Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel


auteur: Lambert ten Kate Hz.


editeur: Marijke J. van der Wal en Jan Noordegraaf


bron: Lambert ten Kate Hz., Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake. Tweede deel (eds. Jan Noordegraaf en Marijke van der Wal). Uitgeverij Canaletto / Repro-Holland BV, Alphen aan den Rijn 2001 (fotomechanische herdruk van uitgave 1723)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 706]origineel

T.

TE.

De Wortel- of Zaek-deelen.

TEER of TÉR, TAR en TOR, in het M-G, tairan (gatairan / distairan) / tar / taurans / II. CL: 6, disrumpere, dissolvere A-S, teran of taeran / tar of taer / toren of getoren / II. CL: 5, lacerare, rumpere; Angl: to tear / tare of tore / torn / dilacerare; 't gene in onze Dialect maekte † Teren, † Tar, † Getoren, IV. CL: 1, of † Térren, † Tar of † Tor, † Getorren, II. CL: 6.

Tot TER of TAR of TOR, ons Tor, Torre, f: scarabeus, cantharis; vermits verscheurende en vernielende door afknaging; als mede ons † Térren, † Tarren, I. CL: diloricare, dirimere, lacerare, dilacerare; en † Térren, I. CL:. H-D, zerren / I. CL: diducere; en 't A-S, taran / hiulcus; en Tar-bot, Tér-bot, en Tarw-bot, rhombus piscis, Gall: turbot, turbut; om de scherp-velligheid van dezen visch, in tegenstelling van de andere kleine bot, die zagt en glad is; en 't oude H-D, taran / histrix; om de scheur- en slekelpennen van het doorn-zwijn; gelijk ook op den doorn-punt in het schild, by de ouden veel in gebruik, de naem past van † Targie, † Térgie, † Tarsche, f: A-S, targa / H-D, tartshe / Angl: targat / parma, cetra, vulgò Targia, unde Gall: targe, Ital: targa, Hisp: tarja: & Gall: antiquos scuta patria THIREOS vocasse, eademque hodie TARIAN Britannis dici, testatur Guill: Camdenus; en mooglijk ook het Vlaemsche Tarryn-vogel, thropis, thraupis, Gall: tarrin, terin; om de spitse bek van dit kleine groene vogeltje, niet qualijk na een cijsje gelijkende: gelijk mede voorts het A-S, taer / fluxio; als uitbrekende; en A-S, tare / teor en teorwe / Sax. teer / Angl: tarre / by ons † Térre, † Tarre, en nu Teer, f: pix liquida, pix fluida; vloeijende of uitberstende uit den berkenboom; en Térre-wyn, vinnum picatum; waer van ons † Térren en Teren, I. CL: linere pice; waer toe ook, om de gelijkaerdige kleverigheid, het A-S, tero / gluten, gummi; en ons Térre, vogellijm, viscus, viscum; en † Tér-roede, viscatum vimen; en mooglijk ook hier van, met den uitgang SE of SCH, het H-D, tortschen / Angl: torche / by ons Toortse, Tortse, f: fax, taeda, torris; unde Gall. Torche, Ital. torchio, torcia; Hisp: antorcha; vermits uit harts en pik voornaemlijk toegestelt, 't en ware dit van 't Latijnsche torris ontkent zy geweest; dog zo 't hier behoort, past ook hiep by ons Toortse-kruid, n: verbascum, candela regia; phlomos; alzo de steel tot lamppit word gebruikt. Voorts wederom in den eersten zin het M-G, gataura / F, scissura; en met den uitgang N agterop, ons Térn, Tarn en Torn, sutura, vestis discissa; waer van weder ons Térnen, Tarnen, Tórnen, I. CL: H-D, trennen / I. CL: discindere surturam; en ons Af-trénnen, I. CL: abscindere, abrumpere, dissuere; en M-G, astaurnjan en distaurnjan / I. CL: rumpi; Waer op verder overdragtelijk ook toepasselijk is het A-S, torn / H-D, zorn / M, Sax: torn / torne / en ons † Tórn, nu Toorn, m: en Toornigheid, f: ira; als een korte dolle drift die de vrindschap, dien edelen band der menschelijke maetschappy, verbreekt, en zoo die in woeste beesten valt, ligtelijk alles vanéénrijt en verscheurt; hier van wederom ons Verbum Vertoornen, I. CL: H-D, zürnen / I. CL: offendere, & irasci; waer mede vry nae overeenkomt, dog zonder N, het H-D, zerren / I. CL: impetuosè trahere, laniare, & irritare; en by ons met den uit gang G agter Tér, ook Térgen, I. CL: irritare, provocare ad iram, impetuosè trahendo &c; of mede in de H-D, Dialect ons Tsarren en Sarren, I. CL: irritare, impetuosè trahendo &c; enz.

