|
|
|
| |
| | | |
De onbekende Bredero
Niet altijd beantwoordt een ontdekking aan de verwachtingen; ze kan
zelfs onthutsen… Voor een dichter als
Gerbrand Adriaensz. Bredero bleek dat inderdaad veel kon
verkeren!
Bij het onderzoek van een vriendenkring zijn de lofdichten van niet
gering belang. Eén van Bredero's eigen lofdichten zal elke lezer
intrigeren, omdat het zulke zakelijke mededelingen bevat en omdat het zo
verschillend (of soms helemaal niet) werd geïnterpreteerd. Het luidt:
Klinck-dicht
GHy klaar beharssent Volck! en schrand're Jongelingen,
Beswangert met vernuft en met een kloecke geest,
Die, met een soeten smaack der Wijsen-boecken leest,
Waar door ghy licht bekomt de kennisse der dingen.
Ghy! die u Lesens-lust, kunt saaden, noch bedwingen
Door-siet dit Spiegel-boeck noyt meer in Duytsch geweest
:
In 't welck, ick Leeke-broer, zoo slecht als
onbevreest,
Heb, met mijn boersche stem, de Fransche-maat gaan singen.
GHy Rijmers, die met Rijm, mijn Rijmeryen prijst,
Ten Rijmt niet, dat ghy my, maar Telle danck bewijst
Die 't Rijmeloos, my gaf, om Rijmen af te maaken.
Dees Rijmpjes soose zijn, die vindy hier gheprent:
Traach ben ick van begrijp, en arm van geest, ick kent:
Doch 't gheen my Vrunt behaaght, dat sal mijn Vyant
laaken.
In 1873 had J. D(e) W(itte) v(an) C(itters) in
De Nederlandsche Spectator (3 mei 1873; N°
18, p. 140-143) de aandacht gevestigd op
Eene Hollandsche Vertaling van Italiaansche Novellen in den
aanvang der zeventiende eeuw, nl. op de negen delen van de
tragedische ofte klaechlycke Historien. Met sommige daarvan werd, door de
uitgever zelf | | | | van de novellenbundels, de naam
Telle in verband gebracht; bovendien werd de uitgave
ingeleid door het reeds geciteerde ‘klinck-dicht’, ondertekend:
‘Garbrant Adriaansz. Brederode. 't Kan
verkeeren.’
Het feit echter dat dit vers voorkwam in edities van 1646 en van
1649-1650 bracht latere onderzoekers op een dwaalspoor. De ontdekker van het
vers had nochtans geschreven: ‘Zoo dit vers echt is, en ik zie geen reden
om daaraan te twijfelen, dan kan ook daarom de eerste uitgaaf niet later zijn
dan 1618, het sterfjaar van Brederoo’ (p. 141), hetzelfde jaar trouwens
waarin volgens steller
Reinier Telle overleed.
Niemand echter schijnt de werken zelf te hebben onderzocht. Indien
Bredero immers waarheid had geschreven in zijn sonnet, dan moesten in die
uitgave berijmingen van zijn hand voorkomen. Deze bleven echter tot in het
herdenkingsjaar 1968 onbekend: uit een kennismaking met de verschillende delen
van het genoemde werk bleek inderdaad dat sommige ervan verzen en gedichten
bevatten, en dat enkele ervan ook opgenomen waren in Bredero's werk.
Een volledig overzicht ervan zou in een tijdschrift al te veel
ruimte vergen. Dat overzicht, de teksten zelf en daarbij aansluitend de
originele Franse (misschien ook Italiaanse en Spaanse) teksten met een
bespreking ervan, de rechtvaardiging van reeds hier gegeven resultaten en zo
mogelijk een antwoord op de vele vragen die hierbij rijzen hoop ik over korte
tijd in boekvorm aan de belangstellenden voor te leggen. In deze aankondiging
kan ik slechts enkele essentiële resultaten beknopt meedelen, met een paar
voorbeelden van de gedichten, waarin Bredero, naar zijn eigen woorden, als
‘Leeke-broer, zoo slecht als onbevreest, Heb, met mijn
boersche stem, de Fransch-maat gaan singen.’
De
Tragedische ofte klaechlijcke Historien zijn een
vertaling van de Histoires tragiques van de Fransen Pierre Boaistuau
(dl. I, novellen 1-7) en diens vriend François de Belleforest (overige
novellen van dl. I en dln. II-VII), voor het eerst verschenen tussen 1559 en
1583 en die zelf breed-uitgesponnen bewerkingen zijn van Matteo Bandello's
Novelle (1554-1573).
Reeds in 1589, wellicht zelfs nog vroeger (1582 of 1577), waren 26
novellen van Bandello in het Nederlands ‘vertaald’ door de
Antwerpenaar
Fransoys Loockmans; vermoedelijk ging deze vertaling
rechtstreeks terug op het Italiaans model.
