De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Isak Ducart]

Nu volgt zyn tyd en Konstgenoot ISAK DUCART geboren tot Amsterdam. Dees gebruikte zyn Konstpenceel meest tot het schilderen van allerhande Bloemen met hun loof, op Satyn, dog zoo natuurlyk dat het levendige Bloemen schenen te wezen, immers beter dan ooit voor heen op die wyze gedaan was. Hy had lang in Engeland verkeert, van waar hy de Konst meê Bragt in Holland, nevens een Vrouw die hy daar getrouwt had, die ook de Konst verstond, en hem hielp het Satyn met Bloemen beschilderen. Die hen kwamen bezoeken, vonden

[p. 84]origineel

hun beide in 't gemeen met een pypje in den mond voor hun Ezel, smookende.

Die my dit verhaald heeft, voegde daar by, dat het in 't huis 'er zoo morzig uitzag, dat Kat en Hond alzins vulnis vonden om met hun drekje te mesten. De Vrouw was niet naauw ziende (trouwens al te groote puntigheid is geen heiligheid) en de Man was onverschillig in die dingen.

'T gebeurde dat een van hun Patroonen, na dat 'er acht dagen tusschen beide verloopen waren, hen kwam bezoeken, en het alles, zeer vermeerderd op de zelve plaats vonden. Ducart die wat potsig van aart was, bemerkende dat hy zulks van ter zyde met een viezen bek beschoude, en voelende dat hy door hem in 't een of ander bedilt was, daar op hy gezwegen had, nam een dubbelen slag daar toe waar. Hy trad, wanneer de zelve op stond om uit te gaan, hem voor, zeggende: 'T zyn kleinigheden daar men ligt over heen stappen kan, en wees hem den wech.