De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. (3 delen)


auteur: Arnold Houbraken


bron: Arnold Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. B.M. Israël Amsterdam, 1976 (3 delen, fotografische herdruk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[Johan vander Meer]

Onder de Utrechtse schilders word ook getelt JOHAN vander MEER, (schoon hy tot Schoonhoven geboren is) om dat hy wel den meesten tyd van zyn leven daar gewoont heeft. Waar, of by wien hy de Konst geleert heeft, weet ik niet: maar wel dat hy in gezelschap van Lieve Verschuur naar Rome reisde en daar verscheiden jaren in 't oeffenen der Konst doorgebragt heeft. Hy schilderde beelden en tronien levensgroot, op de grootse manier, alzoo hy te Rome omgang had met Drost en Karel Lot, daar hy byzonder toenam. Daar by had hy het geluk dat hy niet voor de keelbeulen behoefde te schilderen, maar

[p. 292]origineel

onbelemmert zyn Konst mogt oeffenen en voortzetten, zonder op winst te doelen: want hy had een Grootvader die veel geld bezat en met onzen vander Meer veel op had, zeggende tegen den Jongeling: Jantje zoo 'er een Heertje onder ons geslagt moet wezen, zo zyt gy'er zoo na toe als een ander. Hy maakte tot dien einde altyd dat hy te Rome een volle beurs had.

Vander Meer van Rome weder tot Utrecht gekomen kreeg gelegenheid van een ryke Weduw, die een Lootwitmakery had, te trouwen. Deze vrouw werd ten eersten zwanger, dat een groot geluk voor hem was, alzoo zy by haar eersten man geen kinders kreeg, waar door zy hem te meer lief had, en een rypaard voor hem op stal hielt, om dat hy zig by wylen wat mogt verlustigen. Maar die kermis duurde niet lang: want zyn vrouw kwam te sterven, en de soldaten verbranden zyn Huis, Lootwitmakery, en alles wat hy bezat. By welke gelegenheid iets opmerkelyks voorviel, 't geen wy in 't leven van Jan de Heem hebben gemelt, ten staal hoe de waereldse zaken verkeeren kunnen.

En 't is om te verwonderen, daar hy zoo laat aan de Konst kwam (want zyn ouders hadden hem tot de taalgeleertheid opgewiegt) dat hy in de deelen der zelve zoo veer gekomen was.