De Franse bewerkingen werden zo vaak herdrukt, maar nooit alle delen
tegelijk, en zo verschillend gebundeld, dat de situatie hier terecht chaotisch
werd genoemd. Dit brengt echter mee dat het moeilijk uit te | | | | maken
is, welke editie door de Nederlandse vertalers-bewerkers gebruikt werd, al is
dit, gelukkig, van enigszins ondergeschikt belang. Het feit echter dat twee
novellen in twee onderscheiden delen in een verschillende vertaling voorkomen,
wijst reeds op de verschillen van de Franse uitgaven; belangrijker voor de
Nederlandse vertaling is dat we daardoor tot een juistere aanduiding van de
vertalers-bewerkers kunnen komen!
Het Eerste Deel en
Het Tweede Deel Van De Tragische of klachlijcke
Historien verschenen voor het eerst te Antwerpen in
1598 en 1601 bij de drukker
Jan van Ghele en zijn het werk van de tot nog toe
overigens slechts bij naam gekende
Merten Everaerts. In geen van beide delen komen verzen
voor, al staan er wel in het Franse model.
Het derde en wellicht ook het vijfde deel
Van de Tragedische oft Klaechlijcke Historien
werden vertaald door
Isaac de Bert en zouden verschenen zijn te
Rotterdam bij
Jan van Waesberge in 1611 en 1613. Hierin komen wel enkele
gedichten voor: in dl. III nl. drie sonnetten, drie stukjes van 4 verzen en
vier disticha; in dl. V twee zeer uitvoerige toespraken in alexandrijnen en
twee stukjes van 2 verzen en één van 6 verzen.
Het vierde, zesde en zevende deel, misschien ook het vijfde, werden,
naar ik meen, vertaald door
Reinier Telle; ze zouden eveneens bij
Jan van Waesberge te Rotterdam zijn
verschenen in 1612, 1614 en 1615.
In 1646 bracht
Pieter van Waesberge een nieuwe druk van de zeven delen
op de markt, mét een inleiding van zijn hand. De zeven delen verschenen
nog eens in 1649-1650, maar met het bibliografisch adres Utrecht,
Symon de Vries en ‘gedruckt by
Lambert Roeck, Boeckdrucker wonende in de
Lange-Nieustraat’ te Utrecht; de inleidingen
van
P(ieter) v(an) W(aesberge) bleven hierin behouden.
Bovendien werden aan deze editie nog een achtste en een negende deel
toegevoegd, vertaald door
F(elix) v(an) S(ambix); het laatste deel was
‘getrocken uyt verscheyde Schrijvers’. In dl. IX komen geen
gedichten meer voor, terwijl dl. VIII nog één lied, twee stukjes
van 8 verzen en twee van 2 verzen bevat.
De delen IV, VI en VII daarentegen bevatten zeer veel gedichten: in
IV staan er niet minder dan dertig, nl. drie van 2 vss., zes van 4 vss., twee
van 6 vss., twee van 8 vss., acht sonnetten (waarvan één
onvolledig), zes liederen en drie uitvoerige stukken in alexandrijnen; in dl.
VI komen elf stukken voor, nl. vijf sonnetten, één uitvoerig
gedicht in alexandrijnen, één van 8 vss., drie van 6 vss. (een
hiervan komt tweemaal voor) en één van 3 vss.; dl. VII ten slotte
bevat zeventien rijmende stukken, waarvan drie sonnetten, drie betrekkelijk
lange gedichten, één | | | | lied (dat tweemaal voorkomt),
vijf stukken van 8 vss., vier van 4 vss. en één van 2 vss.
Tegenover twintig gedichten in de delen III, V en VIII (en geen
enkel in I, II en IX) vinden we dus niet minder dan 30 + 11 + 17 = 58 kortere
of langere gedichten in de delen V, VI en VII. Juist deze 58 stukken zijn de
verzen, die
Telle in ‘'t Rijmeloos’ aan
Bredero moet hebben gegeven en die de Amsterdamse
‘Leeke-broer zoo slecht als onbevreest’ met zijn ‘boersche
stem’ op ‘de Fransche-maat’ berijmde.
Van deze 58 stukjes zijn slechts de volgende opgenomen in Bredero's
werk (ed. 1890):
| uit dl. IV: | het sonnet | Ghy Moeder van
de Min (III, p. 479), |
| | de liederen |
Met Edel hoogh begeeren (III, 442-445), |
| | | Mach ter werelt eenige
pyn (III, 471-475), |
| | | Ick hadde noyt gevoelt
(III, 340-341), |
| | | Ay schoone dochter blont
(III, 372-373), |
| | | De Liefd' die mijn begeert
beveelt (III, 475-478); |
| uit dl. VI: |
de sonnetten |
Dit groen besloten perck (III, 141), |
| | | o Nacht! o langhe Nacht!
