|
|
|
| |
| | | |
II. De proza-roman.
Was eenmaal de Poëzie alleenheerscheresse, of liever, de rhythmische vorm de eenige, die gebruikt werd, dit moest uit den aard der zaak anders worden, toen hoogere beschaving zich bewust werd, dat het iets anders is tot de verbeelding dan tot het verstand te spreken; dat aan de uitstorting van gemoed en gevoel een eigen kleed past, en een ander aan de logische ontwikkeling van gedachten, aan wier vorming vooral het begrip aandeel heeft. Voor het laatste begon men het Proza te bestemmen, den ongebonden stijl, die ook de vorm van de taal des dagelijkschen levens was. Intusschen, niet alleen aan huiselijk gebruik of zuiver verstandelijk betoog werd bij uitsluiting het Proza dienstbaar gemaakt: het werd allengs ook gebezigd als middel van kunstige schildering.
Door Jan Van Ruysbroeck gevormd, door Marnix en Coornhert veredeld, was het Hollandsch Proza in de pen van Hooft en de geniale Schrijvers der zeventiende eeuw tot eene hooge mate van volkomenheid gerijpt, die het geschikt maakte om er de treffendste en levendigste tafereelen mee voor de verbeelding te tooveren.
Groot was Hooft's invloed en lang heeft die gegolden. Zoo dit zijne goede zijde had, men mag toch niet voorbijzien, dat de onnatuurlijke, on-Hollandsche deftigheid, die den Drost eigen was, oorzaak werd, dat zich eene klove vormde tusschen spreek- en schrijftaal, waardoor de verwezenlijking van het ideaal eener beschaafde, algemeene, eenige schrijf- en spreektaal, dat Vondel reeds voor oogen stond1), gedurende een paar eeuwen werd tegengehouden.
Dat men Hooft vooral in den historischen stijl tot model kiezen
| | | |
zou, lag voor de hand: en wij zagen dan ook, hoe eerst Geraert Brandt dat deed met een talent, hetwelk hem niet zelden boven zijn meester plaatste. Zelfs nog omstreeks de helft der vorige eeuw heeft Jan Wagenaar dat spoor gehouden.
Wij zullen later zien, hoe de deftige stijl in 't vervolg, bij gebrek aan talent of karakter, in den plechtig-gemoedelijken water-en-melk toon overging; voor 't oogenblik hebben wij te onderzoeken, of minder deftige onderwerpen ook niet op minder statigen trant werden behandeld, en of het Proza niet mede tot iets anders dan historische geschriften werd gebezigd.
Dat is al vroeg, al in de zeventiende eeuw, beproefd. De eerste toch, wien hiervan de eere toekomt, is de Haagsche Raadsheer Johan Van Heemskerk (1597-1656). Zijne minnedichten, zijne navolging van Corneille's Cid1) noemen wij slechts pro memorie, daar hij alleen als schrijver der Batavische Arcadia is bekend gebleven.
Een zonderling werk, die Arcadia! Het bevat het verhaal van een speeltochtje, dat een Haagsch gezelschap naar Katwijk doet, en waarin de gevoerde gesprekken hoofdzaak zijn. Rare gesprekken voor verliefde paartjes, daar de Schrijver ze gebruikte om in eene romantische lijst ‘alderhande gedenckweerdige geschiedenissen op 't aerdighste te pas te brengen,’ zooals hij zegt, opdat men ‘onder 't soet van minne-praetjes, al spelende komen zou tot kennisse van onze Vaderlandsche gelegentheden, daer niemandt een vreemdelingh in behoort te zijn.’
Men begrijpt, welk een mengelmoes daardoor ontstaat. Herders en herderinnen - geheel in den trant der latere opéra-comique - maken elkander het hof op den meest ziekelijk gemaniëreerden toon van suikerzoete galanterie, dien de schrijver in Frankrijk aangeleerd had: in ‘een opgeswollen vloed van cierlyke woorden,’ volgens zijne eigen uitdrukking. Daarbij steken op de potsierlijkste wijze de geleerde gesprekken af, waarmee deze verliefde paartjes elkander den tijd korten. Niet slechts houden zij historische verhandelingen over het kussen, dat er nog eenigszins door zou kunnen; maar zij scheppen niet minder behagen in rechtskundige vertoogen
| | | |
en bespiegelingen over heksenprocessen, of vertellen elkander een groot deel der vaderlandsche geschiedenis. En dat alles wordt opgeluisterd en toegelicht door een tal van zeer breede en zeer geleerde Latijnsche aanteekeningen!
