en meest naar schoon leven. Inzonderheid steken de hantjes der Vrouwtjes, zoo in konst van schilderen, als teederheid, en schoonen omtrek uit, even als ik van van Dyk gezegt heb.

[p. 226]origineel

Onder zyne beste konststukjes word geteld dat, waar in hy verbeeld heeft den verloren Zoon, afscheid nemende van zyn Vader, in welks wezen men de bekommertheid en zorg bespeurt, terwyl hy zyn Zoon te paerd gezeten vaarwel wenst. Dit stukje is konstig geteekent, natuurlyk gloeijend en helder geschildert, en buiten zyne gewoonte fraai gekleed. Ik heb het vele jaren gekent, en dikwils met genoegen gezien: maar in wiens kabinet het thans is weet ik niet.

Sommigen zeggen dat hy een Amsterdammer is: anderen willen dat hy geboren is tot Leiden, daar zyn Vader een Lystemaker was, Pieter Gerretze genaamt.

Jan Vos heeft op de afbeelding van den Heere Willem Pauw door Gerards van Zyl geschildert dit vaersje gemaakt:

 
Dus zietmen Pauw, die met zyn kiel, in spyt der baaren,
 
Dwars door de middellyn, kwam bruizen tot in 't Oost,
 
Hy vreesde nooit voor 't woên der teegenvoetsche schaaren.
 
Wie eer en voordeel zoekt is allen ramp getroost.
 
Zoo pleegde hy zyn plicht tot kwyting van zyn eeden.
 
Wie voor zyn meesters zorgt, verdient hun dankbaarheeden.

Dit is al wat ik by gebrek van meerder berigt, van dezen braven Konstschilder weet te zeggen. Als 'er van sommige Konstschilders geen nageslagt overig is, of kennissen meer zyn die geheugen dragen van hun levensbedryf, moeten wy het zelve getroost wezen, en het aan 't verloopen van

[p. 227]origineel

den tyd wyten. Maar ik ontmoet somwyl menschen, die hier omtrent gants onverschillig zyn, en dien 't evenveel schynt te wezen of men iets van hunne voorouders of vrienden te boek steld, of niet, en dus agterhoudende zyn, of niet uitkomen, omtrent zaken die my dienstig zouden wezen, om te weten. Weer andere, die uit een styf koppige ongerieflykheid niet alleen agterhoudende, maar ook ongenoegt zyn datmen van hunne voorzaten onder den rey der schilders in openbare schriften meld. Geloof my, wanneer ik aanzoek deed by luiden die door geldmiddelen en eerampten boven het gemeen uitsteken, wier voorzaten de Konst geoeffent hebben, was 't even of ik voor een doofmans deur klopte: 'T schynt dat zy my dies aangaande niet willen zeggen, om dat 'er geen gedagtenis zou blyven van 't geen waar van zy zig, uit een verkeert begryp, schynen te schamen.

Oulings en in later tyd hebben Waereldvorsten, luiden van den eersten rang en geestelyke persoonen de schilderkonst geoeffent, en de gedagtenis tot luister van hun geslagt naargelaten. Onder de oude Grieken was zelf een wet (gelyk Plinius getuigt) welke gebood dat niemant de Konst van schilderen vermogt te leeren, ten zy hy edel geboren was, en werd ook zulk een hooge prys voor die de zelve begeerden te leeren gesteld, dat gemeene luiden daar niet om mogten denken. Meer stalen van die koleur zouden wy uit dien winkel der oudheden vertoonen, zoo wy 't elders niet gedaan hadden.

Tabius Pictor uit een oud adelyk Roomsch geslagt heeft de Schilderkonst geoeffent en in 't vierhondert vyftigste jaar na de grondlegginge van Rome den tempel des Geluks, welke ten tyden van

[p. 228]origineel

Keizer Klaudius verbrande, van binnen beschildert, en zyn naam daar by geschreven, 't zedert welken tyd dat geslagt vermaart door groote eerampten en verwinningen, den bynaam Pictor, Schilder heeft behouden.

Quintus Pedius, de Zoon van Quintus Pedius, die triumferend Borgermeester is geweest, ook Erfgenaam met Augustus van Julius Cezar, heeft de schilderkonst geoeffent tot zyn dood toe.