(III, 140-141), |
| | | Margriete Lief myn hert'
(III, 139), |
| | | De verwen van mijn bloem
(III, 139-140), |
| | | Den soeten Somer is
soo… (III, 140), |
| | | en het slot van het uitvoerige
stuk in alexandrijnen, nl. het zo gekende Aendachtigh Gebedt: O levendighe
Godt… (III, 569-570); |
| uit dl. VII: | |
geen enkel gedicht. |
Sommige van deze twaalf gedichten bevatten belangrijke afwijkingen
of verbeteringen van de tekst, door
Vander Plasse gepubliceerd. En behalve de korte stukjes,
die vooral in IV en VI voorkomen en meest alle vertalingen zijn uit de
klassieken, soms uit Ariosto of Bojardo, mag het geheel een aanwinst heten voor
Bredero's werk en zeker voor een juist begrip ervan.
Al deze gedichten nu komen voor in de vertellingen: op lyrische
momenten worden b.v. tussen de geliefden gedichten, liederen gewisseld, of de
minnaar zingt zijn liefdesverlangen uit; een andere keer spreekt een stervende
zijn laatste bede en klacht uit, elders nog zijn het overwegingen,
toepasselijke citaten, enz. Door het feit echter, dat de heldin van enkele
vertellingen, die overigens helemaal niets met elkaar te | | | | maken
hebben, Margriete heet, vinden we hier ook zogenaamde Margriete-gedichten; deze
gedichten horen niet allemaal bijeen en zijn bovendien niet uit Bredero's
persoonlijk leven of beleven gegroeid, te meer omdat ze alle ook vertalingen
zijn van Franse (of Italiaanse of Spaanse) voorbeelden. De meeste liederen
behoren tot de zgn. petrarquistische mode-literatuur van die dagen. Het
Aendachtigh Gebedt is het slot van een lange
klacht van een stervende ridder. Met Bredero's persoonlijk leven hebben deze
gedichten dus helemaal niets te maken, al heeft de dichter sommige stukken,
o.a. het laatste, wel op zijn eigen situatie toepasselijk gemaakt door later
een paar verzen te vervangen door andere.
Het misschien wel onthutsende gevolg van deze ontdekking is dan ook,
dat de verhouding van
Bredero tot de, volgens de gangbare opvatting zo
vereerde Margriete, moet herzien worden, dat de hoge liefde voor deze
keizerlijke vrouw een interpretatie is geweest van gedichten die een heel
andere betekenis hadden en hebben. Moet dan de direct-lyrische uitspraak van
Bredero in zijn andere liederen en sonnetten ook niet aan een grondige
hertoetsing onderworpen worden? Is Bredero in vele gedichten en liederen niet
eerder de zanger geweest van motieven en themata, veeleer dan de
harstochtelijke belijder van wat hem persoonlijk sterk aangegrepen had, al moet
daarom dit hartstochtelijk individualisme niet helemaal terzij geschoven worden
voor alle liederen? Er rijzen in alle geval heel wat vragen, die een nieuwe
kijk op deze zeventiende-eeuwse Amsterdamse (zanger en) dichter laten
vermoeden…
Voor de kennis van zijn persoonlijkheid kan de relatie met
Reinier Telle ook zeer belangrijk zijn geweest: de
Zierikzeese humanist Reinier Telle, die ook schreef onder de verlatijnste naam
Regnerius Vitellius, was immers een vurig verdediger van
de remonstranten. In hoeverre werpen zijn opvattingen een (nieuw) licht op
Bredero's religieuze overtuiging en houding? Welke rol heeft Telle in het
Amsterdam van de jaren 1610-1618/1619 gespeeld?
Bovendien verdienen nog tal van vragen van misschien minder belang
een nader onderzoek.
Telle bezorgde ook een Latijnse uitgave van Guicciardini's werk
Descrittione… Di tutti i Paesi Bassi; de Belleforest had
eveneens een Franse bewerking geleverd. Bestaat er verband tussen deze
bewerkingen, en bestaat er verband tussen dit feit en de bewerkingen van de
Histoires Tragiques?
Indien Telle deze Histoires Tragiques rechtstreeks uit het
Frans vertaalde, en alles wijst daarop, waarom zou Bredero dan het
‘rijmeloos’ | | | | berijmd hebben, vermits hij toch ook Frans
kende en de Franse verzen dus eveneens rechtstreeks uit het Frans kon vertalen?
Of was zijn kennis van het Frans toch geringer dan weleens wordt
geschreven?
Met de ontdekking zijn waarschijnlijk meer vragen gerezen dan ik
dadelijk zal kunnen oplossen in de aangekondigde uitgave. Maar zeker zullen we
Bredero beter leren kennen, zeker zal zijn werk voor ons
duidelijker taal kunnen spreken, zullen we hem beter kunnen beluisteren, zal
zijn beeld als mens en als dichter ons naderbij komen in een genuanceerder
gestalte dan dat tot nog toe het geval was. En wie men beter kent, kan men
beter en juister waarderen, ook al moet een of ander aureool verdwijnen; met
onwaarachtige aureolen is nog het minst de vereerde zelf gediend, zeker niet
Bredero, de realist die telkens en telkens weer herhaalde: 't Kan verkeeren
!
Ten slotte volgen in bijlage een paar voorbeelden van de gedichten,
zoals ze voorkomen in de editie 1649-1650, mét hun Frans model en
eventueel ook met de afwijkingen, indien het stuk in Bredero's uitgegeven werk
voorkomt.
