De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Abraham Genoels]

Vele hebben het zwaarste in de Konst, namentlyk 't Historieschilderen betragt, anderen zig met een gering deel der Konst vergenoegt, en weer anderen door een middelweg, tusschen die twee uitersten zig een weg tot hun geluk gebaant. Onder deze tellen wy ABRAHAM GENOELS, gebentnaamt Archimedes, geboren binnen Antwerpen, 1640, die het Pourtret- en Landschapschilderen t'effens ten voorwerp zyner bespiegeling stelde.

Zyn eerste onderwyzer in de Teekenkonst was Jaques Backereel, van het geslacht der Backereelen aan welke wy, met het begin der sestiende Eeuw gedagt hebben, by welken hy van zyn elfde tot zyn vyftiende jaar bleef, dagelyks zig vlytig oeffenende in de Konst. Toen bespeurende dat de Konst der perspective of Deurzichtkunde, noodwendig dient geweten voor een Schilder, liet zig daar in onderwyzen door Nic. Firelans van 's Hertogenbosch.

[p. t.o. 96]origineel


illustratie

[p. 97]origineel

De Reislust bekroop hem allengs meer en meer, en de zugt om vremde Landen te bezien, wakkerde op, tot dat hy 1659 in 't begin van 't jaar zyn reis (onder het geleide van Georg. Remees die van zyn Vader tot opzigt over hem gesteld was) aanging. Tot Amsterdam gekomen (alzoo door Braband geen gelegentheid was, aangezien de Koning van Spanjen met Vrankryk in Oorlog was, en de Vyandlyke partyen zig alzins ten platten Lande verspreiden) zogt hy van daar te scheep naar Vrankryk te komen, dat hy zoo gereed niet vond, en overzulks tyd genoeg had om de Hollandsche Steden, en de fraaije konstkabinetten te bezien, tot dat 'er eenige Schepen met koopmanschappen geladen, verzelt met eenige Schepen van Oorlog van Rotterdam 't zeil gingen, met de welke hy mede voer op Diepe. Van waar hy vorder reisde op Parys, daar hy welkom was by zyn Neef Laurens Frank van Antwerpen, een fraay schilder in 't klein. By dezen vond hy Françiscus Millé van Antwerpen, een jongeling maar 17 jaren oud, dog van een snedig begryp en groot vernuft, 't geen klaar bleek aan 't weinige dat hy toen nog geschildert had, zoo dat onze Genoels ziende zyn yver en bekwaamheid hem de beginzelen der Doorzichtkunde leerde. Genoels bleef aldaar eenigen tyd schilderen met Millé, die in korten tyd verwonderlyk in de Konst toenam, en met de Dochter van L. Frank zyn Nigt trouwde. Wat hy boven dien van hem getuigt zullen wy in des zelfs levensbeschryving gedenken.

'T leed niet lang of Genoels kreeg gelegentheid aan de hand om eenige groote stukken te schilderen om te dienen tot patroonen voor Monsr. Gi. de la Noire Tappeissier. Dit waren

[p. 98]origineel

acht stukken met levensgrote Kindertjes en Landschappen voor den Marquis de Louvois, die toen eerst getrouwt was, en die voorts de rest van zyn Kamers liet beschilderen, en die aangenomen had Monsr. Gilbers Seué, een der twaalf Professoren de l' Academie Royale de la Peinture & Sculpture, in welk werk hy hem behulpig was.

Ondertusschen werd hem vergunt een plaats in 't Paleis van den grooten Prioor van Malta om twee van die gemelde groote stukken daar af te schilderen, daar hy veel bezoek van Lief hebbers kreeg, waar door dit werk traag voort ging, en nog te meer, om dat hy dagelyks ging naar de voorstad St. Germain ten huize van meer gemelde Seué daar hy de vrye tafel had, en goed daggeld toe, om Landschappen te schilderen in stukken, voor de Princes van Condé. Van dien tyd af begon zyn Kar (als het spreekwoord zeit) op een maklyk zandpat voort te rollen.