[p. 707]origineel

De Wortel- of Zaek-deelen.

TEI en TAA, &c, in 't Ysl: taeia / taade / taaënn / IV. CL: 1, lanam carpere; in 't Praes: eg tae.

Hier mede komt eenigsints overeen het M-G, tahjan / I. CL: lacerare, discerpere; en dis-tahjan / I. CL: dispergere; 't gene bevestigt word in het H-D, tacht / M en N, elychnium è lana tractum. In 't Engelsch heeft men ook tugge / vellicare; en om 't knijpen, het Geld: Tégger, m: numellae; en met het M-G komt gelijkvormig ons † Taggen en † Téggen, I. CL: disceptare, litigare; en Tagger, altercator; en 't Fransche Taguaret (Lat: pernes) een soort van valken, een roofvogel; en 't basterdstaertige Tagryn, homo litigans.

De Wortel-en Zaek-deelen.

† TÉK, TIK, TAK, TUK of TOK, in 't M-G, tehan / taitok / tekans /IV. CL: 1, tangere, attingere; Graec: ταω, ταξω, accipio, prehendo, in Praet: τέτακα en dus ook M-G, attekan / IV. CL: 1, attingere; zijnde dit M-G, uit hoofde van de nabuerschap, na den Griekschen trant verloopen; dog geregelder vind men 't nog in 't A-S, taeran / toc / taecen / III. CL: 2, capere; en 't Angl: take / took / taken / capere; en 't Ysl: taka / took / en volgens de anderen van die Class: in Praet: Part: takenn / III. CL: 2, sumere.

 

Met I hebben we ons Tik, tactus puncti-formis; waer van ons Tikken, I. CL: punctim tangere; dog ons Tik-takken, I. CL: ludere scrupis, agt ik eigentlijker een klank nabootsend woord te zijn, ontleent van het tiktak-geluid by 't klappen met de schijven; hoewel dit Takken, in den zin van capere, als by 't A-S, by 't Engl: en Ysl: genomen zijnde, niet ongevoeglijk zou konnen zinspelen op de menigvuldige opneming der schijven, daer het neerklappen op volgt. Met E, vertoont zig het H-D, zek / lappa, berbaegenus aechinatum; by ons klissen genaemt, om 't aenhegten aen de kleederen.

 

Voorts met A, ons † Tak, tactus; waer van ons † Takken, I. CL: H-D, takken / zacken / I. CL: tangere, attingere, prehendere, arripere, apprehendere, captare, capere, figere; en mooglijk hier toe ons Tak, m: H-D, tak / zak / M, ramus brachium arboris; als waer aen men grijpt en zig vast houd in 't beklimmen der boomen, en 't plukken der vrugten; of ook, waer aen men iet vast maekt; gelijk ook in 't Oud-Vlaemsch. Ge-taken, capere, apprehendere; waer van weder ons † Takken, I. CL; suspendere de arbose; en Takken, I. CL: ramos producere; en † Takken, I. CL: ramos amputare; en † Takken, I. CL: H-D, zakken / I. CL: percutere, laedere, vexare, stimulare; en A-S, tuccian / I. CL: punire; ziende mooglijk op het geesselen of aenprikkelen met rijs-takken. Verder het Sax: en Geld: Takkel, by ons met de verlangde A, Takel, m: remulcus; als een lang touw, ergens aen gehecht, om iet anders daer aen voort-of overte halen, waer van ons Takelen, I. CL: alligare; & navem majorem scapha trahere; en ons Uit-takelen, I. CL: navem majorem trahere scapha en H-D, tackelen / I. CL: trahere funibus; en antackelen / I. CL: affigere, nectere; waer toe mede ons Takel, m: rudens, funis nauticus major; en Takel, Takeling, Angl: tackle / tackeling / armamentanavium, ut funes, anchorae, vela; waer van Takelen, en Op-en Uit-takelen het schip, armamentis instruere navem; en van dit scheep-werk is ontleent, voor alle menigvuldige toebereiding van opschik, ons Toe-takelen, I. CL: adornare, instruere. Wijders kan ook, met en zonder de terminatie S, uit dezen tak gesproten zijn, ons Taek, m: en Taks, f: pensum; als 't gene ymand op zig genomen heeft, of 't gene hy gehouden is binnen een gezette tijd af te doen; en † Taek, sloop, poculum majus; als een gezette drinkmaet van een werkman voor yder dag: en overdragtelijk mede † Takse, f: tributum, taxatio; als iets dat ymand opgelegt word te doen of zijnentwegen te laten doen of betalen; waer uk wederom het