Het eerste is een tot nog toe onbekend gebleven sonnet, en niet eens
een van de mooiste! De sonnetvorm is niet trouw bewaard in het rijmschema van
de kwatrijnen; gaandeweg zal Bredero een groter meesterschap over het sonnet
verwerven. Overigens sluit de bewerking nauw aan bij het Franse model: het is
een herschepping, er zit poëtische vaart in. Maar bij de vss. 6-7 klopt er
iets niet; althans, de ‘vertaling’ is minder duidelijk dan het
Frans. Heeft Bredero dat gemerkt of werd hij meegesleept door het klassieke van
de ‘beeldspraak’? En wat is hier de rol geweest van Telles
prozavertaling?
Het tweede gedicht is een van de zo bekende Margriete-liederen.
Onmiddellijk wordt men getroffen door het grote verschil in versbouw, verschil
dat misschien weer teruggaat op Telles prozavertaling, want strofe per strofe
werd wel ongeveer bewerkt; maar Bredero heeft hier de brede zwier gevonden die
aan het Franse model toch vreemd is. Gaat de sensuele intensiteit voorzeker
terug op het Franse lied, door de alliteraties, de rijke woordenkeus en de
luttele toevoegingen, zoals b.v. het treffende slotvers, geeft Bredero een
eigen toon aan het lied. Zijn herschepping moet zeker niet onderdoen voor het
origineel. Dat geldt trouwens voor haast alle gedichten.
Het derde stuk werd opgenomen als een voorbeeld van de langere
gedichten en vooral terwille van het slot. Zoals altijd is de Franse tekst
nogal getrouw om-gedicht, maar de vaart die door Bredero's herschep- | | | | ping klaagt en jaagt, vooral naar het einde toe, biedt een treffend
voorbeeld van zijn kunstenaarschap, waarbij het Franse model beslist verbleekt.
Dat bepaalde elementen, zoals b.v. de vermelding van Ovidius (vs. 45), van
Telle komen, is zeer waarschijnlijk. Maar de dichter was
Bredero en glansrijk heeft hij zich van zijn taak
gekweten. Dat hij zelf ook de aangrijpende kracht van het slot gevoeld heeft,
wordt bewezen door de wijzigingen die hij naderhand aanbracht en waardoor hij
dit slotstuk als een afzonderlijk en volwaardig geheel boven zijn
oorspronkelijke ‘situatie’ uit hief en het persoonlijke accent
versterkte.
De overige gedichten zullen dit beeld nog duidelijker maken en het
overtuigend bewijs ervan leveren dat Bredero van heel wat vlakke en effen,
‘gladde’ verzen waarachtige kunst kon maken: meegeleefde uitspraken
van een zeer gevoelig gemoed en van een meester van het woord. Een
voortreffelijk ‘herschepper’, een ‘aemulator’ van
ongewoon formaat.
In de volledige publicatie zullen alle stukken opgenomen worden en
gesitueerd in de verhalen waarin ze voorkomen: voor een juist begrip van vele
gedichten is dat absoluut noodzakelijk. Het zal dan ook nodig zijn, een paar
verhalen in extenso mee te delen, om de merkwaardige sfeer ervan beter te leren
kennen en om onze zeventiende eeuw beter te begrijpen. Daarenboven zijn deze
novellen van uitzonderlijk groot belang voor het toneel van die eeuw, en niet
alleen voor dat van de Nederlanden. Dit alles moet hier natuurlijk buiten
beschouwing blijven. De volledige publicatie zal trouwens, naar te voorzien is,
heel wat vermoede en onvermoede perspectieven openen. Hier wordt alleen een
verre ‘vooruitblik’ gegeven…
a. keersmaekers
| | | |
I.
IN dien der liefdens kunst, hier twee ghedeelde herten
Can t'samen lasschen vast, end' splissen dicht byeen
Waerom en bindt hy niet mijn herte met de gheen
Die mijn begheerte voet, met krancksinnighe smerten?
5
De blauwen Hemel die met Phoebus goude stralen
Daaghs 't laghe Vlack verciert, met haar blijt aengesicht
En schimmerbleke torts, die snachts de aart verlicht
Die nood 'ick om te sien het eynde van mijn qualen,
In dien het droeve lot, of 't wanckelijck (l.: wanckelijcke)
raack
10
Mijn gheluck soo verstoort dat ick in deze saack
Mits mijn gewenste lust, soo 'tmy nu schijnt te driegen (l.: Mis
mijn…)
Ick sal gaen schouwen flucx, het vrolijck klaar aenschijn
Van al die lichten schoon, die op d'Aerdbodem syn,
Om in de Helle swart, mistroostelijck te vlieghen.
| | | |
Ia.
Ce n'oeud d'Amour qui deux coeurs diuisez
Peut allier, & vnir las! s'il lie
L'esprit cruel de ma tresbelle amie
A mes desirs, & souhaits insensez:
5
Le Ciel, les yeux que Phebus a lancez
Surce bas monde, & la face iolie
Du ray nocturne à present ie conuie
Pour voir la fin de mes mal heurs passez.