Hy liet in 't Faubourg St. Germain een kamer stofferen voor hem en voor zyn knecht, die een Edelman was, wiens Vader in een gevegt gebleven was, en kreeg daar eenige stukken te maken voor den Ambassadeur van Engeland: waardoor de Hoofden van het schilders Konvent van de Voorstad hem wilden dwingen aan het recht van hun Konstgenootschap te voldoen. Waar over hy raadpleegde met meergemelden. Seué die hem ried zig aan te geven aan de Koninglyke Academie, en te gaan naar de Gobelins, by den Directeur van die Academie C. le Brun, en aan de zelve iets van zyn penceelwerk te vertoonen, gelyk hy deed. Dees vraagde straks of hy voor den Koning wilde schilderen, dat hy naar verdienste van zyn werk zou worden betaalt, en

[p. 99]origineel

een jaarlyks geschenk daar en boven genieten, 't welk voor hem geen brok was om te verpruilen; des beet hy straks toe. Hier op werd hy in de Koninglyke Academie ontfangen met de gewoone plechtigheden. Dus kwam hy te schilderen in de Gobelyn, dog bleef nog in 't Faubourg wonen, aangezien hy zyn woord had gegeven aan Monsr. Noiret, Professor van de Koninglyke Academie om twee stukken te schilderen tot het konstkabinet van den Hertog van Orleans, op een Kasteel gebouwt door Henrik den vierden, twee dagen reizens van Parys; in welken tusschentyd een Kamer voor hem te Gobelins verzorgt was, en werd hy van le Brun gesteld aan 't schilderen van de Landschappen der berugte stukken, verbeeldende de Historie van Alexander den Grooten, door Gerard Oudran konstig in koper gebragt, en onder de waardigste printkonst geschat.

Oudran ziende zyn geestige behandeling van boomen, maakte voor hem eenige platen ree, en spoorde hem aan tot het etsen. 26 zoo kleine als groote Landschappen maakte hy in 't koper, waar van ik 'er 12 ken, (dog deze heeft hy te Rome geëtst) die los en geestig behandelt zyn: dog heeft Boudewyn twee van de grootste geëtst, een met de Pompoenen naar een schildery, en d'ander naar een teekening daar toe gemaakt. In dien tyd was Joh. v. Huchtenburg de Bataljeschilder te Parys, daar hy kennis meê hielt.

Eenigen tyd hier na werd hy uit order van den Koning gezonden om een afteekening te maken van het Kasteel van Marimont by Brussel, om in een Tapyt geweven te worden, op welke reis gemelde Huchtenburg en Boudewyns hem verzelden tot Amiens; van daar op Ryssel, Doornik, Ber-

[p. 100]origineel

gen in Henegouwen en zoo op Marimont, alwaar hy het Kasteel teekende van drie gezigten, en kwam naar elf dagen te Antwerpen. Dit was in 't jaar 1669 of 70; en na dat hy zyne vrienden en konstgenooten bezogt had, vertrok hy weer na Parys, en schilderde het zelve, tot een patroon voor de Tapytwerkers. Maar het leed niet lang na dien tyd, of hy nam, door Reislust gespoort, afscheid van den Koning, en vertrok weder naar Antwerpen, van te voren afgesproken hebbende met den braven Konstschilder Bartolet om van daar naar Luik te vertrekken; dog zy misten malkander; want Bartolet al een dag te voren eer hy kwam, vertrokken was. Waar door de voortgang van de Roomse Reys geschort bleef, tot den Herfst van 't jaar 1674. In dien tusschentyd maakte hy een groot kamerwerk om 'er Tapyten naar te weven voor den Grave de Monterey, toenmaals Gouverneur van de Spaanse Nederlanden, waar toe (op dat het spoedigen voortgang hebben zou) hy ook andere aanstelde: als Furni met nog drie andere cieraad-schilders. Babtist Menoié stelde hy aan de Bloemen, den ouden Boel van Antwerpen aan de Vogelen, Nicasius van Antwerpen, aan d'andere Dieren, en Boité aan 't Bas-relief te schilderen. Hy maakte ook een stuk (t'zyner gedagtenis) voor de Konstkamer t'Antwerpen, en verscheiden pourtretten in Qly- en Waterverf, gelyk ook eenige kleine Landschapjes.

