De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Willem Schellinks]

Haar volgt de brave Amsterdamsche Konstschilder WILLEM SCHELLINKS. Deze wanneer hy de Konst meesterlyk verstond en tot reizen geneigt was, vond daar toe een schoone gelegentheid, wyl den Heere Jakob Thierry de Jonge een zugt bekroop om vreemde landen te bezien met wien hy tot gezelschap meê ging. Deze reis nam aanvang op den 14 van Hooimaand 1661 en duurde tot den 24 van Oegstmaand 1665. binnen welken tyd zy Engeland, Vrankryk, Italien,

[p. 264]origineel

Sicilien, Malta, Duitschland, Zwitserland enz. bezien hebben: niet ter loops als het spreekwoord zeit; maar met naauwe agtgeving op alles wat opmerkenswaardig is, zoo ten opzigt van de gelegentheid der plaatsen, als van de gewoonte der volken, oude gedenkteekenen, grafschriften, konstwerken enz. waar van Schellinks niet alleen een naaukeurige aanteekening gehouden heeft, maar zelf een menigte van afteekeningen van Steden, Kasteelen, Bergen, Schepen enz. naar 't leven gemaakt.

De teekeningen zyn verstrooit onder de liefhebbers maar de memorien zyn bewaart; want zynde hy van de reis weder tot Amsterdam gekomen zyn dezelve, met aanmerkingen van de beste Schryvers in drie boeken verzamelt, waar van thans meergemelde Arn. van Halen bezitter is. Wy deze geschreve boeken doorbladerende hebben hier en daar van 't geen wy oordeelden dat den Lezer zoude behagen (buiten 't geen de Konst raakt) een kort uittrekzel gemaakt.

Onze reizigers te Londen gekomen gingen eerst den Towr en alle de geweerkamers bezien, alwaar ook de harnassen en steek- en schietgeweer van verscheiden Koningen vertoont worden, daar Schellinks zoo naauwe aanteekening van gehouden heeft, dat hy de Zwanshoeselyn van Koning Henrik den VIIIsten die daar meê vertoont werd, en hoe alle Vrouwspersoonen gewoon zyn een spelt daar op te steken, en daar een weer van as te trekken, om de kittelagtige gedagtenis daar by te vernieuwen, heeft beschreven.

Wy volgen onzen reiziger tot de Beurs van Londen, daar hy een naamlyst op maakte van der Koningen en Koninginnen beelden die rond om in nissen staan, van den jare 1060 tot den jare 1660. Hy

[p. 265]origineel

merkt ook aan, wanneer de Beeltenissen van Karel den Isten voor de tweedemaal werd opgezet; dat Olivier Kromwel het eerste beeld de handen had doen afsmyten, en boven het zelve met goude letteren schryven CAROLUS PRIMUS TIRANUS EST; en naderhand hetzelve geheel doen verbreken. Van daar quam hy tot Westmunster om de groote Hal, 't Hof van Justitie te zien, door Koning Eduard den tweeden gebouwt; die 19 jaren 7 maanden en 5 dagen geregeert hebbende stierf 1327. of zoo anderen willen door Richard den IIden die 1399 stierf, na dat hy 22 jaren 3 maanden en 14 dagen het ryk bestiert had. Voort zag hy ook de zitplaats van 't Hoogerhuis om de heerlyke tapytzeryen, waar meê de wanden bekleed zyn, en waar in alle de Zeeslagen onder de Koningin Elizabet en Eduard konstig afgebeeld zyn, neffens de beeltenissen der Zeeoversten, die in lysten ophangen, inzonderheid het konstig* geborduurde behangsel, agter de zitplaats des Konings te zien. Als ook de verscheiden Konstkamers met de keurlykste oude en nieutydze Italiaansche en Nederlandsche penceelkonst behangen. Dus meld hy ook van een lange groote zaal rondom tegens den muur behangen met de pourtretten der Professoren, en af beeldzels der aloude Artsen, in de Universiteit te Oxfort. Aanmerkelyk is de Beeltenis van

[p. 266]origineel

Karel den Isten zoo 't schynt konstig met de pen geteekent, maar van na by bezien, zyn de arceeringen en de omtrek van het wezen en de kant van de kraag, leesbare geschreven letteren, en kan men de Psalmen van David, en nog andere texten uit de H. Schrift daar uit lezen. Dus meld hy ook van eenige oude Konststukken die hy gezien heeft te Cambridge in St. Jans Collegie gestigt 1508 door Margareta, Comtesse van Richemond de Moeder van Koning Henrik den VIIden. Namentlyk haar beeltenis knielende voor een tafel daar een boek op leid. De beeltenissen van Johan Williams Bisschop van Lincoln en andere begunstigers van dit Collegie zyn 'er meer.