Mais si le sort, si l'instable fortune
10
Trouble mon heur l'empesche & importune,
Me fait dechoir de l'effait desiré:
Ie quitteray la splendeur, & la face
De tovs ces rays qui sont celeste race,
Pour aux enfers voler desesperé.
(IV, éd. Lyon, 1578, p. 313-319)
II.
AY schoone dochter blont, die 't hulsel en paruycken
Des gouden Dageraats Verwelickt en verdooft.
Die de Snee-witten Melck en Lelyen doen duycken.
Voor 't silver-blancke vel van u eerwaardich hooft,
5
O Margeriete schoon: o uytgelese bloeme,
Stroyt uyt u braef vergult, en langh goutdradich haar
Dat de Sonne beschaamt, verwondert is, en hoeme
De roosen end' 't yvoor, soo marmelt door malcaar.
Ontdeckt mijn lief, ontdect 'tmeesterstuck der naturen
10
Dit sonderlinge werck, dit uytnemende raack,
Dees Appel-horstjens hart, deeslieve nagebueren
Die 't lustgierighe oogh beloven soet vermaack.
| | | |
Cust my, mijn soete; ha, cust my en cust my weder,
Ha,ha, ic sterf, ic sterf, de Ziele my ontvlooch
15
Na uwen adem soet mijn hart springht op en neder
Enswoecht noch na de kracht, die my u vier ontsooch.
Ick swijm, ay my ick swijm, 't leven wil my ontslippen,
Ach ghy onsuyghet mijn dat lieffelijck gebloemt
Dat ick te plucken plach van u purpere lippen
20
Van 't Couraal rijcke hof, en Roosenvelt voornoemt.
Paeyet mijn groot verdriet, en wilt gena gebruycken,
O schoone die mijn Ziel volcomelijck besit,
Gheeft my de bloemkens weer die soo soetguerich ruycken,
Geeft my haar oude kracht, haar leven, en haar pit,
25
Mijn oogen sijn verstaart, met schimmer blint
geslaghen
Belamfert soete lief u Goddelijck gesicht,
O vriendelijcke mont, ick en kan niet verdragen,
U flonckerige brant, en vonckend' oogen licht.
Omhelst my waarde lief en laet my troost verwerven
30
Bluscht uyt mijn glimmend' vyer, bluscht uyt mijn
heete vlam
Die my op eenen stondt doen leven ende sterven:
't Waer scha dat onse vreuchd' int midden eynde nam.
Varianten met ed. Groot Liedboeck 1622 (behalve spelling en
interpunctie): 5 Margarieta 11 Appel Borstjens 18 ontsinget(?), reeds
geëmendeerd door Buitenrust Hettema en door Knuttel 20 Hooft
IIa.
Fille plus belle que l'atour
Ny de l'Aurore ny du iour,
Et plus de le lait ny lys blanche
A ceste fois ma soif estanche
5
Et rassasiant mon las coeur
Estains en luy d'amour l'ardeur,
Espans ô belle Marguerite
Fleur sans pareil' ô fleur d'eslite
Espans ces cheueux tous dorez
10
Et par moy sur tout honnorez
Qui font desbonneur à l'Aurore. (l.: deshonneur)
Et au ray qui leuant la dore,
Et ceste vermeille couleur
De ton cler visage l'honneur,
15
Qui surpasse le blanc yuoire,
Et plus que la rose a de gloire
Son vermillon espanissant
Alors qu'en l'arbre va croissant.
Descoeuure mignarde, descoeuure
20
Ce rare & excellent chef d'oeuure
De nature, ces deux gazons
Ces deux pommes & beaux tet(o)ns
Que separez de belle espace
Donnent au corps autant de grace
25
Que les vallons que les costaux
Aux champs plus fertils & plus beaux.
| | | |
Baise moy ma fille & rebaise,
Ha ie meurs, ie meurs en cest aise.
Rebaise moy, reprens mon coeur
30
Qui s'en voloit apres l'odeur
De ton halaine, & rens moy l'ame
Que m'ont raui ton feu & flamme.
Ah ie me pasme, ah ah ie meurs
Tu m'as succé cent mille fleurs
35
Que dessus tes leures pourprines,
Parmy ces ioues corallines
I'auois cueilly, las rens les moy,
Et rens moy ces fleurs bien flairantes
40
Et ses vies en moy naissantes.
Tu m'esbloys, ah ie ne peux
Souffrir ceste clarté diuine:
45
Et de ce doux embrassement
Viens appaiser mon grand torment,
Estains mon feu, estains ma flame,
Auant que s'en volle mon ame
Parmy l'apast de ce plaisir
50
Qui me fait, & viure & mourir.
(IV, éd. Lyon, 1578, p. 381-382)
III.
Wat vreuchde hadde (nae dat 't water alle dingh
Begroef) het heylich paer, dat om raedt en hulp ging,
Daer Themis haer verschuylt: in haer heylige stede
En yder kundicht al syn noodts-gevallicheden?
