De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Jakob Ruisdaal]

JAKOB RUISDAAL, een groot vrient van N. Berchem, was een Haarlemmer van geboorte, maar heeft de meeste van zyne levensjaren in Amsterdam doorgebragt. Zyn vader die een Ebbenhoute Lystemaker was, had hem in zyn jeugt de Latynsche taal laten leeren, en verders in de wetenschap der Medicynen doen oeffenen, daar in hy zoo ver gekomen was, dat hy verscheiden manuale operatien in Amsterdam, met veel roem gedaan heeft. Dog is tot Haarlem gestorven in 't jaar 1681. en begraven op den 16 van Slachtmaant, als my aan een der begravenis briefjes gebleken is.

Hy schilderde inlandsche en buitenlandsche landgezigten, maar inzonderheid zulke, daar men 't water van d'een op de andere Rots, ziet neder storten, eindelyk met geruis (waar op zyn naam

[p. 66]origineel

schynt te zinspeelen) in en door de dalen, of laagtens zig verspreid: en wist de sprenkelingen, of het schuimende water door het geweldig geklets op de rotsen, zoo natuurlyk dun en klaardoorschynende te verbeelden, dat het niet anders dan natuurlyk water scheen te wezen. Dus heeft hy ook het zeewater weten te verbeelden, wanneer 't hem luste eene onstuime zee, die met geweld van ryzende golven, tegens klip en duin aanbruisd, op het paneel te brengen. Zoo dat hy in die wyse van schilderen al van de beste is geweest. Egter heb ik niet konnen bemerken dat hy 't geluk tot zyn vriendin gehad heeft.

Hy bleef tot het einde van zyn leven ongetrouwt; men zeit: om zoo veel meer dienst, aan zyn ouden vader te konnen doen.

Zyn Broeder Salomon Ruisdaal, voor hem al in 't jaar 1670 gestorven, was mede een braaf landschapschilder. Deze had boven dien een uitvinding om allerhande soort van marmer zoodanig na te bootsen, dat men niet anders gelooft zou hebben, dan dat het waarlyk marmersteen was. Ik heb twee rond gedraayde Bollen, konstig geadert, koud, hard, en zwaar als steen, dienende tot cieraade op een Kabinet gezien. Deze stof kon hy terwyl ze week was, vormen en kneden na zyn welgevallen. Elk had agting voor zulk gepolyst steenwerk, tot dat het bekent wert of uitlekte dat het nagebootst was.