In 1637 zag de eerste uitgave het licht, die in 1639 door eene tweede, en weldra door meer andere werd opgevolgd, die een steeds geleerder aanzien hadden. Het ging den Schrijver als Cats: hij schaamde zich het werk zijner jeugd, en wilde die jeugdige loszinnigheid onder een vracht deftigheid bedekken.
Nu moge het een lofwaardig streven zijn, om ‘aen onse Hollandtsche Jeught te verschaffen een inheemsch tijdtverdrijf, dat haer strelende met minnemalligheydtjes, al mallende, de liefde tot het Vaderlandt, en yver voor de vryheidt soude inscherpen;’ het moge eerbiedwaardig zijn, tegen de pijnbank en onzinnige heksenprocessen te protesteeren; - waar zoo tegenstrijdige zaken op zoo zonderlinge wijze worden aaneengesmeed, ontstaat geen navolgenswaardig kunstwerk.
Toch heeft het boek een rist van navolgingen in het leven geroepen1)! En de Critiek noemde, niet lang geleden, die Arcadia nog een ‘bevallig’ boek, waarin de gesprekken ‘op de geestigste wijze’ gevoerd, en de deftigste zaken ‘op de aardigste wijze’ aan de galanterie verbonden worden2)!
Overigens is de stijl, waar hij werkelijk vertelt, en de galanterie zoowel als de dorre kroniek achterwege laat, los en natuurlijk en over 't algemeen kan men zeggen, dat de Schrijver zijne taal goed meester is.
Maar reeds in de zeventiende eeuw begon zich het Proza op meer stellig kunstgebied te bewegen, en wel op dat van den Roman.
Er werden hier blijkbaar veel romans gelezen. Eerst vertalingen uit het Spaansch3), die vooral in de zestiende eeuw het licht
| | | |
zagen, en waarvan ik alleen de overzetting vermeld van Mendoza's Lazarillo de Tormes, onder den titel van De Ghenuechlijke ende cluchtighe Historie van Lazarus van Tormes wt Spaingen, in 1579 te Delft gedrukt, en te Antwerpen uitgegeven. Daarop kwamen de Fransche romans in de mode, hetzij in het oorspronkelijke of vertaald. De beroemde Amadis van Gaule was al vroeg, niet uit het Spaansch, maar naar de Fransche bewerking in het Nederlandsch overgebracht. Reeds in 1546 was er denkelijk, en wel te Antwerpen, eene vertaling van de vier eerste boeken verschenen; en stellig in dezelfde stad in 1568 en 1574 eene van dezelfde boeken. De volgenden werden tusschen 1598 en 1624 op verschillende plaatsen in Nederlandsch gewaad uitgegeven. In 1645 behoorde deze roman nog tot de lievelingslectuur1). Van het begin der zeventiende eeuw dagteekenen hier de navolgingen, als de Palmerijn van Olive, die in 1602 en 1613 te Arnhem gedrukt werd. Maar het is moeielijk te zeggen, of die werken toen reeds grooten invloed hebben geoefend. Sedert de tweede helft dier eeuw vindt men in velerlei geschriften herhaaldelijk van Romans en ‘Ridders-boeken’ gewag gemaakt2).
De middeleeuwen hadden geleefd van de Fransche Letterkunde, en ook later had deze maar al te veel invloed op de onze. Wij zagen reeds herhaaldelijk de namen van Du Bartas en Ronsard vermeld onder de dichters; maar ook de Fransche tooneelpoëzie was, vooral sedert Corneille, hier in den smaak gekomen. Het bleef
| | | |
daar niet bij, want het weinig aantrekkelijke Romantisme in proza, dat sedert de helft der zeventiende eeuw in Frankrijk den boventoon had, vond hier wellicht nog meer bewonderaars.
Op de Amadis-romans volgden de zoogenoemde heroïsche romans van Costes de la Calprenède en Mademoiselle de Scudéry1), voor de geschiedenis van den smaak nog steeds niet van belang ontbloot.
