De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Ludolf Bakhuizen]

Gelyk het Koorengraan, door den norschen kouden winter, die den grond met kille sneeuw bedekt, en de oppervlakte tot een yskorst doet vriezen, versmoort, of gekerkert blyft, tot dat de aangename Lentezon den grond verwarmt, de zaden bezielt, en doet opschieten, om in hun zaayzoen vrugten voort te brengen; zoo schiet ook het Konstzaat, door andere bezigheden gedoost, wanneer de Liefde tot de Konst, met een schitterenden gouden zonnegloet gehult, de zelve met blinkende voordeelen toestraalt; en een wakkerder leven byzet, in 't prilste van den Zomertyd zyne vrugten uit. Dit zullen wy in de volgende Levensbeschryvinge van LUDOLF BAKHUIZEN bevestigt zien.

Deze was geboren te Emden in den jare 1631. op den 18 van Wintermaand. Zyn Grootvader was Predikant in Oostvriesland, zyn Vader Gerard Bakhuizen geheimschryver, en hy Klerk op 't Comtoir tot zyn 18 jaar. Dan hy verliet Emden, en kwam tot Amsterdam wonen in den jare 1650, om den Koophandel te leeren. De Heer Bartelot, die zyn Patroon was, had veel dienst van

[p. 237]origineel

hem, alzoo hy het Boekhouwen, en de Schryfkonst meesterlyk verstond. Maar hy bleef daar niet lang, alzoo de Konstgodin hem tot hare oeffenschool lokte; gelyk hy zig dan met zyn 19 jaar begaf tot het teekenen van den Scheepsbouw naar 't leven, zonder dat hy ooit de wyze van tekenen, of de behandeling van de teekenpen gezien had. Het leven was zyn voorwerp; en de drift zyn onderwyster.

'T was in dien tyd de Gulde Eeuw voor de Konst, en de goude appelen (nu door akelige wegen en zweet naauw te vinden) dropen den Konstenaars van zelf in den mond. Weinig tyd had hy maar toegeleid op het teekenen van Schepen, wanneer hy zyn zweet door loon verzoet zag; want hy kreeg voor een teekening 10, 20, 30, eindelyk 100 en meer guldens; het geen zyn yver niet weinig aanzette.

Inmiddels kreeg hy kennis aan deze en gene konstoeffenaars, die hem aanmoedigden tot de penceeloeffening, daar hy wel geneigtheid toe had, maar niet wist hoe de zelve te behandelen. Aldert van Everdingen was d'eerste die hem een palet met verf en pencelen in de vuist stak om 'er een proef af te nemen. Dit ging zoo 't best mogt, met maken en hermaken; evenwel het werd een stukje schildery, en hy kreeg 'er 10 gulden voor. Dan vraagde hy eens dezen, dan eens genen, aangaande de tempering of vermenginge der verwen, maakte zig door zyne leerbegerigen aart by elk bemint, en kwam hen op hunne schilderkamers, en in hunne bezigheid bezoeken, om af te zien hoe zy 't een en 't ander behandelden. Grooten toegang had hy tot den Zeeschilder Hendrik Dubbels, toen den oudsten onder de

[p. 238]origineel

bend der konstenaren tot Amsterdam, door wiens openhartig berigt hem groote dienst geschiede.

Op dien grond bouwde hy voort en kwam eindelyk zoo veer dat de roem van zyn Konst een groot deel van de waereld overklonk.

Hy was nyverig, stil, en borgerlyk van leven: deugtzaam van aard en bescheiden tegens elk. Nam hy eenige uitspanningen, 't was altyd naar den Amstel, of Ykant, daarmen verschot van Vaartuigen vint, en altyd een Mastbosch van de toppen ziet wimpelen. Bestond Eool dan eens uit zyn windkolken te brullen, of de stormrioolen met zyn vuist op te rammeien; waar door de waterbaren, slag op slag schuimbekkende elkander vervolgen, den Zeeman met ingebonde reeven nootdrukkende om een goed heen komen te zoeken, naar de gereedste haven: dan geluste 't hem (de minste zouden daar vermaak in vinden) somwyle in een steigerboot te stappen, en zig te laten voeren tot voor den mond van de Zee, zoo om de barninge van 't Zeewater tegens 't strant, als de veranderinge van Lugt en Water in die gesteltheid af te zien. En wel inzonderheid deed hy zulks wanneer hy voornemens was iet dergelyks te verbeelden op paneel; op dat hy daar van een levendig denkbeeld zoude meedragen, of het denkbeeld dat hy daar van had ververschen. Gelyk hy dan ook gewoon was, t'huiskomende zig op zyn schildervertrek op te sluiten, of niemant by zig te laten komen, op dat hy zyn oogmerk in 't schilderen bereikt, en aan zyn denkbeeld voldaan had. Met een woord gezeit: hy wist de menigvuldige veranderingen in die ligt veranderende Elementen wonder wel na te bootsen.

