|
|
|
| |
| | | |
11. Conclusie
In het artikel ‘Naar een Surinaamse literatuur?’ in het
tweede nummer van Mamjo riep John
Leefmans in januari 1962 de vraag op of er in Suriname en de Antillen
sprake is van een culturele traditie en culturele voortzetting, zoals in
Nederland. Zijn negatief beantwoorde vraag werd overgenomen door Johan van de Walle, die in De Ware
Tijd opmerkte dat diegenen die gebruik gingen maken van het geschreven en
gedrukte woord vrijer stonden tegenover de traditie dan de musici. Maar ook de
schrijvers lukte het niet altijd zich los te maken van het verleden, men ging er
zelfs naar zoeken. Zo heeft in Suriname steeds een band bestaan met Nederland,
en tevens een band met het culturele erfgoed van de eigen groepen:
Met een dergelijke tweezijdige gebondenheid ontstaat in het algemeen
een hybridische litteratuur [...] een letterkunde die wezenlijk
beïnvloed wordt vanuit twee geheel gescheiden cultuurwerelden en
daardoor - misschien, misschien - de kans heeft eens in het totaal der
litteratuur een geheel eigen plaats in te nemen.1316
Feit was dat de literatuur van het tijdvak 1957-1975 nog in sterke mate door het
krachtenveld Suriname-Nederland bepaald werd. Tegelijk moet worden vastgesteld
dat nooit eerder over zo'n breed front een heroriëntatie gezocht werd
op het eigene, en dat de eigen identiteit nooit eerder zo indringend object van
literaire verbeelding was geweest. Elementen uit de orale tradities werden door
verschillende auteurs gebracht binnen de nieuwe context van geschreven teksten.
Desalniettemin hebben die orale tradities minder nadrukkelijk gefungeerd als dam
tegen de invloed van de Europese cultuur, als in dezelfde tijd orale elementen
dat deden in de geschreven letteren van de Nederlandse Antillen.1317 Een verklaring hiervoor kan zijn, dat in Suriname de orale tradities
onder de verschillende bevolkingsgroepen nog levendig aanwezig waren en dus niet
de herleving behoefden, die de zo goed als geheel verdwenen orale literatuur op
de Antillen nodig had.
Trefossa gaf met zijn bundel Trotji de opmaat tot een waaier
van literaire activiteit. Verschillende dichters hebben getuigd van de
inspiratie die uitging van zijn poëzie, maar er waren tal van
factoren die in een complexe onderlinge wisselwerking en versterking bepalend
zijn geweest voor de buitengewone dynamiek in de letteren. Rond 1950 was het
onderwijssysteem op de helling gezet en die vernieuwing begon haar vruchten af
te werpen. Het bibliotheekwezen groeide expansioneel en bediende tienduizenden
lezers in stad en district. Paramaribo telde meer drukkerijen dan ooit te voren,
wat een belangrijk gegeven was voor de literaire productie in eigen beheer
(uitgeverijen hebben slechts een kleine rol gespeeld). De Sticusa en haar
‘lange arm’ in Suriname, het CCS, hoe vaak ook kop van Jut
in nationalistische kring, beschikten over de middelen om met reisbeurzen,
stipendia, aankopen en prijzen de schrijvers te ondersteunen. De kranten maakten
nooit eerder zoveel ruimte vrij voor critici die toegewijd de culturele
ontwikkelingen volgden.
De literaire tijdschriften Tongoni, Soela, Moetete en Kolibri boden aankomende auteurs een platform, zoals ook de
tweewekelijkse literaire pagina van het dagblad Suriname dat
van 1967 tot 1969 deed, en in Nederland het tijdschrift Mamjo.
Met uitzondering van Kolibri en Mamjo, die
aanschopten tegen de gezapigheid van een voorgekookt literair nationalisme,
fungeerden alle tijdschriften als bloemlezingen zonder scherp afgebakende | | | | programmatische uitgangspunten. Veel continuïteit in
het bijdragen aan tijdschriften was er niet: wie de tijdschriften
inventariseert, komt op een totaal van 72 auteurs. Daarvan hebben er slechts
twee bijgedragen aan meer dan twee tijdschriften: Shrinivási en
Slory. Veel continuïteit boden die bladen op zichzelf overigens ook
niet: Soela bestond met zeven nummers nog het langst.
Op theatergebied hebben enkele individuen een opvallende rol gespeeld: Henk
Zoutendijk beheerste met tientallen producties de jaren zestig en zocht nog naar
aansluiting bij het wereldrepertoire, maar Hans
Caprino, Franklin Lafour en Henk Tjon gaven rond 1970 krachtige vernieuwende
impulsen voor eigen creatief werk, waarbij de laatste een vruchtbare
samenwerking aanging met schrijfster Thea Doelwijt in
het Doe-theater. Duidelijk is overigens dat het volkstheater met groepen als Naks van Eugène Drenthe
en Jagritie van Goeroedath Kallasingh de veruit
grootste aantallen toeschouwers trok.