De Fransche roman in de tweede helft der zeventiende eeuw had een eigenaardig karakter. Het was de terugkeer op letterkundig gebied van de middeleeuwsche ridderlijkheid en galanterie, die door de tijdsomstandigheden uit het werkelijke leven verbannen waren. Die eigenschappen werden dan ook in eene denkbeeldige, naïeve maatschappij overgebracht, en het Fransche Proza doet ons hetzelfde verschijnsel opmerken als de Italiaansche Poëzie: als tegenstelling werd de pastorale geboren. De Astrée, Clélie, Pharamond, en hoe ze verder heeten mogen, dragen alle min of meer dien stempel.
Even overdreven van inhoud als in de middeleeuwen de avontuurlijke Artur-romans, waren het nu die idealiseerende verhalen, waarin even onmogelijke heldendaden en eene even uiterlijke vrouwenvereering de hoofdrol spelen. Maar hetgeen ze voor ons eigenlijk ongenietbaar moest doen zijn, was de gemaaktheid van den vorm, de affectatie van den stijl van dat suikerzoet gekoos. Sedert Frans I in Madrid had gevangen gezeten, was, vooral door bemiddeling van Antonio Perez, de Spaansche Estilo culto den Franschen stijl binnengeslopen, zoowel als het Euphuïsme der Engelschen en de Concetti van Marini.
Het Hôtel de Rambouillet, waar Balzac en Voiture den toon gaven, werd het brandpunt der nieuwe letterkundige beweging. Zoo de précieuses2), die daar Catherine de Vivonne omringden, den
| | | |
slechten smaak in de letteren hebben ten troon verheven, waarvoor ze door Molière genoeg gestraft zijn, de toon, die daar heerschte, had evenwel de verdienste de ruwe manieren en ongebonden zeden uit den tijd van Ligue en Fronde te verzachten, en ten slotte werd de goede smaak der eeuw van Lodewijk XIV er toch door voorbereid1).
Men zal begrijpen, dat inhoud en vorm beide die werken weinig geschikt maakten voor het Hollandsch publiek; maar wij hebben altijd de dwaasheid gehad eigen armoede te bedekken door maar te pronken met hetgeen elders opgeld deed, zonder te vragen, of het kost was voor onze monden. Zoo worden tegenwoordig de Fransche tooneelspelen ons opgedischt, alleen maar omdat ze te Parijs grooten toeloop hadden, ofschoon dikwerf de geschilderde toestanden voor ons onverstaanbaar of ongenietbaar zijn. Zoo werden in de middeleeuwen de ridderromans aan de Vlaamsche poorters voorgezet, en in de zeventiende eeuw pastorales, die hier weinig sympathie konden wekken. Toch werden die boeken niet zelden nagedrukt, doorgaans vertaald, en met gretigheid gelezen. Ruim eene eeuw bleven zij de geliefkoosde lectuur der lieden du ton, zooals uit de romans van Wolff en Deken en ook uit Van Effen's Spectator blijkt2), welke laatste sterk te velde
| | | |
trok tegen die ‘Schryvers der ouwerwetsche en nieuwmodische Romans en levensgevallen, die 't meest tot het publiek tydverdryf toegebragt hebben of nog toebrengen,’ zooals ‘de beruchte Heer en Juffrouw Scudéry’1).
Niet alleen was de stijl dier werken onnatuurlijk en gemaakt2), de inhoud was nog dwazer door overdreven sentimentaliteit. De hoofdzaak was avontuurlijke galanterie, opgeluisterd door gevechten, duëls, schaakpartijen, serenades, wanhopige omdolingen, en wat dies meer zij. Van Effen heeft ons eene alleraardigste schets-parodie van zulk eenen opgeschroefden, gemaniëreerden ridderroman geleverd in zijn 255e vertoog; en daarmee ‘willen bespotten de dwaze aankleving en drift voor die volumineuse versieringen, schoon ze krielen van de buitensporigste en walgelykste ongerymt- | | | | heden,
die de waarschynlykheid een openbaren oorlog kunnen aandoen’ (no. 274).
Toch werden ze verslonden, niettegenstaande de vertalingen daarenboven doorgaans bitter slecht waren, deels ten gevolge van de eigenaardige ‘deftigheid’ onzer schrijftaal, deels door de onkunde der vertalers.
Het gevolg daarvan was vooreerst, dat wij meer en meer verfranschten; ons meer en meer aan voor ons zinledige voorstellingen en uitheemsche zedeschilderingen gewenden; naar geen waarheid of diepte meer vroegen, terwijl onze letterkundige smaak meer en meer bedorven werd; en in de tweede plaats, dat bij hen, die het oorspronkelijke met de vertaling konden vergelijken, de meening veld won, dat het Hollandsch als letterkundige taal volmaakt onbruikbaar was1).