De Roomse reis (voor gemeld) vastgesteld en rugtbaar geworden, maakte hy Reisgenootschap met den Heere Marselis Liberechts, die nog eens te Rome geweest was, Pieter Verbrugge vermaard Beeldsnyder, Fr. Moens van Mid-

[p. 101]origineel

delburg, en een Canonik van Lier. Hier by kwamen nog Clovet, plaatsnyder van Antwerpen. Abraham van den Heuvel Koopman van Napels, en Soldanio Koopman van Venetien. De Reis ging aan op den 8 van Herfstmaant 1674. van Antwerpen op Keulen, na vier of vyf dagen verblyf aldaar te scheep op Ments, en van daar met het Marktschip op Frankfort, naa drie dagen verblyf met de Koets op Augsborg, van daar met Paarden langs Tirol, Hinsbroek, Trenten, Travise en Mestre, van daar te scheep naar Venetien en langs Ferrare op Bolonien, naar vier dagen verblyf met Paarden op Lorette en voorts op de kleine steden tot Rome, waar zy kwamen op den 4 van Slachtmaand. Dus heeft hy 't my in een brief op gegeven, als ook dat hy 1674 op den 3 van Loumaand in de Bentbroederschap kwam, en Archimedes ten Bentnaam kreeg, nevens Pieter Verbrugge, dien zy Ballon, en Fr. Moens de Vlucht doopten. De getuigen die hun Bentbrieven onderschreven, waren.

Alberto Clovet, gebentnaamt Zantzak Plaatsnyder van Antwerpen.
Gillis de Mont gebentnaamt Brybergh Schilder van Antwerpen.
Gielis vander Meeren gebentnaamt Voorwint schilder van Antwerpen.
Abraham Breugel gebentnaamt Ryngraaf schilder van Antwerpen.
N. van Haringhe gebentnaamt Mitridaat Apotheker uit Vlaanderen.
Monnaville gebentnaamt de Jeught schilder van Brussel.
[p. 102]origineel
Marcello Liberechts gebentnaamt Papegay schilder van Antwerpen.
Jan Babt. Breugel gebentnaamt Meleager schilder van Antwerpen.
Adriaan Honich gebentnaamt Lossenbruy schilder Hollander.
gebentnaamt de Mengelaar
David de Koning gebentnaamt de Rammelaar schilder van Antwerpen.
Michiel van Barspalm gebentnaamt de Standvastigheid Beeldschilder uit Vlaanderen.
Donauville gebentnaamt de Winkelhaak, Antwerpenaar.
Nicolaas le Grand gebentnaamt 't Vermaak, Antwerpenaar.
Bartolomeus Martens gebentnaamt de Bocaal, Goutsmit, Antwerpenaar.
Nicolaas Piemont gebentnaamt de Opgang schilder, Hollander.
Bartolomeus de Riemer gebentnaamt de Toetsteen Goutsmit, Antwerpenaar.
Philippo vander Does gebentnaamt Orpheus, schilder van Antwerpen.
Robbert du Val gebentnaamt Fortuin schilder van 's Gravenhage.
Giacomo de Dekker gebentnaamt de Gulden Regen schilder.
Fransois de Meyer gebentnaamt de Uitstel schilder Hollander.
F. Ziereneels gebentnaamt de Lelie schilder uit de Meyery van 's Hertogenbosch.
Kornelis de Bruin gebentnaamt Adonis.
F. Matheus daar genaamt de Vrome schilder van Antwerpen.
[p. 103]origineel

