De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Rombout van Trojen]

Rombout van Trojen schilderde velerhande vermakelyke Italiaansche Landgezigten, en eigen verzonnen bouwvallige Paleizen, en geestige doorgezigten van onderaartsche spelonken schoon hy nooit Rome gezien had. Hy stierf tot Amsterdam daar hy altyd gewoont heeft in den jare 1650.

D'eerstgemelde Evert Oudendyk van Haarlem had een zoon Adriaan genaamt die meê de Konst oeffende; maar of hy niet vernuftig was, en egter daar voor aangezien wilde wezen, weet ik niet: maar my is verhaald, dat hy het Landschapschilderen van zyn Vader geleert had, en dat hy de Beesjes om de selve aangenaam te maken, uit de stukjes van Adriaan van den Velde, en de Beeltjes, of boertjes, bot uit Tafereeltjes van Tom. Wyk en anderen wist te rapen en daar meê zyn penceel werk op te cieren; waarom hy ook Rapianus in de wandeling genoemt werd.

Nog minpryslyk deed van Harp. Deze had een bevallig penceel, schilderde naakte beeltjes en kindertjes, ook Ceres, en Bachus feesten:

[p. 54]origineel

maar men vinter onder zyne werken die geheel naar prenten gevolgt zyn. Wierd zulks hem tegengesproken, hy beriep zig op de spreuk van Horatius die zeit:

 
De Schilder en Poëet ontfingen beide een magt
 
Van alles te bestaan, wat elk zig dienstig acht.

Dit doet my denken aan den Bloemschilder Simp, daar Lud. Smits, in de voorreden van zyn Galery ofte proef van zyne Dichtoeffeningen, dit volgende vaersje op gemaakt heeft:

 
Bolanus zag dat Simp, gemaakt had een copy
 
Na Segers schilderkonst. Ho! sprak hy, staat dat vry
 
An Schilders, waarom ook zoo wel niet aan Poetén?
 
.......

Zeker deze Schilderbazen trokken de vryheid al wat ruim naar zig. Ja denk ook niet dat van Mander zulk doen den naam van wel gestoofde rapen zou gegeven hebben, als blyken zal.

Het snoer der vryheid de Schilders van oude Tyden af vergunt, word thans van velen zoo lang gerekt; en de spreuk van van Mander, Rapen zyn goed als zy wel gestooft zyn, zoo uit haar rechte meening gewrongen, dat het wel dienstig zou zyn dat 'er een Interpretatie, of nader verklaring van wierd gegeven.

't Is heel wat anders dat een Schilder, Beelden uit Schilderyen, Teekeningen, en printen van andere Meesters geraapt, in zyn werk plaatst, en voor eigen vinding vent: Wat anders zig van den zwier der Beelden, Bekleedingen, en byvoegzelen van anderen te bedienen, zoo dat het

[p. 55]origineel

niemant ziet of ontdekt. Zulks is steelen, en elk het zyne laten houden. Maar heele Beelden kenbaar uit andere Meesters te rapen, en die voor eigen uit te venten, zulks kan men den naam van wel gestoofde Rapen niet geven. Dat het zeggen van van Mander in zyn konstlessen Kap: I vers 46.

 
Steelt armen, beenen, lyven, handen, voeten,
 
't Is hier niet verboden, die willen, moeten
 
Wel spelen Rapianus persoonage,
 
Welgekookte Rapen is goe pottage;

Niet wil te kennen geven dat het een Schilder vry staat van deze een Beeld, van genen een been, of arm enz. te mogen stelen, en dus een samenstelsel van het by een geschraapte op te maken: maar in tegendeel dat het gestolen moet versmeed, verkneed, in het verstand als in een pot geslooft, en met de saus van 't vernuft toebereid, en opgedist worden, zal het smakelyk wezen, zulks word bestempelt door dit voorbeeld.

Den grooten Mich. Angelo, werd een Tafereel daar in elk deel en het geheel gedieft was, voorgesteld om zyn oordeel daar over te stryken. maar de Schilderbaas die roem verwachte, werd dus afgezet: Zoo ik yder Schilder het zyne wedergaf, zoo zou 'er niet dan een ledige paneel overig blyven, waarom Phil. Angels, de zulke in zyn Lof der Schilderkonst vergelykt by de Raven van Ezopus, die zig had opgepronkt met de vederen van andere Vogelen, en dus uitgedost in 't midden der zelve praalde, tot elk de zyne weder uitplukte, en hem om zyn geleende schoonheid bespotte.

[p. 56]origineel

Zeker de Fabelen zyn niet buiten nutbaarheid bedacht, en strekken de menschelyke gebreken ten spiegel.