Dat die ‘dwaze aankleving’ eindelijk ook tot min of meer oorspronkelijke navolgingen moest leiden, spreekt vanzelf. De Batavische Arcadia gaf ons daarvan reeds een voorproefje. Maar de eerste eigenlijke nabootsing verscheen in 1668 onder dezen weidschen titel: ‘De Wonderlijke Vryagien en Rampzaalige, doch bly-eyndige trouwgevallen van deze tijdt, tusschen Arantus en Rosemondt, Grannadus en Cielinde, Coredon en Leliana, Fierandus en Leonora,
| | | |
Herkelus en Narsise, voorgevalle in het roem-ruchtigh Hollandt, herwaerts in weynigh jaeren, door B.B.’1).
Een zestigtal jaren later behoorde deze roman nog tot de modelectuur, ofschoon de toon volkomen overeenstemt met den inhoud: hij is vol van het walgelijkst overdreven sentimentalisme, van hyperbolen en mythologisch klatergoud. Evenwel ploft de schrijver ieder oogenblik van zijne stelten neer in het proza der meest alle-daagsche bijzonderheden van het gewone leven.
De helden van het boek, wier avonturen wel worden ineengestrengeld, maar niet met elkander in verband gebracht, zijn meest Hollandsche koopmanszonen; en het laat zich wel aanzien, dat de origineelen van de verdichte romantische namen onder de werkelijke jeunesse dorée van dien tijd te vinden waren.
Ook dit was eene navolging van Fransche voorbeelden; want aan de meest gevierde heroïsche romans gaven de toespelingen op de tijdsomstandigheden, of herinneringen uit het leven van bekende personen juist een ongemeen aantrekkelijken geur2), evenals thans met de romans van Alph. Daudet plaats heeft.
| | | |
De Schrijver was volkomen verstoken van talent, zoowel wat de samenstelling van het geheel als wat zijn stijl aangaat. De minnedichten, waarmee het boek, blijkbaar naar 't voorbeeld der Arcadia, doorweven is, zijn niet beter dan de rest.
Gunstig steekt daarbij een andere roman uit deze school af, die na 1675 werd geschreven1), maar eerst in 1695 in het licht schijnt gekomen te zijn2), en waarvan de titel luidde: ‘De vermakelyke Avanturier, ofte de wispelturige en niet min wonderlyke levensloop van Mirandor.’ Leendertz zei niets te veel, toen hij verklaarde, dat ‘hoe grof en onkiesch deze roman ook op vele plaatsen moge zijn, hij uitmunt door geestigheid en levendigheid van stijl.’ Het is een echte roman picaresque, in den trant van Lesage's Gil-blas of den door hem vertaalden Guzman d' Alfarache, de zonderlinge en sterk gekruide avonturen bevattend van een vroolijk jonkman van geringe afkomst, die gezegd wordt zijn levensloop aan den Schrijver te hebben medegedeeld, welke ‘deselfde styl, die hy in 't verhalen gebruikt hadt’ in zijn geschrift volgde, waardoor er wel eens wat in wordt aangetroffen, dat ‘wat te vrypostig’ is.
Het verhaal boeit ons door levendigheid van voorstelling: altijd wordt er geschilderd, niet geredeneerd. Daarbij is de trant van den Schrijver geestig en schalkachtig, zijn stijl ongedwongen, los en natuurlijk, slechts hier en daar wat al te plat van uitdrukking. Toon en taal zijn steeds in overeenstemming met het behandelde onderwerp, waardoor eene aangename afwisseling van vorm ontstaat. Men kan zeggen, dat hier voor 't eerst met talent de taal van het dagelijksch leven in een boek is overgebracht3).
| | | |
De Schrijver, die zijn naam slechts met de letters N.H. (stellig Nikolaas Heinsius) aangeeft, was een belezen man, met Fransche en Nederlandsche Letterkunde bekend, waarover hij een vrij juist oordeel velt. Met de opvolgers van Cats, Huygens en Vondel loopt hij niet hoog1). Hij maakt zelf een zeer goed minnedicht (I, 171) en parodiëert op de aardigste wijze den Rederijkerstrant (I, 275) zoowel als den gewonen romanstijl (I, 154), aan welke laatste soort van boeken hij in de voorrede verwijt, dat zij door het verhaal van ‘ongelofelijke dingen’ het ‘gesondt oordeel doen misbruiken’.
