De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jan Hakkert]

Nu brengen wy eenige Konstschilders ten Toneel, wier geboortetyd wy niet recht weten, maar die naar gissing tot dezen tyd behoren, als JAN HAKKERT, wiens geboorteplaats ik ook niet weet. Dan naar sommig er zeggen zou hy een Amsterdammer wezen.

Van hem ziet men veel fraaije geschilderde Landschappen, inzonderheid vremde gezigten van Bergspelonken, en geestige grotten, die hy meest alle in Zwitserland naar 't leven heeft afgeteekent. 'T gebeurde at hy van sommige Bergwerkers in zulke eenzame en afgescheiden hoeken en spelonken gevonden wierd, bezig met iets af te schetzen. Deze onbewust wat die krabbelingen en

[p. 47]origineel

schetsingen op het papier te beduiden hadden, zagen het aan voor tooverteekens, en hem voor een Toovenaar, en dreven hem van daar weg. Maar terstond werd hy van hun weer om een anderen hoek gezien en weg gejaagt. Dit geschiede op verscheiden tyden. Onderentusschen werd dit onder dien onwetenden hoop verspreit: waar van de een zeide: hy had hem hier, een ander daar gezien, verbeeldende zig vast dat het een *Toovenaar was, (aangezien die landaard nog heden met dit bygeloof besmet is) die daar omstreeks kwam waren. Des besloten zy te samen hem, als zy hem weer vonden, op te vangen, en in de naaste Stad voor den Rechter te stellen, gelyk geschiede. 'T geval wilde nu, als zy hem ter Stad inbragten, dat de Hoofdschout (by wien Hakkert wel bekent was) hun op straat ontmoette. Deze hem dus met touwen geknevelt zien-

[p. 48]origineel

de, en goed duits spreken konnende, vraagde hem naar de oorzaak, die hy zeide niet te weten. Waar op hy die genen vraagde die hem gevangen leyden, welke aan hem tot antwoord gaven: Dat zy vermoeden hadden dat hy een Toovenaar was, om zulke en zulke reden; waar uit bleek dat hun vermoeden buiten grond was, en zy hem buiten schult gevat hadden, 't geen hy hun beduide, zulks hy van zyn banden ontslaakt wierd, en de Hoofdschout naderhand zig niet konde onthouden van lachen, als hy hem maar ontmoette of aanzag, herdenkende dit geestige voorval.

Hakkert weder in Holland gekomen heeft het dikwils in gezelschap zynde uit klugt vertelt. Hy hield veel vrientschap en kennis met Adr. van den Velde, die vele van zyne beste geschilderde landschappen en teekeningen met Beeldjes en Beesjes gestoffeert heeft.

Diergelyk een geval, als even verhaald is, gebeurde den Konstschilders Theodoor Wilkens van Amsterdam, en Hendrik van Lint, Landschapschilder van Antwerpen in 't jaar 1711. Deze meer gewoon op sommige tyden des jaars eenige weken zig buiten Rome met teekenen naar bouwvallige Paleizen, Rotsen, Bergen en geestige Landgezigten bezig te houden; om zig door deze uitspanningen te verlustigen: hadden zig begeven tot Ronsieglone 42. Italiaansche mylen buiten Rome 't geen zy ten voorwerp verkozen om af te teekenen aan dien kant van de oude Stad, die bouwvallig en op een Rots gelegen hun teekenagtig voorkwam.

De tekenaars zetten zig op een bekwamen afstant neer, met hunne Portefolien, en Kapersol boven hun hoofd voor 't steken van de Zon. Zy waren

[p. 49]origineel

vast bezig om de voorwerpen met toetsen in hun ruim beslag af te schetsen als zy van de genen begluurt werden, die kort by hen aan de wasbakken, die onder aan den Berg by 't water stonden, af en aan naar de Stad gingen, en daar het kwaad vermoede dat zy hadden verspreiden; waar op straks een menigte van menschen zig op de oude en nieuwe vestingen deed zien, die in grooter getal aangroeiden, zonder dat onze Teekenaars weeten of ramen konden wat zulx te beduiden had, als dat het uit nieuwsgierigheid (wyl zelden ymant van de Roomers zoo veer af ging teekenen) geschiede. Wat gebeurt 'er? Een Huis dat dicht aan den wal stond stort in, en kuitelt van de rots met groot gedruis naar beneden, waar door nog een mulders huisje dat aan den gemeenen weg stond beschadigt werd. Dit versterkte te meer hun dwaze verbeelding, hun door gemelde aanbrengers ingeboezemt dat zy Toovenaars waren die door de kragt der tooverletteren en bezweringen hun Stad tragten te verdelgen, waar op al het Volk als in eenen oploop uit de Stad naar hen toe zette, scheldende en razende op hen, als wilden zy hunne Stad door tooverkonst en bezweringen omwerpen en de Inwoonders verwoesten, nemende dit onverwagte instorten van gemelde Huis tot hun voordeel zeggende: Dat het geen wonder was dat het zelve neerstortte; aangezien die oude muragien de kragt der Duiveltjes indringende tusschen de voegen der steenen niet wederstaan konden. En 't was hun behout dat Wilkens, van Lint, die het op een loopen wilde stellen, zulks afried, en hun geluk dat de Gerechts-Dienaars meê onder den drom des Volks ter Stad uitgeloopen de handen aan hun

[p. 50]origineel

sloegen, en dus de woede des Volks beletten. Deze bragten hen gevangen ter Stad in over het marktplein, 't welk grimmelde van Volk dat hun naschreeude, Toovenaars Toovenaars, tot het huis van den Gouverneur dier plaats; voor wien zy haast hun onschult deden blyken, en zien dat het bygeloof de grond tot dusdanigen oproer geleit had; Waar op zy werden vry verklaart, en de oproerigen gestilt, dog niet zoo of hun wierd (wanneer zy den volgenden dag met een post Chaise uit hun Herberg vertrokken) van velen Toovenaars, Toovenaars, nageroepen.