[p. 708]origineel

Walsch-staertige Taksèren, Taxèrens, I. CL: taxare, tributum vel pretium imponere; waer mede het Latijnsche taxare overeenkomt, dat ook, beneffens het Latijnsche tango, tetigi, tactum, en 't gemelde Grieksche ταξω, τετακα voor van ouds gelijkstammig met het M-G, A-S,Ysl: en 't Onze kan aengemerkt worden.

 

Dog met O of U vertoonen zig het genoemde A-S, tuccian / I. CL: punire; en ons † Tuk, † Tok, m: tactus, ictus, pulsus frontis; waer van ons † Tokken, † Tukken, I. CL: Angl: touche / tangere, icere; unde Gall: Toucher, Ital: toccare, Hisp: tocar; gelijk ook wederom van 't Fransche toucher door 't Walsche Kanael tot ons is gekomen ons Toetse, f: attactus; & tr: coticula, lydius lapis, Germ: tugstein / Gall: pierre de touche, Ital: pietra del tocco, Hisp: toque, Angl: touche-stone; en ons Toetsen, I. CL: tangere, attrectare, tentare, & explorare coticula argenti aurive bonitatem; verder ons Tuk-noten, I. CL: impetere nuce nucem; of ook in den voorgemelden zin van captare, het Vriesche, Sax: en Geld: Tokken, I. CL: H-D, zukken / I. CL: aenlokken, allicere, pellicere; en, ziende op het speelwijzige aenraken en tikken, ons Tokken, † Token, † Tokelen, en Tokkelen, Tukkelen, I. CL: ludere, ex joco tangere, trudere; waer toe mede Tuk-agtig, petulcus; maer ook oulinks in harder zin † Token, I. CL: en Tikke- Tokke- en Tukke-bollen, I. CL: trudere capitibus, arietari; ontleent van 't speel-stooten der bokken en geiten; en 't Friesche Tukkele, ys-kegel, stiria; als hard in de aenstooting, of anders, vermits door aenraking blijvende hangen; Maer insgelijks overdragtelijk, in den zin van ymand te vangen en verstrikken, het oude † Tuk, H-D, tuk / fallacia, fraus, infidiae; machinatio; waer toe ons † Tuk-reize, f: aggressio fraudulenta, excursio; en † Tuk-agtig, fallax, & fraudulentus.

De Wortel- of Zaek-deelen.

TÉL en TAL, of TAEL, in het F-TH, zelan / zalta of zalda / gizelit / V. CL: vocare; numerare, computare; en zellan / V. CL: argumentare; en ar-zelan / V. CL: numerare; bi-zelan / V. CL: computare, deputare; en AL: ke-zellan / V. CL: computare. Ysl: tel / numero; in Praet: talde / en in Praet: Part: volgens de anderen van die Class: talenn. IV. CL: 1. Deze beide Classes zijn vermengsels van Gelijk- en Ongelijk-vloeijende Verba's, gelijk ook de verandering van de vocael in 't Praet: de oude Ongelijkvloeijendheid te kennen geest; en, schoon 't eerste beloop daer van verloren is, egter hebben we hier in berigt genoeg voor onze Wortel-deelen TEL en TAL of TAEL.