Als een echt Hollandsch Schrijver wilde de auteur zijn ‘vermakelijk’ boek doen dienen tot stichting zijner medeburgers, gelijk hij nadrukkelijk op den titel vermeldt2). Zijne spreuk was: ‘Ridendo dicere verum’.
Men zegt, dat zijn werk in vier talen werd overgezet3), en dat Fielding hem zijn meester noemde. Hier te lande beleefde het boek acht uitgaven, waarvan de laatste in 1756 het licht zag.
Hoe Fransche zeden afbreuk deden aan de Hollandsche huiselijkheid en degelijkheid, leeren de dames-clubs, die allengs ontstonden. Coenraad Droste wijst er in zijn Geheugchenis, vs. 6287 op, dat er in 1684 zekere dames-sociëteiten ontstonden4).
| | | |
Hij noemt ze elders ‘Maetschappy van lanterfanten’. De Fransche geest en de Engelsche onzedelijkheid uit den tijd van Karel II waren allengs Holland binnengeslopen. Fruin haalt het volgende aan uit de aanteekeningen van L. Saen: ‘Niettegenstaende de oorlogen en zware tijden nam de dertelheyt in Hollant seer toe, daervan Zeelant ook niet vrij was, alwaer men geheele societeyten maeckte om des avonts te sitten spelen, en daer men tot 11 à 12 uuren in den nacht sat..... Daer wierd ao 1696 van alle fraeye, bedaerde luyden seer geklaegt, dat de Haegsche juffers soo dartel wierden en in alle ydelheit de juffrouwen van de nabuerighe natiën navolghden, niets doende als salet te houden, te spelen en te gaen kuyeren, wat lekkers te eten, sonder haer te becommeren hoe sulcx gewonnen werd en toebereyt, en wie het maeckt, wordende het huyshouden by haer voor een schande gereeckent’; enz.
Deze clubs gaven aanleiding tot een boeksken, hetwelk in datzelfde jaar 1696 het licht zag, en dat in den vorm is gegoten van een roman, ofschoon het blijkbaar niet veel anders is dan wat wij een blauw-boekje zouden noemen. De titel luidt: Het Leven en Bedryf van de hedendaagsche Haagsche en Amsterdamsche Zalet-Juffers, vertoonende in veelderhande Geschiedenissen, vreemde voorvallen en aanmerkelijke zaken, haar geveinsden handel, listig beleid, aardige volvoeringen, snode bezigheden, ondoorgrondelijke gedagten, bedriegelijke aanleidingen, valsche vertooningen, en verfoeyelijke doortrapte bedrijven. t' Amsterdam bij Tim. ten Hoorn, 1696.
Het zijn vooral ‘de juffers van het Hof’ (bl. 123) in Den Haag, die hier aan de kaak gesteld, ja, aan de algemeene verachting prijsgegeven worden: op eene zoo ergerlijke wijze, dat wij het boeksken de eer der vermelding niet waard zouden hebben geacht, zoo het niet in verband stond met een merkwaardig teeken des tijds.
De feiten, die hier geschilderd worden, zijn echter zoo schandelijk, dat de schrijver voor niets anders dan een pamflettist van de laagste soort, een gemeenen lasteraar, mag gehouden worden, die waarschijnlijk de ten tooneele gevoerde personen zoo heeft geschilderd, dat men aan vermeende origineelen kon denken, terwijl ook sommige feiten wellicht op sterk overdreven waarheid
| | | |
steunden. Ik geef in de noot een uittrekseltje, dat wellicht de drift voor deze clubs in een niet al te overdreven daglicht plaatst1). Overigens beveelt zich dit samenlapsel van avonturen noch door inkleeding noch door stijl aan. Het wijst op schromelijken achteruitgang in zeden, in smaak en in kunstzin.
|
1)Zie boven, XVII Eeuw, I D., bl. 17.
1)Hoe lang die vertaling op het tooneel bleef, ondanks de verzen, ‘zo stijf als ze zijn,’ ziet men uit Corver's Tooneel-Aantekeningen, bl. 182.
1)Zie over deze het opstel van Elise Soer, Iets over enkele Arcadia's (Nederland 1885 II, bl. 3 vlg.)
2)Witsen Geysbeek, Biogr. anth. crit. woordenboek, III D., bl. 108.
