De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Gasper Netscher]

GASPER (anders Casparus) NETSCHER, wiens waarde Beeltenis zig in de Plaat P. 31. doet zien, is geboren te Heydelberg, in 't jaar 1639. Zyn vader Johannes Netscher, oorspronkelyk uit de Stad Stuetgaert (van waar de zelve door de zware oorlogen en hongersnood, genootzaakt is geweest de vlugt te nemen tot Heydelberg) was een Steene beeldhouder. Hy trouwde met Elizabet Vetter, Dochter van een Borgermeester te Heydelberg, tegens den zin van haar vader en grootvader, waar door zy in ongunst van de zelve geraakte. De moeder, de vader gestorven zynde, belast met vier kinderen, dry zonen (waar van Casper de jongste was) en een dochter, werd daarenboven gedrongen door den overlast der krygslieden, ne-

[p. 93]origineel

vens meer anderen, Heydelberg in aller yl te verlaten, en de vlugt te nemen tot een Landkasteel, waar in zy door de vervolgers belegert werden. Wel zeit het spreekwoord, de ongelukken slachten de Monniken: zy gaan zelden alleen.

Wanneer zy nu deze Vesting op gena, of ongena, niet wilden opgeven, werd ze door de belegeraars zoo naau bezet, en besloten gehouden, dat zy geen invoer van montkost daar binnen konden krygen, zulks dat zy daar door in den uitersten hongersnood vervielen, ook twee van hunne zonen door gebrek van voedzel stierven; en met den jongsten omtrent twee jaren oud, en het dochtertje, ontvlugten zy (gelegentheid daar toe ziende) in den nacht.

In deze gesteltheid ontbrak hun alles, uitgezondert de moed. Zy torsten hetjongste op den arm het dochtertje kon naloopen, en begaven zig zonder lang beraad op de reys, steunende op de voorzorg van den Almachtigen, die altyd weduwen en weezen ten hulpe verstrekt. Dus kwamen zy tot Aarnhem, daar sommigen tot medelyden verwekt, hun middelen aan de hand gaven, waar door zy zig eerlyk konden generen.

Doctor Tullekens, een godsdienstig, deugtsaam en ryk man, nam Casper, die een schoone jonge was, en daar een groote geest in doorstraalde, naderhand tot zig, met voornemen van hem de Latynsche taal te laten leeren, en tot Doctor in de Medicynen op te kweken. Dit stuk ging aan, en was van goed gevolg, tot dat hy kwam in het derde school, wanneer de genegentheid tot de Teekenkonst in hem sterk doorbrak, en hy al het papier dat hy konde bekomen, met mannetjes en beesjes beschreef, tot zyn Themaas incluis, daar hy

[p. 94]origineel

dikwyls van zyn meester plakken om kreeg.

Gemelde Tullekens, ziende dat deze Konstdrift op geenderhande wyze was te stuiten, volgde die geneigtheid in hem op, en deed hem by den Konstschilder Koster, die allerhande doode vogelen, en wat meer tot een Keukenstuk behoort, schilderde, om in de Konst onderwezen te worden. Naderhand by Gerard Terburgh, Konstschilder en Borgermeester te Deventer, door toedoen van den Heer Wynant Everwyn, die een neef van Terburg was, daar hy alles naar 't leven leerde schilderen, en in korten tyd veer in de Konst vorderde. Inzonderheid had hy de handeling van het wit Satyn dun en helder te schilderen zyn meester afgezien; 't geen hy ook naderhand dikwils in zyn penceelwerk te pas bragt.

Eindelyk zoo veer gekomen, dat hy op eigen wieken (als men gemeenlyk zeit) konde dryven, begaf hy zig naar Holland, en schilderde in 't eerst voor de keelbeulen, Konstwinkeliers wil ik zeggen, die hem klein loon gaven voor zyn werk, als gewoon zynde 't zelve voor een geringen prys in te koopen, en tot een hoogen prys weder uit te venten: welke onredelyke behandeling hem niet aanstond, als een middel zynde om den geest en lust der Konstenaren uit te dooven, in steê van de zelve op te wakkeren. Dus nam hy voor (nu een en twintig jaren oud zynde) een reis naar Rome te doen, en ging de eerste gelegentheid de beste, op een schip dat naar Bordeaux bevragt was, mede hebbende een brief van Doctor Tullekens, aan zyn Neef Neny, koopman aldaar, om dus over Vrankryk zyn reis naar Italie voort te zetten. Daar gekomen, kreeg hy kennis aan eenen Godyn, een Ma-

[p. 95]origineel

thematicus en Fonteinmaker van Luik, die naderhand in dienst van den Koning van Polen gestorven is. Deze had een dochter daar zyn oog op viel, met welke hy trouwde op den 25 van Slachtmaand 1659, waar door zyn voorgenomen reis naar Rome gestuit werd, en hy zig daar neer zette, met voornemen van aldaar te blyven wonen; maar ziende dat die, welke van den Gereformeerden Godsdienst waren, van tyd tot tyd, meer gedrukt wierden, en bedugt voor een algemeene vervolging, gelyk naderhand gebeurde, nam voor deze gemoedsdwingelandy (nu hy nog maar een zoon had, en eer hy meer kinderen aanwon) t'ontvlugten. Waarom hy toen naar Holland trok, en zig in den Haag neerzette, daar hy verscheidene uitstekende Konststukjes maakte: maar ziende dat zyn disch meer en meer in broodeetende olyfspruiten aangroeide, en het pourtretschilderen het gereedste middel was, om aan geldte geraken, als ook meerder voordeel aanbragt, ley hy daar op toe, en zyn toeleg gelukte: want hy in zyn tyd niet alleen een menigte pourtretten, maar ook de voornaamste luiden in den Haag en elders, daar by meest alle de Potentaten, die in den Haag, kwamen, schilderde, 't welk hem de beurs deed zwellen, en zyn roem aanwassen, zoo dat Karel de tweede, Koning van Engeland, die op zyn Konst belust was, door den Ambassadeur Temple hem verscheide malen liet verzoeken aan zyn hofte komen, 't welk hy beleeft weigerde; zoo, om dat hy rust beminnende, geen zin in de hoven had, als om dat hy schrikte tegen de ongemakken van de zee, want hy al van zyn twintig jaren af geplaagt was geweest met Graveel, en in zyn laatste jaren daar en boven nog deerlyk met het

[p. 96]origineel

Podagra of de Jicht, die hem niet zelden zyn rust stoorde: Egter heeft hy nog verscheiden pourtretten op zyn bed zittende geschildert, tot dat deze kwaal in zyn ingewanden geslagen, hem de dood aanbragt, op den 15 van Louwmaand 1684. Hy liet nevens zyn grooten roem, van wegen zyn schilderkonst, een weduw met negen kinderen na, van welke hem twee in de Konst na gestapt zyn, Theodorus en Konstantyn, aan welke op hun beurt gedagt zal worden.

Wat de waarde van zyn Konst aanbelangt, daar van behoeft niets gezeit, aangezien de zelve thans gretig opgezogt, by de waardigste Nederlandsche penceelkonst, in de Kabinetten werd gehangen.