Hier toe, uit TEL, f: numeratio, numerus; ons Téllen, I. CL: ook oul: † Talen, I. CL: H-D, zellen / I. CL: A-S, taellan / I. CL: numerare; en A-S, tellan / I. CL: deputare, aestimare, applicare; en wederom met A, ons Tal, n: en Getal, n: Ysl: tal / N, H-D, zahl / F. numerus; en Overtal, n: numerus superfluus; en Brab: Overtallig, Overtéllig, by ons Over-tóllig, superfluus, supervacaneus; welke O, by ons nog een overblijfsel schijnt van het oud-verlorene Praeter: even gelijk het volgende Ysl: tolungur en ons Tolk; op welken voet ons Tól, m: & f: H-D, zoll / A-S, toll / Angl: tole / vectigal, tributum, Graec: τέλοϛ, (waer van ons Tóllen, Vertóllen, I. CL: pendere vectigal, en Tóllenaer, publicanus en Tol-huis, telonium) om het toe-tellen van 't geld, mede alhier toepasselijk komt. Voorts wederom met A, ons Talhout, n: talea; als hout, dat by 't getal verkogt word; en Tal-schrift, n: versus chronographicus; waer by door eenige uitgekipte hoofd-letters, na de Romeinsche talorde, een zeker begeert jaergetal word aengewezen. En met de verlangde A, ons Tael, Tale, f: Angl: talke / lingua, oratio, loquela, idioma; uit den ouden zin van vocare ontleent, als behelzende yder dings benaming en uitspraek: zoo mede Tael en

[p. 709]origineel

andwoord, interrogatio & respensio; en ons † Talen, I. CL: A-S, tellan / I. CL: Ysl: tala / I. CL: Angl: tel / loqui, dicere; ons Vertalen, I. CL: interpretari; en † Wedertalen, I. CL: respondere, & contradicere; waer toe onze spreekwijze van Ergens na talen, I. CL: inquirere, loqui de aliqua re, & aspirare aliquid, en † Oogen-tale, palpebra, gena; als taelmannen van de drift-veranderingen, voornamelijk by 't vergrammen en by 't lief-lonken; en A-S, talu / fabulae; en talan / talian / I. CL: aestimare, reputare, & ostendere; en tale / testimonium, & quaerela; gelijk mede ons Taelman, olim Orator, Advocatus, Patronus; & nunc interpres; en Ysl: tolungur / loquax, disertus; welke o zig mede vertoont, dog met K agterop, in ons Tólk (ook Vertaler) Interpres, Germ: tol-metscher; waer van ons Tolken, Vertolken, I. CL: H-D, tolmetschen / I. CL: interpretari. Wederom met E in den zin van tellen, ons † Tél, f: & m: incessus ad numerum; en Télle, † Télde, Sax: telder / H-D, zeltner / equus tolutarius; als op een tel-tred na de maet gaende; waer van † Téllen, † Télden, I. CL: tollutim incedere, ad numerum colligere ungulas; voorts ons reflectivum Zig vertéllen, I. CL: errare in numero. Maer, in den zin van noemen, spreken, en in orde schikken, ook ons Vertéllen, en in 't Oud-Vlaemsch † Téllen, en † Vertalen, I. CL: A-S, talian / I. CL: narrare, eloqui, efferre; als de nette orde en schikking der dingen verhalende: en op de schikking in tal-ordens past het F-TH, gezelbo / chori castrorum; en zelt-fcara / tentoria; en 't H-D, zelt / Sax: telte / en by ons † Télde, † Getélde, n: tentorium. Dog wederom met A, in den zin van rekenen, toe-rekenen en toetellen, even als 't bovengenoemde † Talen, numerare; ons Betalen, I. CL: solvere debitum, satisfacere, adnumerare pecuniam. En, dewijl het rekenen van ouds wat zeldsaems, en by de meeste menschen een moeilijk en lankwijlig werk was, zo kan, met de agter'assing van den uitgang M, ook hier uit ontleent zijn ons Talm, m: & f: homo prolixè, & fastidiosè ratiocinans, absque conclusione argumentans; waer by de zin van 't F-TH, zellan / argumentare, toepasselijk komt; en van Talm, komt Talmen, I. CL: prolixè argumentari, fastidiosè rationes computare, sine conclusione deliberare.

De Wortel- of Zaek-deelen.

TÉM, TAM en TAEM, &c, in 't Ysl: temia / tamde / tamenn / IV. CL: 1, domare (Graec: δαμαν); zijnde van die verloopene Classis, wiens terminatie enn / in Praet: Part:, benevens de vocaelwisseling van e in a / de oude Ongelijkvloeijendheid aenwijst, terwijl uit de terminatie de / in 't Praeter: het verloop blijkt: Egter zijn hier uit genoeg te herstellen onze Wortel- of Zaek-deelen TEM of TEEM, en TAM of TAEM.