3)Zie Dr. J. Te Winkel, De invloed der Spaansche Letterk. in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterk., afzonderl. afdruk, bl. 19 vlgg.
1)In de voorrede van Casp. Wachtendorp's Corte Rym-Kronyck, in 1645 te Amsterdam uitgegeven, heet het: ‘Wy vreesen dat Amadis de Gaule, Lazarus de Tormes, en andere diergelijke Fabulen en droomen: en oock de ongeschickte Liedt-boeckskens, veele oude en jonge luyden uyt de handen sullen vallen, die liever de oude Hollandsche Historien, haerer Voor-ouderen daden lesen sullen, als sulcke vreemde ende monstrueuse vertellingen.’ Ook Starter ontleende voornamelijk aan hoofdstuk X, XI en XII van de Amadis de stof voor zijne Dareïde. (Moltzer's Studiën en Schetsen, bl. 203 vlg.)
2)B.v. in De vermakelyke Avanturier (1695) heet het, I D., bl. 142: ‘Sedert ik my op het lezen van Romans en Ridders-boeken gelegt had,’ enz. Bl. 145: ‘Myn gemoed had door het leesen van Romans en andere liefdensgeschiedenissen al te lang in de week geleegen’ enz. Dat hier Fransche romans worden bedoeld, blijkt uit bl. 112.
In den Voyage à Paris en 1657-1658, leest men, pag. 175: ‘Ce jour là nous demeurasmes au logis et employasmes le temps à lire un roman.’
1)Van den eersten verscheen Cassandre in 1642, Cleopatre in 1663, Faramond in 1661 (een Amsterdamsche nadruk in 1664); van de tweede: Ibrahim ou l'illustre Bassa, vier deelen, in 1641; Cyrus, tien deelen, in 1653; Clélie, mede tien deelen, in 1654 (1661, 1666).
2)De naam had vooreerst niet den bijsmaak van ridicule, die er sedert Molière onafscheidelijk aan verbonden is. In den Voyage à Paris en 1657-1658, leest men, pag 372: ‘Nous allasmes voir la marquise de la Fayette;... c'est une femme de grand esprit et de grande reputation, où une fois du jour on voit la pluspart des polis et des biendisants de cette ville.... Enfin c'est une des pretieuses du plus haut rang et de la plus grande volée.’
1)‘L'Hôtel de Rambouillet eut encore une autre gloire: les moeurs rudes et farouches de la Ligue et de la Fronde s'y adoucirent. Dans le commerce des femmes, les hommes prirent cette décence de manières, cette grâce de langage, cette délicatesse d'esprit, qui furent long-temps le mérite et le caractère de la société française. Les tendresses prétentieuses de l'Hôtel de Rambouillet, les fadeurs de l' Astrée, étaient un bien; les esprits et les caractères y perdirent leur rudesse et leur libertinage: ils depolirent et s'ornèrent; la flatterie [l'afféterie?] prépara la grâce, la recherche le bon goût. Les exagérations ingénieuses et délicates de l'amour en firent naître la naïveté et la franchise. Les grands sentimens entretinrent la noblesse de l'âme et la fierté: les subtiles dissertations, le goût des plaisirs de l'esprit. Fléchier et Bossuet firent à l'Hôtel de Rambouillet leurs premiers essais: le siècle de Louis XIV y naquit.’
J.P. Charpentier, Tableau historique de la litt. franc. aux XVe et XVIe siècles, p. 288.
2)In het 211e vertoog noemt hij eenige helden en heldinnen, ‘der betooverende Romans of liefdensgeschiedenissen’ van den dag op: Cyrus, Aruns, Pharamond, Rozemond, Clelia, Cassandra, Cleopatra. In no. 255 heet het: ‘Van kindsbeen heb ik deze myne [romantische] gaven met de uiterste naarstigheid door 't onophoudelyk leezen van zulke heerlyke versieringen, geoefent, en aangekweekt, en eer ik noch acht jaren oud was, wist ik alle de omstandigheid van de Historie der vier Heemskinderen en Ourson en Valentyn zo wel op myn duimpje, als of ik overal zelfs by geweest waar, en voor 't vermaak 't welk ik 'er in vond, zou ik niet te bruiloft hebben willen gaan. De wonderlyke Kalloandro heeft my daar na meenigen schoonen nacht slapens gekost, en in ryper jeugd hebben Pharamond, Cleopatra en Cassandra my zo vermagert en uitgedroogt, dat niemand twyfelde of ik had de teering onder de leden.’