Van hier stappen wy met hun over in Vrankryk tot St. Cloud door menig konstig pourtret der voorname Edelen van Vrankryk opgeciert. Van daar in 't Paleis van Lutzenburgh daar een menigte van konstige schilderyen, ook in verscheiden heerlyke stukken in de groote galery het leven en bedryf van Maria de Medicis, door Rubbens geschildert, te zien zyn, van welke wy in 't leven van Rubbens gemeld hebben, waarom wy den inhoud der zelve overslaan. Hier ontmoette hun de Konstschilder W. Valliant, waar van Jak. Thierry zyn pourtret liet schilderen.

Te Fontaine Bleau, waar van onze schilder een breede beschryving doed, meld hy van een kamer met konstige kleene tafereelen met goude lysten, ook de beschilderde Voliere of 't Vogelhuis.

De groote zaal waar in konstig verbeeld staat de aankomst van Maria de Medicis tot Marseillien, nevens alle de Veltslagen of verwinningen van Koning Henrik den IV. De Hartengalery waar men in zeven groote vakken, gemelden Koning Henrik

[p. 267]origineel

konstig afgebeeld ziet, jagende een wild zwyn, of hart, of eenig ander wild na. In 't verschiet Fontaine Bleau, St. Germain, of eenig ander aangenaam gezigt, enz. La Chambre Neufe, in welke voor den schoorsteen Madame Gabriele, Matres, van Koning Henrik den IV, in de gedaante van Diana verbeeld, konstig afgeschildert staat.

Te Florencen gedenkt hy de konstige Grieksche schilderyen in fresco op de muur van een galery in St. Marco, en nog een andere galery eer men in de Kerk komt door Andrea del Sarto geschildert. Ook meld hy van verscheiden zalen en kamers in het Paleis met heerlyke Konst van oude en nieuwe meesters, welke onschatbaar zyn.

Te Siena gedenkt hy aan de berugte Boekkamer in de Domkerk welker wanden konstig in fresco met beelden en Historien beschildert zyn, en met goud geciert.

1664 op den I van Grasmaand kwam hy te Rome daar hy van den braven Dichter Reynier Anslo verwelkomt werd; en op Palmzondag was hy in Monte Cavallo, daar hy de eer had van de pantoffel van Paus Alexander den VII te kussen, van wien hy ook een gewyden palmtak ontfing. De Heer Hontom van Amsterdam was met hem. Hy meld in 't byzonder dat hy in de Kerk Madonna della Scala, of L.V. der Trappen een konstig stuk gezien heeft van Honthorst, zynde Kaarslicht, verbeeldende de onthoofding van Johannes, verscheiden van Rubbens, en boven 't hoog autaar een konstig stuk van P. Cortone.

Te Napels zynde gedenkt hy aan het overkostelyk Konstkabinet van Caracciolo, Prior van Malta, en aan het gewelf en de muuren van de Kerk St. Severino konstig in Fresco geschildert door Bellisa-

[p. 268]origineel

rius, die van de steigering dood viel. Hy schryft vervolgens dat hy in het Convent der Cathuizer Monniken van St. Martyn een stervenden Christus heeft gezien door Spanjolet verwonderlyk konstig en kragtig geschildert. In verscheiden vakken het lyden van Christus verbeeld door Lucas Cansiagie en Cavallier Josepin. Het welszel van Lanfranco. Tusschen het welfzel en de Kolommen de Propheten door Spanjolet. Zeker ik moet van dezen zeggen, dat hy voor een der grootste meesters in de schilderkonst mag geagt werden: want ik een naakten Proteus van hem gezien heb te Londen in de Konstzaal des Hertogs van Grafthon zoo schoon en vast geteekent, en zoo natuurlyk en kragtig geschildert, dat 'er geen penceelwerken tegen konden ophalen. In 't gemelde Klooster was boven het hoogaltaar geschildert de geboorte van Christus door Guido Reni. In een der Kloosterzalen het laatste avondmaal van Christus, door P. Veronees, en weer in andere niet min konstige penceelwerken van Michiel Angelo Caravagio, van Mico, of Dominicino, en Luca Jordaans.

Met veel roem spreekt onze schilder ook van een groot altaarstuk in 6 perken afgedeelt door Polydoor geschildert in 't Capuciner Klooster te Messina.