Hadrianus de vyftiende Roomsche Keizer heeft, behalve de meet- aard- en hemelloopkunde, speelen Dichtkunde, beeldhouden en gietkonst, ook de schilderkonst geoeffent, volgens de getuigenis van van Mander. En Korn. de Bie meld van verscheiden geestelyke Persoonen als den Kardinaal Franciscus van Verone en zyn Broeder Hieronimus die een Predikheer was. Innocentius van Imola. Don Bartolomeus Abt van St. Klemens van Aresso, welke de schilderkonst met veel roem outyds geoeffent hebben. Dus meld ook Pater Abraham van St. Clara in zyn Boek Iets voor allen op pag. 380 van eenen Johannes de Friesoe van de Dominikaner orden die de schilderkonst oeffende, en ten tyden van Michiel Angelo leefde, die dikwils zeide: Dat Johannes in den Hemel klom, en aldaar de Beeltenissen der Heiligen schilderde. Maar 't is zonder gront dat gemelde Pater Abraham den Heere Christus meê onder de schildersteld, om deze rede: Wanneer de zaligende Heiland van Capernaum naar Jeruzalem ging, en te gelyk op den weg predikte, was 'er een schilder Ananias genaamt van den Koning Abagarus van Edessa gezonden om de waarde Beeltenis van den Heiland door 't penceel na te bootsen; maar konde den zelve geenzins treffen, door de glans die

[p. 229]origineel

van het heilig wezen afstraalde. Dus liet hem de Heere Christus roepen, nam een doek en drukte de volkomen afbeelding van zyn wezen daar op zoodanig dat het geen schilders penceel beter zoude hebben konnen treffen, en zont het naar gemelden Koning. Dit gelykt eer naar spotterny, schoon hy zeit: dat die zelve doek huidendaags nog, in de Kerk van St. Salvator tot Romen bewaart word. Die Pater teld de waereld al meer munt aan die niet gangbaar is. 'T gaat thans zoo niet als het plag. De meeste menschen willen zig als de hedendaagsche Israëliten geen munt laten in de hand stoppen, of zy moet van goed alooy en wel gestempelt wezen.

Philips Hertog van Orleans, thans Regent van Vrankryk heeft in zyn jeugt de Schilderkonst geleerd by den braven Konstschilder Coupel, en de zelve met yver en zugt geoeffent, zoo veer dat hy voor zig zelve in een der galeryen van zyn paleis verscheiden stukken geschildert heeft, daar met roem van gesproken word.

Koningin Maria, eer zy tot de kroon quam, heeft (behalve dat zy konstig met de borduurnaald gewrogt heeft) ook in waterverf geschildert, waar toe zy zekere uuren daags bestipt had, die zy yverig en naarstig in agt nam. De Konstschilder Math. Wulfraadt heeft my verhaald dat hy verscheiden Beeldjes en kleine Landschapjes van haar penceelkonst uitvoerig bewerkt gezien heeft, die de monstering van een keurig oog konden uitstaan. Zy had tot onderwyzer meester Gibsson, die schoon bejaart zoo kleen van persoon was, dat hy pas op een tafel kon zien.

De Prins van Wales, Zoon van Koning Jako-

[p. 230]origineel

bus, die door zyne styfnekkigheid, en met zig tegens de wetten van Engeland te kanten, dien Prins het kroonregt benomen heeft, heeft in zyne ballingschap nog de Konst geoeffent. Franciskus Roetiers van Antwerpen Zoon van den stempelsnyder van de munt van Braband was zyn onderwyzer in de Konst. Deze had een wyze van teekenen als la Fagie en schilderden Historien.

De Heer Wakkerbaart, Generaal van de Keurvorst van Saxen, was een yverig oeffenaar van de Konst. Als hy in den jare 1695 te Rome was, begaf hy zig onder de Bent. Zyn Bentnaam was Alexander Magnus. Hy teekende naarstig naar de antique Ruinen, en alles wat hy zyner keure waardig oordeelde te wezen. De Konstschilder Izak de Moucheron, die toen ook te Rome was, en omgang met hem had, heeft my verhaald, dat hy twee afteekeningen van hem heeft gezien op groot papier, 't eene van Rome en 't ander van Venetien, konstig naar 't leven afgeteekent. Ja zyn konstzugt ging zoo veer, dat zyn lyfknechts by beurten zig moesten oeffenen in de Konst. Zoo deed ook de Zweedtsche Krygsgeneraal Steenbok. Deze, na dat hy Altena uit order van zyn Koning in brand gesteken had, werd naderhand met zyn troepen, door de Deenen (hun Koning dit doen euvel nemende) omcingelt, en tot Krygsgevangens gemaakt, verscheiden jaren in de gevangenis zittende vermaakte hy zig door 't penceel, schilderende verscheide Landschapstukken, waar van hy sommige aan zyn Koning verëerde. De Amsterdamsche Courant, heeft 'er in dien tyd ook van gemeld.

