De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Pieter van Anraat]

Hier aan volgt de brave pourtret en gezelschapschilder PIETER van ANRAAT. Deze was een Nederlander van geboorte, maar van wat Stad weet ik niet, nog ook in wat jaar hy geboren is. Hy was een potsige knaap, en beminde inzonderheid de Rymoeffening van Jan vander Veen, om welke reden hy veel omgang met hem hield, gelyk hy ook (om den bant van vrientschap des te rasser te vinden) naderhand deszelfs Dochter getrouwt heeft, met welke hy, nevens verscheiden Kinderen in 't jaar 1672 tot Amsterdam kwam wonen, daar hy de Regenten van 't Huiszittenhuis op de Breestraat in een stuk geschildert heeft, 't geen byzonder word geprezen, maar waar hy 't sedert vervaren is weet ik niet.

De Bakker ('t is onbedenkelyk dat des mans Konstwerken niet bekent zyn, of hy moet zig buitens lands onthouden hebben om dat hy in zyn Vaderland geen begunstigers vont) is een groot meester geweest: van dezen heb ik een Konststuk gezien, verbeeldende het laatste Oordeel daar veele naakte Vrouwen en Mannen beelden in kwamen, de voorste een en een

[p. 51]origineel

halve span groot, waren zoo Konstig geteekent en kragtig geschildert als Korn. Kornelisz van Haerlem ooit gemaakt heeft, en die kleinder waren hoefden voor Rottenhamer in Konst niet te wyken.

My is ook in handen gekomen een stukje van V. Geel, waar in verbeeld was een minne met een kindje op den schoot, waar nevens aan stond de Moeder met een rood fulp jakje met wit bont geestig om 't lyf geslingert, en een geel satyn rokje dan geschildert en natuurlyk geplooit, speelende met het kindje, even als wilde zy het door een kol suiker aflokken van de minne. Of deze een Leerling van Metzu geweest zal hebben, weet ik niet maar het was zoo konstig naar die wyze geschildert dat men het voor penceelwerk van Metzu zoude hebben aangezien. Meer is my van hem niet voor gekomen, en niemant van alle, welke ik naar hem gevraagd heb, kennen den Man nog zyn Konst, 't geen my doet besluiten dat dikwils brave geesten door gebrek van gunstelingen in den dop smoren; waar om meergemelde Spaansche Schryver niet buiten reden zeit: Luiden van uitstekende verdiensten hebben niet altyd den tyd tot hun voordeel gehad. De zaken der waereld hebben hare getyden, en 't geen allermeest uitstekent is, is nog daar en boven onderworpen aan de wisselvalligheden, en veranderlykheid van 't Geluk.

Opsnyers en zwetsers hebben zig al dikwils voor anderen in de gunst der menschen weten in te dringen, en schoonpraters wyl anderen zugten, weten hun buikkelder, als Pater Abraham zeit, zoodanig op te vullen, dat men den selven wel met stutten diende te schoren.