5
Wat vreuchde hadden sy: nadien s'in 'tminste yet
Wt haren sade doen en kosten teelen niet,
Maer heylichlick vergramt zo moesten zy doen saeyen
En menschen doen ontstaen, wt kijgels en wt kaeyen
Na des Goddins gesech? Maer wat blyschap of wat
10
Vreuchd' of rust hadden sy? als maer alleenlyck, dat
Gedencken van een haest gewenst en schichtich sterven,
Nae dien de doodt alleen de ruste doet verwerven.
| | | |
Och! och! den tyt die gaet te langhsaem en te bloot
Door dien haer laeuheyt, laes! myn tegenspoet vergroot,
15
Want ick sie dat myn doodt, de laetste van myn dagen,
So traechlyck sent om al myn droefheyt te verjagen,
En om myn tranen heet, en jammerlijc ellent,
Door een spoedige val te helpen aen een endt.
Ick voel myn krachten laes! verslappen en verswacken,
20
De seenuwen ontleen en allengskens sy versacken,
Myn bloet en heeft geen macht, noch t'lichaem vocht of pit,
Het harte is bedroeft: de sinnen nevens dit
Werden gepijnicht seer: de siele wil vertrecken
Wt dit ellendigh dal, en veel saligher plecken
25
Die d'opgetoogen geest vast innerlyck aenschouwt
Daer zy veel soeter lust voor haer beschoren hout
Na dien 'tgekrencte bloet, noch 'tlichaem en kan teelen
Gheselschap, dat nu mocht vertroosten met haer speelen
Dit eensaem leven van tweewelvereende
lien
30
Maer die door wanhop laes! haer doot gebooren sien
Door middel van het gheen dat vloeyt uyt onse krachten
Want d'eene die is doodt en d'ander bloeyt in machten
Dewelcke streckt, na myn, meer dan te sek're doot.
Waerom heb ick t'geluck zoo gunstich noch so groot
35
Van hier te moghen sien: Veel groodt machtigh(e)
scharen,
Huyshouders goet en wijs, en ten oorloogh wel ervaren
Gelijck met mierenvolck dat uyter aerde quam?
Of waerom mach ick niet verhit van moede gram
Een woeste wilde stier vermoorden met mijn handen
40
En cloppen uyt zijn cop de wreede bitsche tanden,
En saeyense int lant, en saeyense in't velt
Om te verwecken saet: ja mannen van gewelt.
Gewapende Crijchslien: maer dese ridders moesten
Malkander niet verstaen, vernielen nog verwoesten (verslaen ?)
45
Gelijck de broeder-moort die Ovidius vertelt
Der zaeyelingen (die, by u ô grooten heldt
Iason waren gesaeyt: eer gy 't Vlies had gewonnen)
| | | |
Die leven, strijt, en doot, ghelijckelijck begonnen.
Maer mijn Fortuyne is te seer vergifticht, ach!
50
Om te verhooren mijn beschreyelijck beclach,
Dat dese Lerna! poel van ongeluck en sneven
Veroorsaeckt heeft ach las! en mijn ellendich leven:
En d'hemel maeckt de aerd' niet meer so rijck van dracht
Noch soo geluckich van een steenachtigh geslacht.
55
En oock so ben ick geen Mermidoniet waerdich
Noch ooc Deucalions kracht van wenschen winnen waerdigh (l.:
menschen?)
Ick sou dees woesten bosch, dees enige Woestijn
Niet groot genoech voor een soo grooten volcke sijn,
Want aengesien hy niet twee enckele lichamen
60
Kan spijsen, die door liefd' vereenicht zyn te samen
O Hemel! die den mensch sijn vreuchde soo benijt,
Hoe rampsaligh syn wy? Nademael dat de spijt
V soetheyt so terstont in gramschap fel verandert
Als ghy u aensicht in een ogenblick verwandert.
65
Doch ghy geeft wederom u wel gemilde mensch
Een leven vol gelucx na sijnder herten wensch,
Gy weygert my alleen soo veel gemacx t'ontmoeten
Dat ick myn bitt're angst een luttel mach versoeten.
Waerom en maeckt ghy niet dat dees geessel, of roe
70
My door een dorre doot op een sprong smaken doe
De ruste van myn ziel en 't slapen van myn beenen,
Die in dit eensaem Wout en moerachtige veenen,
Doch sullen quijnen, tot sy vlees'loos zyn vervormt.
Mijn sinnen, krachten, oock allengskens soo bestormt
75
Dat sy my niet den lust van sterven doen begeven,
Maer die begeerlyckheydt van een veel langer leven:
Want myn geluck dat leyt in myn doot aldermeest
Die ick begeerich wensch in myn beneepen geest.
Langh moeten leven doch, dees dicht geblade Bosschen,
80
Van schaduwen so milt, en locken ruyg bewosschen;
Getuygen vande smart, van ons verliefde twee.
Lang moeten leven ooc dese reviere mee.
Wiens spring-aderen klaer ons bangen brant bespoelde
Als wy met water 't vyer dat ons verteerde koelde.