[p. 239]origineel

'T is veel gereeder, en ook met minder gevaar vermengt, Kool, Wortelen, en Rapen, Potten, Pannen, Bezem, en diergelyk keukengereedschap, naar zyn schilderkamer te torschen, om 't zelve naar 't leven af te beelden; ten minste kan ik begrypen dat Konstschilders, die met diergelyke denkbeelden zwanger gaan, geen grooten last daar van hebben, veel min bezorgt hoeven te wezen dat hun d'indrukselen zullen ontschieten, aangezien dat hunne voorwerpen van dien aard zyn, dat, daar men ze eens geplaatst heeft, zy daar stil blyven staan. Egter hebben velen met het schilderen van beuzelingen hun voordeel bejaagt. 't Mag my nog heugen dat de Konststchilder Gerard Dou, boven zyn bedongen loon, voor het schilderen van min dan 25 wormgaatjes in een oud Spinnewiel 25 guldens kreeg. Wat zal ik hier van zeggen? Als myn Meester S.v. Hoogstraten aan 't Keizerlyke Hof was, was 'er ook een die zyn werk maakte van kleine pourtretjes in waterverf te schilderen, die hy zoo bevallig voor de Hofdames, met schoone koleurtjes wist op te pronken, dat zy 'er op verzot waren. Hoogstraten die vryborstig genoeg was, vreef dien Schilderbaas, (wanneer hy eens met hem alleen was) onder de neus: Dat al 't geen hy maakte geen Konst mogt genoemt worden. Die daar op tot antwoord kreeg, na dat hy een hand vol goud uit zyn beurs genaald hem liet zien. Mag dat geen Konst genoemt worden, daar zulks van komt? Wat zal ik anders zeggen, als dat het hedendaags nog beurt, dat menschen zig aan beuzelingen, die niet om 't lyf hebben, en styve nettigheid zig vergapen; en Konstwerken die groots van vindin-

[p. 240]origineel

ge, vast geteekend, en wakker gepenceelt zyn, over 't hoofd zien?

Wy hadden van onzen Bakhuizen gezeit: dat hy de natuur wonder wel wist na te bootsen, en vervolgen; Dat zulks ook de Reden is geweest, waarom zyn Konst aan de meeste Hoven gewild was.

In den jare 1665, lieten hem de Heeren Borgermgesteren van Amsterdam een grootstuk schilderen, vol gewoel van allerley Scheepen, en Jachten en hun Koopstad in 't verschiet, waar voor zy hem gaven 1300 gulden, en nog een vereering of geschenk daar en boven. Dit stuk diende tot een present aan den Koning van Vrankryk Lodewyk den XIV, die 'er groot genoegen in nam, en het in de Louvre, by meer fraije penceelkonst liet plaatsen. De Groot-Hertog van Toskane, de Koning van Pruissen, de Keurvorst van Saxen, en verscheiden Duitsche Prinsen, hebben niet alleen van zyne Konstwerken gekogt, maar hem ook in eigen persoon komen bezoeken tot Amsterdam, om zelf keur te doen uit het geene hy gemaakt had. Gelyk hy ook de eer gehad heeft, dat de groote Czaar van Moskovien, hem niet alleen (terwyl hy eenigen tyd alhier zyn verblyf nam) heeft komen bezoeken, maar ook begeerde dat onze Bakhuizen in zyn by zyn verscheiden slag van Scheepen voor hem afteekende, en zyn Majesteit teekende op de zelve tyden (als inzonderheid geneigt om de Scheepsbouwkonst in den gront te leeren verstaan) meê eenige op papier. Op zyne Scheepsbouwkunde, en op de agting, die buitenlandsche Konstbeminnaars voor zyn Penceelwerk hebben, zinspeelt de puikdichter D. van Hoogstraten in dit volgende vaers, daar hy tot zyn lof dus spreekt:

[p. 241]origineel
 
ô Konstjuweel van Amsterdam!
 
ô Eer, ô luister van uw' stam!
 
De late nazaat zal u kennen,
 
Zoo lang alom penceel en pennen
 
In waarde zyn en hoog geacht;
 
Zoo lang de Scheepvaart blyft in kracht;
 
De Scheepsbouw, hoog in top getrokken,
 
'T gezigt der kenners kan verlokken.
 
Dan streeft uw Schepeschildery
 
Alle and're konstenaars voorby,
 
En praalt in 't oog der Amstelaren,
 
Die dankbaar uwen naam bewaren;
 
Uw' naam, niet hier alleen verbreit,
 
Maar door alle oorden uitgespreit,
 
Tot in de Vorstelyke Hoven,
 
Die 't werk van uwe handen loven.
 
Dan helpt gy Dichteren aan stof,
 
Om uit te weiden in uw' lof.
 
Dan nooptge Apollen en Apellen,
 
Om u een eeuwige eer te spellen.
 
De Schilderkonst en Poëzy,
 
In onderlinge maatsehappy
 
Getreên, vereeren u met kranssen,
 
En heffen u aan 's hemels transsen,
 
Daar uwe pen, zoo onbevlekt,
 
Zoo net, zoo eêl, het al voltrekt.