Jarenlang beheerste de Avros de ether, maar opeens kwam er een
hele reeks radiostations bij, waar de volkstalen nadrukkelijk in de
programmering aan bod kwamen, en waar ruimte werd gecreëerd voor
hoorspelen en culturele programma's. In 1965 kreeg Suriname ook zijn eigen
televisiestation; van een substantiële dramaproductie voor tv is
echter geen sprake geweest.
De val van het laatste kabinet-Pengel luidde een politiek uiterst rumoerige tijd
in. Het waren vooral dichters die zich, met strijdpoëzie van
onvervalste signatuur en afgestemd op een massapubliek, tot spreekbuis maakten
van de maatschappelijke onvrede en het verlangen naar de politieke
onafhankelijkheid van Suriname. R. Dobru reikte vanaf het midden van de jaren
'60 de vormtaal aan, waarop veel van de geëngageerde dichters zich
oriënteerden. Zijn gedicht ‘Wan bon’ werd de
bekendste belijdenis van het saamhorigheidsverlangen van het Surinaamse volk.
(Opvallend is overigens dat de mulattin die in de romans van Cirilo Villaverde,
Mayotte Capécia, Alejo Carpentier, Gabriel García
Márquez, Simone Schwarz-Bart en talloze andere Caraïbische
auteurs voorkomt als archetype van zowel de tragische persoonlijkheid tussen
twee werelden, als de unificerende kracht binnen een volk, in de Surinaamse
literatuur van deze jaren ontbreekt.1318)
Opmerkelijk genoeg - en niet geheel in lijn met het eenheidsgeloof van die jaren
- bleef de literaire productie bijna geheel beperkt tot werk in het Nederlands
of Sranan. Shrinivási schreef weliswaar de eerste gedichten in het
Sarnami, Akanamba de eerste poëzie in het Saamaka en André Pakosie in het Ndyuka, maar hele
bundels werden er in geen van deze talen gepubliceerd. Sarnami werd gaandeweg
een belangrijke toneeltaal; de belangrijkste hindostaanse toneelschrijver,
Goeroedath Kallasingh, vroeg nadrukkelijk aandacht voor het hindostaanse
cultuurgoed als deel van het nationale erfgoed.
Trefossa introduceerde in zijn poëzie ook
migrantenmotieven en hij stond daarin niet alleen. Zeer velen van het tijdvak
1957-1975 hebben jarenlang in het buitenland gewoond en van dat verblijf overzee
ook de invloed ondergaan. In Nederland werden zij gevonden in studentenkringen
en dan met name rond het Leidse tijdschrift Mamjo, rond de
vereniging Ons Suriname met haar jaarschrift Fri en het
Surinaams Verbond met zijn tweemaandelijkse Djogo. Na 1968
gaven Leo Ferrier en Bea
Vianen de maatschappelijk betrokken | | | | maar psychologisch
uitgewerkte roman de grootste vlucht sinds de boeken van Albert Helman (die
overigens zelf met eigen werk en met allerlei activiteiten nadrukkelijk aanwezig
bleef, maar die door de jongste schrijversgeneratie scherp gekritiseerd werd als
iemand die te zeer de oren liet hangen naar het Nederlandse model).
Albert Helman werd ook aangehaald in een paginagrote
bespreking die in De Ware Tijd van 12 juni 1971 verscheen van
de roman Strafhok van Bea Vianen.1319 Het niet-ondertekende essay is vermoedelijk
van de hand van A.J. Morpurgo en noemt Strafhok ‘het merkteken dat als een monument vastlegt
wié je bent, wát je samenleving is, en hóe je
probeert je te bevrijden van de gevolgen van een martelend verleden’.
Het stuk plaatst de roman binnen de jonge prozatraditie en wordt hier uitvoerig
weergegeven omdat het op een meer dan voortreffelijke wijze analyseerde welke
ontwikkelingen zich hadden voltrokken tot aan Vianens tweede roman.
Helman keek naar zichzelf en de Surinamers vanuit een standpunt
dat ergens buiten onze landsgrenzen moest worden gezocht. [...] De tijd is
aangebroken om te beseffen, dat deze schrijver [...] zichzelf en zijn land
onvermijdelijk móest bezien vanuit grote afstand [...]. De Surinamer
heeft naar zichzelf leren kijken door de bril van anderen - en daarvan vinden we
de neerslag in Helmans boeken. Ze zijn er niet minder Surinaams om.
