De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Justus van Pee]

De Waereld bestaat in een gestadige veranderinge, en de Menschen, die een deel der zelve zyn, worden in die beweging dan hoog dan laag mede omgevoert.

JUSTUS van PEE, geboren te Brussel, was geheimschryver van de Hertogin van Parma. Zyn Zoon Emanuel, dien wel de Tytel van Edel, maar geen groote schatten waren nagebleven, werd tot de Schilderkonst opgevoed, dog byzonder byziende zynde, strekte dit hem tot hindernis in den voortgang der Konst: dog is te verwonderen dat hy in den donker een Brief, hoe klein gesehreven lezen konde, daar hy dikwils in gezel-

[p. 85]origineel

schap zynde, proeve van deed zien. Ja het is dikwerf gebeurt, dat zulke die 't niet wilden gelooven een wedding daar om aanrechten, en hem (de lichten van de Kamer uitgeblazen zynde) een brief in de vuist staken, die hy zoo wel, als anderen op klaren dag, wist te lezen. Hy vertrok met 'er woon naar Amsterdam, daar hy winkel van Schilderyen opzette, tot welke soort van winkel Schilderyen, anders dozynwerk te maken hy zyn Zoon JAN (die inzonderheid het voorwerp van onze pen is) van jongs af hield, tot dat hem door de Konstlievenden Jan Beuns dit wierd afgeraden en hy aangemoedigt om op een andere wys zig te oeffenen.

Hy was inzonderheid potsig in alle zyne bedryven, 'tgeen aan dit eene staal genoegzaam te bespeuren is: Wanneer onze van Pee getrouwt was en kinderen had, werd hy belust om Antwerpen, de kweekschool van zoo vele brave Konstenaren, en hunne Konstwerken te zien. Dikwils klampte hy zyne Huisvrouw daar om met Fluweele woortjes aan boort; maar dit was (als het spreekwoord zeit) voor een doofmans deur geklopt, en nimmer wilde zy daar toe bewilligen. Hy opgezet door de Nys Leerling van E. van Aalst, die mede derwaards heen wilde, besloot stil, ongevraagt ongeweigert, daar na toe te gaan, en zyn geneigtheid te voldoen, met voornemen egter, van maar drie of vier weken uit te blyven. Dog hier toe werd geld vereischt en verschooning van linnen, waar toe hem de gelegentheid niet gunstig was, als op zekeren tyd, wanneer hy geneigt was tot het eeten van Both, en zyn Vrouw hem den sleutel van de kas gaf, om geld daar toe te krygen. Toen stak hy tien ducatons, twee hemden, en eenige

[p. 86]origineel

dassen by zig, en daar mede ten huis uitgaande, zeide hy dat hy naar de Vismarkt zoude gaan, en zyn Vrouw vast het water in den ketel over 't vuur zou hangen, en maken dat het kookte, tegens dat hy met den Visch t'huis zoude komen. Straks ging hy naar zyn makker, dien hy gereed vond om met hem de reis naar Antwerpen te ondernemen.

Zy tegen met hun beide voort, wanneer onze van Pee gevallig een van zyne goede bekenden ontmoette, den welken hy verzogt den sleutel van de kas, door haastigheid verzuimt t'huis te laten, by zyn Vrouw te brengen, en vorders te zeggen: dat hem een Heer ontmoet was, die hem mede genomen had naar Haarlem, om hem eenig schilderwerk aan te besteden, en dat hy dien nacht zou moeten uitblyven. Van Haarlem voeren zy op Leyden en voort op Rotterdam, daar zy gelegentheid vonden om naar Antwerpen te schepen. Dog eer hy t' scheep ging schreef hy een brief aan zyn Vrouw van dusdanigen inhout: dat die Heer het werk, dat hy voor hem schilderen zoude, wilde op de wyze van P.P. Rubbens gemaakt hebben, en hem uit dien hoofde verzogt had met hem naar Antwerpen te varen: dat zy niet ongerust moest wezen, dat hy zoo spoedig weerkomen zoude als 't hem doenlyk was. Dit voorgeven was by zyn Vrouw (aangezien hy zoo dikwils daar na toe gewilt had) verdagt, in welk gevoelen zy te meer verzekert werd, wanneer zy in de kas kwam, en 't geld merkelyk gemindert vond, ook hemden vermiste, en dus vast by zig zelven besloot dat zulks met voordagt aangeleid was.