De rest die na kwamen waren; Daniel Syter gebentnaamt d' Avondstar, schilder van Weenen. Hans Martyn gebentnaamt de Moet, Hoogduitscher. Peeter Hofmans gebentnaamt Janitzer van Antwerpen. Schoonjans gebentnaamt Parrhasius van Antwerpen, Karel de. Vogel gebentnaamt Distelbloem, van Mastricht; Jacomo van Staverden gebentnaamt d'Yver van Amersfoort, Gommarus Wouters gebentnaamt de Ridder van Antwerpen, Gasper van wittel gebentnaamt de Toorts van Amersfoort, Theodoor Visser gebentnaamt Slempop, Jacomo de Heus gebentnaamt de Afdruk, van Utrecht, Bernard Baillen gebentnaamt de Hemel Plaatsnyder van Antwerpen. ...... de Bakker gebentnaamt Virgilius, Poëet van Brussel. Jacomo Blondel gebentnaamt de Weyman Plaatsnyder van Antwerpen. Deeze acht laatste had hy elk in 't byzonder op een doek geschildert, en zy hingen in 't rond op zyn Kamer. Welke hy liet aan Gasp. van Wittel, nevens Theodoor Helmbreker zyn besten vrient. Boven deze gemelde kwamen 'er nog veele tusschen beide, en laat in den avond zweven als de muggen om de kaars die al meê een smeer uit de pan kregen. En ik geef den Lezer te denken, hoe veel Wyn 'er op dit Bentfeest wel over de lippen gestort is, en hoe veel spys door de tanden vermaalt eer de kakebeenen vermoeit waren. Trouwens 't is altyd geen vetpot, en die 't somwyl wat schraal hebben, doen, als 't hun gebeuren mag, provisie op.

Men kan uit het getal der Bentvogels, waar van wy zoo even den Naamrol zagen, welke van zyn Doopmaal gesmult hebben, ligt besluiten dat hy

[p. 104]origineel

een styve Goudbeurs moet gehad hebben, wanneer hy te Rome zig liet inhuldigen in de Bent. Deze (zeit S.v. Hoogstraten) is in onze Voorouders tyd ingestelt tot verkwikking der sluimerende geesten. Daar ontfangt men de groene aankomelingen met geestigen toestel en naakte vertooningen en vereert 'er met nieuwe namen van kragtigen zin. Daar spoeltmen de zorg en laatdunkenden waan in zoeten Albaan af, en herwiegt met de genen, die nog niet wel gebakert zyn enz.

Het voornaamfte dat hy te Rome geschildert heeft zyn twee groote stukken en een kleinder voor den Kardinaal Jacomo Rospigliosi, als ook des zelfs afbeeltsel, als mede twee groote stukken voor den Ambassadeur van Spanje Marchese del Corpio.

Alle jaren ging hy in den Herfsttyd twee of drie maanden buiten Rome in Dorpen, of Gebergten zyn verblyf houden, om fraaije gezichten van Landschappen naar 't leven te schilderen of te teekenen, welke Modellen, Teekeningen en opgerolde Schilderyen hy tusschen Bootseerzels Mosaic werk, en afgietsels van marmere beelden, in kassen inpakte, en die voor af te scheep op Vrankryk zond.

In den jare 1682 op den 25 van Grasmaand verreisde hy van Rome, met den Antiken beeldsnyder Laviron van Antwerpen, en twee Franse Beeldsnyders Cavalier, en Monier, over Florence, Siena, Pisa, Livorne, Genua, Niosa, Villa Franca, Schouta, voorts te Land op Muilen, van daar op Marselie, op Avinjon, en zoo de Rone op tot Lion, en met Paarden over Forraren op Rouane de Loire af tot Orlians, en zoo op Parys; daar hy eenigen tyd zyn verblyf moest houden tot het Konings Schip haven-

[p. 105]origineel

de, waar in hy zyn kassen met Konst ingescheept had, gaande onderwyl zyn oude kennissen bezoeken.

'T Schip aangekomen en zyn kassen ontpakt, deed hy met een Konststuk van zyn hand present aan Kar. le Brun, en met een veel grooter aan Mons. Colbert, waar na hy vertrok met de Karos op Ryssel, voort op Doornik en Gent; en kwam op den 8 van Wintermaand 1682 tot Antwerpen, daar hy nu nog in leven zynde, woont.

Zyn Konstliefde en zucht tot den opbouw der Konst, is zoo groot dat hy in zyn oude dagen verscheiden jonge schilders en beelthouders, in de gronden van de Mathesis, Doorzichtkunde, Geometeri en Bouwkunde onderwyst. 's Mans Beekenis kan men zien in de Plaat D II.