Gelijk dan ook hier van ons Adject: Tam ook † Tém, A-S, tam / H-D, zam / cicur, mansuetus, domitus; waer van ons † Tammen, nu Témmen, I. CL: M-G, tamjan / gatamjan / I. CL; F-TH, gizeman / I. CL: A-S, temian / temman /. I. CL: Angl: tame / domare. Maer ook oul: † Taem, mansuetus, cicur; waer van ons † Tamen, nu Betamen, I. CL: H-D, ziemen / I. CL: decere, convenire; en † Tamig, nu Tamelyk, Betamelyk, decens, conveniens, temperans, & temperatus; nu geld ons Tamelyk meestentijd voor by nae zo als 't behoort, dog niet ten allervolste, of zoo niet, dat m'er over roemen mag. Wijders dunkt my, dat mede uit dezen stam kan gesproten zijn ons Temen, I. CL: nimia mansuetudine, nimis prolixè verba proferre; als al te tam van uitspraek; en uit den H-D, Dialect (die z tegen onze T voert, en die uitspreekt als wy de TS), ook Tsammelen, of Euphon: Sammelen, Sémmelen, I. CL: cunctari, morari, segnius tractare negotium.

TRI.

De Wortel-deelen.

TRIMP of TRÉMP, TRAMP of TROMP of TRUMP, in 't M-G, ana-trimpan / ana-tramp / ana-trumpans / II. CL: 2, irruere in aliquem, Dit word Luc: V. 1,

[p. 710]origineel

gebruikt voor het sterk komen aendringen of toetreden der schare om hetwoord Gods te hooren uit den mond van onzen Heiland: in 't Deensch heeft men trämpe / incedere cum quadam supplosione pedum. By ons hebben we mede in den zin van treden, trappelen, ons Trémpen, Trampen en Trampelen, I. CL: pedibus proculcare. En met eene uitlating van de P vertoont zig ook hier toe het Vriesche Trame, sporte, climacter, gradus scalae. Wijders, zoo men de D voor de T mogte nemen, 't gene onder Ons niet ligtelijk plaets vind, men zoude ons Drémpel, Drumpel, limen, als ziende op de optrede aen den ingang van 't huis, mede by dezen stam mogen voegen; dog nu dunkt my dat dit ruim zo eigen komt by het vorige Wortel-deel DRYM, in deze Proeve.

TWI.

De Wortel-deelen.

TWYG, TWY, TWÉÉ en TWAE, enz: in het A-S, twigan of twygan / in Praeter: twag (twaeg / twa of twae) / en in Praet: Part: twigen / getwigen / III. CL: 1, in dubio esse, bipartitum, separatum esse; & litigare; 't gene in onze Dialect beantwoord word met † Twygen of † Twyën, † Twéég (of † Twéé, † Twei, † Twee), † Getwegen, II. CL: 1.

 