Het menigvuldig getal van uitnemende Konstwerken van onzen reiziger op zyn daglyst geboekt als hy te Rome was, zullen wy voorby stappen, alzoo die van ons elders aangeroert zyn, en over zulks maar eenige byzonderheden aanmerken, namelyk dat hy van Napels naar Rome, reisde in 't gezelschap der Heeren F. Kersseboom, en G. Sabé, en de Konstschilders N. Donkers en Alex. Petit, en dat hy te Rome vond den Konstlievenden Heer Beerestein van Delft, Jaques Valliant, vander

[p. 269]origineel

Cabel, en Rammelman, met de welke verzeld hy de Kamer in de herberg, waar de Bentvogels gewoon zyn te komen, ging zien, daar de muuren in 't rond beteekent zyn met de pourtretten der Nederlandsche Konstschilders, als ook van andere gewesten: dog de beeltenissen der Francen waren op dien tyd uitgeveegt, of daar was schram over gegeven, zoo dat van de zelve niets te zien was.

Met dit zelve gezeltschap verzelt heeft hy het Kasteel St. Angelo wezen bezien; en spreekt hy met grooten lof van verscheiden Konstzalen door Peryn del Vago, en Daruel de Volterra in Fresco geschildert. Den zelven dag zag hy de Academie van St. Lucas, zynde agter het Capitool, by Campo Vaccino, daar een menigte van boodseerzels, modellen en teekeningen ophing, door de Jonge Konstoeffenaars om stryd, of om de prys gemaakt. In deze zaal in 't rond behangen met de pourtretten der beroemste oude en nieuwtydsche meesters, is ook te zien het ware doodshoofd van Rafael d'Urbyn, staande op een pedestal, met een Latynsch byschrift: waar van de zin aldus is:

 
Dit is die RAFAEL. natuur begon te beven
 
Als overmant van hem, en stiet hem uit het leven.

Naderhand ging hy met R. Anslo meergemeld, het berugte kabinet van Pater Kircherus te Chiesa Novo bezien vol van wondere en zeldsame Rariteiten.

Te Malta zynde heeft hy (geneigt zynde om alles na te sporen) de Ruynen, of overblyfselen van het oude Melite, op en dicht by het zelve op nieuws herbouwt, en Malta genaamt, gaan bezien en verscheiden afteekeningen daar van gemaakt, waar

[p. 270]origineel

van ik 'er twee heb gezien, waar van de verbeelding vremd en geestig, en doet zig daar in zien 1. een uitgeholde rots als een portaal waar in (zoo men zeit) de Apostel Paulus na zyn schipbreuk zou geslapen hebben. Hier in werd in 't jaar 1624 een deurgang gevonden tot een onderaardsche Kapel, of eer een begraasplaats, want men in de zelve alzints doodsbeenderen en bekkeneelen ontdekte. 2. de verheven plaats van waar de Apostel den Meliters het Evangelium gepredikt heeft, daar een gedenkteeken opgeregt is. 3. De overblyfselen van St. Paulus Kerk, door de eerste Christenen gebouwt op de plaats waar de Kruisgezant de adder van zyn hand afslingerde in 't vuur. 1616 is hier nevens aan een Kerkje gestigt door de Grootmeester Alofi de Wignacourt, wiens beeltenis konstig geschildert, zig boven 't Altaar doet zien in het tafereel waar in Paulus verbeeld staat, zig warmende by het vuur, als hy uit de Zee ontkomen was, nevens een deel vrouwen en mannen op zyn oud Maltezers gekleed, en onder het zelve dit Latyns schrift:

Vipera ignis acta calore frustra Pauli manum invadit:
is insulae benedicens anguibus & herbis adimit
omne virus.

Dat is:

Een adder door de warmte gaande geworden vat de
hand van Paulus, die het eiland zegenende den
Slangen en Kruiden al hun vergif beneemt.

Te Lorette zynde heeft hy alles naaukeurig bezien en aanteekening daar van gehouden, maar

[p. 271]origineel

niets van het zelve dient in onze kraam dan 't geen hy in de Apothecary gezien heeft, te weten 300 zoo groote als kleene Vazen of Potten konstig beschildert met Bybelsche en Romeinsche Historien door Rafael van Urbyn. Koningin Kristina van Zweden, in bedevaart daar zynde, had groot bevallen in de zelve, en hiel daar om sterk aan by den Paus, waar door zy 'er een verkreeg. Men zeit dat yder der zelve 700 Scudien, waard geschat worden. Het is eerder te geloven dat deze Potten dus door hem geschildert zyn, dan dat Maria in dat houte huisje zou geboren wezen, en gewoont hebben, 't geen wel het voornaamste is dat te Lorette meê vertoond word, om dat vele willen dat Rafaels Vader een Potte- en Schotelschilder geweest is, en hy in zyn jeugt hem daar meê in geholpen heeft. De heer Jan van Beuningen heeft een beschilderde Schotel gehad, die men zeide dat van hem geschildert was. Deze had, in opzigt van teekenen en ordonantie, veel gelykheid, naar zyne Bybelsche Tafereelen die in print uitgaan.