In de jaren '50 en '60 kende de literatuur in Suriname een proza-opleving, vooral
van het ultra-korte verhaal.
De symboliek van déze literaire opleving kan in het algemeen
worden aangeduid als een moderne vorm van bezwering. Bezwering aan het adres van
een blijkbaar onverschillige wereld, die het verschijnsel Surinamer niet kende.
Bezwering van een toekomst die heroïsch moest zijn. Bezwering van een
eigen binnenwereld, die onzekerheid gaf en angst, en misschien zelfs chaotisch
dreigde te blijven.
In het essay worden Slory, Dobru, Marlee, Doelwijt, Shrinivási en Slagveer genoemd, maar daaraan zouden zeker ook Trefossa, Johanna
Schouten-Elsenhout en Kwame Dandillo
toegevoegd kunnen worden. De criticus komt in de verleiding te spreken van
‘de generatie der wanhopige optimisten’. Dit feit
is cultureel zó belangrijk, dat de beoordeling van dit werk op grond
van criteria van ‘goed’ of ‘geslaagd’
bijna niet terzake doet. [...] Want hij probeert naar zichzelf te kijken vanuit zijn samenleving - dat wil zeggen: hij probeert dichter
bij huis te komen dan Albert Helman.
Dan komt plotseling Leo Ferrier ‘met een doelbewust geconstrueerd
labyrint van situaties, suggesties, culturen, fantasieën, feiten en
toespelingen. Het is een zeer symbolische literatuur, en ook een zeer
persoonlijke.’ Hij zal ooit in één adem worden
genoemd met Borges, Cortázar en Vallejo, meent de criticus.
Het is een sterk morbide literatuur aan het worden, die bezeten is van
gruwelijkheden, genadeloze waarheidsfilosofie, en vooral van ontstelde
zelfontdekking. [Ook bij Rodney Russel en Bea Vianen is] een keten te vinden van
schrijnend zelfonderzoek, afkeer van de gedane ontdekkingen, beschuldiging en
zelfbeschuldiging en het tenslotte aanvaarden van dit alles als de enige
waarheid die ertoe doet. [Die aanvaarding] zit boordevol opstandigheid, de drang
tot verandering, wraaklust en haat.
Opmerkelijk is dat met de positionering van Ferrier als gelijke van de grote
Latijns-Amerikaanse prozaschrijvers werd aangegeven dat de Surinaamse literatuur
op het laatste ont- | | | | wikkelingsplan was gekomen zoals dat door Helman
was aangeduid in een essay in Sticusa Journaal over de vijf
ontwikkelingsfasen in het ontstaan van de literaire productie van
dekoloniserende landen. Die conclusie, zo kan decennia later vastgesteld worden,
was prematuur. Terwijl verschillende Surinaamse dichters een groot oeuvre
uitbouwden en daarvoor met literaire prijzen bekroond werden, konden slecht
weinig prozaschrijvers de gewekte verwachtingen waarmaken. Na zijn debuutbundel
Spanhoek
bundelde Coen Ooft geen werk meer. Nel Bradley, Benny Ooft,
Thea Doelwijt, Ruud
Mungroo publiceerden na hun vroege prozawerk weinig meer, of legden zich
- zoals Doelwijt - toe op andere genres. De komeetachtige entree in de letteren
van Leo Ferrier met zijn Átman werd na de korte
roman El sisilobi bruusk afgebroken. Alleen Bea Vianen bleef
met vijf romans een decennium aanwezig. De grote oeuvrebouwers ná
Helman zouden zich eerst na 1975 het podium beklimmen.
Een verontrustend verschijnsel is geweest dat juist onder migrantenschrijvers
zich enkele ernstige gevallen van psychose hebben voorgedaan. Een
psycho-analytische benadering van dit fenomeen valt buiten de grenzen van deze
literatuurgeschiedenis, maar het is misschien wel dienstig te wijzen op de wijze
waarop componist en psychiater Hans Henkemans het creatieve proces heeft
geanalyseerd. Elk Ik, zo stelt hij, wordt tijdens de groei naar volwassenheid
gefrustreerd. Die frustratie kan leiden tot een vorm van sublimatie in het
kunstwerk, ‘een - tot het voordeel van het individu - geslaagde vorm
van afweer, waarbij de, doorgaans uit de vroegste kinderjaren stammende driften
omgevormd worden tot handelingen, die qua inhoud weliswaar een
aanzienlijke wijziging hebben ondergaan, doch waarvan de begeleidende emoties
onveranderd zijn gebleven.’ De sublimatie levert via een
instinctief-creatief proces een kunstwerk op. Is de sublimatie echter gebaseerd
op identificatie (d.w.z. imitatie van een ander), dan verloopt het persoonlijke
afrekenen met de impuls niet optimaal, en kan een neurose of neurotisch gedrag
(bijvoorbeeld agressie) het gevolg zijn.1320 Mij lijkt het toe, dat juist in het geval van sensitieve
Surinaamse kunstenaars, zowel de sublimatie als de identificatie extreem complex
zijn, omdat hun ‘meerzijdige culturele gebondenheid’ de
richting van het reageren op een impuls onduidelijk kan maken, en de keuze van
wat te ‘imiteren’ op zich al uiterst verwarrend kan zijn in
een postkoloniale situatie. De ideeën van Jacques Lacan over de
identificatie van de zwarte mens met een spiegelbeeld dat door de witte mens is
aangereikt, sluiten hierop naadloos aan.
