De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Ludowyk Smits]

't Beurt dikwils dat de braafste Schilders de gelukkigste niet zyn, daar en tegen heeft de ondervindinge ons doen zien, dat anderen van min bekwaamheid groote winsten hebben gemaakt, om

[p. 67]origineel

dat zy hun penccel wisten te vlyen na de geaardheid of zinlykheid der menschen van die eeuw, waar in zy leefden. In myn jeugt gedenkt my, dat de geneigtheid der menschen inzonderheid op bloemen en fruit gezet was. Maar 't mogt yder niet gebeuren een Fruitstuk van de Heem tot huisraad te hebben, of een bloemstuk of stilleven van van Aalft, die toen vry wat geldig waren. Dit werd in agt genomen van LUDOWYK SMITS. anders Hartkamp, die zig in den jare 1675, toen omtrent de 40 jaren oud, te Dordrecht had neêr gezet. Waar hy gebooren is, weet ik niet, maar zoo my bericht is, was zyn vader een krygs officier, en woonde in dien tyd te Swartewaal, boven Zutfen, in Overyssel.

Deze Ludowyk Smits te Dordrecht gekomen zynde, ging inwoonen by eene Joan Kools, Orgelist, wiens Vrouw handel dreef met Schilderyen. Het eerste konststuk dat hy daar maakte, was een Magdalena hare zonden beweenende; het bywerk verbeelde een rots, welke hy met zwart en wit geschildert, daar na met bruine scheitgeel, en spaans groen geschommelt had, dat het heel natuurlyk en kragtig zig vertoonde; en die zelve wyze van behandelinge hield hy ook omtrent zyne fruitstukjes, waar van hy 'er meenigte maakten, die willig aan de man raakten, of verkogt wierden, zulks hy een styve beurs daar meê over gegaart zoude hebben, zoo zulken wyze van doen lang stant gehouden had: Maar zulks niet zynde, was dit van geen langen duur, wyl de gekleurde schilderyen weder in graauwe veranderde, en hy overzulks voor een bedrieger werd gehouden. Onze Amstelstroomschryver, zegt van den

[p. 68]origineel

bedrieglyken schyn, even als of hy hier het oog op had, aldus:

 
De schyn, die met een volle kragt,
 
Is in de waereld ingesloopen,
 
Daar elk zig aan vergaapt, en agt
 
Iets groots, iets wezentlyks te koopen;
 
De gansche waereld is een schyn,
 
Zy doet te laat den menschen blyken,
 
Hoe veele dingen anders zyn,
 
Als zy te voor en wel gelyken.

Wanneer het gebeurde dat hy hier over werd aangesproken, zoo gaf hy tot antwoord: dat de kleuren zig nog langer hadden gehouden, dan het geld dat hy daar voor genoten had; want dat het al eerder uit zyn zak was vervlogen. Egter hield hy zig nog al een lange wyl te Dordrecht, en maakte de minnery by een Herbergierster, die hem met geld ondersteunde, tot dat zyne vrouw, hem op 't spoor gevolgt, te Dordrecht kwam vinden, waar door het zelve gestuit werd, en hy daar van daan raakte; zonder dat ik weet waar hy vervaren is.