Te Venetie liet hy zig met gezelschap voeren na St. Georgio zynde een overheerlyk Convent der Benedictiner Orde, gelykende eer Koninglyk als Geestelyk. Hier pryst hy ongemeen twee stukken in het Koor door Tintoret geschildert, het laatste Avondmaal van Christus, en 't verzamelen van 't Manna in de Woestyn. Nog de Martelizatie van Cosmo en Damiaans: de steeniging van Stefanus: de hemelvaart van Maria, en andere stukken van den ouden Bassan. Ook een Kersnacht, en Martelizatie van St. Lucia. En in de Boekkamer 5 stukken, Zinnebeelden van een leerling van P. de Courtone. Hy roemt ook het Pa-

[p. 272]origineel

leis, de Konstvertrekken en groote Eetzaal van den Doge, om de heerlyke Konst van Tintoret, Bassan en anderen; ook het wonderkonstig stuk van Titiaan verbeeldende de Historie van P. Martyr, in St. Salvator. Welke Kerk ook met pragtige begraafplaatsen, van Mannen die voor die Republyk gestreden hebben is opgeciert, als van Marco Antonio Paragadino, welke 1570 op Cyprus, door de Turken belegert zynde aan de opeischers dier Stad antwoorde: dat hy zig liever wilde laten villen, 't geen hem ook te beurt viel; want de Turken dezelve veroverende, als hy in hun handen viel, werd hem keur gegeven, of zyn geloof af te zweren of zig levendig te laten villen. Hy verkoos het laatste; en alzoo geen Turk dit doen wilde, gebruikte hier toe een Jood, dog het vel hem ten halven lyf afgestroopt zynde, stierf hy. Met menigte van diergelyke vremde gevallen heeft hy zyne Reisbeschryving doorweven. Dog zy behooren niet tot onze kraam. Dus willen wy hem spoedig volgen van Venetien tot Padoa, over Verona, Mantua, Trenten, Munchen, daar hy alle de Zalen van het Paleis des Hertogs van Beyeren, met konstige Schilderyen en Marmere Statuen beschryft, dat wy overstappen; alzoo wy elders dáar toe gelegenheid vinden. Dus spoeden wy met onzen Schilder door Augsburg, Regensburg, Noremburg, Hanauw, Frankfoort, Worms, Frankendaal, Heydelberg, Spiers, Straatsburg, Brizack, Bazel, Zurich, Baden, Bern, Mentz, Keulen, Mulheim, Duldorf, Kleef, Nimwegen en Utrecht, van daar hy quam den 23 van Oegstmaand 1665, tot zyn geboortestad Amsterdam, zynde toen 31 jaren oud, als ons gebleken is aan de onderteekende Gezontheids Brief, naa onderzoek van het Collegie der

[p. 273]origineel

Artzen te Messina, op zyn 30 jaar, 1664. om te Napels te vertoonen. Overzulks hebben wy hem geplaatst by zyne Konst- en Jaargenooten op 't jaar 1631.

Wat nu zyne Schilderkonst aanbelangt, daar in is hy een geroemd Meester geweest, en zyn penceelkonst waardig geschat in de beste Konstkabinetten geplaatst te worden. De Konstlievende Heer Jonas Witzen had in zyn leven een voornaam stuk van hem, 't geen dikwils myn oog naar zig lokte; om de fraaije teekening, welstand, en houding die konstig daar in waargenomen was. De verbeelding was het te scheep gaan van Karel den tweeden op 't Hollands strant, om met de Vloot, die zig in 't verschiet vertoonde te Zeilen naar Engeland. Hier in deden zig honderden van beeldjes by troepen verdeelt op 't Duin en Strant, en menigte van Koetsen zien, die elk in 't byzonder konstig geteekent en geschildert waren. Zyne wyze van schilderen in opzigt van de koleur had veel gelykheid naar die van Karel de Jardyn, en de verschieten als met een blaau floers overtrokken veel overeenkomst met de behandeling van Joh. Lingelbag, dog doorgaans uitvoeriger. Ook heb ik elders een stukje met Paerden en Beeldjes van hem gezien 't geen veel gelykheid had na P. Wouwerman; zulks men hem onder de brave schilders van Nederland wel mag tellen.

Hy stierf t' Amsterdam op den 11 van. Wynmaand 1678, en zyn Broeder Daniel Schellinks, die een braaf Landschapschilder was, op den 18 van Herfstmaand 1701.