Onderweeg op de reis waren zy lustig en vrolyk. Tot Antwerpen gekomen ging hy 't eerst

[p. 87]origineel

om de klucht naar de Vismarkt, en vraagde naar Both, dien men hem voorts beschikte. Dog by den uitslag (wanneer hy aan de Vischverkoopster vraagde hoe lang de zelve wel levendig konde gehouden worden, en of de zelve wel tot Amsterdam gezonden kon worden aan zyn Vrouw, die vast het water daar toe over gehangen had) bleek ligt dat zulks maar enkele spotterny was, zoo dat de Vischwyven daar om welhartelyk lachten, en elkander toeriepen: Ziet hier een zotten Hollander, die hier een zoô Both koopen wil om tot Amsterdam te zenden.

Deze reisbroeders gingen dan dagelyks in de Kerken en Kloosters om de beruchte penceelkonst van Rubbens, van van Dyk, Jordaans en anderen te beschouwen, verzuimende ondertusschen ook niet, onderzoek te doen, en de proef te nemen van den besten drank, die in de Drinkwinkels te bekomen was, 't welk eindelyk hun geld deed minderen. Naar Amsterdam om een Wissel te schryven scheen hun wel 't gereedste middel; maar zy bedagten met een, dat zy daar niet breed by staan zouden, en dat het ligt op een schraal reisgeld, en om de vragten in 't wederkeeren naar huis daar mede te betalen, zoude uitdrajen. Goede raad was dier. Zy hadden inmiddels gezien, dat die op de Vrydaagse Markt wat te koop bragt straks gereed geld daar voor kreeg. Dus namen zy besluit van 't Penceel tot hun hulp te nemen, kogten verf, penceelen, en elk een doekje, en voor het klein overschot huurde van Pee een Beedelaar om voor hem te sitten, de Nys ook eenige doode Vogeltjes op de Markt om die naar 't leven af te schilderen. Dit voornemen ging met iever aan. Van Pee kreeg zyn

[p. 88]origineel

stukje, 't welk een Petrus half lyfs verbeelde, en d'ander een tafeltje met verscheiden vogeltjes dien zelven dach afgemaakt. Dit was op een Donderdag. Vrydaags daar by tyds meê op de Markt gekomen, kreeg van Pee 16 en de Nys 18 gulden voor 't zyne. Hier mede was (gelyk men voor een spreekwoord heeft) Leyden ontzet en de ledige beurzen kregen weêr klank. Toen weer van voren af aan den luyaart gespeelt, en vermaak gezogt, tot hun de noodwendigheid prangde, weder een Borretje te maken, daar zy voor de tweedemaal weer zoo gelukkig af kwamen, dat geen Zee (als het spreekwoord zeit) hun te hoog kon gaan, in 't verteeren by 't gezelschap, nu zy zoo gereed een Zilvermyn door 't Penceel ontdekt hadden.

Inmiddels raakten zy by ieder bekent, waar door hun veel werk werd aanbestelt op goede winst. Zoo dat van Pee een brief aan zyn Vrouw deed afgaan, waar by bleek hoe wel het hem tot Antwerpen naar den vleesche ging, nevens een verzoek aan zyn Vrouw; datze maar spoedig met 'er woon van Amsterdam wilde opbreken, om naar Antwerpen te komen. Maar die had daar toe geen ooren; aangezien zy, buiten haar Man, van haren winkel met haar kinderen heel wel bestaan konde. Eindelyk na 't verloop van acht maanden, kwam hy weder tot Amsterdam. Strak ging hy naarde Vismarkt, kogt een zoô Both, liet die schoonmaken, en kwam daar meê aan de hand t' huis, zeggende tot zyn Huisvrouw, zoo als hy de deur in quam, kookt het water al tot den Visch? wat antwoord daar op kwam, mag de Lezer denken.

Hy maakte inzonderheid zyn werk van beroem-

[p. 89]origineel

de Italiaansche en andere Konststukken na te schilderen; welke hy zoo wonder even gelyk wist na te bootsen, datmen de zelve bezwaarlyk van den anderen konde onderkennen, en de Konstverkoopers, voor welke hy veel schilderde, dikwils een Boefje daar meê gespeelt hebben.

Hy heeft een Zoon naar gelaten, welke thans nog leeft, en zig mede tot de Penceeloeffening begeven heeft, aan welken genaamt Theodorus van Peé wy op 't jaar 1669 zullen gedenken.

De Beeltenis van Jan van Peé staat in de Plaat C. 9.