Men ziet, hier zijn vooral de straks genoemde romans bedoeld. Van Marini's Prins Kalloandro, ‘zynde een werck van bysondere vindingh en vol-geestige aerdigheid, omtrent de voorstelling van veelerley seldsaeme en seer aengenaeme geschiedenissen,’ zooals op den titel staat, verscheen in 1672 eene vertaling van Simon De Vries, die een jaar te voren De weergadeloose Stratonica van Luca Assarino had in 't licht gegeven.
Van Effen klaagt nog in zijn 116e vertoog over de ‘romans en grollen, waarvan de tegenwoordige eeuw zodanig overvloeid, dat men daaruit klaar bemerken kan hoe zeer de smaak van onze landsgenoten bedurven is.’ En in no. 215 gewaagt hij van personen, die hun ‘toevlugt nemen tot die grote meenigte van onstichtelyke romans, en andere beuzelgrollen, welke onze landen sedert korte jaren als overstroomt hebben, en die ten uitersten nadeelig zijn voor de goede zeden.’
1)Hollandsche Spectator, 274e vertoog.
2)Wolff en Deken noemden dat ‘den Celadonschen styl van Mademoiselle Scudery’ ( Willem Leevend, IV, 23), welk epitheton zij (VIII, 37) vertalen door ‘romanesq.’
1)In het 14e vertoog van den Spectator zegt de schrijver, ‘dat het aan een volk tot luister kan strekken, dat zyne moedertaal in zekere opzichten gebrekkig zy.’ Wij kunnen er roem op dragen, dat het met onze taal ‘schraal gesteld is, wat aangaat geschikte woorden, om af te beelden al 't geen betrekking heeft op 't geen de levendige Fransjes galantery noemen.... Hoe flaauw, stijf, en dor onze taal zy, wanneer zy zich met diergelyke stoffen wil bemoeijen, blykt aan alle die gene, die in 't Fransch, en in onze moedertaal Romans hebben gelezen. Het onderscheid tusschen beiden is zo tastelyk, dat onze juffertjes, die 't meest op die gevaarlyke schriften verlekkert zyn, zodra zy dezelven in 't Nederduitsch doorloopen daar van walgen, en met een dwaas vooroordeel tegens de gantsche Vaderlandsche taal worden ingenomen.’ Zoo schreef hy in 1731.
Hoe slecht de vertaler zich soms van zijne taak kweet, leerde mij de vergelijking van één stuk althans, De Musket-draagende Heldin, waarvan de tweede druk in 1680 verscheen, met L' héroïne Mousquetaire, waarvan ik een Hollandschen nadruk van 1678 gebruikte. Ik haal dit boek aan, omdat uit een der Economische Liedjes van Wolff en Deken (II D., bl. 105) blijkt, dat het in 1781 nog zeer in de mode was, als ‘kostlyk werk, geprezen by elk een.’
1)De schrijver was waarschijnlijk de Amsterdamsche ‘Boekverkooper in de Niezel,’ Baltes Boekholt, bij wien het boek werd uitgegeven.
2)Ziehier eenige citaten, die ik ontleen aan J.P. Charpentier, Tableau historique etc., p. 399:
Boileau, Lettre XXIV, à Brossette: ‘Je vous répondrai au sujet de la Clélie, que c'est, en effet, une très-grande absurdité à la demoiselle, auteur de cet ouvrage, d'avoir choisi le plus grave siècle de la république romaine pour y peindre les caractères de nos François; car on prétend qu'il n'y a pas dans ce livre un seul Romain ni une seule Romaine qui ne soit copié sur le modèle de quelque bourgeois ou de quelque bourgeoise de son quartier. On en donnoit autrefois une clef qui a couru.’
Talemant des Réaux, p. 275, t.v.: ‘Vous ne sauriez croire combien les dames sont aises d'être dans les romans, ou, pour mieux dire, qu'on y voie leurs portraits.’
Patru, Eclairc. sur l'histoire de l'Astrée, t. II, p. 597: ‘Pour vous dire donc le peu que j'en sais, vous observerez, s'il vous plait, que toutes les histoires de l'Astrée ont un fondement véritable; mais l'auteur les a toutes remaniées, si j'ose user de ce mot: je veux dire que, pour les rendre plus agréables, il les a toutes mêlées de fictions, qui quelquefois sont des fictions toutes pures; mais le plus souvent ce ne sont que voiles d'un ouvrage exquis dont il couvre de petites vérités, qui autrement seroient indignes d'un roman.’