De yver tot de Konst bleef hem tot het einde van zyn levenstyd by: alhoewel hy toen inzonderheid veeltyds met den steen, of het graveel geplaagt was, dat hy voor een bode hield die hem zyn aftogt kwam voorspellen; waarom hy zig ook by tyds tot die groote reis zoodanig gereed maakte, en getroost vervaardigde, dat de minste schrik en veran-

[p. 242]origineel

deringe, toen de uure naderde om te moeten van hier vertrekken, in hem (dus word 'er getuigt) niet kon bespeurt worden. Hy overleed in 't jaar 1709, op den 7 van Slagtmaand, oud zynde 78 jaren.

Zoo men alle de Konstwerken, die hy gemaakt heeft, eens by malkander zag, men zou zig moeten verwonderen over 's mans vlyt: en nog te meer als men daar by bedenkt; hoe veel tyd hy nog heeft moeten besteden tot het onderwys in de Schryf konst, daar hy wiskonstige gronden of vaste leidingen toe uitgevonden had; en die hy aan verscheiden voorname Koopluiden kinderen (alzoo hy daar in beroemt was) geleerd heeft; nevens een menigte uitgevoerde teekeningen, en geëtste platen. Waar uit men besluiten moet dat hy naauw een uur van zyn tyd ledig heeft laten doorslippen; een yver daar de Zeededichter Jer. de Dekker heel leerzaam en nadrukkelyk in dit volgende Vaersje op zinspeelt:

 
Laat het kostelykst van al
 
U niet roekeloos ontslippen;
 
Dat 's de Tyd, die snel gaat glippen:
 
Nimmer hy weerkeeren zal.
 
Och! hoe weinig is 't getal,
 
Dat zyn uuren meet hy stippen!

Een zaak die zeldzaam is, en waar van ik geen ander voorbeeld weet, staat my nog te melden. Gelyk men toe Amsterdam voor gebruik heeft, dat men de gene welke de overleden ter begravinge verzelt hebben, met een glas Wyn beschenkt, en dat door de naastbestaanden verzorgt word: zoo had hy daar omtrent die zorg en bestellinge

[p. 243]origineel

op zig genomen. Want hy had den Wyn tot zyn Begraaffenis noodig zelf by zyn Wynkooper gaan uitproeven, en den zelven verzegeld doen wegleggen. Men vond ook na zyn Dood een zakje met geld, en daar in zoo veel guldens, als hy jaren oud was, afgepast voor de genen die hem ter aarde zoude dragen, neven een geschreve lyst van de namen der Konstschilders die hy daar toe uit de Bende uitgekeurt had; met belasting van het zelve t' samen te verteeren.

Hier benevens, om aan te toonen dat hem de konstlust tot den avond van zyn leven is bygebleven, ontbrak nog te zeggen, dat hy plaatwerk onder den Tytel van den Ystroom, en Zeegezigten enz. in het 71 jaar zynes ouderdoms geëtst heeft. Hy had ook altyd een zonderlinge geneigtheid tot de Dichtkonst, en dus vriendschap gehouden met de geagiste Dichteren van zynen tyd, inzonderheid met de Heeren Francius, Broukhuizen, Antonides vander Goes, en D. van Hoogstraten. Onder verscheiden Gedichten op hem en zyne beroemde Konst gemaakt word het Latynsche gedicht van J. Broukhuizen boven alle geprezen, waar van de zin door gemelden Hoogstraten vertaald hier op uitkomt:

 
Eool, van niemand na te volgen,
 
Wanneer gy woedende en verbolgen
 
Het nat der zee ten hemel smyt,
 
Daar alles beeft en kermt en kryt,
 
En 't yslyk onweêr aangestoven
 
Roert alles van den grond naar boven,
 
En loeit met weêrlicht, stoot op stoot,
 
En bulderenden donderkloot;
 
Of streelt d' oplopentheid der baren,
[p. 244]origineel
 
En al den hemel op doet klaren,
 
En stiert de schepen aan de ree;
 
O stomme dichter van de zee,
 
Wat zal ik eerst in top verheffen?
 
Uw arbeid, die dit net kon treffen,
 
Of uw weêrgadeloos verstand?
 
Als gy 't penceel neemt in de hand,
 
En maald de holle zee naar 't leven,
 
Begint Leanders hart te beven,
 
Daar vast het minnen hem berout.
 
Ulisses schrikt voor 't woeste zout.
 
Het oog aan d'andre kant vaart spelen,
 
En ziet den harder vrolyk quelen,
 
Al leggende op den oever neêr,
 
By 't ruischen van 't Ionisch meer.
 
Wie heeft u deze konst gegeven,
 
Bakhuizen, om zoo hoog te streven?
 
Wat meester voerde u zoo ver heen?
 
Dat was geen menschenwerk. o Neen.
 
Maar gy hebt dit geschenk genoten
 
Van Venus zelve, uit zee gesproten.

Zyn Beeltenis hebben wy geplaatst in de Plaat I boven aan, het Lystcieraad met een Scheepskroon gedekt, en onder aan een schryfpen vertoont.