Als Trefossa in 1957 zijn dichtbundel
Trotji
publiceert, lijkt dat het startsein te zijn voor een hectische
literaire activiteit die geen geïsoleerd verschijnsel is:
Suriname bruist in alle kunstsectoren. Nederland maakt als
oriëntatiepunt plaats voor het eigen land. De ene na de andere
dichtbundel verschijnt van auteurs als Eugène
Rellum, Michaël Slory,
Johanna Schouten-Elsenhout, Shrinivási. Het talent toont zich in de
tijdschriften
Tongoni
en
Soela
. De kranten maken ruim baan voor literaire bijdragen en
literatuurkritiek, boekenvak en bibliotheekwezen worden uitgebouwd. Op de
nieuwe radiostations zijn uitzendingen in de volkstalen en hoorspelen van
eigen bodem te horen. Het Sranan floreert als literaire taal, werk in andere
volkstalen verschijnt slechts mondjesmaat, al schrijft Shrinivási
wel het eerste gedicht in het Sarnami. Proza blijft schaarser dan
poëzie. In de toneelwereld bewerken Thalia en Mamio westerse
stukken voor het Surinaamse publiek, maar nieuw Surinaams toneel wordt
slechts door weinigen geschreven.
De maatschappelijke beroering neemt gaandeweg de jaren '60 toe.
Schrijvers kiezen voor een radicale politieke weg. De jonge nationalisten
groeperen zich in de Moetete-groep met het gelijknamige tijdschrift: R. Dobru, Thea Doelwijt,
Jozef Slagveer, Benny
Ooft, Ruud Mungroo. Rond 1970 zorgen
jonge regisseurs voor nieuw toneelwerk van eigen bodem; het Doe-theater is
er de belangrijkste exponent van. Eenheid en onafhankelijkheid zijn de vaste
thema's en de jonge generatie zoekt de geschiedenis te herschrijven.
Maar er zijn ook sceptische geluiden te horen. In Nederland kruisen
John Leefmans en Rudi
Kross in het tijdschrift
Mamjo
de degens over de richting van de Surinaamse letteren. Met zijn
scherpe pen betoont Rodney Russel zich een Surinaams existentialist; hij
publiceert in het tijdschrift
Kolibri
waarvan Paul Marlee, auteur van de
modernistische roman
Proefkonijn
, de redacteur is. Leo Ferrier en Bea Vianen vinden in Nederland onderdak bij
toonaangevende uitgeverijen en schrijven de eerste psychologische romans.
Altijd zijn er ook auteurs die zich buiten elke groepsvorming houden: Bernardo Ashetu, Trudi
Guda, Julius Defares.