Tot TWYG of TWY, het Wortel-deel van 't Praesens of den Infin:, ons † Twy, A-S, twi / twig / tweo / twy / en M-G, tweinn / duo, duplex; en A-S, twywa / bis; twy-spraece / bilinguis; twig-sprec / aequivocatio; en twy-raede / divisus; en tweo / dubium; waer van A-S, tweogan / I. CL: dubitare; F-TH, zuehon / zwehon / I. CL: dubitare; en A-S, twig / twigga / by ons Twyg, f: ramus, virga, vimen, virgultum, palmes; als uit-scheuten daer de tak zig in tweeën verspreid, waer van ons Twygen, I. CL: plantare, inserere vimina, inoculare, pangere; en † Twyger, frutex. En, met den uitgang N, agter TWY, TWI, het Oud-Friesche twyn / duo; het A-S, getwin / getwinne / bini, gemelli; en F-TH, zuinele / gemelli; en ons Twyn, A-S, twinne / twin / Angl: twine / Ysl: tvinne / M, filum duplex, retortum, vulgò duptarium; om 't verdubbeld indraijen van 't garen; waer van ons Twynen, I. CL: A-S, twinan / I. CL: duplicare, conduplicare fila; en Onttwynen, I. CL: retexere, etexere; gelijk ook A-S, tweon / twyn / dubium; waer van 't A-S, twynan / twynian / twinigean en tweonian / I. CL: dubitare; waer voor by ons met F, Twyfel, m: & f: dubium, H-D, zweiffel / M, waer van ons Twyfelen, I. CL: H-D, zweiffeln / I. CL: F-TH, zuiflan / I. CL: dubitare; AL: zuival / zuivalung / dubitatio; als tusschen tweeën staende; en A-S, twiflung / diverticulum; en ons Vertwyfelen, I. CL: desperare, oberrare, prorsus delirare; & infatuare, incantare, & pellicere; en uit het Praeter: het Vla: Vertweefelen, I. CL: blanditiis fallere, pellicere; gelijk ook 't Vla: Tweefelen, I. CL: blandiri, delinire. Voorts, met de ingekorte I, ons Twintig, † Twyntig, A-S, twyntig / tweontig / viginti; voor tweemael tien, zijnde de terminatie Tig by elke tiental, waer van breeder te zien is, by ons TYG, in de I. Proeve. En, met ST agteraen, ons † Twist, Angl: twiyst / filum duplex, retortum; by ons nu Twyn, als hier boven gemeld, en daer van † Twisten, I. CL: twijnen, contorquere fila, duplicare; als mede † Twist der boomen, ramalia, rami abscissi, hier boven Twyg genaemt; en nu nog Twist, m: & f: dissidium, discordia; als een verdeeltheid; waer van Twisten, I. CL: litigare; Voeg hier by ons † Twisschen, nu Euphon: Tusschen, AL: zwischan / H-D, zwuschend / Sax: twischen / A-S, betwur / berweor / betur / betwuh / betwyh / betwi / Angl: betwirt / between / inter, inter duo, in medio duorum; en AL: zwiske / bini.

 

Tot het Praeter: met EI, ÉÉ of E, of op de A-Saxon: wijze met A, het M-G, twa / twai / A-S, twa / tua / tweo / twy en twegen / F-TH, en AL: zwei / zuei / zua / zueio / zwo / zwein / H-D, zwep / zwo / zween / Ysl: tveir / en ons Twéé, en oul: † Twae, † Twei, en na de Vriesche Dialect Twie, duo bini; waer van ons Tweede,

[p. 711]origineel

secundus; A-S, twaede / partes binae; en ons † Tweeën, I. CL: discrepare; en † Getweede of † Getwéédt- of † Twiet-broeder, frater ex uno parentum; nu genaemt halve-broeder: en A-S, twaeman / I. CL: separare; en twaemth / discordia; en ons Twéé-dracht, / f: Twéé-spalt, f: dissidium; en † Twéé-licht, † Twie-light, A-S, tweone-leoht / Angl: twye-lichte / lux dubia, crepusculum; en ons Twéé-ling, gemellus; en Twéémael, Twéés, bis; en Twéé-blad, bifolium, gramen parnassi; Twéé-bak, m: panis nauticus, bis coctus, Gall: biscuit; en contr: Fris: Twéénter-dier, Twinter-dier, A-S, twy-wintred / animal bimum; een beest van twee winters of twee jaren oud, alzo de Noordelingen en Oud-Duitschen by de Winters den ouderdom en de jaren telden. Voorts † Twein, Twéérn, Twérn, filum duplex; waer van † Tweinen, Twéérnen, Twérnen, I. CL: duplicare fila; en ons † Tweifel, dubium; en † Tweintig, † Twééntig, nu by ons Twintig, M-G, twaintig / A-S, twentig / tweontig / AL: zueinzic / H-D, zwentzig / Angl: twentye / viginti. Als mede † Twéélif, † Twae-lif, † Twéélf, nu Twaelf, M-G, twalif / twalib / AL: en F-TH, zwelif / zuelif / H-D, zwolff / A-S, twelff / Angl: twelve / duodecim; als twee over of boven het eerste Tiental; van welke terminatie Lif breeder te zien is by BLYV, in de I. Proeve. Nog ook met A, ons † Twantelen, I. CL: dubitare, fluctuare animo; en met ÉÉ het Vla: Tweefelen, I. CL: blandiri, delinire; &c: hier voor reeds vermeld.

 

1718 9/m