De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Josef Mulder]

De brave plaatetser JOSEF MULDER heeft de Teekenkonst in den jare 1672 by hem geleert, en my verhaalt, dat hy eens een zyner goede bekenden wilde bezoeken, dog hem niet t' huis vond, maar wel des zelfs huisvrouw, die gereed was om haar man, die niet veer van de hand was, te gaan roepen. Hy onderwyl alleen zynde met het kind dat nog jong was en in de wieg lag te kryten, maakte wat grammatsen voor 't zelve, en het daar door niet konnende stillen, nam hy het uit de wieg, en zette het op zyn schoot, zingende het deuntje van den Stouten Ridder, of Hanselyn over de heyde reed, gelykmen zulke oude grollen voor de kinderen onder het op en neer schokken gewoon is op te deunen. De luier door 't schokken afgedroopen, werd hy niet weynig bevuilt. Wat doet hy? hy leit het kind op den vloer neer, strykt zyn broek

[p. 248]origineel

af, en bevuilt het weer. De vrouw inmiddels inkomende, vraagde met verwonderen, wat doeje? wat ik doe, antwoorde hy: het kind heeft my bescheeten, en ik beschyt het weer, dus beschyten wy malkander. Dog dit was maar na geaapt. Adriaan Brouwer heeft dergelyke vieze Pots 't eerst gespeelt.

Ik heb opgemerkt dat in dien tyd en vroeger het plegen van on voeglyke bedryven, en inzonderheid 't overdadig wynzwelgen, onder de Konstschilders byster in zwang ging, en gelyk als een mode ingekropen was: maar heb ook opgemerkt dat het zedert allengs heeft afgenoomen, zoo datmen thans tot roem van de Konstenaren zeggen kan: dat 'er nu byna geen onder de Konstschilders van naam getelt kan werden die een dronkaart is. Zeker Dichter zeit:

 
De zorg der onderen maakt dat kinderen iet leeren,
 
Maar 't beurt niet zelden, dat hun driften elders keeren,
 
Dan tot het geen hun docht, dat nut, en dienstig was.
 
De neiging der natuur ontdoet zig haast, zoo ras
 
't Begryp de dingen in haar aart leert onderscheiden.