85
Lang moet oock leven 'thert der geender die my siet
Allengsjens vast vergaen en smelten heel tot niet,
En die ons herten eerst tot dese liefde troonde;
Welc ondanckbare liefd', haer valsheyt groot vertoonde
Aen die getroutste twee dit oyt Sonne bescheen. (l.: die)
| | | |
90
Oyt kende, ofte sacht al gaen sijn straelen heen
Over den Oceaen sijn wit bruysende baren
O lieve vader! ach! vader Oceaan wilt spaeren
(Na dat ick stervend voel de laetste uyr van myn)
Myn heyl'ge weder helft: wiltse gedachtich sijn.
95
So in u golven noch so vriendelyck gesneen, is
De beeldenisse van een schoone kuysche Venis?
Soo maeckt dat na mijn doot een schip sich herwaerts spoet
Die van ong'luck en smert, verlost en wel behoet
Dees Wijse jonghe vrou brenght in ons Conincx palen:
100
So mach sy 't Fransch rijck mijn droevich ent verhalen
;
En soo wert oock erkendt den moorder snoot verwoet
Van myn doorluchtich huys, en van haers vaders bloet:
O levendighe Godt! Eeuwich, goet, en almachtich!
Aenschouwt melyelyck: my droeve, en neerslachtich
105
En wtgequelde man, van soberen gestalt:
Gedoocht niet dat hem nu de wanhoop overvalt;
Die doch een vyant is van u goede genade,
Want sy mijn arme siel sou eeuwelycken schade:
Ontfanght o Heere! doch het suyverst' van mijn hert,
110
Geeft dat mijn sonden mijn niet toegerekent wert:
Maeckt dat dit langh verdriet en smarte van ons beyden
My tot verlichtingh streck nu in mijn droef verscheyden.
Ach! dat u lieven soon met sijn onschuldich bloet
Voor mijn ken-schuldighe de borchtocht voldoet.
115
Och! ick ben uytgheteert en gae met smart betreden,
Den alghemeenen wech van d'ouwde langh verleden.
O Heere! ick kijve niet, noch hadder niet met u,
Het sterven is mijn lief. Ist u, behagelijck nu?
Want ghy hebt my gemaect, en moogt my weer ontmaecken
120
Wanneer 't u wel gevalt. O God! voor alle saecken
Beveel ick u, mijn siel. O Salichmaker goet!
Ic geern geen ander vreugd, ic soec geen ander soet,
Geen ander blyschap ach! noch oock geen liever lusten,
Als by den Bruydegom van mijnen siel te rusten.
Varianten vss. 103-124 in III p. 569-570; daar draagt het als titel:
Aendachtigh Gebedt.
105 uytgequeelde
107 van Hemelsche genade
110 Geeft dat my syne sond niet
111 Neemt my (die hier op aerd' als vremdeling most swerven)
112 In 's Hemels Borgery na een God-saligh sterven.
122Ick geer geen
Door de verandering van de vss. 111-112 werd het
‘gelegenheidskarakter’ aan het stuk ontnomen, evenals door de
weglating van de vss. 1-102.
IIIa.
Qvel plaisir eut apres le grand deluge
Le couple saint, qui alla pour refuge
Vers ses saincts lieux ou Themis reposoit,
Et à chacun son destin predisoit?
5
Quell' volupté, puis que de leur semence
Ils ne pouuoyent donner vn peu d'auance,
Ains leur fault, esmeuz d'vn saint courroux,
Faire sortir les hommes des cailloux,
Selon les ditz de la saincte Deesse?
10
Mais quel plaisir, repos ny alegresse
Auoyent ils lors, que le seul souuenir,
D'vn bien soudain, & desiré mourir,
Estant la mort le seul repos, & l'aise,
Qui des humains les angoisses appaise?
| | | |
15
Ah! ah! le temps s'escoule lentement
Mais mon malheur est tant plus vehement,
Comme ie voy que ma mort est tardiue,
Et que le iour dernier bien tard arriue
Pour assoupir le dueil qui vit en moy,
20
Et pour finir mon pleur, & mon esmoy.
Ie sens faillir peu à peu ma puissance,
Et mes effortz s'en vont en decadance,
Le sang n'a plus ny force ny vigueur,
Ny ce mien corps substance, ny chaleur:
25
Le coeur se deut, le sens est en martire,
L'ame defaut, & de moy se retire:
L'esprit emeu par telle passion,
Et tout rauy en contemplation,
Veut s'esloigner de ce corps miserable
30
Pour voir ailleurs vn repos delectable,
Puis que le sang affoibly ne scauroit,
Puis que le corps sans ce sang ne pourroit
Produire rien qui par sa compagnie,
Peust resiouir la solitaire vie
35
De deux vnis par vn mesme vouloir,
Mais separez par vn grand desespoir,
De voir la vie en noz corps renaissante,
Par le moyen de quelque chose issante
De noz fluiz car l'vn est amorty
40
L'autre puissant, l'vn est aneanty
L'autre iouist des forces de nature,
Laquell' tend à ma mort plus que seure.