De wonderbaarlijke ontplooiing van poëzietalent nadat Suriname altijd
voornamelijk rijmelaars had voortgebracht, had ook een schaduwzijde. Bij gebrek
aan een goede literaire infrastructuur, brachten zelfs de beste dichters hun
werk in eigen beheer uit. Rijp en groen lag naast elkaar op hetzelfde
boekenschap. Al in 1963 schreef Pim de la Parra in
Mamjo over de rage van het uitgeven van dichtbundels:
‘Wie dus (!) voor nationalist wil doorgaan moet een bundeltje
uitgeven, liefst met gedichten in de surinaamse taal.’1321 Zijn stelling zou in het
onafhankelijkheidsjaar nog maar eens ten overvloede bewezen worden: alleen al in
1975 verscheen er bijna elke week een dichtbundel. De markt dreigde verzadigd te
raken. Een zekere Bud schreef in 1974 in het tijdschrift Bank
Notes: ‘De | | | | nogal kleine Surinaamse leesgemeenschap
is oververzadigd van poëma's vandaar haar mindere belangstelling voor
of zelfs afkeer van de gedichtbundels die met de regelmaat van de klok het licht
zien. [...] De lezers willen andere dingen hebben: Surinaamse romans, verhalen,
“Who is who” van Suriname, interessante geschiedkundige
aantekeningen van ons land.’1322
Van een heel andere orde tenslotte is de vraag in hoeverre het politiek
geëngageerde werk van de jaren '60 en begin jaren '70 werkelijk zoden
aan de dijk heeft gezet. Er leek zoiets als een eenheidsbeleven door Suriname te
waren, zeker als we afgaan op wat er in literaire teksten over is terug te
vinden. Maar terugblikkend zegt Hugo Pos - die toch
zelf altijd het beeld heeft gepropageerd van de schrijvers die de
onafhankelijkheid brachten:
Mijn optimistisch geloof in een nieuwe, saamhorige maatschappij waar ik
van harte aan mee wilde werken had het te kwaad met een heimelijk onuitgesproken
achterdocht waar ik niet aan toe wilde geven. Het besef dat achter al onze
fraaie woorden en idealen een niet te verbloemen onbehagen bleef smeulen, juist
omdat ze verlangens opriepen die niet een twee drie bevredigd en verwerkelijkt
konden worden. Terwijl het nog maar de vraag was of al die mooie
ideeën wel aansloten bij de gevoelens van de mensen voor wie ze in
eerste en laatste instantie bedoeld waren.1323
Het Suriname van vóór 1975 zou in latere jaren aan menig
schrijver sceptische geluiden ontlokken. Twee van de belangrijkste van de nieuwe
generatie hadden overigens al rond 1970 hun debuut gemaakt: Edgar Cairo en Astrid Roemer. Zij zouden
zo nadrukkelijk hun stempel drukken op de Surinaamse literatuur van de jaren '80
en '90 dat zij hun plaats moeten krijgen in de migrantenliteratuur van na de
onafhankelijkheid.
|
1317Zie over dit verschijnsel op de Antillen: Broek 1995:
270.
1318Van de inmiddels
uitgebreide literatuur over de mulattin noem ik: Coulthard 1962, Christian
1980 en Kutzinski 1993 en voor de Surinaamse situatie: Phaf 1984c, 1987a
(ook 1988 en 1991), 1989, 1993 en 1997. Over Capécia: Voorhoeve
1953b.
1319‘Strafhok, een hoogtepunt in de Surinaamse literatuur’,
in DWT 4188/12-6-1971.
1320Henkemans
1981: 13, 15, 21, 24-25, 75. Specifiek over literaire sublimatie:
68-70.
1321De la Parra 1962a: 46.
1322Bud, Tegen
Surinaamse schrijvers en dichters. In: Bank Notes, nr. 97,
mei/juni 1974, p. 44-45.
|
|