De Konstschilder Wil. Schellings meld in het Dagregister zyner vierjarige Reisbeschryving,

[p. 231]origineel

van eenen Renatus Koning van Sicilien, van wiens eigen hand een konststuk te zien is te Avingon in 't Koor van een der Kapellen van de Kloosterkerk der Celestinen. Dit was een zinnebeeld van de Dood, of sterflykheid, voorheen aan een geestelyke Dochter tot een Nieuwjaarsgift geschonken. Onder al de geschilderde voorwerpen in dit stuk is te verwonderen een spinwebbe aan een doodbaar, zoo konstig en natuurlyk geschildert dat men 't voor een ware spinweb zou aanzien. Onder het zelve staat een Latyns vaers: gejaarmerkt 1481. 't geen vertaald de voorbygaanden dus toespreekt:

 
Aanschouwer blyf voor 't Tafereel wat staan;
 
Daar yder Bloem, de broosheid van uw leven
 
Vermeld; dewyl hoe luisterryk verheven,
 
Zy, eer men 't weet, zal onverwagt vergaan.

Ook gedenkt hy in Zyne Reisbeschryving van Engeland aan Maria Stuart Dochter van Jakob den V. Koning van Schotland geboren 1541, en onthalst 1587 in Sprokkelmaand, na dat zy 20 jaren gevangen gezeten had op 't Kasteel Frodigua, om het konstig geteekent en gestikte behangsel, waar van wy in de levensbeschryving van W. Schellings zullen melden.

Wy zouden daar beneven een gantsche lyst van Konstschilders in vroeger en later tyd konnen optellen welke door Keizers Koningen en Vorsten tot de waardigheid van Ridders en Baronnetten zyn verheven, verscheiden ook die het Borgermeesterampt bekleed hebben, als D.v. Delen te Armuiden in Zeeland, vander Lis in 'sGravenhage, Hendrik Verschuring en vander Ulft te Gorkom, andere weer Regenten van Steden, als Ger. Terburg te

[p. 232]origineel

Deventer, die teffens ook Ridder was, en meer anderen, als ook een reeks van brave mannen die een eerlyken en godvrugtigen wandel geleid en in deugt, den waren Adeldom van een Christen, hebben uitgeblonken. Ja daar zyn geen Maatschappen, Konstgenootschappen, of Gildebroederschappen welke zeer talryk zyn, of ik maak my sterk om aan te toonen dat 'er meer schurste schapen onder loopen, als onder St. Lucas Broederschap. Behalven dit word de Konst doorgaans van hun geoeffent buiten bedrog, en eerlyk behandelt, de Handelaars uitgezondert; want die gaan (als Pater Abram zeit:) wel altyd met Waaren om, maar niet alle, of altyd met de waarheid. By gevolge vind ik geen reden dat zig iemant behoeft te schamen, dat 'er van zyn geslagt onder de Konstschilders geteld werden; zoo min als onder de Dichters; waarom ook And. Pels, in zyn vertaalden Horatius pag. 34 met recht zeit:

 
Voor 't ov'rig hoeft gy u der Dichtkonst niet te schaamen,
 
Als of zy kwalyk aan den grooten zou betaamen.
 
ô Neen; want Orfeus, zoo in zynen tyd geagt,
 
Die tolk der Goden, heeft het menschelyk geslagt
 
Door vaerzen afgeschrikt van moord, en beestig leeven;
 
Waarom die brave naam den held is nagebleven,
 
Dat hy de Leeuwen, en de Tygers temmen kon.
 
Ja Vorst Amfion, die oud Thebe zelf begon
 
Te bouwen, kreeg dien naam, dat hy de harde steenen
 
Kon leiden door zyn luit, en vleijend dicht waar heenen
 
Hy wilde, enz.

Dit pleit heb ik voordagtig in dit tweede Boek-

[p. 233]origineel

deel willen voorstellen, om dat sommigen, die als nog met hunne berigten (schoon ernstig daar toe verzogt) agter weeg blyven, daar door mogten overtuigt worden van hun dwaas opzet, en ik daar door gelegentheid vinden, om de levensbedryven van myne Konstgenooten, in meerder volkomenheid ten Toneel te brengen.