1)Op bl. 95 van het eerste deel wordt de dood van Turenne (1675) als niet lang geleden herdacht, en op bl. 273 komt eene toespeling voor op de ‘afgebrande dorpen van Bodegraven en Swammerdam.’ Dr. J. Ten Brink zegt en m.i. op goede gronden ( dr. Nicolaas Heinsius Jr., Eene studie over den Hollandschen Schelmenroman der 17 e eeuw, Rotterdam, 1885, bl. 35): ‘Juist de jaren 1695 en 1696 schijnen als aangewezen voor het bewerken der beide romans.’
2)Zie P. Leendertz Wz. in den Navorscher, VII D., bl. 193.
3)Men vergelijke over dezen roman vooral 't boven aangehaalde werk, waar dr. Ten Brink (bl. 204 vlg.) o.a. opgeeft, wat Heinsius aan anderen ontleende. Ook wordt er - bl. 216 vlg. - gehandeld over een tweeden, naar 't Fransch bewerkten roman van Heinsius, die evenwel veel lager staat dan de vermelde Avonturier.
1)Zie b.v. I D., bl. 139. Bl. 223 zegt hij, van de poëten sprekende: ‘het handwerk is nu zoo gemeen, en de stad van Amsterdam zoo overvloedig in Poëten, datse al de tabakspinders en kruideniers van de stad met hun werken in vuil papier onderhouden konnen, die hen voor het pond van hun versen niet meer als ten hoogsten twee blanken geeven. Ook is my onlangs van een geloofwaardig man verhaalt, dat hy al de werken van den doorlugten en sinryken lauwerdrager, Jan Van der Stok zaliger, by een spek-koper had vinden leggen, die hem op zyn verdoemenis swoer, dat hy voor de zes pond van zyn werken niet meer, als zeeven stuivers gegeven had, hoewel daar over de agt aan vuil papier aan was.’
2)Het heet daar, dat de ‘klugtige en vermakelyke bejegeningen, wonderlyke toevallen, aangename amourettes ofte vryeryen’ verzeld zijn van ‘nuttelyke aanmerkingen op den hedendaagschen werelds-loop; strekkende tot aanwysing en bestraffinge der meest in swang gaande lasters, swakheden en sotternyen van veelderley stands-personen.’
3)Dr. Ten Brink heeft (t.a.p., bl. 210 vlg.) maar twee vertalingen, eene in het Fransch en eene in het Italiaansch kunnen vermelden.
4)Zie de aanteekening van Dr. R. Fruin op die plaats, bl. 509.
1)Eene der dames maakt op deze wijze eene nieuwelinge met den aard harer vereeniging bekend (bl. 79): ‘Wy zijn Juffrouwen uit de voornaamste van 's Gravenhage, en niet alleen negen in getal als gy hier ziet, maar de gantsche Stad is 'er vol af; want die van eenige qualiteit en middelen is, tracht sonder ophouden onder ons gild te zyn, en verwerpt liever geen dingen, hoe eerloos of kwaad die in zich zelfs zijn, om daar toe te komen, als dat zy zich daar af uitgesloten soude zien. Den een die door gebrek van geld hier af wanhoopt, soekt liever door een eerlijke diefstal van alle menschen eeuwig schuldig te zijn hier toe gelegenheid, als dat hy daar af door zijn eigen brood te eten, en alle menschen te voldoen, ontslagen blijft. Een ander stelt zich liever des nachts ten dienst aan die veel geld over werpen als balling van ons te blijven; en een derde eet eens om de drie dagen om zich van kleederen te versien, die de waardigheid van onsen staat vereischen. Dese besteeld haar Vader, een ander bedriegd haar Moeder; sommige leven op de beurs van haar Minnaars; en verscheiden zijn ten ruïne van vrienden en maagen, en duizend dingen meer om de eer te hebben van onder onse konstgenoodschap te zijn, gelijk wy ons Collegie met recht noemen, alzo daer uit een reeks van duisend listigheden voortkomt. Men geeft aan ons de titel van Zalet-juffers, een naam die ons niet zeer onëigen is, mits wy geen andere vergader-plaats hebben als het zalet van die onder ons gild zijn, daar wy den anderen onderwijsen, oeffenen, léren en bekwaam maken om onse wet t' onderhouden.’
|
|