Que n'ay ie l'heur de voir pour mon suport
Cy formiller vn escradon tresfort
45
De Mirmidons sortis à tas de terre,
Ains mesnagers, & hardis à la guerre?
Ou que ne puis en tuant par les boys,
(Comme il aduient souuent & plusieurs fois)
Quelque farouche & rauissante beste,
50
Et deschirant la furieuse teste
Prendre ses dentz & les ayant semez
En voir sortir des cheualiers armez,
Lesquels entr'eux ne se battent ou tuent,
Et leurs efforts aussi soudain ne ruent
55
Morts, & sans vie, aussitost que sur terre
Ont commencé, & acheué leur guerre:
Comme iadis les os ensemencez
| | | |
Que toy puissant Iason as amassez
En conquestant la toison renommee?
60
Las! ma fortune est trop enuenimée
Pour escouter les complaintes, & pleurs
Que cause en moy ce Lerne de malheurs:
Et plus le ciel d'vne race pierreuse
Ne rend la terre, & feconde, & heureuse:
65
Ie ne suis point digne d'vn Mirmidon,
Et n'ay l'effort du vieil Deucalion,
Aussi ce bois, ce desert si sauuage
Ne suffiroit pour vn si grand lignage,
Veu qu'il ne peut nourrir tant seulement
70
Deux corps vnis, pas vn mesme tourment.
Ah! ciel ialoux du plaisir de tous hommes,
Que mal heureux & desastrez nous sommes,
Puis que l'enuie le courroux, la rancueur
Peuuent soudain alterer ta douceur:
75
Puis que tu changes en vn moment ta face,
Et fais ainsi à qui tu veux la grace
De luy donner la vie à son plaisir,
Heurant ses iours à son vueil & desir:
Et puis qu'à moy tu denies cest aise,
80
Et rien du tien mon angoisse n'appaise,
Ains de fortune on me voit le iouët:
Pourquoy ne fais que le rude & fort fouët
D'vne mort fiere, & seiche & languissante,
N'accable à coup ceste vie nuisante
85
A mon esprit? que ne donnes repos
A l'ame, & puis vn sommeil à mes oz
Qui dureront en ce bois solitaire
Tant que la mort ne les sçauroit deffaire,
Ayant miné la chair, qui s'escoulant
90
Va de mes sens les forces assaillant,
Et me rauit, non de mourir l'enuie,
Mais les desirs d'vne plus longue vie?
Car en ma mort gist l'heur de mon desir,
Et ce que plus ie quiers pour mon plaisir,
95
Viuent ces bois feuilluz & ombrageux,
Tesmoins du soing de deux coeurs amoureux:
Viuent les eaux de ces claires fontaines,
Qui ont souuent de leurs bouillantes veines
Esteint l'ardeur d'vn chaut qui nous pressoit:
100
Viue le coeur de celle qui me voit
Ia languissant & prest à rendre l'ame,
| | | |
Et qui sur moy ay emprainte la flamme
Qui embrasa noz coeurs de cest amour,
Lequel ingrat à ioué vn faux tour
105
Aux plus loyaux que iamais peut cognoistre
Le cler soleil, alors qu il fait paroistre
Ses doux rayons sur les flotz escumeux,
De l Ocean: ah! ô Pere amoureux
Pere Ocean, puis qu'il faut que ie meure,
110
Et qu'assez proche en est le terme, & l'heure,
Souuienne toy de ma sainte moitié,
Et s'il y a en toy quelque amitié,
Si dans ton onde est encore grauée
D'vne Venus belle & chaste l Idée,
115
Fais que moy mort, tu guides quelque nef
Pour deliurer de malheur & meschef,
Et de la mort ceste dame assez belle,
Ceste prudente & chaste Damoiselle:
A fin qu'on oye encores de sa voix
120
Compter ma mort au Royaume François,
Et qu'on cognoisse au vray quel est le frere
Meurtrier du sang illustre de son pere.
O Dieu qui vis eternel tout puissant,
Voy en pitié cest homme languissant,
125
Et ne permetz qu'vn desespoir l'accable
Pour à iamais le rendre miserable:
Reçoy, Seigneur, de mon coeur le pur don,
En me donnant de mes fautes pardon:
Fais que les maux, & longue penitence
130
De nous icy, me serue d'allegeance,
Et que le sang de ton fils bien aymé
Soit mon garant: ah! ie suis consumé
Et vais entrer la voye vniverselle
De toute chair, ie n'estriue ou querelle
135
Rien contre toy, il me plaist de mourir
Si tu le veux, & si c'est ton plaisir:
Car tu m'as fait, & si peux me deffaire,
Et puis soudain d'vn seul rien me refaire,
Entre tes mains, ie vais rendre, seigneur
140
Mon pauure esprit, c'est a toy, ô sauueur
A qui mon sens tous ses desirs adresse,
Et qui ne veut autre ioye ou liesse,
Que de iouyr d'vn repos long & doux
Auec ce Dieu de mon ame l'espoux.
(VI, éd. Rouen, 1604, p. 195-220=200).
|
|
|